Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda Raad Buitenlandse Zaken Defensie, Bijeenkomst NAVO-ministers van Defensie en Ukraine Defence Contact Group van 11 en 12 februari 2026 (Kamerstuk 21501-28-296)
21 501-28 Defensieraad
Nr. 297 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 10 februari 2026
De vaste commissie voor Defensie heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd
aan de Minister van Defensie over de brief van 29 januari 2026 over de geannoteerde
agenda Raad Buitenlandse Zaken Defensie, Bijeenkomst NAVO-Ministers van Defensie en
Ukraine Defence Contact Group van 11 en 12 februari 2026 (Kamerstuk 21 501-28, nr. 296).
De vragen en opmerkingen zijn op 3 februari 2026 aan de Minister van Defensie voorgelegd.
Bij brief van 10 februari 2026 zijn de vragen beantwoord.
De fungerend voorzitter van de commissie, Paternotte
Adjunct-griffier van de commissie, Manten
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de genoteerde agenda
voor de Raad Buitenlandse Zaken Defensie en NAVO Defensie Ministeriële. Hierover hebben
deze leden nog enkele vragen.
Vraag 1
De leden van de D66-fractie zijn opgelucht dat gezamenlijke inzet van zowel de Europese
NAVO-lidstaten en de NAVO Secretaris Generaal hebben voorkomen dat president Trump
zijn plannen op het gebied van Groenland door heeft gezet. Inmiddels hebben twee Nederlandse
militairen deelgenomen aan een verkenningsmissie in Groenland. Wat zijn de bevindingen
van de verkenningsmissie waarin twee Nederlandse officieren van de Nederlandse Koninklijke
Marine aan hebben deelgenomen? Wat is de inzet van de Minister als het gaat om gesprekken
over een mogelijke NAVO-missie (Arctic Sentry) op Groenland, zo vragen deze leden.
Antwoord
In reactie op de vragen 1, 10 en 18 van de D66- en VVD- en GroenLinks-PvdA fracties
inzake Groenland kan ik het volgende melden.
De veiligheid van het NAVO-grondgebied in de Arctische regio moet worden geborgd.
Hiertoe zal worden samengewerkt door NAVO-bondgenoten. Nederland is bereid bij te
dragen aan het vergroten van de bewustwording en aanwezigheid in het Arctisch-gebied,
door deel te nemen aan oefeningen en trainingen, en een bijdrage te leveren binnen
het NAVO-verband. Nederland is dan ook voorstander van de totstandkoming van een NAVO-inzet
om de veiligheid van Groenland te versterken. Dit zal ook worden uitgedragen in gesprekken
met bondgenoten. Interoperabiliteit tussen bondgenoten is een continu aandachtspunt
binnen de NAVO. Het organiseren van gezamenlijke trainingen en oefeningen biedt de
mogelijkheid om de interoperabiliteit tussen bondgenoten te toetsen en te verbeteren.
Vraag 2
De leden van de D66-fractie vragen de Minister hoe hij de uitspraak van Eurocommissaris
Kubilius beoordeelt dat artikel 42 lid 7 van toepassing is bij een aanval op Groenland?
Is Artikel 42.7 volgens het kabinet wel of niet van toepassing op de landen en gebieden
overzee? Wat betekent de uitspraak van Minister van Weel dat het verdragsartikel «niet
onverkort» van toepassing is, zo vragen deze leden.
Antwoord
Artikel 42.7 heeft betrekking op een gewapende aanval op het grondgebied van een EU-lidstaat.
Op dit moment is een dergelijk scenario niet aan de orde. Het kabinet speculeert niet
over het al dan niet van toepassing zijn van artikel 42.7 op specifieke scenario’s.
Buiten kijf staat dat Nederland pal staat voor de territoriale integriteit en soevereiniteit
van Groenland en Denemarken.
Vraag 3
De leden van de D66-fractie hebben ook nog enkele vragen over Oekraïne. Kan de Minister
reflecteren op het functioneren van de UDCG nu de Amerikanen daar niet langer een
centrale rol in spelen? Verwacht het kabinet dat de Raad instemt met de mogelijkheid
voor Oekraïne om met de EU-lening militair materieel aan te schaffen in het Verenigd
Koninkrijk?
Antwoord
De UDCG wordt sinds het aantreden van de nieuwe Amerikaanse administratie voorgezeten
door het Verenigd Koninkrijk en Duitsland. De UDCG is en blijft het belangrijkste
politieke gremium voor coördinatie van bilaterale militaire steun aan Oekraïne. Onlangs
kondigden het Verenigd Koninkrijk aan samen met Oekraïne en de NAVO te kijken naar
hervormingen van het UDCG-format, met het oog op het verbeteren van de slagvaardigheid
en effectiviteit van het gremium.
De Raad van de EU bereikte op 4 februari jl. in Comité van Permanente Vertegenwoordigers
(Coreper) een principeakkoord op de EU-leningen voor Oekraïne. De lening bevat 90 miljard euro,
inclusief 60 miljard voor militaire steun. De andere € 30 miljard is begrotingssteun
in de vorm van macro-financiële bijstand of steun via de EU-Oekraïnefaciliteit. Het
kabinet is tevreden over het bereikte akkoord, inclusief de ruimte die Oekraïne heeft
om militair materieel aan te schaffen in het Verenigd Koninkrijk. In dit principeakkoord
staat een horizontale derogatie voor landen waarmee de EU een Security and Defence
Partnership heeft, zoals het VK. Oekraïne zal de financiële middelen uit de lening
kunnen gebruiken voor aankopen van militair materieel in het VK en het VK zal een
financiële bijdrage aan de EU doen die proportioneel is, op basis van de rentelasten
die de EU betaalt en de contracten die het VK krijgt. Het voorstel volgt de gewone
wetgevingsprocedure, dat betekent dat na dit akkoord in de Raad de triloog van start
gaat met de Europese Commissie en het Europees Parlement. Uw Kamer is op 6 februari
jl. in meer detail over de steunlening aan Oekraïne geïnformeerd (Kamerstuk 36 045, nr. 267).
Vraag 4
De leden van de D66-fractie lazen in de stukken ook over de vooruitgang van de capaciteitencoalities.
