Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over beleidsadvies ten aanzien van maatschappelijk aanvaardbare uitgaven aan geneesmiddelen (MAUG) (Kamerstuk 29477-953)
29 477 Geneesmiddelenbeleid
Nr. 964 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 13 februari 2026
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft een aantal vragen
en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over
de brief van 30 oktober 2025 inzake het beleidsadvies ten aanzien van maatschappelijk
aanvaardbare uitgaven aan geneesmiddelen (MAUG) (Kamerstuk 29 477, nr. 953).
De vragen en opmerkingen zijn op 19 januari 2026 aan de Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport voorgelegd. Bij brief van 13 februari 2026 zijn de vragen beantwoord.
De fungerend voorzitter van de commissie, Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie, Sjerp
Inhoudsopgave
blz.
I.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
3
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
4
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
5
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
7
Vragen en opmerkingen van de leden van de FVD-fractie
8
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
8
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
8
II.
Reactie van de Minister
8
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het beleidsadvies van het Zorginstituut
Nederland (het Zorginstituut), de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de Autoriteit
Consument en Markt (ACM) over maatschappelijk aanvaardbare uitgaven aan geneesmiddelen,
evenals de brief van de Minister hierover.
Deze leden benadrukken dat het hier gaat om een uiterst gevoelig en maatschappelijk
relevant onderwerp. Medicijnen kunnen voor patiënten het verschil maken tussen ziekte
en gezondheid, tussen buitenspel staan en meedoen. Voor de leden van de D66-fractie
staat voorop dat iedereen toegang moet hebben tot geneesmiddelen die aantoonbaar van
waarde zijn. Tegelijkertijd is het noodzakelijk om zorgvuldig om te gaan met het collectieve
zorgbudget, zodat ook andere vormen van zorg toegankelijk en betaalbaar blijven. Dat
vraagt om een sterke onderhandelingspositie van de overheid ten opzichte van medicijnfabrikanten,
goede samenwerking tussen betrokken partijen, en om een beleid dat gezondheidswinst
door innovatie beloont zonder dat dit leidt tot maatschappelijk onaanvaardbare prijzen.
De leden van de D66-fractie zien in het adviesrapport «Naar maatschappelijk aanvaardbare
uitgaven aan geneesmiddelen» (MAUG-advies) een belangrijke stap richting een scherper
en transparanter kader voor wat we als samenleving bereid zijn te betalen voor dure
geneesmiddelen. Zij volgen met belangstelling hoe het Zorginstituut, de NZa en het
ministerie dit advies verder uitwerken in concrete vervolgstappen en beleidskeuzes.
In het bijzonder hechten deze leden waarde aan het deel van het advies waarin wordt
ingezet op het versterken van concurrentie tussen medicijnfabrikanten. Het advies
benadrukt dat concurrentie een cruciale randvoorwaarde is voor lagere prijzen, maar
dat die concurrentie in de praktijk vaak onvoldoende of te laat op gang komt. Daarbij
worden onder meer voorstellen gedaan om onderling uitwisselbare medicijnen op dezelfde
wijze te vergoeden en om prijsonderhandelingen beter te coördineren tussen het ministerie,
zorgverzekeraars en zorgaanbieders. Deze leden wijzen er daarnaast op dat concurrentie
en samenwerking elkaar kunnen versterken, met name door betere afstemming en gezamenlijke
inzet, ook op Europees niveau. Juist in een internationale en geopolitiek veranderende
context kan samenwerking bijdragen aan een sterkere onderhandelingspositie en betere
toegang tot geneesmiddelen voor patiënten.
De leden van de D66-fractie vragen de Minister hoe hij concreet opvolging geeft aan
deze aanbevelingen. Welke maatregelen is de Minister voornemens te nemen om zowel
concurrentie te versterken als samenwerking te bevorderen, en op welke termijn? Hoe
verhouden deze maatregelen zich tot lopende trajecten op nationaal en Europees niveau,
mede in het licht van de huidige geopolitieke ontwikkelingen en afhankelijkheden in
de geneesmiddelenketen? Daarnaast vragen deze leden de Minister om in zijn verdere
uitwerking expliciet inzicht te geven in de verwachte impact van deze maatregelen
op patiënten, de prijzen van geneesmiddelen, en de houdbaarheid van de zorguitgaven.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben het zogenaamde MAUG-advies gelezen en hebben daar
nog enkele vragen over.
Ten eerste willen voornoemde leden graag een antwoord op de vragen die specifiek over
de MAUG-adviezen gaan. Op welke wijze draagt het MAUG-advies volgens de Minister bij
aan het versnellen van de toegang van patiënten tot innovatieve geneesmiddelen? Kan
de Minister dit toelichten? Daarnaast vragen genoemde leden aan de Minister wat zijn
visie is op het toepassen van het consumenten- en fabrikantensurplus uit het MAUG-rapport.
En wie zou volgens de Minister de hoogte van deze kaders moeten bepalen?
De uitkomst van het burgerforum, onderdeel van de MAUG-verkenning, is inmiddels meermaals
vertaald als draagvlak voor beslissingen om diverse geneesmiddelen niet toe te laten
tot het verzekerde pakket. Kan de Minister zijn zienswijze geven op de conclusie dat
dit beleidsadvies al staand beleid lijkt zonder dat de Kamer zich daar actief over
heeft kunnen uitspreken?
In hoeverre is het perspectief van patiënten en farmaceuten meegenomen in de totstandkoming
van het MAUG-advies en in hoeverre kunnen de NZa en het Zorginstituut Nederland ook
voor andere zorg dan geneesmiddelen concluderen in welke mate er sprake is van verdringing?
Verwacht de Minister dat sterkere prijsdruk als gevolg van de MAUG-voorstellen gevolgen
heeft voor de toegang van Nederlandse patiënten tot nieuwe behandelingen?
Genoemde leden zijn benieuwd of de Minister bekend is met de term «most favoured nations»
(MFN) en de mogelijke gevolgen van dit beleid voor de beschikbaarheid van geneesmiddelen
voor de Nederlandse patiënt? Welke acties onderneemt de Minister momenteel om te voorkomen
dat Nederland door internationale prijsdruk achteropraakt bij de introductie van nieuwe
geneesmiddelen? Hoe kijkt de Minister naar de huidige situatie dat Nederland als welvarend
land een relatief laag percentage van het bbp uitgeeft aan innovatieve geneesmiddelen
en zodoende relatief weinig bijdraagt aan de wereldwijde innovatie van geneesmiddelen?
In relatie tot bovenstaande willen voornoemde leden weten of Nederland kwetsbaar is
voor specifieke Amerikaanse maatregelen gericht op het verhogen van de Nederlandse
uitgaven aan geneesmiddelen en wat de gevolgen van de Amerikaanse opstelling en beleid
zijn voor de beschikbaarheid van geneesmiddelen voor Nederlandse patiënten? Heeft
de Minister concrete acties ondernomen? Zo ja, welke en zo nee, is de Minister voornemens
dit te doen? Is de Minister met zijn EU-collega’s in gesprek over de gevolgen van
het Amerikaanse geneesmiddelenprijsbeleid? Zo ja, kan de Minister met de Kamer delen
wat zijn inzet is in deze gesprekken? Kan de Minister met de Kamer delen wat andere
EU-lidstaten doen in reactie op het MFN-beleid van de Verenigde Staten (VS)?
Tot slot met betrekking tot dit onderwerp willen genoemde leden weten of er een impactanalyse
is uitgevoerd naar de effecten van de voorgestelde prijsmaatregelen van de VS op het
Nederlandse innovatie-ecosysteem en klinisch onderzoek, en zo nee, is de Minister
bereid deze alsnog uit te voeren?
Tijdens eerdere debatten waar gesproken werd over geneesmiddelenbeleid is er ook gesproken
over het vermaledijde «evergreening» en heeft de PVV-fractie daar ook een motie over
ingediend. Daarom tot slot de volgende twee vragen. De term «evergreening» komt in
het MAUG-rapport vaak naar voren. Vorig jaar heeft het Zorginstituut acht signalen
over mogelijke evergreening met de ACM gedeeld. Zo ja, kan de Minister met de Kamer
delen om welke acht signalen het hier gaat? Wanneer kan de Kamer een reactie verwachten
op de vorig jaar aangenomen motie Thiadens over evergreening (Kamerstuk 36 725 XVI, nr. 33)?
Genoemde leden vragen de Minister de beantwoording op dit schriftelijk overleg, voor
de behandeling van de begroting Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar
2026 naar de Kamer te doen toekomen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het Beleidsadvies
ten aanzien van maatschappelijk aanvaardbare uitgaven aan geneesmiddelen. Deze leden
willen investeren in onze veiligheid en welvaart, maar minder uitgeven in plaats van
belasting verhogen. Dat betekent dat de gehele overheid haar huishoudboekje op orde
moet houden. Om dit te realiseren moeten onder andere behandelingen in de gezondheidszorg
meer worden beoordeeld op de toegevoegde waarde van behandeling ten opzichte van de
bestaande alternatieven en maatschappelijke kosten. De leden van de VVD-fractie zijn
daarom verheugd dat de Minister stappen wil zetten om te komen tot maatschappelijke
aanvaardbare prijzen voor geneesmiddelen.
De leden van de VVD-fractie vinden kostenbeheersing van zorgkosten niet alleen wenselijk,
maar ook noodzakelijk. Genoemde leden willen tegelijkertijd dat Nederland een aantrekkelijk
vestigingsklimaat heeft voor ondernemers en bedrijven die actief zijn in de zorg-
en biofarmaceutische sector, dit is immers nodig voor innovatie en economische groei.
De leden van de VVD-fractie vragen of de Minister voldoende rekening houdt met de
wankele stand van het Nederlandse vestigingsklimaat met het voorgestelde geneesmiddelenbeleid.
Kan de Minister reflecteren op de bredere, potentiële economische gevolgen van het
in het algemeen verouderde «sluis-beleid» en het in het specifiek openbare maximumtarief
in Nederland?
De leden van de VVD-fractie begrijpen dat inkoopprocessen van medicijnen vaak niet
optimaal verlopen. Deze leden signaleren dat de «sluisprocedure» voor aanvragende
partijen vaak onduidelijk en niet-transparant is, waardoor deze procedure ook voor
hen moeilijk hanteerbaar is. Kan de Minister aangeven of hij deze zienswijze deelt?
Zo ja, hoe kan hij de sluisprocedure meer transparant maken? De leden van de VVD-fractie
steunen de doelstelling van de Minister van Economische Zaken om de biofarmaceutische
sector tot bloei te laten komen. Zij zien hiervoor kansen in meer transparantie van
«sluisprocessen». Graag een reflectie van de Minister.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de mogelijkheid onderzocht wordt van een «new
competition tool». Dit lijkt deze leden een goede manier om de markt wendbaarder te
maken. Kan de Minister aangeven hoe hij hiertegen aankijkt?
De leden van de VVD-fractie lezen dat het Zorginstituut in de loop van 2026 het doorontwikkelde
beoordelingskader voor opname van medicijnen in het basispakket zal publiceren. Deze
leden zijn blij met deze voortvarendheid. Kan de Minister aangeven of dit traject
op schema loopt?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de NZa verkent of het mogelijk is om de maximumtarieven
voor dure intramurale medicijnen beter aan te laten sluiten bij de maximaal maatschappelijk
aanvaardbare tarieven. Kan de Minister aangeven op welke termijn hij mogelijk acht
dat deze tarieven daardoor beter aansluiten bij de maximaal maatschappelijk aanvaardbare
tarieven, met inachtneming van de bekostigingscyclus van de zorgautoriteit? In welke
mate verwacht hij dat deze maatregel zal bijdragen aan aanvaardbare geneesmiddelenuitgaven?
