Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. de reactie op verzoek commissie over de brief van het Comité Schone Lucht NL (CSL), FERN EU en ClientEarth aan de ministeries van Economische Zaken en Klimaat, van Infrastructuur en Waterstaat en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over “'Verstandiger met Hout'; handleiding voor verdergaande implementatie herziene EU Richtlijn hernieuwbare energie (RED III) bij onderdeel biomassaverbranding” (Kamerstuk 32813-1423)
32 813 Kabinetsaanpak Klimaatbeleid
31 239
Stimulering duurzame energieproductie
Nr. 1555
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 10 februari 2026
De vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei heeft een aantal vragen en opmerkingen
voorgelegd aan de Minister van Klimaat en Groene Groei over de volgende brieven inzake
de reactie op verzoek commissie over de brief van het Comité Schone Lucht NL (CSL),
FERN EU en ClientEarth over «Verstandiger met Hout»; handleiding voor verdergaande
implementatie herziene EU Richtlijn hernieuwbare energie (RED III) bij onderdeel biomassaverbranding
(Kamerstuk 32 813, nr. 1423), Kabinetsreactie ERK rapport Groene transitie – onduidelijke bijdrage uit de Herstel-
en Veerkrachtfaciliteit (HVF) (Kamerstuk 21 501-07, nr. 2081), Appreciatie van twee wetenschappelijke publicaties van de VU en de UvA over het
verbieden van fossiele reclames (Kamerstuk 32 813, nr. 1438), Routekaart Koolstofverwijdering (Kamerstuk 32 813, nr. 1500), Definitief ontwerp-Klimaatplan 2025–2035 (Kamerstuk 32 813, nr. 1501), Kabinetsreactie op Jongerenakkoord over klimaatdoelen (Kamerstuk 32 813, nr. 1514), Kabinetsreactie rapport NL klimaatneutraal in 2040 (Kamerstuk 32 813, nr. 1513), Inhoudelijke appreciatie van de motie van het lid Teunissen over BECCS op geen
enkele wijze stimuleren of faciliteren met hout als biomassa (Kamerstuk 31 239, nr. 430), Kabinetsreactie op het WKR-advies «Vaart maken met visie. Met toekomstvisie richting
geven aan klimaatbeleid» (Kamerstuk 32 813, nr. 1539), Reactie op het signalenrapport «bestaanszekerheid in de buurt» en de evaluatie
van het Nationaal Klimaat Platform (Kamerstuk 32 813, nr. 1541) en Reactie op verzoek commissie over de brieven van Building Change over «Helder
over elders 2025 bij de begroting van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei»
en van de Grootouders voor het Klimaat m.b.t. COP21 en klimaatbeleid (Kamerstuk 31 793, nr. 289).
De vragen en opmerkingen zijn op 28 januari 2026 aan de Minister van Klimaat en Groene
Groei voorgelegd. Bij brief van 10 februari 2026 zijn de vragen beantwoord.
De fungerend voorzitter van de commissie, Kröger
Adjunct-griffier van de commissie, Teske
Inleiding
Hierbij zendt het kabinet u de antwoorden op het Schriftelijk Overleg Klimaat en energie
(algemeen) van 28 januari jl.
Daarnaast is tijdens het Commissiedebat over de uitkomsten van COP30 op 15 januari
jl. toegezegd de Kamer nader te informeren over de uitkomsten van de bijeenkomst van
de Global Initiative for Information Integrity
on Climate Change dat op 20 januari jl. plaatsvond1. Nederland heeft zich tijdens COP30 aangesloten bij dit initiatief dat desinformatie
over klimaatverandering probeert aan te pakken.
De bijeenkomst van 20 januari stond in het teken van het verwelkomen van nieuw deelnemende
landen, waaronder Nederland; er is vooruitgekeken naar 2026 en er zijn mogelijke activiteiten
voorgesteld om als coalitie op te focussen, bijvoorbeeld het mondiaal in kaart brengen
van onderzoeken naar desinformatie over klimaatverandering of het gezamenlijk werken
aan principes voor advertenties over klimaat. Er is vooralsnog geen definitief besluit
genomen welke activiteiten dit jaar door de coalitie worden opgepakt, wel is duidelijk
dat inzet door deelnemende landen op deze activiteiten vrijwillig is en er is geen
financiële bijdrage vanuit Nederland. Een volgend overleg staat gepland voor april.
Samen met het KNMI wordt ondertussen gekeken op welke manier Nederland concreet gaat
bijdragen. Wanneer hier meer duidelijkheid over is, uiterlijk voor het zomerreces,
wordt de Kamer hierover geïnformeerd.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
1.
De leden van de D66-fractie hebben met grote zorg kennisgenomen van het onderzoek
van Ecorys, waaruit blijkt dat Nederland de Europese verplichtingen voor hernieuwbare
energie en energiebesparing dreigt te missen. Deze leden constateren dat het niet
behalen van deze doelen kan leiden tot een miljardenstrop die kan oplopen tot 2,6 miljard
euro aan «statistische overdrachten» aan andere EU-lidstaten. Zij vinden het onacceptabel
dat belastinggeld wordt uitgegeven aan boetes en afkoopregelingen, terwijl het kabinet
dit geld ook direct zou kunnen investeren in bijvoorbeeld het isoleren van woningen
en het verduurzamen van de Nederlandse industrie. Elke euro die naar een buitenlandse
boete gaat, is in de ogen van deze leden een gemiste kans voor onze eigen groene groei
en energie-onafhankelijkheid. Kan de Minister uitsluiten dat ertussen nu en 2030 opnieuw
«statistische overdrachten» plaatsvinden, zoals de 200 miljoen euro in 2020? Zo nee,
welke stappen zet de Minister om dit te voorkomen?
Antwoord
Op Europees niveau zijn voor 2030 ambitieuze doelen afgesproken voor hernieuwbare
energie en energie-efficiëntie, waar Nederland net zoals andere lidstaten een nationale
bijdrage aan levert. De commissie monitort periodiek de voortgang die de lidstaten
en de Unie boeken met het oog op de doelen voor energie en klimaat, waaronder de doelen
voor 2030 voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie.
Voor de doelstellingen onder de Energie-efficiëntierichtlijn (EED) bestaat geen instrument
voor statistische overdracht. Voor hernieuwbare energie is in tegenstelling tot in
2020, niet een bindend nationaal doel vastgesteld voor Nederland. Daarom kan niet
op voorhand gesteld worden dat Nederland een eventueel tekort op haar nationale bijdrage
aan het Europese doel financieel zou moeten compenseren, zoals in 2020.
Nederland vraagt in Europees verband aandacht voor de uitdagingen om de gestelde energiedoelen
te halen. Om deze doelen binnen bereik te houden, blijft Nederland zich inzetten voor
een snelle uitrol voor hernieuwbare energie op Europees niveau en het belang van energiebesparing.
Op nationaal niveau stimuleert Nederland de groei van hernieuwbare energie met de
SDE++, SCE en het recent door het kabinet aangekondigde Tijdelijk Ondersteuningsmechanisme
voor Windenergie op Zee (TOWOZ). Ook bestaan er verschillende maatregelen om energiebesparing
te bevorderen, zoals bijvoorbeeld de energiebesparingsplicht voor bedrijven en instellingen,
de pseudo-eindheffing zakelijke leaseauto's en subsidies zoals bijvoorbeeld de ISDE,
EIA en de DUMAVA. Ook vraagt Nederland in Europees verband aandacht voor problemen
rondom de uitvoering van hernieuwbare energieprojecten, zoals belemmeringen op het
terrein van netcongestie, vergunningverlening en hoge netwerktarieven. Daarom verwelkomt
Nederland de publicatie van het Grids Package, dat kan helpen om barrières op het
terrein van infrastructuur weg te nemen.
2.
De leden van de D66-fractie zijn verheugd dat de kabinetsreactie op het Jongerenakkoord
niet langer controversieel is verklaard en we dit akkoord nu kunnen bespreken. Ten
eerste constateren dat het kabinet de motie-Rooderkerk2 gaat invullen met een «Jonge Klimaattafel». Deze leden steunen dit voornemen en vinden
het een goede uitwerking van de motie Rooderkerk. Zij hechten grote waarde aan de
betrokkenheid van jonge generaties bij het klimaatbeleid, aangezien zij de gevolgen
van de huidige besluitvorming het langst zullen dragen. Deze leden waarderen de invulling
van de motie, maar benadrukken daarbij dat dit geen vrijblijvend karakter mag hebben.
Ten eerste vragen zij op welke wijze de Minister gaat borgen dat de adviezen van de
Jonge Klimaattafel een formele en zwaarwegende plek krijgen in de besluitvorming rondom
de Klimaat- en Energieverkenning. Daarnaast vragen zij of de Minister kan garanderen
dat de ondersteuning van deze tafel voor lange termijn beschikbaar blijft.
Antwoord
Er is tijdens de voorjaarsbesluitvorming een dialoogsessie georganiseerd met de jongeren
en de ambtenaren op de thema’s die de jongeren hebben benoemd in het Akkoord3. Het is de bedoeling dat deze overlegvorm een permanent karakter krijgt, waarmee
het jaarlijks een vaste plek krijgt in de klimaatcyclus, waarbij de jongeren zullen
participeren als «Jonge Klimaattafel». Om de geschetste overlegvorm voor de jongeren
in praktische zin mogelijk te maken wordt een financiële bijdrage beschikbaar gesteld
in de vorm van een meerjarige subsidie.
3.
De leden van de D66-fractie lezen dat het kabinet een netto broeikasgasreductie van
circa 90% in 2040 als een logische tussenstap ziet op weg naar klimaatneutraliteit
in 2050. Zij complimenteren het kabinet met deze ambitie. Het behalen van 90% reductie
in 2040 is een opgave die vraagt om ongekende inspanning, maar het is de enige weg
om de doelen van het akkoord van Parijs binnen bereik te houden en de Nederlandse
economie toekomstbestendig te maken. Deze leden zijn van mening dat deze ambitie omgezet
moet worden in juridische zekerheid voor burgers en bedrijven. Daarom vragen zij de
Minister welke mogelijkheden zij ziet om het doel van 90% broeikasgasreductie in 2040
steviger te borgen in haar beleid.
Antwoord
Een belangrijk onderdeel van de borging van het beleid zijn de verplichtingen die
volgen uit Europees beleid. Naar verwachting presenteert de Commissie eind dit jaar
een voorstel voor een beleidspakket om invulling te geven aan de in Europees verband
vastgestelde klimaatdoelen voor 2040. Daaruit zullen ook voor Nederland de nodige
verplichtingen volgen die bijdragen aan de borging van het beleid. De nationale borging
van de klimaatdoelen vindt verder plaats binnen de reguliere klimaatbesluitvormingscyclus.
4.
De leden van de D66-fractie constateren dat de woningbouwopgave en de uitrol van laadinfrastructuur
onder grote druk staan door de toenemende netcongestie. Zij zien echter grote kansen
in «netbewuste nieuwbouw», waarbij door slim ontwerp en gespreid verbruik meer woningen
op dezelfde kabel kunnen worden aangesloten. Deze leden zijn van mening dat netbewuste
nieuwbouw de standaard moet worden in Nederland. Het kan niet zo zijn dat de woningbouw
stagneert terwijl er door slimme technische oplossingen en gebiedsgerichte vermogensnormen
nog ruimte op het net te vinden is. Welke mogelijkheden ziet de Minister om netbewuste
nieuwbouw als standaard op te nemen in ruimtelijke plannen en aanbestedingen? Hoe
beoordeelt de Minister het voorstel van Aedes om een subsidieregeling in te richten
voor netbewust renoveren?
Antwoord
Netbewuste nieuwbouw is een belangrijke maatregel om de schaarse netcapaciteit zo
goed mogelijk te benutten. Op de Woontop van 2024 heeft de Minister van VRO afspraken
gemaakt om netbewust bouwen te stimuleren. Er zijn samen met de betrokken Woontop-partners
meerdere onderzoeken gepubliceerd die inzicht geven in wat er technisch en met slim
ontwerpen mogelijk is om netbewust te bouwen. Dit is een belangrijke stap om de bouwsector
te helpen in deze transitie. De komende periode worden de (juridische) mogelijkheden
voor brede toepassing van netbewust bouwen onderzocht, waarbij ook gekeken wordt naar
de effecten op de kosten van nieuwbouw.
Wat betreft het voorstel van Aedes om een subsidieregeling in te richten voor netbewust
renoveren: afgelopen periode is er door het Ministerie van VRO samen met Aedes en
de netbeheerders gewerkt aan het in beeld brengen van technische maatregelen die woningcorporaties
kunnen treffen om netbewust te renoveren. Er is nog niet geconcretiseerd of en zo
ja welke meerkosten hierbij komen kijken. Over vervolgstappen wordt op bestuurlijk
niveau het gesprek gevoerd met de netbeheerders en Aedes. Het inrichten van een subsidieregeling
is daarom vooralsnog niet voorzien.
5.
De leden van de D66-fractie constateren dat er na 2030 een reëel risico ontstaat op
tijdelijke elektriciteitstekorten, waardoor het tijdelijk openhouden van bestaande
gascentrales noodzakelijk lijkt voor de leveringszekerheid. Hoewel deze leden de noodzaak
van leveringszekerheid erkennen, maken zij zich zorgen over het risico op een «lock-in»
van fossiele infrastructuur. Zij zijn van mening dat een mogelijk instrument voor
regelbaar vermogen óók ruimte moet geven voor regelbaar vermogen anders dan de reguliere
gascentrales. Hoe gaat de Minister stimuleren dat marktpartijen nu al investeren in
duurzaam regelbaar vermogen? Kan de Minister concreet schetsen hoe en wanneer zij
een instrument voor regelbaar vermogen zoals batterijen of grootschalige langdurige
opslag gaat realiseren?
Antwoord
Het kabinet zal de Kamer in de eerste helft van 2026 informeren over de specifieke
wijze waarop na 2030 de leveringszekerheid geborgd zal worden4. Een maatregel in de vorm van een capaciteitsmechanisme moet volgens de Elektriciteitsverordening
(EU 2019/943) ook open staan voor opslag en flexibiliteit in de vraag. Het Europese
emissiehandelssysteem zorgt middels het jaarlijks dalende emissieplafond voor een
prikkel tot emissiereductie in de elektriciteitssector en voor investeringen in duurzame
elektriciteitsopwek.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
6.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de Minister wat de reden is dat een
nationaal fossiel verbod wel moeilijk ligt in het kader van verdragen, terwijl gemeenten
als Amsterdam, Den Haag, Utrecht, Delft, Nijmegen, Leiden, Bloemendaal en Zwolle het
gewoon al doen. Wat maakt volgens de Minister dat de aangehaalde onzekerheid over
de juridische houdbaarheid op nationaal niveau wel een probleem zou zijn, terwijl
gemeenten dat probleem niet lijken te hebben?