Welke doelstellingen wil Nederland in 2030 hebben behaald met de capaciteitencoalities
voor drones en anti-dronesystemen, en militaire mobiliteit? Hoe verhoudt het drone-actieplan
van de Europese Commissie zich tot de door Nederland geleide PCA drones en counter-dronesystemen?
In hoeverre is Nederland betrokken bij de totstandkoming van het actieplan, zo vragen
deze leden.
Antwoord
Voor Nederland is van belang dat de Priority Capability Areas (PCA’s) leiden tot concrete
operationele output en gezamenlijke capaciteiten. De Nederlandse inzet voor de PCA’s
is dat deze bijdragen aan het versneld invullen van de nationale- en EU-capability tekortkomingen en NAVO Capability Targets. Via de PCA’s behaalt NL beleidsdoelen
t.a.v. gezamenlijke capaciteitsontwikkeling binnen de EU: lidstaten aan zet, betrokkenheid
EDA, aansluiting bij NAVO en de Commissie als financier via programma’s als EDIP en
SAFE. Gezien de opzet van het PCA-format (lidstaten die zelf aan het roer staan voor
militaire capabilities), hecht het kabinet er waarde aan dat het PCA-format slaagt en tot concrete, gezamenlijke
resultaten leidt.
De insteek van de co-lead nations van de PCA Drones en counter-drone systemen is om de PCA een format te laten zijn
waarin alle Europese initiatieven op drones en counter-drone systemen overzien kunnen
worden. Hoewel de PCA focust op militaire capaciteiten, wordt hier ook gekeken naar
dual-use oplossingen. Vanuit die gedachte kijkt het kabinet uit naar het drone-actieplan
en zal na publicatie onderzocht worden hoe de PCA kan bijdragen aan het invullen van
de acties die uit het actieplan voortkomen.
Op de specifieke plannen voor de PCA’s Drones en counter-drone systemen en Militaire
mobiliteit wordt in het antwoord op vraag 13 verder ingegaan.
Vraag 5
De NAVO-lidstaten werken inmiddels toe naar de nieuwe NAVO-norm van 5%. Hoe wordt
voorkomen dat verschillen in ambitie om toe te groeien naar 5% defensie brede uitgaven
in 2035 leiden tot ongelijke verdeling van lasten tussen NAVO-lidstaten de komende
10 jaar? Hoe wordt de lastenverdeling binnen de NAVO gemonitord? En op welke manier
worden landen aangesproken wanneer zij achterblijven?
Antwoord
NAVO-bondgenoten zijn op de top in Den Haag overeengekomen in 2035 5% aan defensie
uit te geven, waarvan 3,5% aan harde defensie-uitgaven en 1,5% aan veiligheids- en
defensie gerelateerde uitgaven. De 3,5% is primair bedoeld ter invulling van de NAVO-capaciteitsdoelstellingen.
Deze worden onder de bondgenoten verdeeld onder meer op basis van eerlijke lastenverdeling
(burden sharing). Bondgenoten stellen ieder een eigen groeipad op dat moet leiden naar de 3,5%. Deze
groeipaden worden binnen het bondgenootschap met elkaar gedeeld en regelmatig besproken,
zo ook tijdens deze DMM. Daarbij spreken bondgenoten elkaar aan mocht een van hen
achterblijven op de gemaakte afspraken. Ook controleert de NAVO de bondgenootschappelijke
lastenverdeling via formele rapportagemomenten, waaronder de Annual Strategic Level Report, waarin bondgenoten rapporteren over de gemaakte vooruitgang op gebied van cash, capabilities en contributions, en de tweejaarlijkse Defence Planning Capability Review, waarmee de NAVO de vooruitgang in de invulling van de vastgestelde capaciteitsdoelstellingen
monitort.
Vraag 6
Recent hebben de Verenigde Staten haar nieuwe defensiestrategie gepresenteerd. Hoe
beoordeelt het kabinet de nieuwe defensiestrategie van de VS? Welke lessen moeten
Nederland en Europa daaruit trekken, zo vragen de leden van de D66-fractie.
Antwoord
De Amerikaanse National Defence Strategy (NDS) wordt iedere 4 jaar opgesteld. De doelstellingen en ambities in de NDS komen
voor het kabinet niet als een verrassing. De NDS legt nadruk op de verdediging van
de VS zelf en verlegt de focus naar het Westelijk Halfrond. Het was reeds duidelijk
dat de VS hieraan prioriteit geeft, bijvoorbeeld uit de eerder gepubliceerde National Security Strategy. Europa moet en wil meer verantwoordelijkheid nemen voor de eigen veiligheid, maar
de VS blijft nauw betrokken in de NAVO met een belangrijke rol en kritieke capaciteiten.
Nederland en Europa zijn zich wel meer bewust geworden dat ook daarbij sterke afhankelijkheden
voorkomen moeten worden. Nederland en Europa moeten investeren in defensie, weerbaarheid
en defensie-industrie, en investeren in diplomatie en coalitievorming. Hieraan werkt
het kabinet de afgelopen tijd, onder meer door implementatie van de afspraken van
de NAVO Top in Den Haag om in 2035 5% aan defensie- en defensiegerelateerde uitgaven
te besteden. In dit kader verwijs ik ook graag naar de Kamerbrief inzake EU als geopolitieke
speler die u 27 januari jl. toekwam.1
Vraag 7
De laatste Europese defensiestrategie is het EU Strategische Kompas uit 2022: «Kwantum
voorwaarts», Rapid Deployment Capacity en daarnaast ook het Witboek van het afgelopen
jaar. Hoe verhouden deze twee zich ten opzichte van de nieuwe Europese Veiligheidsstrategie?
Von der Leyen kondigde afgelopen maand aan dat deze in het eerste kwartaal van dit
jaar zal worden gepresenteerd. Kan de Minister aangeven wat de stand van zaken is
en wanneer we deze kunnen verwachten, zo vragen de leden van de D66-fractie.