De leden van de VVD-fractie lezen dat professionals aangeven dat voor de prijsbepaling
gekeken moet worden naar de werkelijke kosten voor de fabrikant, vermeerderd met een
redelijke winstmarge. Hoewel deze leden het eens zijn met dit uitgangspunt, begrijpen
zij ook dat de praktijk op dit punt weerbarstig is. Kan de Minister aangeven op welke
manier hij, in samenwerking met de farmaceutische industrie, kan komen tot een systematiek
waarbinnen de kostprijsontwikkeling duidelijk is? Zo kan immers de ontwikkeling van
maatschappelijk aanvaardbare geneesmiddelenuitgaven gepaard gaan met breder draagvlak
voor de belangrijke werkzaamheden van innovatieve farmaceuten.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de MAUG-partijen hebben geadviseerd om bij de
Europese Commissie te pleiten dat adviezen uit de «Joint Scientific Consultations»
openbaar gemaakt worden. Is de Minister van plan om dit advies op te volgen? Zo nee,
is de Minister van plan om op andere manieren binnen de Europese Unie de samenwerking
aan te halen op het gebied van toegankelijkheid en betaalbaarheid van geneesmiddelen?
De leden van de VVD-fractie lezen dat één van de problemen met de onderlinge uitwisselbaarheid
van geneesmiddelen is, dat zij onderdeel uitmaken van twee verschillende aanspraken:
farmaceutische zorg en geneeskundige zorg. Is het mogelijk om deze aanspraken samen
te voegen, of kleven hier andere bezwaren aan? Graag een reflectie van de Minister.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met veel interesse kennisgenomen van
het voorliggende beleidsadvies ten aanzien van maatschappelijke aanvaardbare uitgaven
aan geneesmiddelen (MAUG). Zij achten het van groot belang dat de aandacht voor de
stijgende uitgaven van medicijnen, (zeer) hoge vraagprijzen en het ontbreken van transparantie
bij farmaceuten en inzicht in de kosten van fabrikanten niet verslapt en het gesprek
hierover gevoerd blijft worden. Tegelijk hebben de leden oog voor het enorme belang,
vaak zelfs levensbelang, van (nieuwe) medicijnen en innovaties voor patiënten. De
vaak zeer schrijnende verhalen van patiënten die bepaalde medicijnen niet kunnen krijgen
omdat ze bijvoorbeeld nog in de sluisprocedure zitten, gaan deze leden aan het hart.
Er moet wat genoemde leden betreft dan ook evenwicht zijn tussen het kritisch volgen
van de stijgende uitgaven aan geneesmiddelen enerzijds en het bevorderen van de toegang
tot nieuwe geneesmiddelen anderzijds. Juist door betere wet- en regelgeving, het afdwingen
van transparantie en het tegengaan van ongewenste praktijken die de prijzen opdrijven,
kan hier wat de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie een betere balans in worden gevonden.
Deze leden hebben hier nog een aantal vragen en opmerkingen over.
Allereerst zijn de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie het Zorginstituut, de Nederlandse
Zorgautoriteit (NZa) en de Autoriteit Consument en Markt (ACM) erkentelijk voor het
adviesrapport «Naar maatschappelijk aanvaardbare uitgaven aan geneesmiddelen», dat
er op initiatief van de motie Kuiken1 is gekomen. Zij vinden het een goede zaak dat de Minister van VWS naar aanleiding
van het rapport een gezamenlijke werkagenda heeft opgesteld. Genoemde leden lezen
dat het Zorginstituut nu eerst het beoordelingskader verder gaat ontwikkelen op basis
van in het advies uitgewerkte uitgangspunten, dat moet leiden tot concretere kortingsadviezen
in een vergoedingsadvies aan de Minister. Op welke termijn wordt dit beoordelingskader
verwacht? En op welke termijn verwacht de Minister dit te kunnen toepassen in onderhandelingen
over vergoedingen?
Daarnaast hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie enkele vragen over de uitgangspunten
die het Zorginstituut gaat kwantificeren. Het eerste uitgangspunt is om gezondheidswinst
centraal te stellen. Hoe meer gezondheidswinst een medicijn oplevert, hoe meer we
als samenleving bereid zijn voor het medicijn te betalen. Hoe wordt bepaald wanneer
de gezondheidswinst groot genoeg is en welke indicatoren worden daarvoor gebruikt,
met name bij nieuwe medicijnen waar misschien minder data over beschikbaar is? Welke
mogelijke gevolgen heeft dit voor patiënten met zeldzame aandoeningen? Juist bij deze
groep kan sprake zijn van hoge prijzen door een kleine afzetmarkt en mogelijk beperkt
bewijs. Hoe wordt geborgd dat geneesmiddelen met een beperkte bewijslast en een kleine
groep patiënten, toegankelijk blijven voor patiënten met ernstige aandoeningen en
hoge onvervulde behandelbehoeften?
Het vijfde uitgangspunt stelt dat de maatschappelijke aanvaardbare prijs dynamisch
is, waarbij de maatschappelijk aanvaardbare prijs van het medicijn zou moeten dalen
wanneer het aannemelijk is dat de investeringen zijn terugverdiend. De leden van de
GroenLinks-PvdA-fractie gaan ervan uit dat dit betekent dat er transparantie zou moeten
zijn over de investeringen van farmaceuten en de bijbehorende Research & Development-kosten
(R&D). Zodat duidelijk is hoeveel en wanneer prijzen logischerwijs zouden moeten dalen.
De betreffende leden missen nadere uitwerking hiervan in de beleidsreactie en ontvangen
hier graag een verdere toelichting op. Hoe verwacht de Minister dit te kunnen handhaven
en bewerkstelligen, gezien de beperkte transparantie vanuit de sector op dit gebied
en de inzet van praktijken als evergreening? Hoe kan worden voorkomen dat, ook met
de nieuwe uitgangspunten en de vergoedingsadviezen, farmaceuten de «loopholes» opzoeken
of met nieuwe methodes komen om dit te omzeilen? Hoe zet de Minister zich in op Europees
niveau om meer transparantie over medicijnprijzen te bewerkstelligen, zodat hier ook
internationaal in kan worden samengewerkt en een vuist kan worden gemaakt tegen de
farmaceutische industrie? Kan de Minister reageren op het advies in het onderzoeksrapport
om op Europees niveau af te dwingen op welke manier fabrikanten onderzoek moeten opzetten,
zodat verschillende medicijnen beter met elkaar te vergelijken zijn? En hoe kan Nederland
samen met andere Europese landen optrekken om te reageren op het huidige beleid van
de Verenigde Staten, waarbij bedrijven tot lagere prijzen worden gedwongen waardoor
de prijzen in Nederland en Europa weer stijgen?
Hoe kijkt de Minister daarnaast naar het cost-plus model voor de vergoeding van medicijnen,
waarbij bovenop alle gemaakte kosten van de fabrikant een vast percentage of bedrag
als winstmarge wordt opgeteld? Kan deze methode mee worden genomen of nader uitgewerkt
binnen één van de uitgangspunten? Het is wat de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
namelijk van groot belang om kritisch te blijven op de maatschappelijke aanvaardbare
prijs die wordt betaald voor een medicijn als de winsten alsnog astronomisch hoog
zijn. Als de prijs maatschappelijk aanvaardbaar is wil dat namelijk niet per definitie
zeggen dat de prijs niet te hoog is. Denk bijvoorbeeld aan de recordomzet en enorme
winsten die fabrikanten als AstraZeneca in 2025 behaalden. Vindt de Minister dit maatschappelijk
aanvaardbaar in het licht van de grote opgaven en daaraan gekoppelde uitgaven waar
we als samenleving voor staan?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie begrijpen daarnaast uit het beleidsadvies
dat de Minister verwacht door het kwantificeren van de genoemde uitgangspunten sneller
tot een vergoedingsbesluit te kunnen komen. Met als gevolg dat de Minister waarschijnlijk
vaker nee moet gaan zeggen tegen een vraagprijs van een fabrikant omdat er geen sprake
is van een maatschappelijk aanvaardbare prijs, waardoor patiënten geen toegang krijgen
tot geneesmiddelen met mogelijke meerwaarde. Hoe verhoudt zich dit tot de sluisprocedure
voor dure medicijnen? Verwacht de Minister bijvoorbeeld dat hierdoor meer of juist
minder medicijnen in de sluis terecht zullen komen, of dat bepaalde medicijnen niet
meer voor de sluis in aanmerking komen?
In het beleidsadvies wordt tot slot het wetsvoorstel van het lid Bushoff genoemd dat
als doel heeft dat de ACM ook fusies en overnames kan beoordelen die niet meldingsplichtig
zijn bij de ACM als er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat zich mededingingsproblemen
kunnen voordoen. Ook onderzoekt de ACM de mogelijkheid van een «new competition tool»,
waarbij de ACM na marktonderzoek aan specifieke ondernemingen voorschriften kan opleggen
die de concurrentie bevorderen. Hoe verhouden deze beide voorstellen zich volgens
de Minister tot de gezamenlijke werkagenda MAUG en hoe kunnen deze voorstellen de
werkagenda versterken? Kan de Minister hier nader op ingaan?
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het beleidsadvies over Maatschappelijk
aanvaardbare uitgaven aan geneesmiddelen (MAUG). Wat deze leden betreft is dit een
goede basis voor de verdere discussie hierover. Deze leden zien uit naar de appreciatie
van de adviezen die gericht zijn aan de Minister van VWS.
De leden van de CDA-fractie hebben voor nu een vraag over de geopolitieke ontwikkelingen
rondom de beschikbaarheid en betaalbaarheid van medicijnen, met name als het gaat
om de ontwikkelingen in de Verenigde Staten. Deze leden willen van de gelegenheid
gebruik maken om de Minister te vragen uitgebreider in te gaan op de stand van zaken
hiervan, de gevolgen van de geopolitieke ontwikkelingen voor Europese producenten
en patiënten, ons concurrentievermogen, de leveringsketens en de prijzen van geneesmiddelen
in Europa en Nederland.
Vragen en opmerkingen van de leden van de FVD-fractie
De leden van de FVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief inzake het beleidsadvies
Maatschappelijk aanvaardbare uitgaven aan geneesmiddelen (MAUG) en hebben de volgende
vragen.
Wat zet de Minister op Europees niveau in om meer transparantie over medicijnprijzen
te realiseren? Hoe borgt de Minister dat (wees)geneesmiddelen met beperkte bewijslast
tijdig toegankelijk zijn voor patiënten met ernstige aandoeningen en hoge onvervulde
behandelbehoeften?
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de fractie BBB hebben kennisgenomen van het beleidsadvies ten aanzien
van maatschappelijk aanvaardbare uitgaven aan geneesmiddelen (MAUG). Deze leden hebben
geen vragen aan de Minister.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het beleidsadvies ten aanzien
van maatschappelijk aanvaardbare uitgaven aan geneesmiddelen (MAUG) en de reactie
van het kabinet. Zij hebben hier nog enkele vragen en opmerkingen over.
De leden van de SP-fractie vinden het goed dat er kritisch wordt gekeken naar de enorm
hoge geneesmiddelenprijzen die commerciële farmaceutische bedrijven vaak vragen. Zij
vinden echter dat de Minister te weinig kijkt naar het vergroten van de transparantie
van de opbouw van geneesmiddelenprijzen. Momenteel is vaak compleet onduidelijk of
de productie- en ontwikkelkosten van een medicijn echt zo hoog zijn, of dat er vooral
wordt geprobeerd om enorme winsten binnen te harken. Waarom neemt de Minister niet
veel meer stappen om dit te verbeteren op?
De leden van de SP-fractie benadrukken daarnaast dat de hoge geneesmiddelenprijzen
ook grotendeels te maken hebben met de enorme afhankelijkheid van grote commerciële
geneesmiddelenbedrijven voor het ontwikkelen van geneesmiddelen. Is de Minister bereid
om veel meer in te zetten op het publiek ontwikkelen van geneesmiddelen, zodat er
goedkopere alternatieven komen en de afhankelijkheid van commerciële ontwikkelaars
wordt verminderd?