Antwoord
Het instellen van een lokaal verbod is om meerdere redenen niet goed vergelijkbaar
met het eventueel instellen van een nationaal verbod5 Het belangrijkste verschil is dat aan een verbod op nationaal niveau hogere eisen
gesteld zullen worden wat betreft het proportioneel, robuust en effectief toespitsen, afbakenen en onderbouwen hiervan. Een eventueel nationaal verbod zou bijvoorbeeld nauwkeurig afgebakend moeten
zijn wat betreft de vormen van reclame (zoals online uitingen of reclame via gedrukte
media) en de producten en/of diensten. Dat vereist een duidelijke maatstaf of grenswaarde
van wat wel of niet als fossiel beschouwd moet worden. Ook zal op juridisch robuuste
wijze aannemelijk gemaakt moeten worden dat het verbod daadwerkelijk zal leiden tot
minder consumptie van de eronder vallende producten of diensten, waardoor de uitstoot
van broeikasgasemissies vermindert en zo een bijdrage kan worden geleverd aan het
beschermen van de gezondheid van de mens en het milieu en het tegengaan van klimaatverandering.
Daarnaast speelt mee dat een nationaal verbod, afhankelijk van de reikwijdte, aan
meer juridische randvoorwaarden moet voldoen dan bij de genoemde lokale verboden het
geval is. Zo zal ook gekeken moeten worden naar het vrij verrichten van diensten en
de dienstenrichtlijn, een element dat in de uitspraak in kort geding in de zaak van
de gemeente Den Haag niet aan bod is gekomen.
7.
Verder vragen deze leden de Minister waarom ze niet gewoon één door de gemeenten gehanteerde
definities overneemt. Kan de Minister de Kamer een overzicht bezorgen van de definities
die de Nederlandse gemeenten voor fossiele reclame hanteren en in een helder overzicht
aanduiden waar precies de verschillen liggen?
Antwoord
De in vraag 6 genoemde gemeentes hanteren niet exact dezelfde definities, maar een
gemeenschappelijk element is dat alle gemeentes reclame in de openbare ruimte voor
de categorieën fossiele brandstoffen, vervuilende reizen en vervuilende auto’s verbieden.
De gemeente Den Haag rekent echter behalve olie, gas en kolen ook gascontracten tot
de fossiele brandstoffen. Verder rekenen alle gemeentes vliegreizen en cruises tot
de categorie vervuilende reizen, alleen de gemeente Den Haag neemt daarin ook vliegtickets
mee. Alle gemeentes rekenen auto’s met een verbrandingsmotor tot een product waarvoor
geen reclame mag worden gemaakt, de gemeente Leiden verbiedt echter ook reclame voor
hybride auto’s. Ten slotte valt op dat een aantal gemeentes nadrukkelijk uitzonderingen
op het verbod definiëren. Zo geven de gemeentes Amsterdam en Leiden in hun definities
aan dat het verbod niet geldt voor reclame van bedrijven die minder dan 30% van hun
omzet behalen uit de genoemde categorieën (Amsterdam) c.q. uit fossiele producten
(Leiden). Laatstgenoemde gemeente definieert als enige nog verdere uitzonderingen:
niet onder het Leidse verbod vallen reclames voor fossiel openbaar vervoer, voor vervoer
op elektriciteit opgewekt door fossiele brandstof en voor plastic en chemicaliën.
8.
Kan de Minister verder een uitputtende lijst aanleveren van de flankerende maatregelen
om klimaatvriendelijke keuzes voor de consument aantrekkelijker te maken, die op basis
van het wetenschappelijke advies nodig zouden zijn? Kan de Minister daarbij voor ieder
van die maatregelen vermelden wat de stand van het beleid vandaag is, welke de concrete
plannen al in uitwerking zijn en wat precies nog nodig is om die maatregelen effectief
in te voeren?
Antwoord
Het beleid dat nodig is om duurzame keuzes voor consumenten aantrekkelijker te maken
verschilt per duurzame keuze, omdat bij elke keuze een specifieke set aan positieve
of negatieve prikkels een rol speelt. Zoals aangekondigd in het Klimaatplan 2025–20356 werkt het kabinet daarom aan een aanpak duurzaam leven. In deze aanpak wordt aan
de hand van gedragsinzichten toegewerkt naar een samenhangend overzicht van effectieve
(combinaties van) maatregelen die, gefaciliteerd door de overheid en het bedrijfsleven,
de tien duurzaamste keuzes voor de consument inzichtelijk gemaakt en ondersteund worden.
Op sommige van deze keuzes heeft het kabinet reeds maatregelen genomen, zoals het
per 2028 invoeren van een gedifferentieerd stroomtarief waarbij het gebruik van stroom
buiten de piekuren beloond wordt7.
Deze zullen in het overzicht worden geïntegreerd. Het is aan het nieuwe kabinet om
de uitkomsten van de aanpak met de Kamer te delen en een besluit te nemen over eventuele
vervolgstappen.
9.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de Minister, of zij bij het oormerken
van middelen voor koolstofverwijdering een minimumpercentage aan middelen voor natuur-gebaseerde
oplossingen zal vastleggen, gezien de routekaart Koolstofverwijdering die aangeeft
dat koolstofverwijdering zoveel mogelijk moet aansluiten bij andere beleidsdoelen
zoals voor natuur.
Antwoord
In het voorgestelde beleid genoemd in de Routekaart Koolstofverwijdering is zowel
aandacht voor industriële als natuur-gebaseerde koolstofvastlegging. Naast de bijdrage
aan klimaatbeleid, draagt natuurlijke koolstofverwijdering ook bij aan de beleidsdoelen
op het gebied van natuur. Door het huidige demissionaire kabinet wordt dit daarom
in samenhang bekeken. Nadere keuzes rond de verdeling van middelen zijn op dit moment
niet aan de orde en besluitvorming daarover is aan een nieuw kabinet.
10.
Zal de Minister ook in gesprek gaan met het Nederlandse bedrijfsleven over hun wereldwijde
impact die de natuurlijke capaciteit tot koolstofverwijdering vermindert, zoals bijvoorbeeld
door de vernietiging van bossen in de toeleverketen of de aanvaringen van walvissen
door schepen van Nederlandse rederijen wat volgens het Internationaal Monetair Fonds
(IMF) ook tot een verminderde koolstofverwijderingscapaciteit leidt?
Antwoord
Het kabinet heeft aandacht voor de bredere milieu-impact van het bedrijfsleven en
blijft in gesprek met hen over hoe zij hun bedrijfsvoering kunnen verduurzamen. Het
kabinet werkt tevens samen met het bedrijfsleven aan ontbossingsvrije ketens via een
combinatie van wetgeving, internationale samenwerking en initiatieven.
11.
Deze leden vragen de Minister tot slot of zij zal garanderen dat Nederland het maximaal
voorkomen van uitstoot nog steeds als eerste prioriteit blijft beschouwen.
Antwoord
De Routekaart Koolstofverwijdering8 ligt toe dat het uitgangspunt van dit kabinet is dat emissiereductie prioritair blijft
binnen de ontwikkeling van klimaatbeleid. Hiermee wordt bedoeld dat de inzet op koolstofverwijdering
geen afbreuk mag doen aan het houden van druk op het verminderen van uitstoot van
broeikasgassen. Tegelijkertijd weten we dat er in 2050 nog niet te vermijden restemissies
zullen zijn.9
10 Om klimaatneutraliteit te behalen en aan de klimaatwet te voldoen zullen deze restemissies
gecompenseerd moeten worden, en daarvoor zijn significante volumes koolstofverwijdering
nodig. Het is daarom noodzakelijk om tegelijkertijd emissiereductie voort te zetten
en koolstofverwijderingstechnieken te ontwikkelen en op te schalen.
12.
Kan de Minister garanderen dat koolstofverwijdering niet als excuus gebruikt wordt
om langer broeikasgassen uit te stoten, o.a. door de verbranding van fossiele brandstoffen?
Met andere woorden, zal de Minister garanderen dat de finaliteit van koolstofverwijdering
niet is om gelijktijdige uitstoot te compenseren, maar wel in de eerste plaats dient
om de historische uitstoot van Nederland uit de atmosfeer op te ruimen?
Antwoord
Zie het antwoord op vraag 11.
13.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de Minister met de Kamer een doorrekening
kan delen of het definitief ontwerp-Klimaatplan voldoende is om de nationale en Europese
klimaatdoelen te halen.
Antwoord
Er is geen doorrekening gedaan van de beleidsagenda uit het ontwerp-Klimaatplan 2025–2035.
De beleidsagenda, die in de Klimaatnota 2025 geïntegreerd is met de beleidsagenda
uit het Nationaal Plan Energiesysteem, geeft een overzicht van de acties die de komende
tien jaar in gang moeten worden gezet richting klimaatneutraliteit. Een groot deel
van de beleidsagenda betreft instrumentarium dat al bestaat en is doorgerekend. Daarnaast
bevat de beleidsagenda suggesties voor toekomstig beleid. Dit betreft ontwikkelingen
die cruciaal zijn voor het pad richting klimaatneutraliteit en een klimaatneutraal
energiesysteem in 2050 waar nog nieuw beleid nodig is om dit in goede banen te leiden.
Uitwerking van deze suggesties voor toekomstig beleid moet nog plaatsvinden via de
reguliere besluitvormingscyclus. Op dat moment is ook een inschatting van het CO2-effect mogelijk. Wel is er bij het Klimaatplan een impact assessment opgenomen die
in gaat op de mogelijke gevolgen voor Nederland van de Europese klimaatdoelen. Tot
slot laat de Klimaat- en Energieverkenning (KEV) van het PBL jaarlijks zien hoe de
broeikasgasemissies en het energiesysteem in Nederland zich ontwikkelen op basis van
het beleid.
14.
Hoeveel ton CO2-equivalent wijkt de uitwerking van het plan af van de doelen? Wat zullen de verwachte
kosten voor de Rijksbegroting zijn op basis van die afwijking doordat we koolstofkredieten
bij andere landen moeten inkopen ter compensatie van ons eigen tekort?
Antwoord
Zie het vorige antwoord. Er is op dit moment geen sprake van inkoop van koolstofkredieten
bij andere landen. Op EU-niveau is wel afgesproken dat voor het behalen van het 2040
doel mogelijk gebruik kan worden gemaakt van internationale koolstofkredieten. Eind
dit jaar volgt hiervoor een effectbeoordeling vanuit de Europese Commissie die naar
verwachting ook zal uitweiden over de eventuele kosten die hiermee gemoeid zijn. Pas
daarna wordt in EU-verband besloten hoe er met internationale kredieten zal worden
omgegaan.
15.
Verder vragen deze leden wat de huidige stand is van de ontwikkeling van de generatietoets?
Antwoord
Zoals vorig jaar per brief aangekondigd door de Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties11 zal de generatietoets worden opgenomen in het Beleidskompas. Dit in het kader van
een reeds eerder door de Staatssecretaris Rechtsbescherming aangekondigde verbetering
van de toepassing en het gebruik van het Beleidskompas12. Een belangrijk element van deze verbeterslag is het toegankelijker maken van de
kwaliteitseisen uit het Kompas voor beleidsmakers. Als nieuw instrument hierbij is
door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de «Leidraad Toekomstgericht
Beleid: Een praktische gids voor de Rijksoverheid» opgesteld. Deze leidraad ondersteunt
beleidsmakers bij het meewegen van de lange-termijn- en intergenerationele impact
van nieuw te ontwikkelen maatregelen. De Leidraad bevat drie methoden hiervoor: de
Generatiescan; een snelle check op mogelijke effecten voor toekomstige generaties,
de Generatietoets; een verdiepende analyse bij beleid met substantiële of onomkeerbare
gevolgen, en «De Toekomst aan Tafel»; een participatieve methodiek om de stem van
toekomstige generaties actief te betrekken. Afgelopen december 2025 is de Leidraad
Toekomstgericht Beleid definitief toegevoegd aan het Beleidskompas13.
16.
Is de Minister het voorts met deze leden eens dat het advies van de Raad van State
om een tussendoel voor 2040 in de Klimaatwet vast te leggen, geenszins in strijd is
met een Europees tussendoel en dat het kabinet er wel voor zou kunnen kiezen aan die
aanbeveling gevolg te geven?
Antwoord
Het klopt dat het eventueel vastleggen van een tussendoel voor 2040 iniet in strijd
is met een Europees tussendoel. Verdere besluitvorming hierover is aan een volgend
kabinet.
17.
Zal de Minister op basis van het rapport «Eerlijk Verduurzamen, randvoorwaarden voor
rechtvaardig beleid» van de Raad voor Leefomgeving en Infrastructuur uit december
2025 het Klimaatplan wijzigen om het sociaal rechtvaardiger te maken? Wat is de reactie
van de Minister op dat rapport?
Antwoord
Rechtvaardigheid is al één van de vier uitgangspunten van het Klimaatplan. Het kabinet
werkt momenteel aan het concretiseren van dit uitgangspunt. Dit gaat over het versterken
van rechtvaardigheid in het klimaatbeleid door verdelingsprincipes inzichtelijk te
maken, beleid te evalueren met oog op rechtvaardigheid en procedurele rechtvaardigheid
beter te borgen. De uitgebreidere kabinetsreactie op het Rli-advies is aan het komende
kabinet.
18.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben vragen op basis van de appreciatie
van de Minister van het Jongerenakkoord over klimaatdoelen. Wat precies bedoelt de
Minister met «realistisch beleid»? Welke voorstellen beschouwt de Minister als niet
realistisch en waarom? Is dat realisme gebaseerd op fysieke wetmatigheden of juridische
beperkingen, dan wel op politieke onwil? Neemt de Minister daarbij ook de realiteit
van de klimaatregeling en de daaruit volgende schade voor Nederland en de Nederlanders
mee in beschouwing? Zo ja, op welke manier?
Antwoord
De jongeren benadrukken in de tekst van het akkoord dat het van groot belang is om
ambitieus te blijven en tempo te blijven maken als het gaat om de uitvoering van het
klimaatbeleid. Het kabinet deelt deze ambitie en heeft daarom met het Pakket voor
Groene Groei maatregelen genomen om randvoorwaarden op orde te brengen zodat de uitvoering
van het klimaatbeleid door kan. Het kabinet wil beleid voeren dat uitvoerbaar is voor
zowel de beoogde doelgroep als voor uitvoerende partijen en oog houdt voor andere
maatschappelijke doelen, zoals onze concurrentiepositie of een betaalbare energierekening.