Antwoord
Commissievoorzitter Ursula Von der Leyen heeft recent, onder andere in haar toespraak
tijdens het World Economic Forum, aangekondigd dat er later dit jaar een nieuwe EU
Veiligheidsstrategie volgt. Er is op dit moment nog niet bekend hoe de strategie eruit
gaat zien en wat de verhouding tot de genoemde documenten gaat zijn.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met grote belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde
agenda voor de aanstaande internationale defensie-overleggen, alsmede de verslagen
van de bijeenkomsten van oktober en december 2025. In een tijd van voortdurende geopolitieke
instabiliteit en directe dreigingen aan de grenzen van het NAVO-verdragsgebied, achten
deze leden een krachtige en gecoördineerde inzet van essentieel belang. Zij danken
de Minister voor de uitgebreide documentatie en de proactieve houding van Nederland
binnen de verschillende samenwerkingsverbanden, maar wensen naar aanleiding van de
stukken nog enkele verdiepende vragen te stellen.
Vraag 8
Ten aanzien van de militaire steun aan Oekraïne en de actuele situatie aan het front
vragen de leden van de VVD-fractie de Minister om een nadere duiding van de diplomatieke
inspanningen gericht op een duurzaam vredesakkoord. Welke voortgang is er de afgelopen
periode geboekt bij de lopende gesprekken en in hoeverre ziet de Minister een realistisch
pad naar een beëindiging van de vijandelijkheden waarbij de soevereiniteit van Oekraïne
gewaarborgd blijft? In het verlengde hiervan vragen deze leden naar de verwachtingen
van de Minister ten aanzien van de Nederlandse rol in een eventuele internationale
vredesmissie na het bereiken van een akkoord. Welke specifieke bijdrage, zowel qua
personeel als materieel, acht de Minister passend voor Nederland binnen een dergelijke
missie en welke randvoorwaarden stelt het kabinet aan de deelname van Nederland aan
een «coalition of the willing» die toeziet op de naleving van een vredesregeling?
Antwoord
Recentelijk zijn in technische werkgroepen trilaterale besprekingen in Abu Dhabi gehouden
tussen Oekraïne, de Russische Federatie en de Verenigde Staten. Oekraïne heeft zich
sinds vorig voorjaar constructief en meewerkend opgesteld om een duurzame vrede te
bewerkstelligen, en heeft bereidheid getoond vergaande concessies te doen om vrede
te bereiken. Desalniettemin lijkt een vredesovereenkomst nu nog niet aan de orde.
Rusland toont nog geen enkele serieuze bereidwilligheid om diens maximalistische eisen
los te laten en een beëindiging van de vijandelijkheden overeen te komen. Daarom blijf
het kabinet inzetten op het opvoeren van verdere druk op Rusland en het ondersteunen
van Oekraïne. De Coalition of the Willing staat Oekraïne bij in de onderhandelingen en werkt aan afspraken waardoor Oekraïne
steviger staat aan de onderhandelingstafel. We houden uw Kamer op de hoogte van verdere
ontwikkelingen.
Zoals reeds gesteld in de Kamerbrieven van 10 september en 6 januari jl. heeft het
kabinet een bereidwillige houding om een substantiële bijdrage te leveren aan de actielijnen
van de Coalition of the Willing, (CotW, zie Kamerstukken 36 045, nrs. 215 en 264). Een besluit over de beoogde Nederlandse inzet is afhankelijk van verschillende
factoren, zoals de condities van een beëindiging van de vijandelijkheden, de uitwerking
van de rules of engagement (ROE) en modaliteiten omtrent bestandsmonitoring. Het nemen van verantwoordelijkheid
past binnen de geldende geopolitieke context en de onverminderde steun van Nederland
aan Oekraïne, tevens in het belang van de Nederlandse en Europese veiligheid.
Vraag 9
Voorts vragen deze leden welke mogelijkheden de Minister ziet om via het Prioritised Ukraine Requirements List (PURL) initiatief de Oekraïense behoeften op het gebied van defensie-infrastructuur
en beveiliging te borgen, ook met het oog op de stabiliteit na een eventueel staakt-het-vuren.
Antwoord
De Oekraïense militaire behoeften overstijgen wat via het PURL-mechanisme geleverd
kan worden aanzienlijk. PURL moet gezien worden als de beste manier om Oekraïne van
Amerikaans materieel te voorzien, Nederland heeft hier reeds € 750 miljoen aan toegezegd.
Dat is van belang omdat Oekraïne over een aanzienlijke hoeveelheid Amerikaanse systemen
beschikt en omdat het materieel betreft dat simpelweg alleen in de VS wordt geproduceerd.
Het materieel in de PURL-pakketten is gebaseerd op kritieke behoeften zoals die door
Oekraïne is geformuleerd en bestaat uit materieel dat spoedig kan worden geleverd,
zodat Oekraïne zich op korte termijn kan blijven verdedigen tegen de Russische agressie.
In algemene zin bestaat de behoefte uit luchtafweersystemen en bijbehorende munitie
waaronder Patriot-raketten, artilleriemunitie, gevechtsvoertuigen en reserveonderdelen.
SG NAVO Rutte heeft aangegeven dat sinds afgelopen zomer 75% van alle gebruikte rakketten
voor Patriotsystemen en 90% van de gebruikte munitie voor overige luchtverdedigingssystemen
via PURL is geleverd.
Ook na een staakt-het-vuren zal militaire steun ten behoeve van Oekraïne van groot
belang blijven, als afschrikwekkend middel om een hernieuwing van de vijandelijkheden
te voorkomen. Na een staakt-het-vuren zal worden bezien via welke initiatieven het
beste in de behoeften van Oekraïne kan worden voorzien. Overigens richt PURL zich
momenteel primair op materieel, en is het uitbreiden van het initiatief naar behoeften
op het gebied van defensie-infrastructuur en beveiliging niet aan de orde. De behoefte
wordt met name ingevuld door fondsen die kunnen voorzien in niet-lethale middelen
en via de Capability Coalitions. Zo draagt Nederland, als co-leider van de Air Force Capability Coalition, bij aan het beschermen en beveiligen van vliegtuigen en vliegvelden.