De leden van de SP-fractie zetten vraagtekens bij het voornemen van de Minister om
enkel in te zetten op een strakker beoordelingskader van nieuwe geneesmiddelen, zonder
de fundamentele oorzaken van deze hoge prijzen aan te pakken. Dat heeft namelijk het
risico dat patiënten minder toegang krijgen tot innovatieve medicijnen, terwijl er
kansen blijven liggen om de exorbitante winstmarges van commerciële farmaceuten echt
terug te brengen.
II. Reactie van de Minister
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het beleidsadvies van het Zorginstituut
Nederland (het Zorginstituut), de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de Autoriteit
Consument en Markt (ACM) over maatschappelijk aanvaardbare uitgaven aan geneesmiddelen,
evenals de brief van de Minister hierover.
Deze leden benadrukken dat het hier gaat om een uiterst gevoelig en maatschappelijk
relevant onderwerp. Medicijnen kunnen voor patiënten het verschil maken tussen ziekte
en gezondheid, tussen buitenspel staan en meedoen. Voor de leden van de D66-fractie
staat voorop dat iedereen toegang moet hebben tot geneesmiddelen die aantoonbaar van
waarde zijn. Tegelijkertijd is het noodzakelijk om zorgvuldig om te gaan met het collectieve
zorgbudget, zodat ook andere vormen van zorg toegankelijk en betaalbaar blijven. Dat
vraagt om een sterke onderhandelingspositie van de overheid ten opzichte van medicijnfabrikanten,
goede samenwerking tussen betrokken partijen, en om een beleid dat gezondheidswinst
door innovatie beloont zonder dat dit leidt tot maatschappelijk onaanvaardbare prijzen.
De leden van de D66-fractie zien in het adviesrapport «Naar maatschappelijk aanvaardbare
uitgaven aan geneesmiddelen» (MAUG-advies) een belangrijke stap richting een scherper
en transparanter kader voor wat we als samenleving bereid zijn te betalen voor dure
geneesmiddelen. Zij volgen met belangstelling hoe het Zorginstituut, de NZa en het
ministerie dit advies verder uitwerken in concrete vervolgstappen en beleidskeuzes.
In het bijzonder hechten deze leden waarde aan het deel van het advies waarin wordt
ingezet op het versterken van concurrentie tussen medicijnfabrikanten. Het advies
benadrukt dat concurrentie een cruciale randvoorwaarde is voor lagere prijzen, maar
dat die concurrentie in de praktijk vaak onvoldoende of te laat op gang komt. Daarbij
worden onder meer voorstellen gedaan om onderling uitwisselbare medicijnen op dezelfde
wijze te vergoeden en om prijsonderhandelingen beter te coördineren tussen het ministerie,
zorgverzekeraars en zorgaanbieders. Deze leden wijzen er daarnaast op dat concurrentie
en samenwerking elkaar kunnen versterken, met name door betere afstemming en gezamenlijke
inzet, ook op Europees niveau. Juist in een internationale en geopolitiek veranderende
context kan samenwerking bijdragen aan een sterkere onderhandelingspositie en betere
toegang tot geneesmiddelen voor patiënten.
De leden van de D66-fractie vragen de Minister hoe hij concreet opvolging geeft aan
deze aanbevelingen.
In de aanbiedingsbrief die ik eerder aan de Tweede Kamer stuurde gaf ik aan dat het
adviesrapport grotendeels uit een werkagenda bestaat.2 Daarin geven de drie zelfstandige bestuursorganen weer welke stappen ze zelf gaan
zetten in vervolg op het advies en geeft men adviezen aan mij als Minister voor beleidsaanpassingen.
Naast de werkagenda werden diverse adviezen aan mij gericht. Dit betreft onder meer
het onderwerp versterking concurrentie, evenals een aantal voor de Nederlandse Zorgautoriteit
(NZa) en Autoriteit Consument en Markt (ACM) belangrijke onderwerpen. Mijn opvolger
zal daar binnenkort middels een brief een nadere appreciatie op geven.
Welke maatregelen is de Minister voornemens te nemen om zowel concurrentie te versterken
als samenwerking te bevorderen, en op welke termijn?
In de aanbiedingsbrief heb ik aangegeven dat ik begin dit jaar kom met een nadere
appreciatie van de aanbeveling ten aanzien van concurrentieversterking. Binnenkort
zal mijn opvolger u daarover per brief informeren.
Hoe verhouden deze maatregelen zich tot lopende trajecten op nationaal en Europees
niveau, mede in het licht van de huidige geopolitieke ontwikkelingen en afhankelijkheden
in de geneesmiddelenketen?
Het rapport zie ik als een ondersteuning van mijn huidige inspanningen voor samenwerking
in Europa. Nederland is zeer actief op diverse niveaus en streeft naar intensieve
samenwerking met andere lidstaten en enkele niet-Europese landen: van het uitwisselen
van informatie en kennis, tot actieve deelname aan internationale formele samenwerkingsverbanden
zoals het Beneluxa initiatief. De Tweede Kamer heeft mij daartoe de afgelopen jaren
ook bij herhaling om verzocht.
Daarnaast vragen deze leden de Minister om in zijn verdere uitwerking expliciet inzicht
te geven in de verwachte impact van deze maatregelen op patiënten, de prijzen van
geneesmiddelen, en de houdbaarheid van de zorguitgaven.
Deze elementen kan mijn opvolger in haar appreciatie voor zover mogelijk verduidelijken.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben het zogenaamde MAUG-advies gelezen en hebben daar
nog enkele vragen over.
Ten eerste willen voornoemde leden graag een antwoord op de vragen die specifiek over
de MAUG-adviezen gaan. Op welke wijze draagt het MAUG-advies volgens de Minister bij
aan het versnellen van de toegang van patiënten tot innovatieve geneesmiddelen? Kan
de Minister dit toelichten.
Het Zorginstituut zal de uitgangspunten uit het MAUG-advies het aankomende jaar uitwerken
en waar mogelijk kwantificeren. De adviezen van het Zorginstituut zullen hierdoor
concreter worden, waardoor ik sneller vergoedingsbesluiten hoop te nemen. Desondanks
wil ik erkennen dat door strenger toe te zien op de prijzen van geneesmiddelen, de
toegang tot sommige geneesmiddelen kan vertragen, of in het uiterste geval – zoals
ook reeds opgemerkt in mijn aanbiedingsbrief van het beleidsadvies3 – dit er toe kan leiden dat patiënten vaker geen toegang krijgen tot een nieuw geneesmiddel,
omdat er geen sprake is van een maatschappelijk aanvaardbare prijs. Ik realiseer me
dat dit een grote impact heeft op patiënten en hun naasten die uitkijken naar het
geneesmiddel, maar ik weeg hierin ook het belang van andere patiënten en premiebetalers
mee.
Daarnaast vragen genoemde leden aan de Minister wat zijn visie is op het toepassen
van het consumenten- en fabrikantensurplus uit het MAUG-rapport. En wie zou volgens
de Minister de hoogte van deze kaders moeten bepalen?
Ik ben van mening dat het consumenten- en fabrikantensurplus rechtvaardig verdeeld
dient te worden. Wat een rechtvaardige verdeling is en hoe die bepaald kan worden,
kan ik op dit moment nog niet zeggen. Daarvoor wacht ik de uitwerking van de uitgangspunten
uit het MAUG-advies door Zorginstituut eerst af.
De uitkomst van het burgerforum, onderdeel van de MAUG-verkenning, is inmiddels meermaals
vertaald als draagvlak voor beslissingen om diverse geneesmiddelen niet toe te laten
tot het verzekerde pakket. Kan de Minister zijn zienswijze geven op de conclusie dat
dit beleidsadvies al staand beleid lijkt zonder dat de Kamer zich daar actief over
heeft kunnen uitspreken?
Deze conclusie deel ik niet. De beslissingen waarop de PVV-fractie doelt zijn gebaseerd
op het huidige kader, zoals toegepast in de pakketadviezen van het Zorginstituut.
Ik heb het burgerforum alleen genoemd omdat daaruit blijkt dat er breed draagvlak
is voor de uitgangspunten van het huidige pakketbeheer. Zoals in de begeleidende brief
bij het MAUG-advies uitgelegd, is een aantal uitgangspunten zoals genoemd in het advies
immers niet nieuw, alleen herbevestigd of nader onderbouwd.
In hoeverre is het perspectief van patiënten en farmaceuten meegenomen in de totstandkoming
van het MAUG-advies en in hoeverre kunnen de NZa en het Zorginstituut Nederland ook
voor andere zorg dan geneesmiddelen concluderen in welke mate er sprake is van verdringing?
Patiëntenorganisaties, koepels voor de farmaceutische industrie en andere partijen
zijn geconsulteerd in de periode van 8 tot en met 22 september 2025. Daarnaast konden
partijen deelnemen aan consultatiebijeenkomsten waarin het rapport werd toegelicht.
Drie patiëntenorganisaties en twee koepels van de farmaceutische industrie hebben
input geleverd. Dat zijn de Patiëntenfederatie Nederland, Nederlandse Federatie van
Kankerpatiënten organisaties (NFK) en de Nationale koepel van patiëntenorganisaties
voor zeldzame en genetische aandoeningen (VSOP), de Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen
(VIG) en HollandBio. In bijlage 4 van het rapport reageren de MAUG-partijen op de
verkregen input, en die heeft ertoe geleid dat het conceptrapport aangevuld en verbeterd
is.
De MAUG-partijen hebben het rapport geschreven in de context van geneesmiddelen, en
de conclusies kunnen alleen worden toegepast op geneesmiddelen. Desalniettemin is
bekend dat ook andere dure zorg zorgt voor verdringing, bijvoorbeeld dure medische
technologie.
Verwacht de Minister dat sterkere prijsdruk als gevolg van de MAUG-voorstellen gevolgen
heeft voor de toegang van Nederlandse patiënten tot nieuwe behandelingen?
Dat vind ik moeilijk te voorspellen, omdat de toegang van vele zaken afhangt. Het
MAUG-advies kan zoals gezegd leiden tot hogere kortingsadviezen, als het Zorginstituut
voor een geneesmiddel tot de conclusie komt dat een maatschappelijk aanvaardbare prijs
lager is dan een kosteneffectieve prijs. Mogelijk leidt dit tot langere onderhandelingen,
of een negatief vergoedingsbesluit. Andersom kan een concreter, kwantitatief advies
ook leiden tot een kortere doorlooptijd omdat ik een kwalitatief advies dan niet meer
hoef te vertalen in een kwantitatieve onderhandelinzet. De uitgangspunten kunnen,
consistent toegepast, ook duidelijkheid bieden. Het is daarmee voor fabrikanten helder
wat in Nederland de bereidheid te betalen bepaalt. Uiteraard zullen fabrikanten dit
betrekken bij hun strategische beslissingen over (het moment van) de lancering van
een nieuw geneesmiddel op de Nederlandse markt.
Genoemde leden zijn benieuwd of de Minister bekend is met de term «most favoured nations»
(MFN) en de mogelijke gevolgen van dit beleid voor de beschikbaarheid van geneesmiddelen
voor de Nederlandse patiënt?
Ik ben bekend met deze term en heb de Tweede Kamer in antwoorden op vragen van het
lid Dijk vorig jaar een eerste analyse van mogelijke effecten voor Nederland gegeven.4
Indien fabrikanten eventuele omzetderving door prijsdalingen in de Verenigde Staten
op Europese patiënten zouden willen verhalen, dan bestaat de mogelijkheid dat (één
van) de volgende strategieën wordt gehanteerd.
– Hogere introductieprijzen voor nieuwe geneesmiddelen in Europa om kortingen in de
VS te compenseren;
– Steviger prijsonderhandelingen in Europa omdat korting op het continent, zelfs in
een kleine lidstaat, de omzet op de lucratieve Amerikaanse markt kan raken;
– Vertraging of beperking van introductie van nieuwe producten om zo een vergelijking
met prijzen in de referentielanden voor de VS te voorkomen.