De uitrol van de klimaat- en energietransitie is flink gevorderd, maar we zien ook
dat deze tegen grenzen aanloopt: beperkingen in netcapaciteit, beperkingen door stikstofuitstoot
en beperkingen in beschikbaar personeel. Voor realistisch klimaatbeleid is het daarom
belangrijk dat de beoogde doelgroep ook daadwerkelijk handelingsperspectief heeft
om te verduurzamen. Daarbij verstaat het kabinet onder realistisch beleid ook dat
er voldoende middelen zijn om de maatregel te bekostigen en is het van belang rekening
te houden met de recente geopolitieke ontwikkelingen. Het werken aan een schoon, klimaatneutraal
Nederland moet daarom hand in hand gaan met maatregelen om ons land ook veilig en
weerbaar te houden.
19.
Kan de Minister per niet-aangenomen voorstel van het Jongerenakkoord aangeven wat
precies de reden is van het niet aan te nemen? Kan de Minister per aangenomen voorstel
aangeven of dat voorstel reeds deel uitmaakte van voorziene beleidsplannen dan wel
juist op basis van het Jongerenakkoord in het beleid is opgenomen?
Antwoord
Het Jongerenakkoord bevat 42 voorstellen met suggesties om het maatregelenpakket voor
de voorjaarsbesluitvorming aan te vullen of aan te scherpen. Met de jongeren is afgesproken
om henzelf een selectie hieruit te laten maken die in de hierboven genoemde dialoogsessie
besproken zou kunnen worden. Dit omdat het aantal van 42 voorstellen te groot was
om in een sessie van een aantal uur door te kunnen spreken. Op voorspraak van de jongeren
zijn de volgende voorstellen in de dialoogsessie besproken:
1) Energiearmoede tegengaan (isolatieoffensief kwetsbare wijken + progressieve energiebelasting).
2) Verbeteren OV (uitbreiding buurtbusnetwerk + herbestemmen budget weginfra voor OV).
3) Groene energie & circulaire innovatie (instellen Landelijk Innovatiefonds + subsidiëren
onrendabele top circulaire innovaties).
4) Duurzame landbouw (heffing vleesconsumptie + extensivering & vernatting melkveehouderij/subsidies
waterinfiltratie).
In het algemeen worden tijdens het voorjaarsbesluitvormingsproces vele varianten en
oplossingsrichtingen bekeken en doorgerekend. Het kabinet krijgt van diverse partijen
uit de samenleving, waaronder de jongeren, advies over klimaat- en energiemaatregelen
en doet zelf regelmatig onderzoek naar welke klimaat- en energiemaatregelen mogelijk
zijn (zoals met IBO Scherpe Doelen Scherpe Keuzes). De maatregelen in het Jongerenakkoord
waren over het algemeen niet nieuw, maar zorgen ervoor dat deze maatregelen weer onder
de aandacht gebracht worden en helpen zo de beleidsplannen te vormen. Op basis van
alle inbreng van diverse partijen en rapporten maakt het kabinet een beoordeling van
de haalbaarheid en wenselijkheid van verschillende maatregelen binnen de gegeven context.
Zo vragen veel maatregelen in het Jongerenakkoord om aanzienlijke investeringen vanuit
de rijksfinanciën, waartoe het demissionaire kabinet op dat moment niet altijd ruimte
voor zag. Daarnaast speelt mee dat sommige maatregelen juist hoge kosten voor de maatschappij
met zich meebrengen, en daardoor bijvoorbeeld de concurrentiepositie van onze industrie
kunnen schaden. De finale afweging tussen deze verschillende belangen is een politieke
verantwoordelijkheid.
20.
Welke plannen liggen er voorts al voor de besteding van het Social Climate Fund? Wil
de Minister op het Social Climate Fund wachten om bijkomende middelen voor onder andere
openbaar vervoer vrij te maken of zal de Minister dat al eerder doen?
Antwoord
De Nederlandse inzet voor de besteding van het Social Climate Fund is ingediend bij
de Europese Commissie. De aanvraag is ingediend voor middelen om de effecten van het
emissiehandelssysteem (ETS2) voor kwetsbare huishoudens en micro-ondernemingen te
verzachten. Deze middelen wil Nederland inzetten voor 4 maatregelen: 1) Verlenging
van het Nationaal Warmtefonds, waarmee huishoudens met een verzamelinkomen onder 60k
tegen gunstige voorwaarden kunnen lenen voor energiebesparende maatregelen, 2) Advies,
hulp en ondersteuning voor huishoudens bij verduurzaming van hun woning via één loket
(«Energiehuizen»), 3) Directe inkomenssteun voor kwetsbare huishoudens via een publiek
Energiefonds, gekoppeld aan de tweede maatregel zodat de doelgroep die de hulp het
meest nodig heeft ook gericht wordt geholpen met structurele verduurzamingsmaatregelen,
4) Fixteams ter ondersteuning van de verduurzaming van micro-ondernemingen. De Kamer
is door de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid geïnformeerd over
het plan dat bij de Europese Commissie is ingediend14. Het kabinet kan deels al starten met de uitvoering van de maatregelen. Voor het
SCF geldt dat lidstaten zelf 25% moeten co-financieren uit nationale middelen. Voor
de afzonderlijk maatregelen hebben de betrokken departementen hier middelen voor gereserveerd,
waaronder uit het Klimaatfonds, die reeds benut kunnen worden voor de implementatie.
Daarvoor moet worden voldaan aan de gestelde voorwaarden in het Klimaatfonds15.
Er zijn voor de besteding van het Social Climate Fund geen plannen meer ingediend
voor het openbaar vervoer omdat er met uitvoerende partijen geen overeenstemming is
bereikt voor de ontwikkeling van een landelijk geldig reisabonnement voor minima omdat
de risico’s van de overstap naar zo’n pas te groot werden geacht. De Kamer is hierover
in het najaar geïnformeerd door de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat16.
21.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de Minister of ze op basis van de haalbaarheidsanalyse
Nederland Klimaatneutraal in 2040 bijkomend beleid plant. Kan de Minister een uitputtende
lijst bezorgen van de belemmeringen qua juridische haalbaarheid en uitvoerbaarheid
die zij ziet en wat er nodig is om die belemmeringen op te lossen? Wat precies is
ervoor nodig om de kabinetsinzet van 90% reductie in 2040 toch te verhogen naar 100%?
Wat leert de Minister voorts uit de studie van TNO naar de macro-economische effecten?
Welk bijkomend beleid zal zij op basis van die studie voorstellen?
Antwoord
Bij besluitvorming over beleid worden alle relevante inzichten betrokken waaronder
ook die uit de genoemde studies. De rapporten op zichzelf zijn geen aanleiding om
het beleid bij te stellen. Er is geen specifieke analyse gemaakt van de belemmeringen
qua juridische haalbaarheid en uitvoerbaarheid om in 2040 klimaatneutraal te zijn.
Het rapport zelf17 noemt dat het substantieel versnellen van de transitie een formidabele opgave is
die vraagt om zeer stringent overheidsbeleid en een ongekende inspanning van de hele
samenleving. Andere beleidsdoelen zouden bijvoorbeeld vertraging oplopen als gevolg
van prioritering op de arbeidsmarkt, zoals het oplossen van de woningcrisis of het
uitbreiden van defensie. Ook zouden harde keuzes gemaakt moeten worden rondom de Rijksbegroting
om de benodigde meer investeringen te dekken. Tot slot zou de gevraagde inspanning
van de hele samenleving mogelijk op weerstand/vermindering van draagvlak stuiten.
Het kabinet constateert daarnaast dat de verduurzaming van de energievoorziening in
de praktijk tegen grenzen aanloopt. Dat komt onder andere door tekort aan netcapaciteit,
beperkte stikstofruimte en krapte op de arbeidsmarkt. Ook is bijvoorbeeld de infrastructuur
voor CCS nog onvoldoende ontwikkeld om koolstofopslag beter van de grond te krijgen,
en blijft de ontwikkeling van de waterstofmarkt achter op eerdere prognoses. Knelpunten
en beperkingen zijn in deze fase van de transitie onvermijdelijk. Zoals beschreven
in de Kamerbrief «Pakket voor Groene Groei» treft het kabinet in alle sectoren maatregelen
die erop gericht zijn de uitvoering vlot te trekken18.
De studie van TNO naar de macro-economische effecten leert ons dat een snellere reductie
dan in het Klimaatplan is verondersteld resulteert in een afname van het bruto binnenlands
product (bbp) en dat de kosten sterk variëren bij verschillende uitrolsnelheid van
technologie en energiesysteemkosten. De studie bevestigt de noodzaak van de huidige
inzet gericht op het vergroten van de uitrolsnelheid van vergunningen, het net en
de uitvoering en het belang van EU-coördinatie.
22.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de Minister, gezien het toejuichen
van het aanbod van de Grootouders voor het Klimaat om hun eigen elektrische energie
zelf op te wekken, ook zal ingaan op hun daarbij aansluitende vraag om dan te kunnen
rekenen op minimaal gelijke behandeling als de fossiele industrie qua belastingen,
toeslagen, kortingen, vrijstellingen etc.? Zo ja, hoe zal ze dit tot uitvoering brengen?
Zo nee, waarom niet?
Antwoord
Het is van cruciaal belang dat de klimaat- en energietransitie door de samenleving
zelf gedragen wordt, en waar waar mogelijke maatschappelijke initiatieven worden omarmd
en ondersteund. Hierom heeft de (eigen) opwek van hernieuwbare energie gedurende de
afgelopen jaren gestimuleerd, of dit nu om grote energieprojecten gaat, of kleinere
initiatieven van mensen thuis, gemeenschappen en bedrijven. Voor grootschalig zon-PV
en windenergie op land is de SDE++ beschikbaar, voor coöperatieve opwek is dat de
Subsidieregeling Coöperatieve Energieopwekking (SCE). Voor wat betreft kleinschalige
duurzame opwek bij afnemers met een kleine aansluiting, bijvoorbeeld via zonnepanelen
op daken of met zeer kleinschalige windmolens, geldt dat voor het gebruik van de opgewekte
elektriciteit achter de meter geen energiebelasting of btw verschuldigd is, los van
de kosten die niet hoeven te worden gemaakt om elektriciteit in te kopen van de leverancier.
Daarmee blijft er een voordeel bestaan bij het verbruik van zelf opgewekte duurzame
energie. Tot slot is het btw-tarief op zonnepanelen 0%, als deze geleverd en geïnstalleerd
worden op of bij een woning.
23.
Zal de Minister voorts naar aanleiding van de Factsheet Brede Welvaart van Building
Change een reflectie opstarten over hoe de Rijksoverheid net als o.a. Bhutan en Nieuw-Zeeland
brede welvaart centraal kan stellen in al het regeringsbeleid en dus verder zal kijken
dan slechts het bruto binnenlands product (bbp) als leidraad? Zal de Minister in een
dergelijke reflectie ook overwegen hoe de principes van de Donuteconomie een leidraad
kunnen vormen voor al het kabinetsbeleid?
Antwoord
Het kabinet erkent de noodzaak van bredewelvaartsdenken en hecht veel waarde aan de
Monitor Brede Welvaart van het CBS en de bredewelvaartsreflectie van de planbureaus
op de miljoenennota.
Nieuw-Zeeland en Bhutan hebben beiden een nuttig raamwerk om regeringsbeleid te maken
op basis van een breed beeld van hoe het met de maatschappij gaat. Ook Nederland heeft
zo’n raamwerk. Het CBS is internationaal al jaren toonaangevend met de monitor brede
welvaart. Dit kabinet heeft zijn besluitvorming gebaseerd op een breed beeld van indicatoren,
waaronder de MEV en de CEP van het CPB, de KEV van het PBL, de Sociaal Culturele Verkenningen
van het SCP, en de Monitor Brede Welvaart van het CBS. Het kabinet weegt verschillende
doelstellingen zorgvuldig tegen elkaar af. Gegeven de schaarste aan financiële middelen
en arbeidskrachten is het onvermijdelijk dat het verbeteren van bepaalde dimensies
van brede welvaart ten koste zal gaan van andere dimensies. Dat heeft het kabinet
uiteengezet in de kabinetsreactie op de Monitor Brede Welvaart 202519. De suggestie dat slechts het bbp centraal staat in het Nederlands regeringsbeleid
deelt het kabinet dus niet.
Tegelijkertijd is economische groei belangrijk om onze welvaart op peil te houden.
Dit niet alleen omdat koopkrachtgroei bijdraagt aan welvaartsgroei, maar ook om uitgaven
te financieren die bijdragen aan welvaart in brede zin, zoals zorg, klimaat en veiligheid.
Volgens het rapport van de heer Wennink is 1,5% economische groei per jaar nodig voor
koopkrachtbehoud, als we tegelijkertijd ook de defensie-uitgaven willen verhogen,
klimaatuitgaven willen blijven doen, en willen voorkomen dat we moeten bezuinigen
of dat we schulden doorschuiven aan toekomstige generaties. Dit illustreert hoe economische
groei niet losgezien kan worden van andere onderdelen van maatschappelijke welvaart.
24.
De leden van de GroenLinks-PvdA fractie hebben kennisgenomen van de Hamburg Declaration,
die maandag mede door dit kabinet is ondertekend en hebben daarover enkele vragen.
In deze verklaring wordt een gezamenlijke ambitie uitgesproken van 300 gigawatt (GW)
aan windenergie op zee in 2050, waarvan 100 GW gerealiseerd zou moeten worden via
samenwerkingsprojecten tussen landen. Kan de Minister aangeven welk deel van de 300
GW Nederland voor zijn rekening neemt? Hoe groot is specifiek de Nederlandse bijdrage
aan de genoemde 100 GW aan samenwerkingsprojecten? Kan de Minister een nadere toelichting
geven van het begrip «samenwerkingsproject»? Kan de Minister voorbeelden geven van
reeds gerealiseerde of geplande Nederlandse samenwerkingsprojecten op het gebied van
wind op zee? Hoe gaat de Minister borgen dat deze planning, met name het Nederlandse
deel, daadwerkelijk zal worden gerealiseerd? Is aanpassing van de Routekaart Wind
op Zee naar aanleiding van de verklaring in Hamburg? En zo ja, op welke punten?
Antwoord
De gezamenlijke ambitie van 300 GW is een bundeling van nationale ambities van alle
aan de Noordzee gelegen landen, vastgesteld bij de North Sea Summit in 2022 in Oostende.