Vraag 10
De leden van de VVD-fractie hebben tevens met interesse kennisgenomen van de besprekingen
over de NAVO-inzet in het Arctisch gebied en de specifieke rol van Groenland. Zij
deelden het standpunt dat de NAVO een grotere en meer structurele rol moet opeisen
op de noordflank om de strategische belangen van de bondgenoten te beschermen tegen
toenemende invloed van autocratische machten in deze regio. Kan de Minister nader
toelichten welke concrete Nederlandse capaciteiten, bijvoorbeeld op het gebied van
maritieme surveillance of gespecialiseerde eenheden, in aanmerking komen voor een
bijdrage aan een eventuele NAVO-missie in dit gebied? De leden van de VVD-fractie
kijken welwillend naar een actieve Nederlandse bijdrage en vragen de Minister op welke
wijze hij de interoperabiliteit met bondgenoten zoals Denemarken en Canada in dit
kader verder beoogt te versterken.
Antwoord
Zie het antwoord op vraag 1.
Vraag 11
Daarbij wensen zij ook geïnformeerd te worden over de voortgang van het «playbook»
tegen de Russische schaduwvloot en de wijze waarop dit instrument bijdraagt aan de
bescherming van vitale onderzeese infrastructuur in de Noord-Atlantische wateren.
Antwoord
Vanwege de dreiging die uitgaat van de Russische schaduwvloot houdt de Kustwacht de
schaduwvloot op de Noordzee in de gaten. Daarnaast heeft de Kustwacht schepen die
onder een valse Koninkrijksvlag varen wereldwijd in beeld. Naast nationale is ook
internationale samenwerking essentieel om deze activiteiten tevens bij de bron aan
te pakken.
Het kabinet zet in op robuuster optreden tegen de schaduwvloot binnen de Exclusieve
Economische Zone (EEZ). Het kabinet werkt daarbij aan een nationale strategie voor
de aanpak van de schaduwvloot en het versterken en robuuster maken van de Nederlandse
wetgeving die gebruikt kan worden om schepen aan te houden.
Gezien de hybride dreiging die ook uitgaat van schaduwvlootschepen, is het goed in
beeld brengen van deze schepen van groot belang voor de bescherming van vitale onderzeese
infrastructuur op de Noordzee. Door zichtbaar zicht te houden op de schaduwvloot wordt
heimelijk optreden door de schepen van deze vloot moeilijker. Dit heeft een afschrikkende
werking richting de vlaggenstaten en ondernemingen die sanctieontduiking mogelijk
maken. Aan de bescherming van vitale onderzeese infrastructuur wordt gewerkt middels
het Actieplan Strategie ter bescherming Noordzee Infrastructuur. In dit kader verwijs
ik ook graag naar de Kamerbrief inzake de stand van zaken aanpak schaduwvloot die
u 28 januari jl. toekwam.2
Vraag 12
Wat betreft de Europese defensiegereedheid en de versterking van de industriële basis,
vragen deze leden naar de stand van zaken rondom het Security Action for Europe (SAFE)-instrument.
Zij betreuren dat een akkoord met het Verenigd Koninkrijk over verruimde deelname
tot op heden is uitgebleven, aangezien een nauwe samenwerking met deze cruciale veiligheidspartner
essentieel is voor het opschalen van de Europese productiecapaciteit. Welke diplomatieke
stappen onderneemt de Minister om de blokkades in de gesprekken met het Verenigd Koninkrijk
weg te nemen en hoe wordt voorkomen dat er onnodige versnippering optreedt binnen
de Europese defensiemarkt?
Deze leden verwelkomen de focus op grensoverschrijdende industriesamenwerking binnen
het EDIP-akkoord en vragen hoe de Minister borgt dat Nederlandse toeleveranciers en
innovatieve mkb-bedrijven optimaal gebruik kunnen maken van de bonusregelingen voor
dergelijke samenwerkingsprojecten.
Antwoord
Er wordt uitvoering gegeven aan het Security Action for Europe (SAFE)-instrument: 19 lidstaten hebben verzoeken met investeringsplannen ingediend
bij de Commissie. De Commissie heeft de plannen grotendeels al geanalyseerd; de Raad
wordt binnenkort door de Commissie gevraagd om in te stemmen met het verstrekken van
de leningen. Het doel is dat de overeenkomsten zo snel mogelijk worden ondertekend
zodat de uitbetalingen op korte termijn kunnen plaatsvinden. Defensie bestudeert de
investeringsplannen van andere lidstaten nauwgezet en indien hier capaciteiten tussen
zitten die Nederland ook wil aankopen, wordt onderzocht wat de mogelijkheden zijn
om aan te sluiten bij betreffende aanbestedingen. Het kabinet zet zich er in gesprekken
met Commissie en andere lidstaten voor in om de onderhandelingen met het VK voor aanvullende
toegang voor bedrijven uit het VK tot SAFE nieuw leven in te blazen.
Het kabinet positioneert Nederlandse defensie-industrie actief in internationale en
Europese ontwikkel- en aanschaftrajecten via financiële bijdragen en andere ondersteunende
maatregelen. Zo heeft Nederland bij de EU actief gepleit voor het openen van toeleveringsketens
voor mkb en industrie uit kleinere lidstaten. Als resultaat is grensoverschrijdende
industriesamenwerking als doelstelling, inclusief een bonus om dit te stimuleren,
opgenomen in het concept werkprogramma 2026–2027 van EDIP. De RVO heeft een belangrijke
rol in de verspreiding van informatie over Europese defensieprogramma’s en biedt bedrijven
die hieraan willen meedoen adviesgesprekken aan. Ook het in 2025 gelanceerde publiek-private
platform Defport moet concreet bijdragen aan de versterking van de defensie-industrie.
Vraag 13
Tot slot vragen de leden van de VVD-fractie om een update over de voortgang binnen
de Priority Capability Areas (PCA's), in het bijzonder de PCA militaire mobiliteit.
Zij ondersteunen het gezamenlijke non-paper van Nederland, Duitsland, België, Polen
en Litouwen en de oproep tot het creëren van een «Joint European Continent Military
Mobility Area». Deze leden achten het van groot belang dat de administratieve lasten
worden geharmoniseerd en dat de gestelde termijn van maximaal drie werkdagen voor
grensoverschrijdende verplaatsingen een harde norm wordt. Kan de Minister aangeven
welke lidstaten momenteel nog terughoudend zijn bij het invoeren van deze versnelde
procedures en welke maatregelen de Minister overweegt om de noodzakelijke vaart in
dit proces te houden?