Welke acties onderneemt de Minister momenteel om te voorkomen dat Nederland door internationale
prijsdruk achteropraakt bij de introductie van nieuwe geneesmiddelen?
Ik volg de ontwikkelingen op de voet, zowel nationaal als internationaal. Op dit moment
zijn er voor Nederland nog geen directe effecten waar te nemen. Er is contact met
mijn Europese collega’s en ook in Nederland overleg ik met diverse partijen, waaronder
farmaceutische bedrijven. Dit geeft mij de mogelijkheid om in Nederland, of samen
met andere Europese landen te handelen indien dit nodig blijkt.
Hoe kijkt de Minister naar de huidige situatie dat Nederland als welvarend land een
relatief laag percentage van het bbp uitgeeft aan innovatieve geneesmiddelen en zodoende
relatief weinig bijdraagt aan de wereldwijde innovatie van geneesmiddelen?
Ik vind dit een redenering die te kort door de bocht gaat, omdat die ervan uitgaat
dat er een directe relatie ligt tussen de hoogte van uitgaven aan geneesmiddelen en
innovatie. Investeringen worden voor een belangrijk deel bepaald door het verwachte
rendement. Dan lijkt een potentieel hogere omzet een prikkel voor meer investeringen
en daarmee innovatie. Maar wat bij discussies over innovatie vaak niet genoemd wordt,
is dat investeringen niet hetzelfde zijn als innovatie, althans dat lang niet alle
innovatie een meerwaarde biedt, of in een maatschappelijke behoefte voorziet. Niet
alles dat nieuw is, is per definitie wenselijk, zeker niet als daar ook een (hoge)
meerprijs voor moet worden betaald.
Daarnaast kunnen twee landen met hetzelfde Bruto Binnenlands Product (BBP) zeer verschillende
zorgbehoeften en of zorgstandaarden hebben. Zo kunnen verschillen in vergrijzing en
het aantal chronisch zieken een groot verschil maken in de uitgaven aan geneesmiddelen.
Lage uitgaven aan geneesmiddelen kunnen ook gepaard gaan met hogere uitgaven elders
in het zorgsysteem.5 Bijvoorbeeld door de mate waarin niet-medicamenteuze behandeling voor groepen aandoeningen
is georganiseerd. Een voorbeeld van dat laatste is diabeteszorg, die in Nederland
zeer goed is georganiseerd en wordt verstrekt op basis van landelijke zorgstandaarden
en geleverd door goed georganiseerde zorgnetwerken. De kosten daarvan maken het mogelijk
om met minder kostbare geneesmiddelen een hoge kwaliteit van zorg te realiseren.
Tot slot laat onderzoek zien dat hogere medicatie- en zorguitgaven niet per definitie
gepaard gaan met betere gezondheidsuitkomsten.6 Zonder te kijken naar goede uitkomstmaten is de vergelijking naar mijn mening dus
inhoudsloos. Ik vind het Nederlandse beleid dat, vanuit de plicht om uitgaven vanuit
de zorgverzekering te verantwoorden, de waarde van een behandeling centraal stelt
en stuurt op het maximaliseren van gezondheidswinst daarom goed te verdedigen. Bovendien
vormt dat een prikkel voor de industrie om zich te richten op maatschappelijke behoefte
en gezondheidswinst. Dit leidt er bijvoorbeeld toe dat er vooral nieuwe oncolytica
ontwikkeld worden: Nederlanders worden immers steeds ouder worden en daarmee krijgt
1 op de 2 mensen kanker. Het MAUG rapport bevestigt mij in de overtuiging dat de discussie
moet gaan over waarde die iets toevoegt en niet zo zeer de prijs ervan. Ik vind het
een discussie waard.
In relatie tot bovenstaande willen voornoemde leden weten of Nederland kwetsbaar is
voor specifieke Amerikaanse maatregelen gericht op het verhogen van de Nederlandse
uitgaven aan geneesmiddelen en wat de gevolgen van de Amerikaanse opstelling en beleid
zijn voor de beschikbaarheid van geneesmiddelen voor Nederlandse patiënten?
Hoewel de Amerikaanse maatregelen nog niet zijn uitgewerkt, wordt Nederland vermeld
als één van de landen waaraan gerefereerd wordt bij de vaststelling van maximumprijzen
in de VS. Daarnaast verwijst Nederland in de Wet geneesmiddelenprijzen (Wgp) naar
andere landen. Het Amerikaanse beleid kan consequenties hebben voor de beschikbaarheid
en toegankelijkheid in Nederland. Zo kunnen leveranciers besluiten om een geneesmiddel
tegen een hogere prijs in Nederland op de markt te brengen, zonder dat daar meer gezondheidswinst
tegenover staat, of om een geneesmiddel later of helemaal niet in Nederland op te
markt te brengen. Het is echter nog te vroeg om te kunnen vaststellen of en zo ja,
in welke mate dit zal plaatsvinden.
Heeft de Minister concrete acties ondernomen? Zo ja, welke en zo nee, is de Minister
voornemens dit te doen?
Ik volg de ontwikkelingen op de voet, zowel nationaal als internationaal. Op dit moment
zijn er voor Nederland nog geen effecten waar te nemen. Er is contact met mijn Europese
collega’s en ook in Nederland overleg ik met diverse partijen, waaronder farmaceutische
bedrijven. Dit geeft mij de mogelijkheid om in Nederland, of samen met andere Europese
landen te handelen indien dit nodig blijkt.
Is de Minister met zijn EU-collega’s in gesprek over de gevolgen van het Amerikaanse
geneesmiddelenprijsbeleid? Zo ja, kan de Minister met de Kamer delen wat zijn inzet
is in deze gesprekken?
Er vindt geregeld overleg plaats tussen lidstaten over de ontwikkelingen en mogelijke
effecten voor Europese landen. Het op Europese patiënten en burgers afwentelen van
afgedwongen prijsverlagingen elders om omzetverliezen te compenseren, gepaard met
de waarschuwing dat geneesmiddelen anders later of niet in Europa worden geïntroduceerd,
zouden mijn Europese collega’s en ik als zeer ongepast beschouwen. Zeker vanwege het
feit dat er binnen Europa al langer discussie is over de hoogte van geneesmiddelenprijzen
en de grote gevaren die dit voor de houdbaarheid van zorgsystemen met zich meebrengt.
Dankzij universele zorgstelsels in vrijwel alle landen vormt Europa met een wereldaandeel
van ca. 23% een grote en stabiele afzetmarkt voor innovatieve geneesmiddelen en een
interessante partner voor het aanjagen van innovatie. Gezondheidsdoelen, het belang
van patiënten en economische waarde kunnen daarbij goed hand in hand gaan.
Bij de inzet van publieke middelen en zorgpremies is het van groot belang dat de inzet
van zorg efficiënt en zorgvuldig gebeurt. Er wordt weliswaar waarde gehecht aan universele
toegang tot geneesmiddelen met bewezen klinische meerwaarde, maar houdbaarheid van
zorgstelsels en het verantwoord beschikbaar stellen van effectieve therapieën zijn
van groot belang. Daarom kennen we in Europa op wetenschap gestoelde en voorspelbare
regels en procedures voor innovatie, markttoelating en vergoeding van nieuwe geneesmiddelen.
Deze zorgen voor duidelijkheid en belonen innovatie die aantoonbaar bijdraagt aan
de maatschappelijke behoeften.
Europa blijft investeren in snellere toegang tot bewezen effectieve zorg. Daarbij
ligt de nadruk op kwaliteit en efficiënt gebruik van publieke middelen. De onderzoeks-
en kennisinfrastructuur ondersteunt onderzoek naar en toepassing van nieuwe geneesmiddelen.
Waar dat nodig is om het farmaceutisch systeem aan te passen aan de nieuwe en veranderende
omgeving, zoekt Europa actief naar een goede balans tussen innovatie, toegang en betaalbare
en toekomstbestendige zorg door wetgeving en beleidsmatige hervormingen.
De combinatie van maatschappelijke doelen, de grote afzetmarkt en de bereidheid tot
samenwerking maakt Europa tot een winstgevende en strategisch aantrekkelijke partner
voor de farmaceutische industrie.
Kan de Minister met de Kamer delen wat andere EU-lidstaten doen in reactie op het
MFN-beleid van de Verenigde Staten (VS)?
Op dit moment wijken de standpunten van andere EU-lidstaten niet wezenlijk af van
de bovenbeschreven opvattingen.
Tot slot met betrekking tot dit onderwerp willen genoemde leden weten of er een impactanalyse
is uitgevoerd naar de effecten van de voorgestelde prijsmaatregelen van de VS op het
Nederlandse innovatie-ecosysteem en klinisch onderzoek, en zo nee, is de Minister
bereid deze alsnog uit te voeren?
Ik verwijs u naar mijn reactie die ik de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn
en Sport stuurde op een brief van de VIG, Nefemed en Diagned.7
Tijdens eerdere debatten waar gesproken werd over geneesmiddelenbeleid is er ook gesproken
over het vermaledijde «evergreening» en heeft de PVV-fractie daar ook een motie over
ingediend. Daarom tot slot de volgende twee vragen. De term «evergreening» komt in
het MAUG-rapport vaak naar voren. Vorig jaar heeft het Zorginstituut acht signalen
over mogelijke evergreening met de ACM gedeeld. Zo ja, kan de Minister met de Kamer
delen om welke acht signalen het hier gaat? Wanneer kan de Kamer een reactie verwachten
op de vorig jaar aangenomen motie Thiadens over evergreening (Kamerstuk 36 725 XVI, nr. 33)?
Ik heb de Tweede Kamer eerder bericht dat ik voornemens ben om in het voorjaar van
dit jaar de Tweede Kamer te informeren over de nadere invulling van de motie Thiadens.
Genoemde leden vragen de Minister de beantwoording op dit schriftelijk overleg, voor
de behandeling van de begroting Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar
2026 naar de Kamer te doen toekomen.
Met deze brief heb ik voldaan aan uw verzoek.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het Beleidsadvies
ten aanzien van maatschappelijk aanvaardbare uitgaven aan geneesmiddelen. Deze leden
willen investeren in onze veiligheid en welvaart, maar minder uitgeven in plaats van
belasting verhogen. Dat betekent dat de gehele overheid haar huishoudboekje op orde
moet houden. Om dit te realiseren moeten onder andere behandelingen in de gezondheidszorg
meer worden beoordeeld op de toegevoegde waarde van behandeling ten opzichte van de
bestaande alternatieven en maatschappelijke kosten. De leden van de VVD-fractie zijn
daarom verheugd dat de Minister stappen wil zetten om te komen tot maatschappelijke
aanvaardbare prijzen voor geneesmiddelen.
De leden van de VVD-fractie vinden kostenbeheersing van zorgkosten niet alleen wenselijk,
maar ook noodzakelijk. Genoemde leden willen tegelijkertijd dat Nederland een aantrekkelijk
vestigingsklimaat heeft voor ondernemers en bedrijven die actief zijn in de zorg-
en biofarmaceutische sector, dit is immers nodig voor innovatie en economische groei.
De leden van de VVD-fractie vragen of de Minister voldoende rekening houdt met de
wankele stand van het Nederlandse vestigingsklimaat met het voorgestelde geneesmiddelenbeleid.
Ik vind het inderdaad belangrijk dat Nederland aantrekkelijk blijft voor investeringen
door ondernemers en bedrijven. Ik zie echter geen eenduidig verband tussen kostenbeheersing
en het vestigingsklimaat. Ik wil erop wijzen dat andere factoren, zoals een goede
infrastructuur, politieke stabiliteit, het fiscale klimaat, opleiding en de beschikbaarheid
van voldoende gekwalificeerd personeel en subsidies voor onderzoek en ontwikkeling
mogelijk van groter belang zijn voor de investeringen van de industrie.