De nationale Nederlandse bijdrage daarbij was 70 GW in 2050, zoals het opgenomen streefdoel
voor windenergie op zee (2050) in het Nationaal Plan Energiesysteem. Nieuw is de invulling
van mogelijk tot 100 GW aan samenwerkingsprojecten. Een samenwerkingsproject is een
project waar minimaal twee landen aan werken, waarbij elektriciteits-infrastructuur
(kabels) grensoverschrijdend wordt aangelegd. Op dit moment valt nog niet te zeggen
hoeveel projecten elk land zal ontwikkelen. Daarvoor loopt een iteratief planningsproces
waarbij constant gekeken wordt naar de ontwikkelingen van het energiesysteem. Een
concreet samenwerkingsverband waar Nederland samen met het Verenigd Koninkrijk aan
werkt is LionLink, een hybride interconnector. Middels het Windenergie Infrastructuurplan
Noordzee heeft het kabinet een beleidskader ontwikkeld voor het prioriteren van dit
soort projecten en via het Ontwikkelkader windenergie op zee is TenneT in staat gesteld
om samenwerkingsprojecten te onderzoeken en te realiseren20. De verklaring in Hamburg leidt niet tot een aanpassing van de Routekaart windenergie
op zee. Wel bereidt het kabinet een actualisatie van de Routekaart voor naar aanleiding
van de recente ontwikkelingen rondom de tenders voor windenergie op zee.
25.
In de Hamburg Declaration wordt tevens gesproken over het mobiliseren van financiële
middelen voor samenwerkingsprojecten en bijbehorende infrastructuur, onder meer via
een zogenoemd Offshore Financing Framework (OFF). Kan de Minister toelichten hoe dit
raamwerk bij gaat dragen aan het mobiliseren van de benodigde honderden miljarden
euro’s? Wordt hierbij gerekend op nationale, dus ook Nederlandse middelen, of op aanvullende
financiering vanuit de Europese meerjarenbegroting (MFK)? Hoe verhoudt deze inzet
zich tot de voorgenomen Nederlandse bezuinigingen op het MFK? En ziet de Minister
de in de verklaring genoemde Europese Contracts for Difference (CfD’s) uitsluitend
als instrument voor samenwerkingsprojecten, of als een breder Europees instrument
voor de energietransitie? Ook wordt in de verklaring gesproken over kostenverdeling
van grensoverschrijdende infrastructuur, waarbij wordt verwezen naar nieuwe EU-«guidance».
Betekent ondertekening van de verklaring dat Nederland en andere lidstaten deze «guidance»
ondersteunen? Betekent dit tevens dat deze «guidance» de basis zal vormen voor de
verdeling van netkosten met Duitsland, waarover momenteel knelpunten bestaan?
Antwoord
Dit raamwerk is geen afzonderlijk fonds, maar een coördinerend kader dat nog verder
moet worden uitgewerkt. Het is gericht op het beter benutten en op elkaar afstemmen
van bestaande nationale en Europese financieringsinstrumenten, met als doel het vergroten
van investeringszekerheid en het faciliteren van private investeringen.
Het raamwerk moet bijdragen aan het mobiliseren van de benodigde investeringen door
risico’s voor marktpartijen te beperken, onder meer via gezamenlijke planning, afstemming
van tenderprocedures en transparantie over kosten- en batenverdeling tussen betrokken
landen. Private financiering blijft daarbij de belangrijkste bron voor de realisatie
van offshore windparken en infrastructuur.
Het raamwerk gaat uit van een combinatie van nationale middelen en bestaande Europese
instrumenten. Lidstaten blijven primair verantwoordelijk voor hun nationale ondersteuningsmechanismen.
Daarnaast kan waar passend gebruik worden gemaakt van bestaande Europese financieringsinstrumenten,
zoals via de Europese Investeringsbank of programma’s binnen de Europese begroting.
Het OFF creëert geen nieuwe aanspraken op middelen uit de Europese meerjarenbegroting
(MFK) en loopt niet vooruit op besluitvorming over het volgende MFK.
Het kabinet ziet CfD’s als een breder instrument voor de energietransitie. Daarom
bereidt het kabinet een wetsvoorstel voor de implementatie van CfD’s voor, zodat deze
onder andere kunnen worden toegepast op windenergie op zee en hernieuwbare energie
op land. Er zijn nog geen concrete plannen voor gezamenlijke CfD’s of prijszekerheidsmechanismen
met andere landen, waarover in de verklaring voor energieministers wordt gesproken.
De Europese Commissie is hiervoor momenteel verschillende opties aan het onderzoeken.
Kostenverdeling van grensoverschrijdende infrastructuur is voor het kabinet van belang.
De Europese Commissie heeft in 2024 een «guidance» voor collaborative investment frameworks for offshore energy projects opgesteld. Dit geeft handvatten aan lidstaten, toezichthouders en transmissiesysteembeheerders
(TSB) voor de verdeling van deze kosten. In de Hamburg declaration hebben Noordzeelanden
afgesproken om met toezichthouders en TSB's (verder) te werken aan een kostenverdeelsleutel
die eerlijk en transparant is.
26.
In de verklaring worden ook afspraken gemaakt over de wind-op-zee-toevoerketen. Kan
de Minister toelichten welke niet-prijscriteria of weerbaarheidscriteria Nederland
wil hanteren bij de uitrol van wind op zee, en hoe Nederland hierin samen optrekt
met andere EU-lidstaten? Hoe wil de Minister de planning van wind op zee beter gezamenlijk
gaan sturen? Hoe wordt geborgd dat tijdlijnen tussen landen op elkaar aansluiten en
dat specificaties, bijvoorbeeld via standaardisatie, bijdragen aan een betrouwbare
en langetermijnopschaling van wind op zee?
Antwoord
Nederland trekt samen op met andere EU-lidstaten voor de implementatie van de Europese
Net Zero Industry Act (NZIA). De NZIA schrijft voor dat er vanaf 2026 bij minimaal 30% van de vergunningverleningsprocedures
voor hernieuwbare energie niet-prijscriteria worden meegenomen. Doel hiervan is om
niet-prijscriteria, waaronder maatschappelijk verantwoord ondernemen, weerbaarheid
en veiligheid, EU-breed en geharmoniseerd toe te passen. Dit draagt bij aan een gelijk
speelveld binnen de Europese Unie en aan beter op elkaar afgestemde tenders voor onder
andere windenergie op zee.
Het kabinet heeft afgelopen maand de conceptregeling voor de tender in 2026 gepubliceerd21. In deze conceptregeling zijn niet-prijscriteria opgenomen op het gebied van maatschappelijk
verantwoord ondernemen, cyber- en databeveiliging, weerbaarheid en circulariteit.
Het weerbaarheidscriterium is gericht op het verminderen van strategische afhankelijkheden
van derde landen in de waardeketen van windenergie op zee.
Het kabinet is zich ervan bewust dat de Europese uitrol van windenergie op zee de
afgelopen jaren sterk fluctueerde. Deze volatiliteit heeft een negatieve weerslag
gehad op de toeleveringsketen. Binnen North Seas Energy Cooperation (NSEC) werkt Nederland daarom samen met andere landen aan een gecoördineerde uitrol
van tenders, de implementatie van NZIA en instrumenten als CfD’s.
Nederland zet daarbij in op een stabiele en voorspelbare jaarlijkse uitrol van windenergie
op zee. Dit bevordert de continuïteit en weerbaarheid van de Nederlandse en Europese
toeleveringsketen en biedt tegelijkertijd duidelijkheid aan landen onderling over
de benodigde toeleveringscapaciteit.
27.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA zijn bezorgd over het stijgende aantal
mensen in energiearmoede. Deze leden zien in het signalenrapport van het Nationaal
Klimaat Platform (NKP) signalenrapport «Bestaanszekerheid in de buurt» een duidelijke
bevestiging dat klimaatbeleid en sociale rechtvaardigheid onlosmakelijk met elkaar
verbonden zijn. Tegelijkertijd constateren zij dat de Minister veel signalen wel herkent,
maar de vertaling naar structurele en langjarige beleidskeuzes onvoldoende concreet
maakt.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat het NKP expliciet oproept
tot langjarige zekerheid voor programma’s die energiearmoede in kwetsbare wijken aanpakken,
terwijl de Minister aangeeft dat rijksmiddelen voor verduurzaming na 2027 aflopen.
Dat leidt tot onzekerheid bij o.a. gemeenten, woningcorporaties, lokale partners en
initiatieven en bewoners. Zonder langjarige zekerheid kunnen gemeenten, woningcorporaties
en maatschappelijke organisaties niet werken aan structurele vermindering van energiearmoede.
Erkent de Minister dat tijdelijke financiering leidt tot minder zekerheid bij uitvoerende
partijen? Erkent de Minister dat het aflopen van middelen in 2027 kan leiden tot een
terugval in de aanpak van energiearmoede?
Antwoord
Het kabinet dankt het NKP voor hun rapport en benadrukt het belang van een betaalbare
energierekening voor iedereen. Het kabinet zet zich op verschillende manieren in om
energiearmoede te verminderen, zoals ook toegelicht in de Kamerbrief waarin wordt
gereageerd op het door de vragenstellers genoemde rapport22. Het aantal huishoudens dat in energiearmoede leeft, is volgens de laatste rapportage
van TNO23 gedaald van 8,6% in 2019 naar 6,1% in 2024. In 2022 en 2023 lag het aantal huishoudens
met energiearmoede tijdelijk lager door het geven van gerichte financiële steun ten
tijde van de energiecrisis, zoals de energietoeslag.
In de daling van energiearmoede in de afgelopen jaren spelen maatregelen die gericht
zijn op het verbeteren van de energetische kwaliteit van woningen een belangrijke
rol. Het kabinet blijft hier stevig in op inzetten. Huishoudens worden bijvoorbeeld
ondersteund bij energiebesparing en verduurzaming via het Nationaal Isolatieprogramma
(NIP), het Warmtefonds en de regelingen voor de Stimulering van Aardgasvrije Huur
(SAH) en voor verenigingen van eigenaars (SVVE). Verder zet het kabinet de uitfasering
van huurwoningen met energielabels E, F en G door.
In antwoord op de vraag over middelen die na 2027 aflopen wordt aangenomen dat gedoeld
wordt op de SPUK Aanpak Energiearmoede die in het licht van de energiecrisis in drie
tranches sinds 2022 is verstrekt aan gemeenten om energiearmoede aan te pakken bij
kwetsbare huishoudens. Het gaat hier om 550 miljoen euro die in circa 6 jaar wordt
uitgegeven. Gemeenten kunnen deze middelen uiterlijk tot en met 2027 inzetten. In
het Social Climate Fund is een aanvraag gedaan om via een Energiehuis financiële ondersteuning
en hulp te bieden bij verduurzaming voor kwetsbare huishoudens. In de conceptindiening
is 180 miljoen euro opgenomen voor energiecoaches en -fixers, voor een looptijd van
vijf jaar. De beoordeling en definitieve vaststelling volgen nog. Voor de winter 2025/2026
stelt het kabinet via het Gemeentefonds 30 miljoen euro extra beschikbaar aan gemeenten
om energiearmoede te bestrijden. Dit geld is bedoeld voor kwetsbare huishoudens met
lage inkomens en hoge energierekeningen, specifiek voor ondersteuning bij verduurzaming
en het verlagen van de energielasten.
Ook heeft het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aangegeven graag met
het NKP in gesprek te gaan over de besteding van de extra middelen voor kwetsbare
wijken die zijn gereserveerd onder het zorg en welzijnsakkoord24.
Het is uiteindelijk aan het volgende kabinet om het langjarig perspectief voor deze
sector te schetsen en eventuele budgetten beschikbaar te maken.
28.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA constateren dat de Minister inzet op minimale
energieprestatie-eisen voor huurwoningen per 2029, maar dat de voortgang bij particuliere
verhuur achterblijft. Deelt de Minister de analyse van het NKP dat het huidige tempo
waarin E-, F- en G-labels worden uitgefaseerd in de particuliere huursector onvoldoende
is om het 2029 doel te halen, en energiearmoede tijdig terug te dringen? Acht de Minister
aanvullende instrumenten noodzakelijk, zoals strengere handhaving, hogere minimumnormen
of gerichtere financiële ondersteuning voor kleine particuliere verhuurders? Welke
concrete mogelijkheden ziet de Minister hiertoe? Wat zijn de consequenties voor huurders
en verhuurders als verhuurders niet voldoen aan de labelverplichting? Wat wordt het
handelingsperspectief voor huurders in een dergelijke situatie? Is er een stok achter
de deur die naleving afdwingt? Hoe wordt geborgd dat de kosten van verduurzaming niet
alsnog worden afgewenteld op huurders met lage inkomens?
Antwoord
Circa 90% van de huurders die moeite hebben met het betalen van de energierekening
huren in de sociale sector. In de Nationale prestatieafspraken is afgesproken dat
woningcorporaties huurwoningen met E-, F- en G-label uiterlijk in 2028 uitfaseren.
Woningcorporaties zijn hiermee een eind op weg. Om ervoor te zorgen dat álle verhuurders,
dus ook de private verhuurders, huurwoningen met E, F en G-labels verduurzamen, is
regelgeving in voorbereiding. De huidige inzet is per 1 januari 2029 minimum energieprestatie-eisen
te introduceren in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), die ertoe leiden dat
huurwoningen met energielabel E, F en G van alle verhuurders worden verduurzaamd naar
ten minste label D. Vroegtijdige aankondiging van de EFG-normering in het Bbl zal
ertoe leiden dat EFG-huurwoningen richting 2029 worden uitgefaseerd.
De handhavingsbevoegdheid van eisen in het Bbl rust bij de gemeenten. Indien een verhuurder
niet aan de eis voldoet, kan een huurder ook bij de gemeente een verzoek indienen
tot handhaving. Over de handhaving van de normering vindt op dit moment afstemming
plaats met de VNG. Voor de handhaving zijn middelen gereserveerd in het Klimaatfonds.
In de tussentijd worden verhuurders op verschillende manieren ondersteund in de verduurzaming.
Hiervoor is vorig jaar het Ondersteuningspakket verduurzaming particuliere verhuur
naar de Kamer gestuurd. In het kader daarvan zijn bijvoorbeeld op www.volkshuisvestingnederland.nl en Verbeterjehuis.nl pagina’s toegevoegd, speciaal voor particuliere verhuurders.
Op deze pagina’s wordt toegelicht dat verduurzaming niet alleen kan leiden tot lagere
energielasten voor huurders, maar voor verhuurders ook tot waardestijging van de woning
kan leiden en de investering kan worden doorberekend via een huurverhoging. En via
het woningwaarderingsstelsel worden verhuurders nu al gestimuleerd tot verduurzaming
door aftrekpunten voor energielabels EFG.
Financieel worden particuliere verhuurders ondersteund door de Subsidieregeling Verduurzaming
en Onderhoud Huurwoningen (SVOH). Deze regeling is in afstemming met de doelgroep
per 2025 vereenvoudigd en verruimd, waardoor verhuurders onder andere hogere subsidiebedragen
kunnen aanvragen. Er is een flinke stijging in het aantal aanvragen van de SVOH in
2025 ten opzichte van voorgaande jaren. Op basis van bovenstaande acht het kabinet
aanvullende instrumenten op dit moment niet noodzakelijk.