Antwoord
Op 15 januari organiseerde Nederland in samenwerking met co-lead nations Kroatië en Letland een tweede bijeenkomst van de PCA Drones en counter-drone systemen
in Zagreb. Op de agenda stond de governance van de PCA en het doel en de strategische richting van de PCA die door de co-lead nations werd voorgesteld. Het voorstel van de co-lead nations is dat de PCA Drones en counter-drone
systemen zich richt op gezamenlijke aanschaf en het ontwikkelen van een Europees netwerk
van Drone Technology Hubs. Dit voorstel kon rekenen op steun van de deelnemers in
Zagreb. Momenteel wordt er vanuit de samenwerking in de PCA Drones en counter-drone
systemen gewerkt aan een voorstel voor een European Defence Project of Common Interest
(EDPCI) in het kader van EDIP. In maart vindt een derde bijeenkomst van deze PCA plaats
in Riga.
De officiële startbijeenkomst voor de PCA Militaire mobiliteit met de geïnteresseerde
landen wordt voorzien in maart. De co-lead nations van de PCA Militaire mobiliteit (Duitsland, België en Nederland) hebben de afgelopen
tijd gewerkt aan de gewenste richting van de PCA militaire mobiliteit. Gezien het
veelvoud aan bestaande coördinatie mechanismen en werkgroepen op militaire mobiliteit
bij zowel EU als NAVO, is het van belang om duplicatie te voorkomen en de juiste meerwaarde
van de PCA te identificeren. Mogelijkheden voor deze meerwaarde zitten in digitalisering,
governance, en capabilities (warehouses, logistieke hubs, support to operations). Dit wordt besproken tijdens de startbijeenkomst voor de PCA militaire mobiliteit
in maart. Het kabinet gaat niet in op inhoudelijke posities van andere lidstaten.
Ook de PCA’s op de andere onderwerpen, zoals IAMD, artillery en space, hebben inmiddels hun eerste bijeenkomsten gehad. De PCA’s Missile & ammunition en Maritime zullen deze maand starten. De PCA’s voor Cyber, EW & kwantum, voor Ground combat en voor Strategic enablers zijn nog niet gestart.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda
Raad Buitenlandse Zaken Defensie en NAVO Defensie ministeriële van 11 en 12 februari
en hebben naar aanleiding hiervan nog enkele vragen.
Vraag 14
Steun aan Oekraïne
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich zorgen over de achterblijvende
militaire steun voor Oekraïne, juist in deze cruciale fase van de oorlog. Ondanks
de vele toezeggingen van bondgenoten is de totale militaire steun aan Oekraïne in
2025 juist afgenomen. Tijdens de bijeenkomst van de Ukraine Defence Contact Group
in december 2025 zijn er weliswaar nieuwe steunpakketten toegezegd voor 2026 door
verschillende landen, maar hoe concreet zijn deze toezeggingen en hoe is de lastenverdeling
onder Europese lidstaten? Het kabinet zegt continue aan te dringen bij achterblijvende
bondgenoten om meer bij te dragen. Deze leden zijn benieuwd of dit aandringen tot
dusver meetbare resultaten heeft opgeleverd. Kan de Minister hierop reflecteren, zo
vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie.
Antwoord
Het kabinet deelt de zorg dat de militaire steun aan Oekraïne onder druk staat, juist
nu de oorlog een cruciale fase kent en de militaire noden van Oekraïne groot blijven.
Het beeld dat de totale militaire steun in 2025 is afgenomen, wordt mede verklaard
door het feit dat een aantal grote toezeggingen in eerdere jaren is gedaan en gefaseerd
tot uitbetaling en levering komt, terwijl nieuwe toezeggingen in 2025 deels nog niet
volledig zijn geconcretiseerd in leveringsschema’s. Het kabinet blijft er bij bondgenoten
op aandringen om toezeggingen zo snel mogelijk te vertalen naar concrete, tijdige
en uitleverbare militaire steun. Het kabinet zet zich consequent in voor eerlijke
en evenredige lastenverdeling, onder meer door dit onderwerp steeds te agenderen in
EU-, NAVO- en G7-verband.
Militaire steun aan Oekraïne, toegezegd in UDCG-verband of elders, is echter een vrijwillige
bilaterale aangelegenheid tussen het desbetreffende land en Oekraïne. Er bestaat geen
formeel lastendeling-mechanisme of verdeelsleutel. Voor wat betreft lastendeling onder
de Europese lidstaten geldt dat alle lidstaten, met uitzondering van Tsjechië, Hongarije
en Slowakije, naar rato bijdragen aan de rentelasten die voortvloeien uit de Oekraïne
herstelleningen. Met deze leningen krijgt Oekraïne in de periode 2026–2027 toegang
tot in totaal € 90 miljard, bestaande uit € 30 miljard aan begrotingssteun in de vorm
van macro-financiële bijstand of steun via de EU-Oekraïnefaciliteit en € 60 miljard
voor de ondersteuning van de Oekraïense defensiecapaciteiten.
Indien de steun geconcretiseerd wordt in UDCG-verband volgt NSATU op wanneer leveringen
daadwerkelijk plaatsvinden. Dat is van belang voor de militaire planning van Oekraïne.
Vraag 15
In het kader van afnemende totale steun voor Oekraïne willen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
graag weten hoe het staat met de volledige uitvoering van de motie Klaver inzake versnelde
steun aan Oekraïne (Kamerstuk 36 045, nr. 243). Tot op heden is namelijk slechts 700 miljoen euro van de additionele 2 miljard euro
gerealiseerd. Tevens zijn deze leden benieuwd wat de mogelijke (financiële en budgettaire)
consequenties zijn van het opnemen in het uitgavenkader van steun aan Oekraïne. Kan
de Minister hierover uitweiden?
Antwoord
Op 27 november 2025 verzocht de motie Klaver de regering het budget voor militaire
steun aan Oekraïne aan te vullen met € 2 mld. zodat het budget in het eerste kwartaal
van 2026 beschikbaar gesteld kan worden ten behoeve van de defensie-industrie in Oekraïne.