Ik zet me in voor de versterking van biotechnologie, zowel nationaal via de uitvoeringsagenda
biotechnologie als op Europees niveau via de Europese Biotech Act. Daarnaast zet ik
me via het programma toekomstbestendig toetsingslandschap in op het optimaal inrichten
van het Nederlandse toetsingslandschap.
Kan de Minister reflecteren op de bredere, potentiële economische gevolgen van het
in het algemeen verouderde «sluis-beleid» en het in het specifiek openbare maximumtarief
in Nederland?
Het is mij niet duidelijk wat «verouderd» zou zijn aan het sluis-beleid, nu dit beleid
relatief recent is ingevoerd (2018). Wel is mij bekend dat farmaceutische bedrijven
regelmatig klagen over de geneesmiddelensluis en daarbij met name wijzen op de consequentie
dat patiënten daardoor later toegang krijgen tot geneesmiddelen en zij zelf later
omzet genereren op een geneesmiddel (waardoor de «terugverdientijd» korter wordt).
Ik wijs er in reactie op dat farmaceutische bedrijven natuurlijk zelf invloed kunnen
uitoefenen op de doorlooptijd door maatschappelijk aanvaardbare prijzen te vragen
en geneesmiddelen te ontwikkelen met veel gezondheidswinst, die voorzien in een maatschappelijk
behandelbehoefte. Als dat zo is, zijn we in Nederland bereid om daar relatief veel
geld voor te betalen, en kan een geneesmiddel snel worden opgenomen in het basispakket.
Maar als een geneesmiddel beperkte gezondheidswinst oplevert, of het (zeer) onzeker
is wat de effectiviteit is, dan zal een hoge vraagprijs leiden tot onderhandelingen
of zelfs een negatief besluit. Ten algemene lijkt mij dat goed verdedigbaar: de maximalisatie
van gezondheidswinst is vanuit maatschappelijk oogpunt belangrijker dan de maximalisatie
van de winst van een individueel bedrijf. Dat gezegd hebbende, zie ik natuurlijk ook
dat er steeds vaker specialistische geneesmiddelen op de markt komen, soms in combinatie
met andere geneesmiddelen, voor steeds kleinere patiëntenpopulatie leidend tot beperktere
data en daardoor een grotere mate van onzekerheid. Ik vind het niet vanzelfsprekend
dat dit groter wordende risico volledig op de samenleving wordt afgewenteld, via hogere
prijzen en collectieve uitgaven. Ik vind het belangrijk dat de markt zelf de verantwoordelijkheid
neemt om hierin slimme(re) keuzes te maken, bijvoorbeeld in het studiedesign (levert
de studie de juiste, voor een vergoedingsbesluit bruikbare informatie op?). Tegelijk
begrijp ik wel goed de behoefte aan duidelijkheid en voorspelbaarheid, om daarmee
een geïnformeerde investeringsbeslissing te kunnen maken. Dat is één van de redenen
dat ik werk aan het harmoniseren van het vergoedingsproces onder de noemer Toekomstbestendig
Stelsel Geneesmiddelen (TSG). Dit kan helpen om bijvoorbeeld al vroeg in het proces
de plaatsbepaling in de behandeling duidelijk te hebben, en daarmee het potentiële
patiëntenvolume, of om vroegtijdig voorwaarden voor gepast gebruik op te stellen zodat
het juiste (aanvullend) bewijs verzameld kan worden.
Met betrekking tot het «specifiek openbare maximumtarief» weet ik niet waarop gedoeld
wordt. In de context van de sluis zou dit kunnen gaan over de maximale referentiewaarden
voor een kosteneffectieve inzet van 20.000, 50.000 en 80.000 euro per gewonnen QALY
(Quality Adjusted Life Year) die we, afhankelijk van de ziektelast, bereidheid zijn
te betalen. Een veelgehoorde klacht is dat deze waarden niet geïndexeerd zijn waardoor
de maximale betalingsbereidheid door de jaren heen relatief omlaag zou zijn gegaan.
In reactie wijs ik erop dat deze maximale referentiewaarden geen (absolute) richtprijzen
zijn, maar een relatieve waarde uitdrukken, die verband houdt met de bereidheid tot
betalen binnen een bepaald zorgstelsel voor gezondheidswinst, uitgedrukt in een gewonnen
QALY, waarbij we het acceptabel vinden dat deze maximale bereidheid bij een hogere
ziektelast hoger is. Dat wil zeggen: als we meer gaan betalen dan deze referentiewaarden,
kan elders in de zorg voor datzelfde geld meer gezondheidswinst worden behaald. Stabiele
maximale referentiewaarden, in relatie tot inflatie, wijzen dus vooral op het toenemende
belang van een doelmatige inzet van nieuwe interventies en het voorkomen van ondoelmatige
keuzes in de zorg.
De leden van de VVD-fractie begrijpen dat inkoopprocessen van medicijnen vaak niet
optimaal verlopen. Deze leden signaleren dat de «sluisprocedure» voor aanvragende
partijen vaak onduidelijk en niet-transparant is, waardoor deze procedure ook voor
hen moeilijk hanteerbaar is. Kan de Minister aangeven of hij deze zienswijze deelt?
Zo ja, hoe kan hij de sluisprocedure meer transparant maken?
Ik deel deze zienswijze niet. Ik ben van mening dat de sluisprocedure een transparant
en voorspelbaar proces is dat via een vaste volgorde verloopt. De sluisplaatsing vindt
uiterlijk vier weken na markttoelating plaats. Vervolgens dient de leverancier een
vergoedingsdossier in bij het Zorginstituut. Het Zorginstituut brengt een openbaar
advies uit aan de Minister van VWS. Op basis van dit advies gaat de Minister van VWS
al dan niet in onderhandeling met de leverancier. De tijdslijnen van de genoemde processtappen
kunnen verschillen, maar de stappen zelf zijn duidelijk. Deze stappen worden per sluisgeneesmiddel
openbaar en transparant weergegeven in het Dashboard Doorlooptijden Geneesmiddelen.8
De sluisprocedure is niet de enige procedure van belang voor geneesmiddelen. In Nederland
werken verschillende partijen samen bij de beoordeling, vergoeding en inzet van geneesmiddelen.
Deze samenwerking vindt nu vaak ad hoc en niet altijd efficiënt plaats. Binnen TSG
wordt ingezet op een meer gestructureerde, proactieve en gezamenlijke aanpak, waarin
het Zorginstituut samen met zorgpartijen vroegtijdig inzichtelijk maakt wat nodig
is voor een beheerste instroom van nieuwe geneesmiddelen en daar afspraken over maakt.
De leden van de VVD-fractie steunen de doelstelling van de Minister van Economische
Zaken om de biofarmaceutische sector tot bloei te laten komen. Zij zien hiervoor kansen
in meer transparantie van «sluisprocessen». Graag een reflectie van de Minister.
Zoals ik in het antwoord op de vorige vraag heb aangegeven, ben ik van mening dat
het huidige sluisproces voldoende transparant is. Dat wil niet zeggen dat er geen
verbeteringen mogelijk zijn. Die verbeteringen worden al opgepakt binnen TSG. Ik betrek
in de gesprekken over TSG ook de farmaceutische industrie. Daarnaast blijf ik oog
houden voor een zo snel mogelijke toegang van geneesmiddelen voor een kosteneffectieve
prijs.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de mogelijkheid onderzocht wordt van een «new
competition tool». Dit lijkt deze leden een goede manier om de markt wendbaarder te
maken. Kan de Minister aangeven hoe hij hiertegen aankijkt?
Zoals ik u eerder9 heb laten weten steun ik de stappen die de ACM op dit punt zet. Mijn opvolger zal
u later dit voorjaar informeren over de verdere inzet ter bevordering van de concurrentie.
De leden van de VVD-fractie lezen dat het Zorginstituut in de loop van 2026 het doorontwikkelde
beoordelingskader voor opname van medicijnen in het basispakket zal publiceren. Deze
leden zijn blij met deze voortvarendheid. Kan de Minister aangeven of dit traject
op schema loopt?
Het Zorginstituut heeft mij aangegeven tot eind 2026 het beoordelingskader verder
uit te werken, ik heb geen informatie ontvangen dat dit niet wordt gehaald.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de NZa verkent of het mogelijk is om de maximumtarieven
voor dure intramurale medicijnen beter aan te laten sluiten bij de maximaal maatschappelijk
aanvaardbare tarieven. Kan de Minister aangeven op welke termijn hij mogelijk acht
dat deze tarieven daardoor beter aansluiten bij de maximaal maatschappelijk aanvaardbare
tarieven, met inachtneming van de bekostigingscyclus van de zorgautoriteit?
Op dit moment worden de maximumtarieven gebaseerd op de lijstprijs (AIP) van 1 april
van het vorige jaar. Daarna wordt het tarief één keer per jaar gewijzigd (per 1 januari
jaar t). Of en zo ja, hoe dit zal kunnen veranderen als de NZa zijn werkwijze aan
zou passen, kan ik nu nog niet zeggen. Ik wacht de verkenning van de NZa af.
In welke mate verwacht hij dat deze maatregel zal bijdragen aan aanvaardbare geneesmiddelenuitgaven?
Ook hiervoor geldt dat ik graag de verkenning van NZa afwacht.
De leden van de VVD-fractie lezen dat professionals aangeven dat voor de prijsbepaling
gekeken moet worden naar de werkelijke kosten voor de fabrikant, vermeerderd met een
redelijke winstmarge. Hoewel deze leden het eens zijn met dit uitgangspunt, begrijpen
zij ook dat de praktijk op dit punt weerbarstig is. Kan de Minister aangeven op welke
manier hij, in samenwerking met de farmaceutische industrie, kan komen tot een systematiek
waarbinnen de kostprijsontwikkeling duidelijk is? Zo kan immers de ontwikkeling van
maatschappelijk aanvaardbare geneesmiddelenuitgaven gepaard gaan met breder draagvlak
voor de belangrijke werkzaamheden van innovatieve farmaceuten.
Ik kan de wens om tot transparantie van de kostprijs van geneesmiddelen te komen uiteraard
goed volgen. Zeker als prijzen van geneesmiddelen hoog zijn en/of een grote budgettaire
impact hebben, is de roep om een rechtvaardiging van die prijzen logisch. Toch zie
ik geen meerwaarde van transparantie van de prijsopbouw in het Nederlandse vergoedingsbeleid,
maar wel zie ik risico’s zie voor de toegankelijkheid. Ik licht dat graag toe.
Bij gelimiteerde budgetten zijn keuzes, ook in de zorg, onvermijdelijk. Het is dan
belangrijk dat de uitgaven goed te verantwoorden zijn. Elke euro kan immers maar één
keer worden uitgegeven. Dat betekent niet alleen dat de absolute waarde van een behandeling
duidelijk moet zijn, maar ook de relatieve waarde: hoe effectief is een nieuwe behandeling
in vergelijking met de standaardbehandeling, voegt de nieuwe behandeling waarde toe
en zo ja, hoeveel? Waarbij de waarde dan wordt uitgedrukt in gezondheidswinst. Door
dit gestandaardiseerd af te zetten tegen referentiewaarden voor de ziektelast, waarbij
geldt: hoe ernstiger de ziekte, hoe hoger de bereidheid te betalen, zorgen we ervoor
dat met het beschikbare budget zoveel mogelijk gezondheidswinst wordt behaald (kosteneffectiviteit).
En dat laatste moet wel het uitgangspunt zijn. Kortom, in Nederland is voor vergoeding
welbewust de waarde het uitgangspunt en niet de kosten.
Naast dit fundamentele bezwaar, zie ik ook praktische belemmeringen van een kostenbenadering.