Bij het verder uitwerken van de regelgeving worden ook de huurrechtelijke kaders tegen
het licht gehouden. De vraag wat een redelijke huurverhoging is bij woningverbetering,
is hier onderdeel van. Daarbij zullen de belangen van zowel huurders als verhuurders
in ogenschouw worden genomen.
29.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie onderschrijven het NKP-signaal dat een collectieve
aanpak essentieel is, juist voor huishoudens die niet in staat zijn om individueel
te verduurzamen. Kan de Minister concreet aangeven hoe zij collectieve verduurzamingsinitiatieven
in kwetsbare wijken structureel wil ondersteunen, ook financieel, en niet slechts
via tijdelijke of versnipperde regelingen? Hoe kunnen aanvragen vanuit buurten, energiegemeenschappen
of verenigingen van eigenaren (vve’s) worden ondersteund en gestroomlijnd, met minimale
administratieve lasten voor bewoners, en welke concrete stappen zijn daar al toe gezet?
Antwoord
Voor eigenaar-bewoners en bewoners van Verenigingen van Eigenaars (VvE’s) die niet
in staat zijn individueel te verduurzamen is er de lokale aanpak van het Nationaal
Isolatieprogramma (NIP). Hiervoor is ruim 1,6 mld. euro beschikbaar gesteld aan gemeenten.
Met de middelen kunnen meerjarige programma’s worden opgezet tot en met 2030, waarbij
in totaal 750.000 woningen worden geïsoleerd25. Gemeenten worden gestimuleerd deze aanpakken wijk voor wijk in te zetten, waarbij
ook aansluiting wordt gezocht met de wijkaanpakken die gericht zijn op het aardgasvrij
maken en het aanleggen van warmtenetten daar waar passend. Veel gemeenten zetten de
isolatie-acties ook wijk voor wijk op, waarbij zichtbaarheid in de wijk van belang
is om effect te bereiken. De middelen uit de SPUK Aanpak Energiearmoede worden vaak
ingezet om mensen te bereiken en te beginnen met kleine en middelgrote maatregelen
om daarna tot grotere maatregelen over te kunnen gaan (zie hiervoor ook antwoord op
vraag 32).
Met de middelen van de lokale aanpak van het NIP kunnen huishoudens die dat het hardste
nodig hebben extra financiële en praktische ondersteuning krijgen bij de grotere isolatiemaatregelen.
In de lokale aanpak is ondersteuning ook mogelijk voor het aanvragen en voorschieten
van subsidies, maar ook procesbegeleiding en ondersteuning bij VvE’s en van wijkinitiatieven
zijn mogelijk binnen de lokale aanpak. Afhankelijk van specifieke situatie in de wijk,
kunnen gemeenten inzetten op collectieve verduurzamingsacties en samenwerking met
buurtinitiatieven en maatschappelijke organisaties aangaan. Het samenwerken en ook
proactief inzetten van netwerken en gemeenschappen in de wijk helpt om mensen te bereiken
en verduurzamingsprogramma’s uit te kunnen voeren. Het kabinet werkt ook aan de verdere
uitwerking van de Wet collectieve warmte, waarin ruimte wordt geboden voor publieke
en coöperatieve warmtebedrijven, om initiatieven van onderop ruimte te geven.
30.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie delen de zorg van het NKP over het grote wantrouwen
richting overheid en uitvoerende instanties in kwetsbare wijken, en zien ontzorging
bij verduurzaming als een kans om te werken aan herstel van dit vertrouwen. Ziet de
Minister mogelijkheden om opbouwwerk expliciet te verbinden aan klimaat- en energieprogramma’s
in kwetsbare wijken, en zo ja, op welke termijn? Hoe wordt gestimuleerd dat lokale
isolatie- en verduurzamingsinitiatieven samenwerken met andere onderdelen van opbouwwerk?
Antwoord
De noodzaak voor verbinding en vertrouwen in kwetsbare wijken wordt door het kabinet
gedeeld. Het actieplan van NKP gaat breed over klimaat, wonen, zorg, welzijn en onderwijs.
Met isolatieprogramma’s van deur tot deur, achter de voordeur en aan de keukentafel,
wordt niet alleen praktische ondersteuning geboden waar dat nodig is, maar wordt ook
vertrouwen gewonnen bij groepen waar dat vertrouwen is afgebrokkeld. Zeker wanneer
de ondersteuning via gemeenten leidt tot een lagere energierekening en meer comfort
in huis. In de lokale aanpak van het Nationaal Isolatieprogramma hebben veel gemeenten
samenwerkingen vormgegeven tussen het sociale en fysieke domein om de meest kwetsbare
huishoudens te bereiken. Opbouwwerk is vaak ook nodig, wanneer andere problematiek
eerst aangepakt moet worden, voordat huishoudens toe zijn aan verduurzaming. De samenwerking
tussen het sociaal en fysiek domein in een gemeente wordt op verschillende manieren
gestimuleerd. Op de website van het Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie (NPLW)
staan bijvoorbeeld handreikingen met tips en goede voorbeelden voor gemeenten die
nog op zoek zijn naar hoe ze deze samenwerkingen het beste aan kunnen gaan en vormgeven.
Op de Impulsdag Isoleren van het NPLW is daar afgelopen jaar aandacht voor geweest
en ook komend jaar zal daar aandacht voor zijn.
Daarnaast worden energiehulpen ingezet. Energiehulpen maken directe impact in kwetsbare
wijken door energiebesparende maatregelen te treffen en omdat zij achter de voordeur
komen en tekenen van bredere problematiek kunnen signaleren. Daarnaast is er voor
energiehulpen een Ontwikkelpad Energiehulp gerealiseerd dat inzichtelijk maakt hoe
mensen kunnen instromen als energiefixer of energiecoach, welke ontwikkelmogelijkheden
er zijn en welke doorstroommogelijkheden er bestaan naar functies binnen de sectoren
van de techniek, bouw en energie. Dit draagt bij aan de duurzame inzetbaarheid van
energiehulpen.
Ook de ontwikkeling van energiehuizen raakt aan opbouwwerk. In de Kamerbrief over
het Sociaal Klimaatplan26 is toegelicht hoe energiehuizen eruit komen te zien. Bij een energiehuis kunnen bewoners
en organisaties (mkb, maatschappelijk vastgoed) straks terecht voor eenduidige informatie
en ondersteuning bij het verduurzamen van hun woning of gebouw. Energiehuizen zullen
proactief huishoudens en ondernemers die hulp nodig hebben benaderen en hen begeleiden
om te starten met energiebesparende maatregelen.
31.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie ontvangen signalen dat initiatieven waarbij
mensen «achter de voordeur» komen en bewoners begeleiden en adviseren over verduurzaming
regelmatig kampen met tijdelijke financiering. Acht de Minister het verstandig dat
deze financiering een meer structurele vorm krijgt? Kan de Minister concreet aangeven
hoe wordt gestimuleerd dat initiatieven en wijken en gemeenten van elkaar leren? Hoe
wordt er concreet voor zorg gedragen dat, in lijn met het NKP-advies, succesvolle
onderdelen van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) worden uitgebreid
naar andere kwetsbare wijken?
Antwoord
Initiatieven «achter de voordeur» betekent vaak ondersteuning van energiehulp, ofwel
energiecoaches en -fixers. In de vraag wordt gesproken over tijdelijke financiering,
waarbij waarschijnlijk wordt gedoeld op de SPUK Aanpak Energiearmoede en daaraan voorafgaand
de RRE en RREW-regeling. De SPUK Aanpak Energiearmoede is in het licht van de energiecrisis
in drie tranches sinds 2022 verstrekt aan gemeenten om energiearmoede aan te pakken
bij kwetsbare huishoudens. Het gaat hier om 550 miljoen euro die in circa 6 jaar wordt
uitgegeven met als laatste jaar 2027. In de afgelopen jaren zijn er veel lokale energiehulporganisaties
zoals energiecoach- en fix-organisaties opgebouwd en die willen weten of en hoe hun
werk voortgezet kan gaan worden.
Het kabinet vindt het aanpakken van energiearmoede verstandig en de baten op verduurzaming
en gezondheid blijken uit studies van TNO27. Om die reden maakt dit deel uit van de aanvraag voor het Europese Social Climate
Fund waar het onderwerp Energiehuis is opgenomen, waar energiecoaches en -fixers deel
van uitmaken. In de conceptindiening is 180 miljoen euro opgenomen voor het inrichten
van het energiehuis om als eerste kwetsbare huishoudens te kunnen ondersteunen met
energiecoaches en -fixers, voor een looptijd van vijf jaar. De beoordeling en definitieve
vaststelling volgen nog. Daarbij is het aan het volgende kabinet om het langjarig
perspectief voor deze sector te schetsen en eventuele budgetten beschikbaar te maken
voor het volledig en structureel in te richten van het energiehuis t/m 2050 volgens
de richtlijnen van de EPBD IV.
Het leren van elkaar wordt op een aantal manieren gestimuleerd. Gemeenten worden ondersteund
door het NPLW. Vanaf 1 januari is het Nationaal Energiearmoede Observatorium (NEO)
opgericht, door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) met ondersteuning
van TNO, om kennis en kunde op te doen en te verspreiden. Lokale organisaties worden
ondersteund door het Actienetwerk Energiehulp, dat door de Energiebank en Fixbrigade
is opgericht. Milieu Centraal heeft het Energiehulpnetwerk dat kennis en kunde verspreid
naar organisaties en gemeenten over hoe energiehulp goed kan landen bij diverse doelgroepen.
En als de Social Climate Fund aanvraag wordt goedgekeurd zit daar ook een nationale
structuur in om kennis en kunde meer gestroomlijnd te verspreiden. Binnen het NPLV
zijn diverse wijken actief op dit thema, vaak gebruikmakend van de middelen uit de
SPUK Aanpak Energiearmoede. Zij delen kennis met elkaar hierover, via bijvoorbeeld
een Community of Practice, hoe in deze wijken met multiproblematiek ondersteuning
kan worden geboden. Uit de afgeronde City Deal energieke wijken is eveneens gebleken
dat extra ondersteuning en ontzorging van bewoners in kwetsbare wijken nodig is en
goede resultaten kan opleveren. Momenteel wordt verkend of een City Deal energiearmoede,
gezondheid en verduurzaming hieraan een vervolg kan geven.
32.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het NKP adviseert om rechtvaardigheid
stevig te verankeren in het lokale energiesysteem. Deze leden zien nog een uitdaging
om juist mensen met beperkte middelen te ondersteunen om hier aan deel te nemen en
van te profiteren. Welke concrete maatregelen worden genomen om energiedelen te stimuleren?
Hoe wordt concreet gestimuleerd dat ook huurders en kwetsbare huishoudens daarbij
worden betrokken? Welke rol kunnen buurtbatterijen daarbij spelen, en kan de Minister
aangeven wat de voortgang is van de uitrol van buurtbatterijen en hun rol in energiedelen?
Door de beëindiging van de salderingsregeling bieden zonnepanelen voor veel huurders
geen voordeel meer, en voor sommigen juist een kostenpost. Hoe worden zonnepanelen
voor (sociale) huurders aantrekkelijk gehouden?
Antwoord
Energie delen voor afnemers met dezelfde energieleverancier is mogelijk op basis van
de Energiewet. Met het wetsvoorstel voor de implementatie van het EU Electricity Market
Design (EMD)-pakket wordt ook energie delen met vrije leverancierskeuze mogelijk gemaakt.
Hiermee zal het delen van energie in beginsel eenvoudiger en voor meer mensen bereikbaar
worden.
De Kamer is over de voortgang van de aanpak rond batterijen in december geïnformeerd
door de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat28.
Zoals in de Kamerbrief over de rol van energiegemeenschappen in het energiesysteem29 is benoemd, verkent het kabinet momenteel de voortzetting van het Local4Local-programma
met ondersteuning voor het verder ontwikkelen van pilots naar volwassen multicommodity-energiehubs
of -energiegemeenschappen. Collectieve energieopslag in combinatie met zonne-energie
kan onderdeel zijn van het vervolg van dit Local4Local-programma.
Voor zonnepalen op huurwoningen is op verzoek van de Tweede Kamer, na de behandeling
van het wetsvoorstel rond de beëindiging van de salderingsregeling aanvullend onderzoek
gedaan in samenwerking met de sector, waaruit blijkt dat zonnepanelen voor huurders
net als voor mensen met koopwoningen na 2027 minder rendabel zijn. Het onderzoek benoemt
de mogelijkheid om de doorberekende servicekosten voor de zonnepanelen te beperken.
Een dergelijke maatregel vereist echter financiële compensatie voor de verhuurders.
Het kabinet heeft niet voor deze route gekozen. Specifiek voor servicekosten wordt
nu een wijziging van de regelgeving voorbereid. Na kritiek vanuit diverse maatschappelijke
partijen over de gevolgen is het aanvankelijke voorstel om hierbij een wettelijk maximum
te stellen voor de servicekosten die met zonnepanelen samenhangen geschrapt. Tot slot
kunnen zonnepanelen weer rendabeler worden indien huurders het eigen verbruik verhogen.
Hier wordt voor zowel huurders als andere huishoudens met zonnepanelen op ingezet.
Zo is in 2025 een landelijke informatiecampagne door Milieu Centraal opgezet, waarbij
onder andere via diverse media en online mensen informatie en praktische tips krijgen
om zelf opgewekte zonnestroom zo efficiënt mogelijk te gebruiken.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
33.
De leden van de CDA-fractie merken op dat waterstof, zowel groen als blauw, een belangrijke
rol speelt in het verduurzamen van de industrie. De kosten voor groene waterstof zijn
momenteel echter nog hoog. Koolstofarme (blauwe) waterstof uit restgassen of aardgas
in combinatie met CO2-afvang (CCS) biedt een meer betaalbare route voor CO2-reductie en kan dienen als overbrugging tot de markt voor groene waterstof verder
is ontwikkeld. Er bestaan nog wel de nodige belemmeringen voor de inzet van blauwe
waterstof. Momenteel stimuleert het beleid de overstap naar blauwe waterstof nog niet
voldoende, en in sommige gevallen wordt deze juist ontmoedigd. Zo is de Stimulering
Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++) nu zo ingericht dat alleen het
kostprijsverschil tussen grijze en blauwe waterstof wordt vergoed, en niet tussen
blauwe waterstof en aardgas. Een aanpassing hiervan zou het makkelijker maken voor
aardgasgebruikers om over te stappen op blauwe waterstof.