Dit omdat het kabinet € 2 miljard aan steun bestemd voor 2026 versneld in 2025 heeft
gerealiseerd (Motie van het lid Klaver c.s., Kamerstuk 36 045, nr. 243). Het kabinet erkent de noodzaak voor onverminderde steun aan Oekraïne en heeft in
december een eerste stap gezet in de opvolging aan de motie Klaver (zie Kamerstuk
36 045, nr. 261) door € 700 mln. aan te wenden ten behoeve van militaire steun voor Oekraïne. De
extra steun van € 700 mln. werd gegenereerd door onderbesteding en een gunstige valutakoers.
In het Defensiematerieelbegrotingsfonds bleef dit jaar € 500 mln. ongebruikt, aangezien
diverse projecten vertraging opliepen. Op de begroting van Buitenlandse Zaken stond
nog € 200 mln. aan overgebleven middelen. Deze aanvullende steun valt derhalve niet
onder de generieke OEK-steun. Destijds is uw Kamer toegezegd dat het kabinet begin
2026 beziet hoe het verdere opvolging aan de motie kan geven. Omdat inmiddels een
coalitieakkoord is bereikt tussen D66, VVD, en CDA waarin is uitgesproken de steun
voort te zetten, laat het demissionaire kabinet de invulling van de motie Klaver over
aan het volgende kabinet.
Het Coalitieakkoord geeft – in lijn met het advies van de Studiegroep Begrotingsruimte –
aan dat steun aan Oekraïne onderdeel zal worden van het uitgavenkader. De begrotingsregels
worden nog door het nieuwe kabinet vastgesteld. Het is daarom niet mogelijk om als
demissionair kabinet hierover uitspraken te doen.
Vraag 16
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie ontvangen in de beantwoording van de Minister
op dit schriftelijk verslag ook graag een kabinetsappreciatie van het Duitse voorstel
dat beoogt gegeven militaire steun als voorwaarde te stellen voor landen om in aanmerking
te komen voor Oekraïense militaire contracten gefinancierd met de EU-lening. Evenals
hoe dit voorstel is ontvangen in andere lidstaten.
Antwoord
Op 4 februari jl. heeft de Raad op ambassadeursniveau een principeakkoord bereikt
op de voorwaarden voor de leningen voor Oekraïne. Het Duitse voorstel maakt geen onderdeel
uit van dit akkoord. Het kabinet onderschrijft het belang van lastendeling met betrekking
tot de steun aan Oekraïne, maar ziet het Duitse voorstel niet als de beste manier
om dat te bereiken. Op dit moment is het vooral van belang dat Oekraïne op korte termijn
beschikking krijgt over de leningen en dat zij deze kunnen uitgeven aan het materieel
waar zij het meest urgent behoefte aan hebben.
Vraag 17
Defensiegereedheid
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat Nederland andere lidstaten aanspoort
om (verdere) actie te ondernemen op hun respectievelijke PCA’s. Bedoelt de Minister
hiermee dat andere landen naar zijn mening achterblijven? Op welke wijze spoort Nederland
deze landen aan? Kan de Minister deze leden tevens informeren hoe Nederland nu zelf
concreet actie onderneemt om voortgang te boeken op eigen PCA’s, anders dan bijeenkomsten
organiseren, zo vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie.
Antwoord
Zoals eerder aangegeven is het voor Nederland belangrijk om het PCA-format tot een
succes te maken. Om deze reden is het belangrijk om concrete resultaten te behalen
vanuit de PCA’s. Zo kunnen lidstaten gezamenlijk hun capaciteitsbehoeften op deze
kritieke gebieden identificeren en versneld tot resultaten komen. De co-lead nations van de PCA Drones en counter-drone systemen doen dit door aanspraak te maken op EU-financiering
voor de aanschaf van materieel vanuit de samenwerking die voor deze PCA is opgezet.
Het concrete verband tussen de PCA-werkzaamheden en EU-financiering wordt nog niet
voor alle PCA’s gelegd. Dit is iets waar Nederland andere co-lead nations toe aanmoedigt.
Zie beantwoording vraag 12 voor een toelichting over de voortgang op de PCA’s waarin
Nederland de rol van co-lead nation bekleedt.
Vraag 18
Arctisch gebied
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn solidair met de Groenlanders en Denen
in het verdedigen van hun soevereiniteit en territoriale integriteit. In het licht
daarvan zijn deze leden benieuwd naar de bevindingen van de verkenningsmissie in Groenland
en wat de inzet van het kabinet gaat zijn bij een eventuele militaire aanwezigheid
in Groenland, zij het in NAVO-verband of op verzoek van Denemarken. Welke voorbereidingen
worden nu getroffen voor een eventuele bijdrage?
Antwoord
Zie het antwoord op vraag 1.
Vraag 19
Afschrikking en verdediging
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vernemen graag van de Minister wat de inzet
is van Nederland rondom een zogenaamd «eenvoudiger en efficiënter NAVO IAMD» en welke
concrete acties hieraan verbonden worden.
Antwoord
Zoals toegelicht in de geannoteerde agenda voor de RBZ, DMM en UDCG van 11 en 12 februari
a.s. zullen de bondgenoten verdere stappen zetten in de voorbereiding van nieuwe militaire
plannen van de NAVO voor IAMD. Dit is ter besluitvorming voorzien tijdens de NAVO-top
in Ankara in juli 2026. Deze nieuwe militaire plannen voor IAMD zijn geclassificeerd
en het kabinet kan via deze brief niet nader ingaan op de details. Ik kan uw Kamer
aanbieden om in een vertrouwelijke briefing toelichting te geven op deze stappen en
de Nederlandse positie daarin. Uitgangspunt van de Nederlandse positie is dat de (militaire)
dreiging is veranderd de afgelopen jaren, dat IAMD-capaciteiten schaars zijn en dat
verbeteringen op diverse aspecten in de IAMD-militaire plannen zeer welkom zijn.
Vraag 20
Kan de Minister deze leden tevens informeren op welke vlakken van de capability targets Nederland vooruitgang heeft geboekt ten opzichte van de vorige NAVO Defensie Ministeriële?