Ten eerste is het lastig de kosten toe te wijzen aan één geneesmiddel, omdat basaal
of vroeg onderzoek vaak de basis is voor de ontwikkeling van meerdere geneesmiddelen,
of juist helemaal tot niets leidt. Dat betekent dat met aannames gewerkt moet worden,
die altijd ter discussie gesteld kunnen worden. Daarnaast wordt met een kostenbenadering
inefficiënte ontwikkeling beloond met een hogere prijs. En ten derde zou ik, als ik
in onderhandelingen transparantie zou afdwingen van de nettoprijzen, helaas geen of
veel lagere kortingen meer kunnen overeenkomen met leveranciers. Ook dat zou betekenen
dat we meer uitgeven, zonder dat we daar gezondheidswinst voor terugkrijgen (of minder
middelen met meerwaarde in Nederland tot beschikking zullen hebben). Ik merk daarbij
op dat ook ik het uit oogpunt van het afleggen van verantwoording belangrijk vind
om transparantie na te streven, maar dat ik, gesteld voor de keuze, toegankelijkheid
uiteindelijk zwaarder vind wegen.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de MAUG-partijen hebben geadviseerd om bij de
Europese Commissie te pleiten dat adviezen uit de «Joint Scientific Consultations»
openbaar gemaakt worden. Is de Minister van plan om dit advies op te volgen? Zo nee,
is de Minister van plan om op andere manieren binnen de Europese Unie de samenwerking
aan te halen op het gebied van toegankelijkheid en betaalbaarheid van geneesmiddelen?
Nederland is deelnemer aan de zogeheten «HTA Coordination Group» die verantwoordelijk
is voor het uitwerken en aannemen van de procedures en HTA-uitkomsten in EU-verband.
In deze coördinatiegroep heeft Nederland voor openbaarmaking van de adviezen uit de
«Joint scientific consultations» gepleit. Daarvoor zoek ik ook coalities met andere
lidstaten.
Het MAUG-rapport zie ik als erkenning van de vele activiteiten die Nederland al ontplooit
om op het gebied van toegankelijkheid en betaalbaarheid van geneesmiddelen.
De leden van de VVD-fractie lezen dat één van de problemen met de onderlinge uitwisselbaarheid
van geneesmiddelen is, dat zij onderdeel uitmaken van twee verschillende aanspraken:
farmaceutische zorg en geneeskundige zorg. Is het mogelijk om deze aanspraken samen
te voegen, of kleven hier andere bezwaren aan? Graag een reflectie van de Minister.
Daar kleven bezwaren aan. De aanspraak bepaalt namelijk ook het budgettaire kader.
Een geneesmiddel kan worden bekostigd uit het budgettaire kader Medische Specialistische
Zorg (MSZ) en uit het budgettaire kader Apotheekzorg. Het samenvoegen van deze aanspraken
brengt omvangrijke gevolgen met zich mee voor zowel de financiële kaders als voor
de manier waarop zorg is georganiseerd. Daarmee beïnvloedt het ook de zorgverlening
aan de patiënt en verandert het de rollen en taken van zorgpartijen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met veel interesse kennisgenomen van
het voorliggende beleidsadvies ten aanzien van maatschappelijke aanvaardbare uitgaven
aan geneesmiddelen (MAUG). Zij achten het van groot belang dat de aandacht voor de
stijgende uitgaven van medicijnen, (zeer) hoge vraagprijzen en het ontbreken van transparantie
bij farmaceuten en inzicht in de kosten van fabrikanten niet verslapt en het gesprek
hierover gevoerd blijft worden. Tegelijk hebben de leden oog voor het enorme belang,
vaak zelfs levensbelang, van (nieuwe) medicijnen en innovaties voor patiënten. De
vaak zeer schrijnende verhalen van patiënten die bepaalde medicijnen niet kunnen krijgen
omdat ze bijvoorbeeld nog in de sluisprocedure zitten, gaan deze leden aan het hart.
Er moet wat genoemde leden betreft dan ook evenwicht zijn tussen het kritisch volgen
van de stijgende uitgaven aan geneesmiddelen enerzijds en het bevorderen van de toegang
tot nieuwe geneesmiddelen anderzijds. Juist door betere wet- en regelgeving, het afdwingen
van transparantie en het tegengaan van ongewenste praktijken die de prijzen opdrijven,
kan hier wat de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie een betere balans in worden gevonden.
Deze leden hebben hier nog een aantal vragen en opmerkingen over.
Allereerst zijn de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie het Zorginstituut, de Nederlandse
Zorgautoriteit (NZa) en de Autoriteit Consument en Markt (ACM) erkentelijk voor het
adviesrapport «Naar maatschappelijk aanvaardbare uitgaven aan geneesmiddelen», dat
er op initiatief van de motie Kuiken10 is gekomen. Zij vinden het een goede zaak dat de Minister van VWS naar aanleiding
van het rapport een gezamenlijke werkagenda heeft opgesteld. Genoemde leden lezen
dat het Zorginstituut nu eerst het beoordelingskader verder gaat ontwikkelen op basis
van in het advies uitgewerkte uitgangspunten, dat moet leiden tot concretere kortingsadviezen
in een vergoedingsadvies aan de Minister. Op welke termijn wordt dit beoordelingskader
verwacht? En op welke termijn verwacht de Minister dit te kunnen toepassen in onderhandelingen
over vergoedingen?
Het Zorginstituut verwacht dat het beoordelingskader in januari 2027 gereed is. Zodra
dit kader door het Zorginstituut wordt gebruikt en resulteert in vergoedingsadviezen,
zullen deze kunnen worden betrokken bij de onderhandelingen.
Daarnaast hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie enkele vragen over de uitgangspunten
die het Zorginstituut gaat kwantificeren. Het eerste uitgangspunt is om gezondheidswinst
centraal te stellen. Hoe meer gezondheidswinst een medicijn oplevert, hoe meer we
als samenleving bereid zijn voor het medicijn te betalen. Hoe wordt bepaald wanneer
de gezondheidswinst groot genoeg is en welke indicatoren worden daarvoor gebruikt,
met name bij nieuwe medicijnen waar misschien minder data over beschikbaar is?
Op dit moment speelt de gezondheidswinst van een medicijn al een belangrijke rol in
het beoordelingskader van het Zorginstituut. Het Zorginstituut beoordeelt of een medicijn
van toegevoegde waarde is voor patiënten (bijvoorbeeld op basis van relevante uitkomstmaten
als kwaliteit van leven) en of is aangetoond dat het minimaal even effectief is als
de standaardbehandeling. Ook bekijkt het Zorginstituut of deze gezondheidswinst in
verhouding staat tot de kosten. Dit komt samen in de kosten per extra Quality Adjusted Life Year (QALY). Deze wordt vergeleken met de relevante «maximale referentiewaarde», die afhankelijk
is van de ernst van de ziekte.
Op grond van het adviesrapport zal het Zorginstituut het beoordelingskader verder
aanscherpen.
Welke mogelijke gevolgen heeft dit voor patiënten met zeldzame aandoeningen? Juist
bij deze groep kan sprake zijn van hoge prijzen door een kleine afzetmarkt en mogelijk
beperkt bewijs. Hoe wordt geborgd dat geneesmiddelen met een beperkte bewijslast en
een kleine groep patiënten, toegankelijk blijven voor patiënten met ernstige aandoeningen
en hoge onvervulde behandelbehoeften?
Ik vind het belangrijk om onderscheid te maken tussen weesindicaties met grotere aantallen
patiënten11 en ultra-wees indicaties. Weesgeneesmiddelen worden via de reguliere vergoedingsroute
beoordeeld en, indien wordt voldaan aan de pakketcriteria, opgenomen in het basispakket.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de ernst van de aandoening. Ook kan
worden gekeken naar wat passend bewijs is. Bijvoorbeeld het gebruik van zogenaamde
surrogaateindpunten waardoor op een eerder moment al iets gezegd kan worden over mogelijke
effectiviteit in de toekomst. Ook kan de situatie zoals het ontbreken van andere behandelopties
worden meegewogen. Daarbij kan het Zorginstituut mij ook adviseren over omstandigheden
die spelen bij weesgeneesmiddelen, zoals hoge ontwikkelingskosten t.o.v. de terugverdienmogelijkheid.
Ik kan daar bij de prijsonderhandelingen rekening mee houden.
In uitzonderingssituaties kunnen weesgeneesmiddelen ook in aanmerking komen voor de
Voorwaardelijke Toelating (VT)12. De VT procedure is recent geëvalueerd en deze heb ik aan uw Kamer gestuurd13. Daarbij werd geadviseerd om voor ultra-weesgeneesmiddelen een alternatieve regeling
op te zetten omdat het aantonen van effectiviteit volgens de reguliere vereisten daarbij
vaak niet haalbaar is. Ik ben in overleg met het Zorginstituut over de aanbevelingen
vanuit de evaluatie en mijn ideeën over de opvolging daarvan.
Het vijfde uitgangspunt stelt dat de maatschappelijke aanvaardbare prijs dynamisch
is, waarbij de maatschappelijk aanvaardbare prijs van het medicijn zou moeten dalen
wanneer het aannemelijk is dat de investeringen zijn terugverdiend. De leden van de
GroenLinks-PvdA-fractie gaan ervan uit dat dit betekent dat er transparantie zou moeten
zijn over de investeringen van farmaceuten en de bijbehorende Research & Development-kosten
(R&D). Zodat duidelijk is hoeveel en wanneer prijzen logischerwijs zouden moeten dalen.
De betreffende leden missen nadere uitwerking hiervan in de beleidsreactie en ontvangen
hier graag een verdere toelichting op. Hoe verwacht de Minister dit te kunnen handhaven
en bewerkstelligen, gezien de beperkte transparantie vanuit de sector op dit gebied
en de inzet van praktijken als evergreening?
Net als de Zbo’s vind ook ik het redelijk om tijdelijk een hogere prijs voor geneesmiddelen
te betalen. Hoe tijdelijkheid mee te wegen en hoeveel een prijs zou moeten dalen om
bijvoorbeeld evergreening te voorkomen dat kan ik nu nog niet zeggen, hiervoor wacht
ik verdere uitwerking door het Zorginstituut af.
Hoe kan worden voorkomen dat, ook met de nieuwe uitgangspunten en de vergoedingsadviezen,
farmaceuten de «loopholes» opzoeken of met nieuwe methodes komen om dit te omzeilen?
Ik zet me in om beleid te maken dat zo goed mogelijk inspeelt op huidige en eventuele
toekomstige ontwikkelingen. Behoud van flexibiliteit om beleid aan te passen daar
waar nodig is daarbij belangrijk. Indien in de toekomst blijkt dat een wijziging in
het beleid nodig is dan kan bepaald worden wat eventuele vervolgmaatregelen zouden
kunnen zijn.
Hoe zet de Minister zich in op Europees niveau om meer transparantie over medicijnprijzen
te bewerkstelligen, zodat hier ook internationaal in kan worden samengewerkt en een
vuist kan worden gemaakt tegen de farmaceutische industrie?
Hoewel ik meer transparantie over de prijsopbouw van geneesmiddelen van harte toejuich,
wil ik daarbij enkele kanttekeningen plaatsen.
In Nederland wordt bewust gekozen voor een waarde-benadering van geneesmiddelen. Het
is belangrijk om vast te stellen wat onze bereidheid tot betalen is, passend bij de
waarde van een geneesmiddel voor de Nederlandse samenleving. De door de fabrikant
gevraagde prijs is daarbij minder relevant.
Deze meer «vraag gestuurde» benadering draag ik ook actief uit in internationaal verband.
Mede door Nederlandse inbreng zijn Europese landen van plan om de komende periode
te verkennen hoe zo’n meer vraag gestuurde benadering van geneesmiddelenvergoeding
gerealiseerd kan worden.
Kan de Minister reageren op het advies in het onderzoeksrapport om op Europees niveau
af te dwingen op welke manier fabrikanten onderzoek moeten opzetten, zodat verschillende
medicijnen beter met elkaar te vergelijken zijn?