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister op welke manier de SDE++ regeling volgens
haar het overstappen van aardgas naar blauwe waterstof meer zou kunnen stimuleren
en welke aanpassingen van de SDE++ zij daarvoor noodzakelijk en haalbaar acht.
Antwoord
Het PBL adviseert jaarlijks over de categorieën in de SDE++. Onderdeel van dit advies
is een berekening van de onrendabele top en de CO2-reductie, waarbij bijvoorbeeld ook wordt gekeken naar welke inzet van fossiele brandstof
wordt voorkomen door een project. Het is in beginsel aan het PBL om te adviseren over
wat hierbij het meest passend is, op basis van de jaarlijkse marktconsultatie: oftewel
wat bedrijven zelf aanleveren aan informatie over wat voor CO2-reductie hun project zal realiseren door de vervanging van welke fossiele brandstof.
Het PBL kijkt in het advies over de SDE++ 2026 naar nieuwe categorieën voor CCS met
de omzetting van restgassen in koolstofarme waterstof. De Tweede Kamer wordt hierover
naar verwachting op korte termijn geïnformeerd. In de nieuwe marktconsultatieronde,
die komend voorjaar van start gaat, kunnen marktpartijen met concrete projectvoornemens
zich melden bij het PBL voor de relevante CCS-categorieën, waar ook koolstofarme waterstofprojecten
onder vallen.
34.
De leden van de CDA-fractie constateren dat met de Routekaart Koolstofverwijdering
een belangrijke eerste stap wordt gezet richting de grootschalige toepassing van koolstofverwijderingstechnieken.
Om de doelen en tijdslijnen uit deze routekaart binnen bereik te houden, is het wel
nodig om ook op korte termijn de vertaling te maken naar een uitvoeringsagenda. Deze
leden vragen de Minister hoe en op welke termijn de Routekaart Koolstofverwijdering
zal worden uitgewerkt tot een concrete uitvoeringsagenda met duidelijke mijlpalen,
zodat de routekaart ook houvast biedt voor de uitvoering en voor investeringsbeslissingen.
Antwoord
Met de uitvoering van enkele onderdelen in de Routekaart Koolstofverwijdering is reeds
een aanvang gemaakt. Zo is er binnen het klimaatwetenschappelijk panel van de Verenigde
Naties (IPCC) onderhandeld over het opstellen van een methodologisch rapport voor
het rapporteren van koolstofverwijdering via verschillende technieken. Op Europees
niveau werkt het kabinet aan de vormgeving van het klimaatbeleid richting 2040 waaronder
de rol van koolstofverwijdering. Daarnaast is, na toewijzing van middelen uit het
Klimaatfonds, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) recent gestart met het
Innovatieprogramma voor koolstofverwijdering. Het eventueel verder opstellen van een
uitvoeringsagenda is aan een volgend kabinet.
35.
De leden van de CDA-fractie merken op dat er vanuit de sector wordt gepleit om in
aanvulling op de Routekaart Koolstofverwijdering ook een aparte routekaart voor Carbon
Capture and Utilisation (CCU) op te stellen. Zij vragen de Minister hoe zijn aankijkt
tegen dat pleidooi en welke mogelijkheden zij daarvoor ziet.
Antwoord
Carbon Capture and Utilisation (CCU) omvat diverse vormen van «nuttig gebruik» van
CO2 voor diverse sectoren. Het omvat bijvoorbeeld gebruik voor de productie van brandstoffen
en materialen, gebruik als meststof voor de glastuinbouw alsook de vastlegging van
CO2 in bouwmaterialen als beton of in gesteenten (mineralisatie).
In de Visie Duurzame Koolstof voor de Chemische industrie is toegelicht dat er een
rol is voor CCU als duurzame koolstofbron, in aanvulling op secundaire en biogrondstoffen,
om het gebruik van fossiele koolstof te minimaliseren. Voor de ontwikkeling van die
route werkt het ingestelde sectorbestuur Chemie en Materialen samen met ChemistryNL
aan een innovatieagenda die het opschalen van CCU-technologie in Nederland en Europa
moet ondersteunen. In de aangekondigde Visie brandstoffen en chemiegrondstoffenproductie
wordt uitgeweid over de potentie van CCU voor brandstoffenproductie in Nederland.
Daarnaast gaat het kabinet in het Actieplan verbeteren externe randvoorwaarden Energietransitie
Glastuinbouw in op de rol van CCU voor de glastuinbouw en is één van de acties een
overleg op te zetten tussen sectoren die een CO2-behoefte hebben om de vraagkant van niet-fossiele CO2 te bundelen en af te stemmen. In de Routekaart Koolstofverwijdering is tot slot ook
aandacht voor de koolstofverwijderingsroutes waarbij CCU wordt toegepast om CO2 (semi-)permanent vast te leggen, zoals mineralisatie. Omdat CCU voor verschillende
toepassingen niet in isolement moet worden bezien, bekijkt het kabinet de vele reeds
lopende trajecten in samenhang en is er op dit moment geen noodzaak om een aparte
routekaart voor CCU op te stellen. Het kabinet onderschrijft de Nederlandse kansen
op het gebied van CCU-technologie en blijft met de sector in gesprek hoe deze te benutten.
36.
De leden van de CDA-fractie merken op dat de Wetenschappelijke Klimaatraad al in juli
2024 adviseerde om een door de Nederlandse overheid geleid inkoopprogramma voor permanente
CO2-verwijdering te starten, waarmee voor 2035 ervaring kan worden opgedaan met diverse
methoden van CO2-verwijdering in Nederland. Deze leden vragen de Minister hoe zij invulling heeft
gegeven en/of zal geven aan deze aanbeveling.
Antwoord
In de Routekaart Koolstofverwijdering wordt het belang van een inkoopprogramma voor
de vroege opschaling van het aanbod van koolstofverwijdering onderkend. Daarbij wordt
echter aangegeven dat het effectiever is om een dergelijk inkoopprogramma op Europese
schaal op te zetten, omdat dit meer slagkracht heeft en een opstap kan vormen voor
een latere koppeling van koolstofverwijdering aan het emissiehandelssysteem. Het is
aan een volgend kabinet om te bezien of het wenselijk is om ook nationaal een vorm
van een inkoopprogramma op te zetten.
37.
De leden van de CDA-fractie constateren dat CCU momenteel voor afvalverbrandingsinstallaties
(AVI’s) en de glastuinbouw de enige realistische manier is om CO2 op een betaalbare wijze beschikbaar te houden voor verdere verduurzaming. De inzet
van CCU in de glastuinbouw staat echter onder druk vanwege het feit dat de Nederlandse
Emissieautoriteit (NEa) de Europese regels op dit gebied zodanig interpreteert dat
een zogenaamde bioswap – waarmee seizoenswisselende CO2-vraag van telers kan worden opgevangen – niet is toegestaan. Deze leden vragen de
Minister toe te lichten hoe kan worden voorkomen dat deze strikte uitleg van de regels
ertoe leidt dat de verduurzaming van AVI’s en glastuinbouw wordt belemmerd. Zij vragen
de Minister tevens toe te lichten wat de mogelijke gevolgen zijn voor het behalen
van de klimaatdoelen voor 2030 als deze toepassing van CCU onmogelijk of onhaalbaar
wordt.
Antwoord
Een juridische analyse van de toepasbaarheid van de CO2-toedeling (ook wel «bioswap») geeft aan dat een administratieve verrekening over
seizoenen of soorten stromen (biogene of fossiele CO2) vanwege Europese regelgeving op dit moment niet mogelijk is. Levering van CO2 aan de glastuinbouw kan wel, maar indien in een transportmiddel CO2 van gemengde fossiele en biogene oorsprong aanwezig is, wordt diezelfde verhouding
afgeleverd bij de tuinder en moet over het fossiele aandeel worden betaald via de
CO2-heffing of inkoop van ETS-rechten. In het verslag Milieuraad 16 december jl. en het
schriftelijk overleg Milieuraad daaraan voorafgaand, is de Kamer geïnformeerd dat
de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de Minister
van Klimaat en Groene Groei de Kamer in het eerste kwartaal van 2026 nader zullen
informeren30. Het wegnemen van onzekerheid is voor de investeringskeuzes van onder andere afvalverbrandingsinstallaties
(AVI’s) relevant om vertraging in verduurzaming te voorkomen. Het is nog onduidelijk
of en hoe snel ruimte kan worden gevonden. Momenteel ligt de juridische analyse voor
bij de Europese Commissie. Daarnaast wordt er beleidsmatig door LVVN en KGG navraag
gedaan bij de Europese Commissie of en hoe ruimte kan worden gevonden voor een administratief
sluitende oplossing ten behoeve van de toepassing van gemengde stromen zoals die van
AVIs en verrekening over de seizoenen.
De leden van de CDA-fractie vragen ook naar de mogelijke gevolgen voor het behalen
van de klimaatdoelen voor 2030. Verminderde beschikbaarheid van externe CO2 voor de glastuinbouw zal schaarste en waarschijnlijk een hogere marktprijs voor CO2 tot gevolg hebben. Tuinders zullen hun afwegingen maken of zij de beperkt beschikbare
externe CO2 willen afnemen, andere bronnen van CO2 aanboren en/of CO2 besparen door zuinige doseerstrategieën (zie onderzoek van de WUR). Een hogere prijs voor externe CO2 maakt tuinders mogelijk terughoudend in investeringen in duurzame warmtebronnen zoals
geothermie. Tegelijkertijd zullen ze hun CO2-uitstoot moeten verminderen om te voldoen aan de klimaatdoelen van de sector en maakt
het CO2-tarief voor de glastuinbouw CO2 uitstoten ook duurder. AVI’s lijken er, in het geval administratieve verrekening
van CO2 van fossiele en biogene oorsprong niet is toegestaan, de voorkeur aan te geven om
hun volledige biogene en fossiele emissie op te slaan in CCS. Daarmee kunnen ze de
kosten van de nationale CO2 heffingen en op termijn ETS volledig voorkomen (gecombineerd gebruik van de OCAP
CO2 leiding voor gemengde stromen moet dan wel mogelijk zijn). Daarom is Nederland in
overleg met de Europese Commissie.
38.
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister tevens of zij bereid is om met de NEa
en eventueel met de Europese Commissie in gesprek te gaan over de interpretatie van
de regels rond gemengde CO2-stromen, zodat afname van deze mengstroom door de glastuinbouw mogelijk blijft.
Antwoord
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de Minister
van Klimaat en Groene Groei zijn reeds in contact met de NEa en de Europese Commissie
over de regels rond gemengde CO2-stromen. Zie antwoord vraag 37.
39.
De leden van de CDA-fractie zien dat het Aramis-project van groot belang is voor de
Nederlandse CCS-infrastructuur en afhankelijk is tijdige instroom van CO2-leveranciers en afnemers. De AVI’s behoren tot de weinige partijen met een concreet
perspectief op CO2-afvang op korte termijn en hebben in 2025 SDE++-subsidie aangevraagd. Deze leden
vragen de Minister hoe zij de voortgang en planning van Aramis beoordeelt, gezien
het uitstel van de investeringsbeslissing tot 2027 en hoe de Minister aankijkt tegen
de rol van AVI’s als potentiële leveranciers van CO2 binnen het project. Zij vragen de Minister met name te reageren op het belang van
nog dit jaar door de AVI’s te nemen investeringsbeslissingen. Welke stappen worden
er gezet om dat mogelijk te maken? Hoe beoordeelt de Minister het risico dat onzekerheid
het CO2-aanbod en de businesscase van Aramis zullen schaden? Hoe wordt omgegaan met mogelijke
kostenstijgingen voor CO2-leveranciers?
Antwoord
Aramis ligt vooralsnog op schema om in 2027 een investeringsbeslissing te nemen, mits
tijdig voldoende CO2-volumes worden gecontracteerd. AVI’s spelen hierbij een belangrijke rol, maar zijn
niet de enige leveranciers. Het is essentieel dat AVI’s tijdig investeren in CO2-afvang, in goede afstemming met Aramis, zodat de gehele keten op tijd kan worden
gerealiseerd.
Omdat de onzekerheid over het CO2-aanbod van AVI’s onwenselijk is wordt er gezocht naar oplossingen die AVI’s voldoende
investeringszekerheid bieden en investeringen in CCS mogelijk maken, zodat de sector
kan verduurzamen. Dit is onder meer vastgelegd in de intentieverklaring investeringszekerheid,
die op 22 oktober jl. aan de Kamer is gestuurd na overleg met de AVI-sector in de
werkgroep afvalsector.
Omdat het kabinet de realisatie van CO2-infrastructuur op de Noordzee cruciaal acht, is afgelopen jaar toegezegd een deel
van het vollooprisico van Aramis af te dekken, waarmee een belangrijk ketenrisico
is weggenomen. Daarnaast zijn passende SDE++-subsidies van groot belang. Het PBL adviseert
het ministerie ieder jaar over de actuele onrendabele top van CO2-reducerende technieken, zoals CCS. Het advies van het PBL over de 2026-ronde van
de SDE++ wordt nog in dit kwartaal verwacht en met de Kamer gedeeld.
40.
De leden van de CDA-fractie merken op dat bioenergy with Carbon Capture and Storage
(BECCS) een substantiële bijdrage kan leveren aan koolstofverwijdering en daarnaast
van belang zal zijn voor de beschikbaarheid van flexibele elektriciteit en de verdere
ontwikkeling van de Nederlandse CCS-infrastructuur. Zij vragen de Minister hoe zij
de rol van BECCS ziet binnen het Nederlandse klimaat- en energiebeleid en in hoeverre
zij in de huidige cap van 100 MW voor het stimuleren van BECCS een belemmering ziet
voor de bijdrage van BECCS aan koolstofverwijdering, flexibiliteit in het elektriciteitssysteem
en het behalen van de klimaatdoelen.
Antwoord
BECCS kan, mits goed ingepast en met strikte duurzaamheidscriteria, een bijdrage leveren
aan het Nederlandse energiesysteem en aan koolstofverwijdering. Op dit moment wordt
alleen BECCS tot 100 MW gesubsidieerd via de SDE++. Door deze cap komen grote biomassa-energiecentrales
boven dit volume, zoals de (voormalig) kolencentrales, niet in aanmerking voor SDE++-subsidie.
Dergelijke grote centrales kunnen meer energie en koolstofverwijdering leveren. Ze
vragen ten opzichte van kleinere centrales meer subsidiebudget en vraag naar duurzame
biogrondstoffen. Besluitvorming over BECCS en de volumes daarvan is aan het nieuwe
kabinet.
41.