Antwoord
Nederlandse investeert in de realisatie van de NATO Priority Targets, in het bijzonder in de verbetering van de algemene gereedheid, personeel en inzetvoorraden.
Daarbij zijn gevechtskracht op land, lucht- en raketverdediging (integrated air & missile defence, of IAMD) en slagkracht over lange afstand (deep precision strike, of DPS) belangrijke focusgebieden. Op dit moment doorloopt Nederland samen met de
NAVO de afronding van de 2-jaarlijkse Defence Planning Capability Review (DPCR), waarbij de invulling van de Nederlandse capability targets tegen het licht wordt gehouden. In de eerste helft van 2026 wordt de rapportage van
NAVO hierover verwacht. Op het moment dat de uitkomst van dit proces beschikbaar is,
zal uw Kamer zoals gebruikelijk daarover worden geïnformeerd. Indien gewenst zullen
wij u tegen die tijd ook middels een vertrouwelijke briefing nader informeren.
Vraag 21
Deze leden lezen verder dat Nederland welwillend kijkt naar een mogelijke verlenging
van de inzet van MQ-9s. Hoe lang zou een eventuele verlenging daadwerkelijk zijn en
betreft het een verlenging van de inzet op hetzelfde niveau of een intensivering van
de inzet, zo vragen deze leden.
Antwoord
Momenteel vindt besluitvorming plaats over mogelijke verdere inzet van de MQ-9. Ik
informeer de Kamer uiterlijk eind maart van dit jaar over de uitkomst van dit besluitvormingsproces.
Vraag 22
Lastendeling
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie willen graag weten welke afspraken er bestaan
over de invulling van de afgesproken 1,5% bbp aan uitgaven voor weerbaarheid en hoe
andere NAVO-landen hiermee omgaan. Daarbij zijn deze leden in het bijzonder benieuwd
of reeds voorgenomen of nieuwe investeringen in Nederland die bijdragen aan brede
weerbaarheid van de Nederlandse samenleving, anders dan enkel militaire verdediging,
bijvoorbeeld in infrastructuur of medische zorg, ook toegerekend (kunnen) worden aan
de 1,5% norm.
Antwoord
Tijdens de NAVO-top in Den Haag stemden de NAVO-bondgenoten in met het The Hague Defence
Investment Plan. Bondgenoten spraken af dat 1,5% van het bbp dient te worden uitgegeven
aan bredere veiligheid- en defensie-gerelateerde uitgaven om de uitvoering van zowel
NAVO- als nationale defensieplannen mogelijk te maken. Dit kan gaan om bijvoorbeeld
infrastructuur, industriële capaciteiten, weerbaarheid, innovatie en het aanleggen
van strategische voorraden. Het is niet uitgesloten dat reeds voorgenomen of nieuwe
investeringen onder deze categorieën kunnen worden geschaard. De gemaakte afspraak
laat ruimte voor bondgenoten om, binnen de door de NAVO uiteen gezette categorieën,
zelf keuzes te maken bij de nationale doorvertaling van de 1,5%. Er is op dit moment
nog geen nationale afbakening vastgesteld van zaken die worden toegerekend aan de
1,5%. Het is aan het volgende kabinet om hierin keuzes te maken.
Vraag 23
Inzetten Kenia en Oeganda
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn benieuwd op wier verzoek het kabinet
heeft besloten om over te gaan tot inzetten in respectievelijk Kenia en Oeganda. Kan
het kabinet ook specifiek ingaan op de omvang van de personele bijdragen en welke
(meetbare) doelen vastgesteld zijn voor deze inzetten?
Antwoord
OP SETWISE in Kenia geeft invulling aan de Letter of Intent (LoI) tussen de Republiek
Kenia en het Koninkrijk der Nederlanden inzake Defensiesamenwerking, ondertekend in
maart 2025. De Nederlandse bijdrage wordt geleverd aan een lopende samenwerking tussen
het Verenigd Koninkrijk en Kenia, op verzoek van het Verenigd Koninkrijk en met instemming
en steun van gastland Kenia. De omvang van de personele bijdrage is kleinschalig (3
trainers). Nederland draagt hiermee bij aan een gecoördineerde inzet van Westerse
partnerlanden (VS, VK) en versterking internationale samenwerking.
De Defensie bijdragen aan de Open Source Peacekeeping Intelligence (OPKI) training
van de VN in Oeganda is onderdeel van de Nederlandse pledge tijdens de VN Peacekeeping Ministeriele (PKM) te Berlijn op 13 en 14 mei 2025. Nederland
koos hier voor een strategisch partnerschap tussen Nederland en de Peacekeeping intelligence Academy (PKIA) op het gebied van Open Source Peacekeeping Intel (OPKI). De inzet vindt plaats op uitnodiging van de PKIA en met instemming van gastland
Oeganda. De omvang van de personele bijdrage is kleinschalig (2 trainers). Met de
trainingen draagt Nederland bij aan de wens van de VN om de trainingen te integreren
in de VN trainingscentra. Inlichtingen zijn essentieel voor de opbouw van een beeld
van de missieomgeving, bescherming van peacekeepers en burgerbevolking, en verbeteren zo de effectiviteit en verantwoording van VN-vredesmissies.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de
Raad Buitenlandse Zaken Defensie van 11 februari 2026 en hebben de volgende vragen
en opmerkingen.
Vraag 24
Militaire steun Oekraïne / EU-financiering
De leden van de PVV-fractie vragen of het kabinet exact kan aangeven of Nederland
direct of indirect financieel risico loopt bij het door de Europese Commissie op 13 januari
2026 gepresenteerde voorstel voor een EU-lening van 90 miljard euro aan Oekraïne.
Deze leden vragen daarbij expliciet in te gaan op eventuele garanties, rentecompensatie,
begrotingsbijdragen of aansprakelijkheid voor Nederland bij (gedeeltelijke) wanbetaling.