In de aanbiedingsbrief heb ik aangegeven begin dit jaar kom met een nadere appreciatie
van het MAUG-rapport. Mijn reactie op dit punt maakt daar onderdeel van uit. Binnenkort
zal ik mijn opvolger u daarover per brief informeren.
En hoe kan Nederland samen met andere Europese landen optrekken om te reageren op
het huidige beleid van de Verenigde Staten, waarbij bedrijven tot lagere prijzen worden
gedwongen waardoor de prijzen in Nederland en Europa weer stijgen?
Het op Europese patiënten en burgers afwentelen van afgedwongen prijsverlagingen elders
om omzetverliezen te compenseren, gepaard met de waarschuwing dat geneesmiddelen anders
later of niet in Europa worden geïntroduceerd, zouden mijn Europese collega’s en ik
als zeer ongepast beschouwen. Er vindt daarom geregeld overleg plaats tussen lidstaten
over de ontwikkelingen en mogelijke effecten voor Europese landen om daar indien nodig
(gezamenlijk) op in te kunnen spelen.
Hoe kijkt de Minister daarnaast naar het cost-plus model voor de vergoeding van medicijnen,
waarbij bovenop alle gemaakte kosten van de fabrikant een vast percentage of bedrag
als winstmarge wordt opgeteld?
Ik begrijp de aantrekkelijkheid van dit model, omdat daarmee hoge prijen en/of uitgaven
aan geneesmiddelen beter verantwoord kunnen worden. Toch zie ik ook bezwaren tegen
invoeren van een dergelijk model, met name omdat dit model niet goed past bij de in
Nederland gehanteerde waarde benadering. Ik leg dit graag uit. Bij gelimiteerde budgetten
zijn keuzes, ook in de zorg, onvermijdelijk. Het is dan belangrijk dat de uitgaven
goed te verantwoorden zijn. Elke euro kan immers maar één keer worden uitgegeven.
Dat betekent niet alleen dat de absolute waarde van een behandeling duidelijk moet
zijn, maar ook de relatieve waarde: hoe effectief is een nieuwe behandeling in vergelijking
met de standaardbehandeling, voegt de nieuwe behandeling waarde toe en zo ja, hoeveel?
Waarbij de waarde dan wordt uitgedrukt in gezondheidswinst. Door dit gestandaardiseerd
af te zetten tegen referentiewaarden voor de ziektelast, waarbij geldt: hoe ernstiger
de ziekte, hoe hoger de bereidheid te betalen, zorgen we ervoor dat met het beschikbare
budget zoveel mogelijk gezondheidswinst wordt behaald (kosteneffectiviteit). En dat
laatste moet wel het uitgangspunt zijn.
Naast dit fundamentele bezwaar, zie ik ook praktische belemmeringen van een kostenbenadering.
Ten eerste is het lastig de kosten toe te wijzen aan één geneesmiddel, omdat basaal
of vroeg onderzoek vaak de basis is voor de ontwikkeling van meerdere geneesmiddelen,
of juist helemaal tot niets leidt. Dat betekent dat met aannames gewerkt moet worden,
die altijd ter discussie gesteld kunnen worden. Daarnaast wordt met een kostenbenadering
inefficiënte ontwikkeling beloond met een hogere prijs. Ik denk niet dat we voor een
middel met gelijke waarde meer willen betalen, enkel omdat de kosten hoger waren.
En ten derde zou ik, als ik in onderhandelingen transparantie zou afdwingen van de
nettoprijzen, helaas geen of veel lagere kortingen meer kunnen overeenkomen met leveranciers.
Ook dat zou betekenen dat we meer uitgeven, zonder dat we daar gezondheidswinst voor
terugkrijgen (of minder middelen met meerwaarde in Nederland tot beschikking zullen
hebben). Ik merk daarbij op dat ook ik het uit oogpunt van het afleggen van verantwoording
belangrijk vind om transparantie na te streven, maar dat ik, gesteld voor de keuze,
toegankelijkheid uiteindelijk zwaarder vind wegen.
Een kostenbenadering biedt dus geen meerwaarde voor het Nederlandse vergoedingsbeleid,
maar mogelijk wel risico’s voor de toegankelijkheid. Daarbij geldt dat ik, gelet op
het gelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel, niet zomaar een uitzondering kan maken
in bijzondere gevallen, zoals wanneer een bekende werkzame stof als nieuw geneesmiddel
op de markt wordt gebracht tegen een excessieve prijs. De ACM kan in dergelijke gevallen
ingrijpen, zoals ook in de casus Leadiant is gebeurd. Daarnaast heeft Zorginstituut
Nederland in zijn maatschappelijke weging de mogelijkheid, en in vervolg op het MAUG-advies
zal dat vertaald worden in een kwantitatief kortingsadvies, om de redelijkheid van
de prijs mee te wegen in een pakketadvies aan mij als Minister, waarbij overigens
de waarde nog steeds centraal staat.
Kan deze methode mee worden genomen of nader uitgewerkt binnen één van de uitgangspunten?
Zoals hierboven toegelicht denk ik dat niet de methode maar (redelijke aannames over)
de kostprijs meegenomen kunnen worden in de advisering van het Zorginstituut. Met
name uitgangspunt 6 (de mate van innovatie beïnvloedt de maatschappelijk aanvaardbare
prijs) lijkt mij hiervoor geschikt. Als er bijvoorbeeld sprake is van doorontwikkeling
van een bestaand medicijn, zou dat een lagere prijs rechtvaardigen, omdat daarvoor
minder onderzoek en investeringen nodig zijn.
Het is wat de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie namelijk van groot belang om kritisch
te blijven op de maatschappelijke aanvaardbare prijs die wordt betaald voor een medicijn
als de winsten alsnog astronomisch hoog zijn. Als de prijs maatschappelijk aanvaardbaar
is wil dat namelijk niet per definitie zeggen dat de prijs niet te hoog is. Denk bijvoorbeeld
aan de recordomzet en enorme winsten die fabrikanten als AstraZeneca in 2025 behaalden.
Vindt de Minister dit maatschappelijk aanvaardbaar in het licht van de grote opgaven
en daaraan gekoppelde uitgaven waar we als samenleving voor staan?
Laat ik beginnen met erop te wijzen dat winsten op zichzelf niet relevant zijn voor
ons vergoedingsbeleid, omdat dat zich, zoals hierboven toegelicht, richt op de waarde
van geneesmiddelen. Maar ik begrijp dat u een normatieve uitspraak van mij vraagt
over de hoogte van de winsten van grote leveranciers. Op zichzelf heb ik geen bezwaar
tegen (wereldwijde) winsten. Ik heb geen normatief kader om uitspraken te doen over
de hoogte daarvan. Leveranciers moeten ook aantrekkelijk zijn voor financiers om leningen
en (durf)kapitaal aan te trekken voor onderzoek naar en ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen.
Uiteraard vind ik excessief hoge winsten, dat wil zeggen winsten die duidelijk hoger
zijn dan horen bij het risicoprofiel van farmaceutische bedrijven, onwenselijk, te
meer deze voor een groot deel worden opgebracht door publieke uitgaven.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie begrijpen daarnaast uit het beleidsadvies
dat de Minister verwacht door het kwantificeren van de genoemde uitgangspunten sneller
tot een vergoedingsbesluit te kunnen komen.
Met als gevolg dat de Minister waarschijnlijk vaker nee moet gaan zeggen tegen
een vraagprijs van een fabrikant omdat er geen sprake is van een maatschappelijk aanvaardbare
prijs, waardoor patiënten geen toegang krijgen tot geneesmiddelen met mogelijke meerwaarde.
Hoe verhoudt zich dit tot de sluisprocedure voor dure medicijnen? Verwacht de Minister
bijvoorbeeld dat hierdoor meer of juist minder medicijnen in de sluis terecht zullen
komen, of dat bepaalde medicijnen niet meer voor de sluis in aanmerking komen?
Ik verwacht niet dat de doorontwikkeling van het beoordelingskader door het Zorginstituut
naar aanleiding van de uitgangspunten in MAUG, zal leiden tot meer sluisgeneesmiddelen.
De sluiscriteria zelf veranderen immers niet naar aanleiding van dit advies. Wel kan
het zo zijn, zoals ook in de begeleidende brief gesteld, dat de pakketadviezen zullen
worden aangepast, met een kwantitatieve duiding van de uitgangspunten. Dat kan potentieel
de doorlooptijd van een sluisprocedure verkorten, en dat lijkt mij een mooi gevolg.
Maar, als een maatschappelijk aanvaardbare prijs betekent dat grotere kortingen nodig
zijn dan alleen op basis van kosteneffectiviteit nodig zou zijn geweest, kan het ook
betekenen dat het gat tussen de vraagprijs en mijn bereidheid tot betalen groter wordt,
met langduriger onderhandelingen of onderhandelingen met een negatieve uitkomst tot
gevolg.
In het beleidsadvies wordt tot slot het wetsvoorstel van het lid Bushoff genoemd dat
als doel heeft dat de ACM ook fusies en overnames kan beoordelen die niet meldingsplichtig
zijn bij de ACM als er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat zich mededingingsproblemen
kunnen voordoen. Ook onderzoekt de ACM de mogelijkheid van een «new competition tool»,
waarbij de ACM na marktonderzoek aan specifieke ondernemingen voorschriften kan opleggen
die de concurrentie bevorderen. Hoe verhouden deze beide voorstellen zich volgens
de Minister tot de gezamenlijke werkagenda MAUG en hoe kunnen deze voorstellen de
werkagenda versterken? Kan de Minister hier nader op ingaan?
Ik ben nog aan het onderzoeken hoe deze initiatieven zich tot elkaar verhouden, en
mijn opvolger zal daar op terugkomen in de beleidsreactie op het MAUG-rapport.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het beleidsadvies over Maatschappelijk
aanvaardbare uitgaven aan geneesmiddelen (MAUG). Wat deze leden betreft is dit een
goede basis voor de verdere discussie hierover. Deze leden zien uit naar de appreciatie
van de adviezen die gericht zijn aan de Minister van VWS.
De leden van de CDA-fractie hebben voor nu een vraag over de geopolitieke ontwikkelingen
rondom de beschikbaarheid en betaalbaarheid van medicijnen, met name als het gaat
om de ontwikkelingen in de Verenigde Staten. Deze leden willen van de gelegenheid
gebruik maken om de Minister te vragen uitgebreider in te gaan op de stand van zaken
hiervan, de gevolgen van de geopolitieke ontwikkelingen voor Europese producenten
en patiënten, ons concurrentievermogen, de leveringsketens en de prijzen van geneesmiddelen
in Europa en Nederland.
In de beantwoording richt ik mij op ontwikkelingen op het terrein van de gezondheidzorg.
Ten aanzien van de geopolitieke ontwikkelingen rond prijzen van geneesmiddelen volg
ik de ontwikkelingen op de voet, zowel nationaal als internationaal. Hoewel er in
de Verenigde Staten maatregelen aangekondigd zijn om geneesmiddelenprijzen structureel
te baseren op andere westerse landen en bedrijven daarop trachten te anticiperen,
zijn er op dit moment voor Nederland nog geen directe effecten waar te nemen, noch
is te goed te duiden of en zo ja, welke effecten er daadwerkelijk zullen optreden.
Er is contact met de Europese collega’s en ook in Nederland overleg ik met diverse
partijen, waaronder farmaceutische bedrijven. Dit geeft mij de mogelijkheid om in
Nederland, of samen met andere Europese landen te handelen indien dit nodig blijkt.