De leden van de CDA-fractie constateren dat er na 2030 naar verwachting een reëel
en toenemend risico ontstaat op tijdelijke elektriciteitstekorten. Zij vragen de Minister
hoe zij in dat kader aankijkt tegen het langer openhouden van bestaande gascentrales
en onder welke voorwaarden en voor welke periode dat eventueel mogelijk zou kunnen
zijn. Deze leden wijzen erop dat er in het Actieplan Toekomst Kolencentrales uit 2023
door de CDA-fractie een aantal suggesties is gedaan met betrekking tot de rol die
bestaande kolencentrales en/of de locaties en aansluitingen van deze centrales kunnen
spelen in het elektriciteitssysteem van de toekomst. Deze zouden na 2030 als er geen
kolen meer in mogen worden verbrand kunnen worden benut voor CO2-neutrale energieproductie via bijvoorbeeld BECCS, Small modular reactors (SMR’s)
of waterstofgascentrales.
Antwoord
Het kabinet zal de Kamer in de eerste helft van 2026 informeren over de specifieke
wijze waarop na 2030 de leveringszekerheid geborgd zal worden31. Besluitvorming hierover is aan het nieuwe kabinet. Een maatregel in de vorm van
een capaciteitsmechanisme kan ook gascentrales stimuleren langer open te blijven.
Omdat een capaciteitsmechanisme techniekneutraal moet worden ingericht, kunnen ook
CO2-neutrale energieproductietechnieken meedingen, die in de toekomst mogelijk de plek
van kolen innemen.
42.
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister welke concrete stappen er tot nu toe
zijn gezet om de vier kolencentrales of hun locaties beschikbaar te houden voor CO2-neutrale elektriciteitsproductie na 2030. Hoe kijkt de Minister naar de mogelijkheden
voor de toepassing van BECCS op één of meerdere van deze centrales?
Antwoord
Het is aan de eigenaren van de locaties om te kijken naar toekomstige ontwikkelingen
van die locatie inclusief de opties voor verduurzaming. Het staat de eigenaren vrij
om op basis van biomassa verder te gaan, zoals de Amercentrale nu ook doet. Er is
geen verbod op BECCS en wanneer de productie van energie en opslag van (biogene) CO2 voldoende winstgevend zijn, kan een BECCS-centrale privaat tot stand komen. BECCS
kan, mits goed ingepast en met strikte duurzaamheidscriteria, een bijdrage leveren
aan het Nederlandse energiesysteem en aan koolstofverwijdering. Op dit moment wordt
BECCS tot een grens van 100 MW gestimuleerd in de SDE++. In 2026 wordt het Nationaal
Plan Energiesysteem geactualiseerd. Besluitvorming over BECCS en de volumes daarvan
is aan het nieuwe kabinet.
43.
De leden van de CDA-fractie merken op dat de SDE++ momenteel vooral selecteert op
de laagste korte-termijn kostprijs. Technieken zoals CCU en Direct Air Carbon Capture
and Storage (DACS) komen daardoor vaak onvoldoende aan bod, ondanks dat deze op de
lange termijn kosteneffectief zijn, grote systeembaten hebben en kansen bieden voor
de Nederlandse (maak)industrie en op het gebied van strategische autonomie. Vanuit
de sector wordt daarom geopperd om net als bij groene waterstof een apart budget (hekje)
binnen SDE++ in te stellen om DACS kosteneffectief op te schalen. Deze leden vragen
de Minister in hoeverre zij deze mogelijkheid overweegt en/of welke andere mogelijkheden
zij ziet om innovatieve technieken zoals DACS meer te stimuleren.
Antwoord
De SDE++ is ontworpen om op een kosteneffectieve manier CO2 te reduceren. Een belangrijk uitgangspunt om dat te bereiken is dat er voldoende
concurrentie plaatsvindt. De hekjes binnen de SDE++ hebben als doel om technieken
beter aan bod te laten komen die een hogere subsidie-intensiteit hebben, maar die
van belang zijn voor een kosteneffectieve energietransitie op de langere termijn.
Het is echter wel belangrijk dat er ook binnen de hekjes sprake is van voldoende concurrentie.
Om die reden zijn er voor de hekjes vijf domeinen ingericht. Voor drie domeinen (lagetemperatuurwarmte,
hogetemperatuurwarmte en moleculen) wordt een hekje daadwerkelijk toegepast. Voor
de twee andere domeinen (hernieuwbare elektriciteit, CCS/CCU) niet, omdat technieken
uit deze domeinen ook zonder hekje voldoende aan bod komen. Voor DAC geldt dat deze
als techniek het beste past bij het domein waar ook CCS en CCU in zit. Het creëren
van een hekje hiervoor zou, gezien de hoeveelheid aanvragen voor CCS, het beperkt
beschikbare budget binnen het hekje en de momenteel lagere subsidie-intensiteit van
CCS, betekenen dat DAC waarschijnlijk niet aan bod zou komen binnen een dergelijk
hekje. Het creëren van een nieuw hekje vergt staatssteungoedkeuring door de Europese
Commissie. Het kabinet ziet daar momenteel geen mogelijkheden voor.
RVO is recent gestart met het Innovatieprogramma voor koolstofverwijdering32. Hierin wordt onder meer via subsidies ondersteuning gegeven aan het ontwikkelen
en uittesten van diverse technieken voor koolstofverwijdering, waaronder het direct
afvangen van CO2 uit de atmosfeer.
44.
De leden van de CDA-fractie constateren dat woningbouwprojecten vaak een lange doorlooptijd
kennen en pas laat in het proces een netaansluiting aan kunnen vragen. Door de wijziging
van het prioriteringskader van de Autoriteit Consument & Markt (ACM) mogen netbeheerders
geen netruimte meer reserveren voor toekomstige woningbouw. Daardoor krijgen projecten
die nog niet ver genoeg zijn, geen voorrang meer: alle beschikbare netruimte kan inmiddels
al zijn toegekend, ook aan niet-prioritaire sectoren. Deze projecten moeten dan wachten
tot het elektriciteitsnet is verzwaard.
Deze leden vragen de Minister of zij erkent dat de lange doorlooptijd van woningbouw
hierdoor een extra risico vormt voor toegang tot het net en daarmee kan bijdragen
aan toenemende woningnood. Hoe kijkt de Minister tegen de mogelijke oplossing die
vanuit de woningbouwsector wordt geopperd om binnen het jaarlijks toe te wijzen transportvolume
per maatschappelijke categorie vaste reserveringen aan te brengen, zodat woningbouw
altijd een gegarandeerde kans houdt op netruimte? Welke voor- en nadelen ziet de Minister
bij het binnen de prioriteringscategorieën instellen van een minimale reserveringsruimte
voor woningbouw?
Antwoord
Woningbouw kent inderdaad lange doorlooptijden. Het is daarom belangrijk voor woningbouwprojecten
dat zij vroegtijdig duidelijkheid krijgen over de aanwezigheid van voldoende transportcapaciteit
op het elektriciteitsnet en hier ook zekerheid over krijgen. Het prioriteringskader
van de ACM, waarin onder andere woningbouw een prioritaire status heeft, geeft daarom
ruimte aan gemeente om voor woningbouwprojecten vroegtijdig -en jaren eerder dan nu
het geval is- in het proces transportcapaciteit en prioriteit aan te vragen bij de
netbeheerders. Dit geeft woningbouwprojecten vroeg in het proces duidelijkheid over
of zij kunnen worden aangesloten op het net en houdt dus rekening met het planproces
van woningbouw. Deze nieuwe werkwijze van eerder aanvragen zal ook inzet vragen van
gemeente en de bouwsector. Gezamenlijk met onder andere de VNG, IPO, VRO, NBNL en
ACM wordt daarom gewerkt aan de precieze uitwerking hiervan. Tot 1 juli zal de werkwijze
waarbij kleinverbruikers aanspraak kunnen maken op gereserveerde ruimte blijven gelden.
Na 1 juli wordt de gereserveerde ruimte afgebouwd. Tot 1 januari 2027 is de ruimte
alleen beschikbaar voor prioritaire partijen, waaronder woningbouw. Het uitgangspunt
is dat na 1 januari 2027 de nieuwe werkwijze, inclusief eerder aanvragen, volledig
is geïmplementeerd.
Wat betreft het voorstel voor vaste reserveringen: omdat reserveringen gebaseerd zijn
op schattingen kan dit tot gevolg hebben dat er te veel of te weinig wordt gereserveerd.
Als er te veel wordt gereserveerd heeft dit tot gevolg dat er capaciteit onnodig ongebruikt
blijft terwijl mogelijk andere prioritaire partijen op in de wachtrij staan. Als er
te weinig wordt gereserveerd komen projecten er pas in een laat stadium achter dat
er niet voldoende capaciteit is op het net. Het kabinet geeft daarom de voorkeur aan
de mogelijkheid die wordt geboden aan woningbouwprojecten om vroeg in het proces capaciteit
en prioriteit aan te vragen. Dit is in feite een vorm van reserveren van transportcapaciteit,
maar dan door gemeenten zelf en met meer zekerheid, met als voordeel dat transportcapaciteit
niet onnodig wordt gereserveerd.
45.
De leden van de CDA-fractie merken op dat industriële bedrijven die hun productieproces
willen verduurzamen met procesgeïntegreerde warmtepompen in de praktijk tegen beperkingen
aanlopen binnen de SDE++. Deze projecten zijn namelijk geen standaardinstallaties,
maar ingrijpende procesaanpassingen waarbij meerdere nieuwe onderdelen samenkomen.
De prestaties, kosten en het aantal draaiuren verschillen daardoor sterk per bedrijf,
omdat de SDE++ met vaste aannames en vooraf vastgestelde categorieën voor het aantal
draaiuren werkt sluiten de berekeningen vaak niet aan bij de werkelijkheid. In veel
gevallen zijn de werkelijke prestaties en CO2-besparingen hoger dan waar de regeling van uitgaat, terwijl het subsidiebedrag juist
lager uitvalt. Dit kan ertoe leiden dat rendabele verduurzamingsprojecten alsnog financieel
onhaalbaar worden. Deze leden vragen de Minister of zij bekend is met deze problematiek
en of zij bereid is te onderzoeken of en hoe de SDE++ kan worden aangepast, zodat
bij industriële warmtepompprojecten wordt uitgegaan van projectspecifieke kenmerken,
zoals de daadwerkelijk gerealiseerde Coëfficiënt of Performance (COP) en het werkelijke
aantal draaiuren, in plaats van vaste referentiewaarden?
Antwoord
Het kabinet is bekend met de problematiek. De SDE++ is een generiek instrument, waarbij
het streven is dat techniekcategorieën passend zijn voor het merendeel van de projecten.
Voor nieuwe techniekcategorieën is er vaak nog weinig informatie beschikbaar, waardoor
er een groter risico is op onder- of overstimulering.
De SDE++ leent zich niet voor project-specifieke stimulering. De tendersystematiek
gaat uit van vooraf bepaalde waarden, zodat alle projecten op basis van subsidie-intensiteit
met elkaar concurreren. Deze waarden kunnen niet achteraf worden aangepast. Bovendien
is de administratieve last te groot om voor elke procesgeïntegreerde warmtepomp de
project-specifieke warmtebesparingscoëfficient te meten en te controleren.
Procesgeïntegreerde warmtepompen zijn door de complexiteit en diversiteit van de processen
lastiger in te passen in de generieke SDE++-regeling. In nauwe samenwerking met de
sector, PBL en RVO is het toch gelukt om deze categorie in 2024 open te stellen. Nadat
er in 2024 geen aanvragen in deze categorie zijn ingediend, is in overleg met marktpartijen
gezocht naar mogelijke knelpunten. Dit heeft geleid tot concrete verbetermaatregelen.
Voor de SDE++ 2025 is daarom een extra subcategorie toegevoegd (5.000 vollasturen).
Daarnaast is voor deze ronde de minimaal benodigde COP-waarde verlaagd naar 2.5 (was
3.0), waardoor projecten eerder voor subsidie in aanmerking komen. In de openstellingsronde
van 2025 zijn twee aanvragen ingediend, met een totaal vermogen van 52 MW. Met meer
project-specifieke informatie uit de markt kan het kabinet deze categorie verder ontwikkelen
en waar mogelijk verbreden en verdiepen, zoals zij ook met andere elektrificatiecategorieën
heeft gedaan.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
46.
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie aangaande
de publicaties van de Vrije Universiteit Amsterdam (VU) en de Universiteit van Amsterdam
(UvA) over het verbieden van fossiele reclames. Zij zijn faliekant tegen een verbod
op fossiele reclame. Volgens de artikelen is een nationaal verbod op fossiele reclame
juridisch mogelijk. Ook een Europees verbod kan onder voorwaarden ook juridisch mogelijk
zijn. De artikelen geven fossiele reclame de volgende definitie: «reclame voor fossiele
brandstoffen en andere koolstof intensieve producten». Wat is volgens de Minister
de definitie van fossiele reclame en welke producten en/of diensten vallen hieronder?
Deelt de Minister de mening van de auteurs van de publicaties dat een verbod op fossiele
reclame juridisch mogelijk is? Hoe gaat de Minister opvolging geven aan de kabinetsreactie
op de artikelen?
Antwoord
Op verzoek van de Kamer heeft het kabinet reeds eerder een uitgebreide appreciatie
gegeven33 van de genoemde wetenschappelijke artikelen. Conclusie van deze appreciatie is dat
het eventueel instellen van een verbod op fossiele reclame juridisch gezien niet per
definitie onmogelijk is, hetgeen ook de auteurs in de twee wetenschappelijke artikelen
betogen. De uitdaging voor het eventueel implementeren van een verbod ligt in het
feit dat dit in lijn met verdragsrechtelijke verplichtingen op proportionele, robuuste
en effectieve wijze moet kunnen worden toegespitst, afgebakend en onderbouwd.
Het begrip fossiele reclame kent geen vastomlijnde definitie en dat maakt het debat,
maar ook het onderzoek naar de juridische haalbaarheid van een verbod, ingewikkeld.
In diverse publicaties en studies over fossiele reclame wordt een verbod op fossiele
reclame zeer breed en ook verschillend gedefinieerd. Opvallend is dat de auteurs van
de twee artikelen zelf ook verschillende definities van fossiele reclame hanteren.
Een heldere afbakening van een verbod is essentieel voor het bepalen van de juridische
randvoorwaarden. Een breed vormgegeven reclameverbod heeft bijvoorbeeld potentieel
invloed op uiteenlopende producten en diensten waarvoor verschillende Europeesrechtelijke
kaders kunnen gelden. Een breed reclameverbod maakt de hoeveelheid aan mogelijk te
toetsen relevante EU-regels dus ook groot.
Behalve deze definitie- en afbakeningskwestie maakt het ontbreken van jurisprudentie
op dit thema het ook lastig om nauwgezet aan te geven onder welke voorwaarden een
nationaal verbod juridisch houdbaar is. Het EHRM en het EU-Hof hebben nog geen uitspraken
gedaan over een fossiel reclameverbod.
47.
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het Klimaatplan 2025–2035. De
leden staan er positief tegenover dat het klimaatplan meerdere keren benoemt dat inzetten
op kernenergie cruciaal is en dat kernenergie een onmisbare schakel moet worden in
de elektriciteitsmix. In de SMR-strategie liet het kabinet weten dat grotere projecten
en centrales de komende jaren de focus hebben en dat SMR’s pas in toekomstscenario’s
betrokken worden. Blijft de inzet van het kabinet wat SMR’s onveranderd, ondanks de
inzet op kernenergie in het klimaatplan? Hoe reageert de Minister op het nieuws dat
de gemeente Opmeer in Allseas een ontwikkelaar heeft gevonden voor een SMR34? Deelt de Minister de mening dat de positie van centrale overheden voor de ontwikkeling
en ambitie met kernenergie en SMR’s zoveel mogelijk versterkt en ondersteund moet
worden?
Antwoord
Een toekomstbestendig energiesysteem is schoon, onafhankelijk, betrouwbaar en betaalbaar.
Kernenergie, als stabiele en schone energiebron, is daarmee een noodzakelijke pijler
in het Nederlandse energiesysteem. Voor het vergroten van kernenergie in de energiemix
wordt in de eerste plaats gekeken naar de bouw van grootschalige kerncentrales. Met
een gezamenlijk vermogen van circa 2.300 tot 3.300 MW kunnen twee nieuwe conventionele
centrales volgens het rapport «Systeemkostenanalyse kernenergie» van TNO circa 8 tot
10% bijdragen aan de verwachte elektriciteitsmix in 204035. Het kabinet ziet voor de conventionele kerncentrales een publieke invulling, en
neemt daarom een leidende rol in de financiering en de bouw als initiatiefnemer.
SMR’s kunnen gericht worden ingezet voor private doeleinden tussen een aanbieder en
afnemer, zoals bijvoorbeeld de koppeling van een SMR aan de warmtevraag binnen de
procesindustrie. Door standaardisatie en leereffecten, bieden SMR’s volgens ontwikkelaars
mogelijkheden voor private financiering. Hierdoor kunnen SMR initiatieven privaat
ontplooid worden, waarbij het Rijk een faciliterende rol kan en wil innemen. Het kabinet
wil de voordelen en mogelijkheden van beide benutten (grote en kleine kernreactoren).
Het kabinet laat daarom ruimte voor private initiatieven voor SMR’s, om de private
kansen optimaal te benutten. Het kabinet verwelkomt dan ook private initiatieven en
verkenningen, zoals de gemeente Opmeer met Allseas voorneemt.
In de Kamerbrief van juni 2025 m.b.t Voortgang programma Small Modular Reactors is
aangekondigd in samenspraak met het Interprovinciaal Overleg (IPO) te verkennen en
afspraken vast te leggen hoe ondersteuning voor initiatieven vanuit medeoverheden
eruit kan zien. Het kabinet ziet hier met name een rol voor provincies, gezien de
gemeentegrensoverschrijdende effecten. Onder deze effecten vallen bijvoorbeeld mitigerende
maatregelen (evacuatiegebieden), infrastructurele aanpassingen (waaronder netinpassing)
of het maatschappelijk draagvlak in aangrenzende gebieden. Daarom wil het kabinet
toewerken naar een verdeling die de kracht van de regio benut, maar tegelijkertijd
ook regie houdt en die het bestuurlijk draagvlak voor de realisatie van SMR’s verstevigt
vanuit de samenwerking tussen overheden.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
48.
De leden van de PvdD-fractie merken op dat de nationale CO2-heffing, ingevoerd in 2021 als prikkel voor industriële verduurzaming en vastgelegd
in het Herstel- en Veerkrachtplan, nu is afgeschaft. Deze heffing, met oplopende tarieven
tot 87,17 euro per ton in 2025, was essentieel om emissies te beprijzen bovenop het
EU ETS, en stimuleerde investeringen in groene processen. Door deze afschaffing vervalt
een sleutelmaatregel uit het Klimaatplan 2025–2035 (Kamerstuk 32 813, Nr. 1501), zonder overtuigende alternatieven. De Overlegtafel concludeert dat er geen alternatief
nationaal beleidsinstrument is dat de klimaatdoelen binnen bereik brengt en tegelijk
de concurrentiepositie niet verslechtert, zonder een beroep te doen op extra subsidiemiddelen.
Herkent de Minister dat de afschaffing van de CO2-heffing de 2030-doelen onbereikbaar maakt, en welke concrete vervangende prikkel
introduceert zij vóór 2027? Deze leden vragen de Minister of zij bereid is om de CO2-heffing weer in te voeren, aangezien er dus geen geloofwaardig alternatief wordt
opgeworpen.
Antwoord
De CO2-heffing industrie was, zoals de leden de PvdD-fractie terecht opmerken, bedoeld om
duurzame investeringen in Nederland te stimuleren. De praktijk blijkt echter weerbarstiger
en het kabinet constateerde dat de CO2-heffing anders heeft uitgepakt dan initieel beoogd. Het handelingsperspectief voor
bedrijven om te verduurzamen in Nederland is in veel gevallen ontoereikend, met als
mogelijk gevolg dat eventuele CO2-effecten in Nederland vooral door weglek zouden worden gerealiseerd. Dat is nooit
de bedoeling geweest van de heffing, wat heeft geleid tot het besluit om de heffing,
naar aanleiding van de motie van lid Inge van Dijk, op te schorten (Kamerstuk 36 725, nr. 11)36
Tegelijkertijd is de Overlegtafel CO2-heffing opgericht om alternatieve beleidsmaatregelen in kaart te brengen. Het klopt
dat de Overlegtafel concludeert dat er geen alternatieve beleidsmaatregel bestaat
dat in dezelfde beleidsmix als waar de CO2-heffing onderdeel van was, de klimaatdoelen voor 2030 binnen bereik brengt en tegelijk
de concurrentiepositie niet verslechtert, zonder een beroep te doen op extra subsidiemiddelen37. Dit geeft aan dat er een fundamentele keuze gemaakt zal moeten worden hoe de klimaatdoelen
binnen bereik zullen worden gebracht. Zo kan er worden gekozen om meer subsidiemiddelen
beschikbaar te stellen. Dit vergt aanzienlijke budgetten en geeft geen garantie dat
bedrijven gebruik maken van de subsidies. Anderzijds kan worden gekozen voor nationale
beprijzing of normering met risico op weglek naar het buitenland, bijvoorbeeld wanneer
bedrijven verduurzamingskosten niet kunnen doorberekenen. Deze fundamentele keuze
past niet bij de demissionaire status van het huidige kabinet. Het is daarom aan het
volgende kabinet om een besluit te nemen over de beleidsmix voor de verduurzaming
van de industrie.
49.
De leden van de PvdD-fractie merken op dat tegelijkertijd het kabinet een landelijk
verbod op fossiele reclame blokkeert (Kamerstuk 32 813, nr. 1438), met het excuus dat flankerend beleid ontbreekt, ondanks bestaande accijnzen op
brandstof, de vliegtaks en ETS-mechanismen. Wat wel nodig is, is duidelijke landelijke
richtlijnen die juridisch houdbaar zijn en daadwerkelijk bijdragen aan gedragsverandering.
Ook de reclamesector vraagt in reactie op de vele lokale fossiele reclameverboden
om landelijk beleid38. Gedragswetenschappers benadrukken39 dat een verbod juist draagvlak kweekt voor meer klimaatmaatregelen, zoals bij tabaksreclame
gebeurde. Gemeenten als Amsterdam, Den Haag, Delft en Amstelveen pleiten eveneens
voor nationale wetgeving. Is de Minister bereid met een positieve grondhouding te
onderzoeken welke baten een landelijk verbod heeft, en daarbij ook de positieve ervaringen
van reclameverboden in andere sectoren mee te nemen die dienden om schadelijke consumptie
te ontmoedigen en de nodige andere departementen te betrekken?
Antwoord
Er wordt op dit moment al gewerkt met betrokken departementen aan het in kaart brengen
van effectieve, doelmatige, op wetenschappelijke inzichten gebaseerde maatregelpakketten
die burgers helpen bij het maken van duurzame keuzes. Dit gebeurt in het kader van
de aanpak duurzaam leven, zoals aangekondigd in het Klimaatplan 2025–203540. Doel hiervan is om duurzame keuzes voor consumenten over een breed front goedkoper,
makkelijker en comfortabeler te maken ten opzichte van niet duurzame (fossiele) keuzes
om een verschuiving in consumptiepatronen te bewerkstelligen. Hierbij zal ook worden
bekeken of het zinvol en doelmatig is om fossiele reclame verbod(en) op te nemen in
de beoogde maatregelpakketten. Het is aan het nieuwe kabinet om de uitkomsten van
de aanpak duurzaam leven met de Kamer te delen en een besluit te nemen over eventuele
vervolgstappen. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 8.
Wat betreft het als voorbeeld nemen van verbod op tabaksreclame moet hier zorgvuldig
mee worden omgegaan. Er is geen duidelijke overeenkomst tussen beide categorieën van
reclames wat betreft veronderstelde schade die deze teweeg brengt. Reclameverboden
voor tabak die ook in EU-richtlijnen zijn opgenomen vinden hun juridische grondslag
in de omstandigheid dat het product dat hierbij wordt aangeprezen (tabak) slecht voor
de volksgezondheid is, verslavend is en dat met name jongeren gevoelig zijn voor de
tabaksreclame. Bovendien is het tabaksverbod zeer specifiek toegespitst op een identificeerbaar
product. Dit zijn aspecten die niet of in mindere mate van toepassing zijn op een
eventueel verbod op fossiele reclame.
50.
De leden van de PvdD-fractie zijn verontwaardigd over de appreciatie van de Minister
op de aangenomen motie-Teunissen (Kamerstuk 36 725 XXIII, nr. 11) (Kamerstuk 31 239, nr. 430), die met 100 zetels oproept om BECCS met hout als biomassa op geen enkele wijze
te stimuleren of faciliteren. De Minister negeert deze motie door te stellen dat huidig
beleid voldoende waarborg biedt en dat uitvoering de koolstofmarkt zou smoren. Dit
is een onhoudbare redenering gezien de praktijk en wetenschap: certificering faalt,
en BECCS levert geen netto-negatieve emissies door ketenlekken en biodiversiteitsverlies
(EIA 202241, Comité Schone Lucht 202542). Wanneer volgt alsnog een volledige uitvoering van de motie-Teunissen?
Antwoord
Wat het kabinet betreft draagt alleen duurzame biomassa bij aan de transitie naar
een klimaatneutrale en circulaire economie. De Hernieuwbare Energierichtlijn van de
Europese Unie staat uitsluitend het stimuleren of faciliteren van biomassa voor de
productie van energie toe waarvan de duurzaamheid geborgd is, zodat er geen negatieve
effecten zijn op bossen en biodiversiteit en er geen twijfel bestaat over de klimaatwinst.
Het kabinet heeft geen aanwijzingen dat het systeem van private certificering en publiek
toezicht op de duurzaamheid van biomassa structurele tekortkomingen kent.
Uit recent onderzoek van de Nederlandse Emissieautoriteit naar biomassa-import uit
Maleisië blijkt bijvoorbeeld dat de certificering van deze biomassa correct en robuust
is. Besluitvorming over de verdere ondersteuning van de inzet van biomassa voor BECCS
is aan het volgende kabinet.
51.
In de Routekaart Koolstofverwijdering zou BECCS op basis van verbranding van biogrondstoffen
naar verwachting een beperkte toekomstige rol spelen. Wat verstaat de Minister onder
een beperkte rol? Biomassacentrales tot 100 MW zijn geen «relatief kleine biomassacentrales».
Bij houtige biomassa gaat het bij 100 MW om een input van jaarlijks ca 200.000 ton
houtige biomassa, een jaarlijkse kap equivalent aan 15 maal het Haagse bos. Hoeveel
«relatief kleine biomassacentrales» hebben in 2024 SDE++ subsidie voor CCS aangevraagd
en ontvangen?
Antwoord
BECCS kan, mits goed ingepast en met strikte duurzaamheidscriteria, een bijdrage leveren
aan het Nederlandse energiesysteem en aan koolstofverwijdering. Op dit moment wordt
alleen BECCS tot 100 MW gesubsidieerd via de SDE++. Door deze cap komen grote biomassa-energiecentrales
boven dit volume, zoals de (voormalig) kolencentrales, niet in aanmerking voor SDE++-subsidie.
Uit de SDE++ 2024 ronde zijn acht CCS-beschikkingen in beheer en nog niet gerealiseerd.
Eén van deze aanvragen betreft CCS bij een ketel voor houtige biomassa. De overige
CCS-beschikkingen zijn voor CCS bij vergisters, biobrandstoffenproductie en afvalverbrandingsinstallaties.
In 2026 wordt het Nationaal Plan Energiesysteem geactualiseerd. Besluitvorming over
BECCS en de volumes daarvan is aan het nieuwe kabinet.
52.
De leden van PvdD-fractie verwelkomen tot slot de verwijzing naar de Jonge Klimaattafel
in de kabinetsreactie op het Jongerenakkoord (Kamerstuk 32 813, nr. 1514) als mogelijke structurele vorm van jongerenparticipatie. Zij zien de Jonge Klimaattafel
als een belangrijke stap om jongeren structureel te betrekken bij klimaatbeleid, juist
omdat zij de gevolgen van uitblijvende actie, zoals extreme weersomstandigheden en
een onbetaalbare energierekening, het sterkst zullen voelen. Deze leden vragen de
Minister wat zij gaat doen met de voorgestelde maatregelen uit het Jongerenakkoord.
Antwoord
Zie antwoord op vraag 19; het kabinet heeft de voorgestelde maatregelen uit het Jongerenakkoord
reeds meegewogen in de voorjaarsbesluitvorming van 2025. In het Pakket voor Groene
Groei zitten veel punten die overlappen met de maatregelen die zijn opgenomen in het
Jongerenakkoord. Dit betreft bijvoorbeeld maatregelen die energiearmoede tegengaan
– door verlaging van de energierekening, een energiefonds voor kwetsbare huishoudens,
subsidies die beschikbaar worden gesteld voor verduurzaming van huizen en het continueren
van het Nationaal Warmtefonds voor mensen met een laag inkomen. Het is aan een volgend
kabinet hoe ze de maatregelen in het Jongerenakkoord opnieuw willen meewegen in de
besluitvorming.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
S.C. Kröger, voorzitter van de vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei -
Mede ondertekenaar
C.M. Teske, adjunct-griffier