Het op Europese patiënten en burgers afwentelen van afgedwongen prijsverlagingen elders
om omzetverliezen te compenseren, gepaard met de waarschuwing dat geneesmiddelen anders
later of niet in Europa worden geïntroduceerd, zouden de Europese collega’s en ik
als zeer ongepast beschouwen. Zeker vanwege het feit dat er binnen Europa al langer
discussie is over de hoogte van geneesmiddelenprijzen en de grote gevaren die dit
voor de houdbaarheid van zorgsystemen met zich meebrengt.
Dankzij universele zorgstelsels in vrijwel alle landen vormt Europa met een wereldaandeel
van ca. 23% een grote en stabiele afzetmarkt voor innovatieve geneesmiddelen en een
interessante partner voor het aanjagen van innovatie. Gezondheidsdoelen, het belang
van patiënten en economische waarde kunnen daarbij goed hand in hand gaan.
Bij de inzet van publieke middelen en zorgpremies is het van groot belang dat de inzet
van zorg efficiënt en zorgvuldig gebeurt. Er wordt weliswaar waarde gehecht aan universele
toegang tot geneesmiddelen met bewezen klinische meerwaarde, maar houdbaarheid van
zorgstelsels en het verantwoord beschikbaar stellen van effectieve therapieën zijn
van groot belang. Daarom kennen we in Europa op wetenschap gestoelde en voorspelbare
regels en procedures voor innovatie, markttoelating en vergoeding. Ze moeten voor
duidelijkheid zorgen en belonen innovatie die aantoonbaar bijdraagt aan de maatschappelijke
behoeften.
Europa blijft investeren in snellere toegang tot bewezen effectieve zorg. Daarbij
ligt de nadruk op kwaliteit en efficiënt gebruik van publieke middelen. De onderzoeks-
en kennisinfrastructuur ondersteunt onderzoek naar en toepassing van nieuwe geneesmiddelen.
Waar dat nodig is om het farmaceutisch systeem aan te passen aan de nieuwe en veranderende
omgeving, zoet Europa actief naar een goede balans tussen innovatie, toegang en betaalbare
en toekomstbestendige zorg door wetgeving en beleidsmatige hervormingen.
De combinatie van maatschappelijke doelen, de grote afzetmarkt en de bereidheid tot
samenwerking maakt Europa tot een winstgevende en strategisch aantrekkelijke partner
voor de farmaceutische industrie.
Vragen en opmerkingen van de leden van de FVD-fractie
De leden van de FVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief inzake het beleidsadvies
Maatschappelijk aanvaardbare uitgaven aan geneesmiddelen (MAUG) en hebben de volgende
vragen.
Wat zet de Minister op Europees niveau in om meer transparantie over medicijnprijzen
te realiseren?
Hoewel ik meer transparantie over de prijsopbouw van geneesmiddelen van harte toejuich,
wil ik daarbij enkele kanttekeningen plaatsen.
In Nederland wordt bewust gekozen voor een waarde-benadering van geneesmiddelen. Het
is belangrijk om vast te stellen wat onze bereidheid tot betalen is, passend bij de
waarde van een geneesmiddel voor de Nederlandse samenleving. De door de fabrikant
gevraagde prijs (en de transparantie over de prijsopbouw) is daarbij in mindere make
relevant.
Deze meer «vraag gestuurde» benadering draag ik ook actief uit in internationaal verband.
Mede door Nederlandse inbreng zijn Europese landen van plan om de komende periode
te verkennen hoe zo’n meer vraag gestuurde benadering van geneesmiddelenvergoeding
gerealiseerd kan worden.
Hoe borgt de Minister dat (wees)geneesmiddelen met beperkte bewijslast tijdig toegankelijk
zijn voor patiënten met ernstige aandoeningen en hoge onvervulde behandelbehoeften?
Ik vind het belangrijk om onderscheid te maken tussen weesindicaties met grotere aantallen
patiënten14 en ultra-wees indicaties. Weesgeneesmiddelen worden via de reguliere vergoedingsroute
beoordeeld en, indien wordt voldaan aan de pakketcriteria, opgenomen in het basispakket.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de ernst van de aandoening. Ook kan
worden gekeken naar wat passend bewijs is. Bijvoorbeeld het gebruik van zogenaamde
surrogaateindpunten waardoor op een eerder moment al iets gezegd kan worden over mogelijke
effectiviteit in de toekomst. Ook kan de situatie zoals het ontbreken van andere behandelopties
worden meegewogen. Daarbij kan het Zorginstituut mij ook adviseren over omstandigheden
die spelen bij weesgeneesmiddelen, zoals hoge ontwikkelingskosten t.o.v. de terugverdienmogelijkheid.
Ik kan daar bij de prijsonderhandelingen rekening mee houden.
In uitzonderingssituaties kunnen weesgeneesmiddelen ook in aanmerking komen voor de
Voorwaardelijke Toelating (VT)15. De VT procedure is recent geëvalueerd16. Daarbij werd geadviseerd om voor ultra-weesgeneesmiddelen een alternatieve regeling
op te zetten omdat het aantonen van effectiviteit volgens de reguliere vereisten daarbij
vaak niet haalbaar is. Ik ben in overleg met het Zorginstituut over de aanbevelingen
vanuit de evaluatie en de ideeën over de opvolging daarvan.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de fractie BBB hebben kennisgenomen van het beleidsadvies ten aanzien
van maatschappelijk aanvaardbare uitgaven aan geneesmiddelen (MAUG). Deze leden hebben
geen vragen aan de Minister.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het beleidsadvies ten aanzien
van maatschappelijk aanvaardbare uitgaven aan geneesmiddelen (MAUG) en de reactie
van het kabinet. Zij hebben hier nog enkele vragen en opmerkingen over.
De leden van de SP-fractie vinden het goed dat er kritisch wordt gekeken naar de enorm
hoge geneesmiddelenprijzen die commerciële farmaceutische bedrijven vaak vragen. Zij
vinden echter dat de Minister te weinig kijkt naar het vergroten van de transparantie
van de opbouw van geneesmiddelenprijzen. Momenteel is vaak compleet onduidelijk of
de productie- en ontwikkelkosten van een medicijn echt zo hoog zijn, of dat er vooral
wordt geprobeerd om enorme winsten binnen te harken. Waarom neemt de Minister niet
veel meer stappen om dit te verbeteren op?
Ik kan de wens om tot transparantie van de prijsopbouw van geneesmiddelen te komen
uiteraard goed volgen. Zeker als prijzen van geneesmiddelen hoog zijn en/of een grote
budgettaire impact hebben, is de roep om een rechtvaardiging van die prijzen logisch.
Toch zie ik geen meerwaarde van transparantie van de prijsopbouw in het Nederlandse
vergoedingsbeleid, maar wel zie ik risico’s zie voor de toegankelijkheid. Ik licht
dat graag toe.
Bij gelimiteerde budgetten zijn keuzes, ook in de zorg, onvermijdelijk. Het is dan
belangrijk dat de uitgaven goed te verantwoorden zijn. Elke euro kan immers maar één
keer worden uitgegeven. Dat betekent niet alleen dat de absolute waarde van een behandeling
duidelijk moet zijn, maar ook de relatieve waarde: hoe effectief is een nieuwe behandeling
in vergelijking met de standaardbehandeling, voegt de nieuwe behandeling waarde toe
en zo ja, hoeveel? Waarbij de waarde dan wordt uitgedrukt in gezondheidswinst. Door
dit gestandaardiseerd af te zetten tegen referentiewaarden voor de ziektelast, waarbij
geldt: hoe ernstiger de ziekte, hoe hoger de bereidheid te betalen, zorgen we ervoor
dat met het beschikbare budget zoveel mogelijk gezondheidswinst wordt behaald (kosteneffectiviteit).
En dat laatste moet wel het uitgangspunt zijn. Kortom, in Nederland is voor vergoeding
welbewust de waarde het uitgangspunt en niet de kosten.
Naast dit fundamentele bezwaar, zie ik ook praktische belemmeringen van een kostenbenadering.
Ten eerste is het lastig de kosten toe te wijzen aan één geneesmiddel, omdat basaal
of vroeg onderzoek vaak de basis is voor de ontwikkeling van meerdere geneesmiddelen,
of juist helemaal tot niets leidt. Dat betekent dat met aannames gewerkt moet worden,
die altijd ter discussie gesteld kunnen worden. Daarnaast wordt met een kostenbenadering
inefficiënte ontwikkeling beloond met een hogere prijs. En ten derde zou ik, als ik
in onderhandelingen transparantie zou afdwingen van de nettoprijzen, helaas geen of
veel lagere kortingen meer kunnen overeenkomen met leveranciers. Ook dat zou betekenen
dat we meer uitgeven, zonder dat we daar gezondheidswinst voor terugkrijgen (of minder
middelen met meerwaarde in Nederland tot beschikking zullen hebben). Ik merk daarbij
op dat ook ik het uit oogpunt van het afleggen van verantwoording belangrijk vind
om transparantie na te streven, maar dat ik, gesteld voor de keuze, toegankelijkheid
uiteindelijk zwaarder vind wegen.
Een kostenbenadering biedt dus geen meerwaarde voor het Nederlandse vergoedingsbeleid,
maar mogelijk wel risico’s voor de toegankelijkheid. Daarbij geldt dat ik, gelet op
het gelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel, niet zomaar een uitzondering kan maken
in bijzondere gevallen, zoals wanneer een bekende werkzame stof als nieuw geneesmiddel
op de markt wordt gebracht tegen een excessieve prijs. De ACM kan in dergelijke gevallen
ingrijpen, zoals ook in de casus Leadiant is gebeurd. Daarnaast heeft Zorginstituut
Nederland in zijn maatschappelijke weging de mogelijkheid, en in vervolg op het MAUG-advies
zal dat vertaald worden in een kwantitatief kortingsadvies, om de redelijkheid van
de prijs mee te wegen in een pakketadvies aan mij als Minister, waarbij overigens
de waarde nog steeds centraal staat.
De leden van de SP-fractie benadrukken daarnaast dat de hoge geneesmiddelenprijzen
ook grotendeels te maken hebben met de enorme afhankelijkheid van grote commerciële
geneesmiddelenbedrijven voor het ontwikkelen van geneesmiddelen. Is de Minister bereid
om veel meer in te zetten op het publiek ontwikkelen van geneesmiddelen, zodat er
goedkopere alternatieven komen en de afhankelijkheid van commerciële ontwikkelaars
wordt verminderd?
De SP fractie heeft mij eerder middels de motie Bushof en Dijk17 opgeroepen om een voorstel uit te werken voor een onafhankelijk fonds voor geneesmiddelenonderzoek.
Ik heb opvolging gegeven aan deze motie in de Kamerbrief van september jongstleden18. Vooralsnog heb ik nog geen reactie ontvangen van uw Kamer op dit stuk. Als uw Kamer
wenst om geneesmiddelenontwikkeling meer publiek te organiseren dan kan de genoemde
Kamerbrief dienen als startpunt voor een discussie over de mogelijkheid en wenselijkheid
van zo’n voorstel. In het voorstel heb ik aangegeven dat ik het onwenselijk vind om
als overheid wetenschappers in dienst te nemen die zelf geneesmiddelen ontwikkelen.
In plaats daarvan beschrijft de schets een samenhangend stelsel voor financiering
met onderzoekssubsidies per fase van geneesmiddelenontwikkeling. In het algemeen kunnen
we niet zonder de expertise van de farmaceutische industrie, vooral voor de latere
fase van ontwikkeling, grootschalige productie van geneesmiddelen en het faciliteren
van toegang en beschikbaarheid buiten Nederland. Het is voor academische ontwikkelaars
meestal niet haalbaar om dit zelf te doen. Ik zet daarom in op synergie, zodat alle
betrokken partijen hun expertise kunnen inzetten, en ondersteun initiatieven vanuit
zowel de academie, als vanuit commerciële partijen. Bovendien heb ik de mogelijkheid
om te onderhandelen over de prijs van geneesmiddelen wanneer sprake is van onaanvaardbaar
hoge prijzen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
E.M. Sjerp, adjunct-griffier