Antwoord
Gezien de urgente noden van Oekraïne heeft het kabinet ingestemd met een politiek
akkoord op de Ukraine Support Loan om twee jaar aan urgente en financiële militaire steun veilig te stellen. De lening
wordt gegarandeerd via de beschikbare ruimte onder het eigenmiddelenplafond (de zogeheten
headroom) van de EU. Nederland staat reeds, op basis van het in 2021 door beide Kamers
goedgekeurde Eigenmiddelenbesluit, naar rato van het Nederlandse bni-aandeel garant
voor verplichtingen die uit deze headroom voortvloeien. Het aanspreken van de garantie
van de Unie via de headroom kan gebeuren in het scenario dat Rusland de oorlog beëindigt en herstelbetalingen
doet aan Oekraïne voor de geleden schade. Op dat moment ontstaat een terugbetalingsverplichting
van Oekraïne aan de EU, waarbij het mogelijk is dat Oekraïne niet (volledig) aan deze
terugbetalingsverplichting kan voldoen. Een risico is ook dat de leningen langere
tijd blijven uitstaan, wat kosten voor de EU met zich meebrengt in onder andere de
vorm van rentelasten. Het Nederlandse aandeel in garantie voor de lening van EUR 90 mld.
is op basis van de bni-sleutel gecorrigeerd voor het niet-deelnemen van Hongarije,
Slowakije en Tsjechië, ca. 6 mld. De budgettaire verwerking van de garantie voor de
eventuele rentekosten geschiedt bij de eerste suppletoire begroting 2026.
Ten aanzien van de rentelasten geldt dat in verband met de schuldhoudbaarheidspositie
van Oekraïne, de EU deze niet zal doorbelasten aan Oekraïne. Voor 2026 zijn geen rentebetalingen
voorzien. De totale rentelasten voor 2027 bedragen volgens het voorstel 1 miljard euro.
Deze rentekosten komen in eerste instantie ten laste van de EU-begroting, conform
de Nederlandse inzet. De Commissie heeft aangegeven te verwachten dat er binnen het
huidige MFK voldoende ruimte is om de rentekosten voor 2027 op te vangen. Indien dat
onverhoopt niet volledig lukt, kan een beroep worden gedaan op een nieuw speciaal
instrument (Ukraine Support Loan Instrument) dat als backstop fungeert in 2026–2027.
Indien dit speciaal instrument wordt ingeroepen, dan kan dat leiden tot een verhoging
van de Nederlandse afdrachten in 2027 met naar huidige inschatting van de Commissie
maximaal 66 mln. euro in 2027. Rentelasten vanaf 2028 worden betrokken bij de onderhandelingen
over het nieuwe Meerjarig Financieel Kader 2028–2034.
Uw Kamer is op 6 februari jl. in meer detail over de steunlening aan Oekraïne geïnformeerd
(Kamerstuk 36 045, nr. 267).
Vraag 25
De leden van de PVV-fractie vragen voorts wat de actuele stand van zaken is in de
lopende nationale en internationale onderzoeken naar het opblazen van de Nord Stream-pijpleidingen.
Antwoord
Zoals onder andere in het ER debat van 19 maart 2024 aan de kamer gecommuniceerd,
heeft het kabinet geen nationale onderzoeken naar het opblazen van de Nord Stream-pijpleidingen
gestart. Duitsland doet onderzoek naar de toedracht van de explosies. Het is aan de
Duitse autoriteiten om over het onderzoek naar buiten te treden. Nederland wacht het
Duitse vervolgproces af.
Vraag 26
EU-defensieprogramma’s en bevoegdheidsverdeling
De leden van de PVV-fractie vragen of het kabinet bereid is zich te verzetten tegen
nieuwe EU-programma’s, zoals het door de Europese Commissie aangekondigde Qualitative
Military Edge-programma, indien deze leiden tot structurele EU-sturing op defensie,
bewapening of gezamenlijke verplichtingen richting Oekraïne. Deze leden vragen tevens
of het kabinet kan aangeven welke gevolgen dergelijke programma’s hebben voor de nationale
zeggenschap over het defensiebeleid.
Antwoord
De NAVO vormt al decennialang de hoeksteen van onze veiligheid, onze vrede en veiligheid
kunnen we alleen samen met bondgenote waarborgen. De Europese Unie speelt een belangrijke
rol voor wat betreft het versneld versterken van de Europese defensiegereedheid door
onder andere vereenvoudiging van wetgeving en coördinatie bij gezamenlijke aankoop.
Dit helpt om ook een grotere bijdrage te leveren aan de NAVO. Het is belangrijk dat
Europa onafhankelijker wordt en beter samenwerkt, onder andere op het gebied van defensie.
Het kabinet acht het van belang dat Nederland een constructieve rol speelt in de beweging
naar een sterker en veiliger Europa en is dus niet bereid zich te verzetten tegen
initiatieven die hieraan bij kunnen dragen.
Het is onbekend wat de vorm en inhoud van het Qualitative Military Edge zal zijn. Een appreciatie van de gevolgen kan daarom nog niet worden gegeven.
Vraag 27
Coalition of the Willing en juridische binding
De leden van de PVV-fractie vragen of het kabinet kan bevestigen dat de Verklaring
van Parijs van 6 januari 2026 en deelname aan de zogeheten Coalition of the Willing
geen juridisch bindende verplichtingen voor Nederland scheppen zonder voorafgaande
expliciete instemming van de Kamer.
Antwoord
De Parijsverklaring past binnen de onverminderde steun voor Oekraïne zoals opgenomen
in het hoofdlijnenakkoord van het huidige kabinet. Zoals gesteld in de brieven van
10 september en 6 januari jl. heeft dit kabinet een bereidwillige houding om een substantiële
bijdrage te leveren aan de actielijnen van de Coalition of the Willing (CotW), zie Kamerstukken 36 045, nr. 215 en 36 045, nr. 264). Het nemen van verantwoordelijkheid past binnen de huidige geopolitieke context
en de onverminderde steun van Nederland aan Oekraïne, tevens in het belang van de
Nederlandse en Europese veiligheid.
In de brief verstuurd op 6 januari jl. geeft het kabinet aan te hechten aan een zo
gedegen mogelijk politiek proces. Zodra de afronding van een mogelijke vredesovereenkomst
nadert en militaire inzet in CotW-verband aanstaande lijkt, volgt politieke besluitvorming
over een Nederlandse bijdrage en nadere informatievoorziening conform artikel 100
van de Grondwet, zoals eerder aan uw Kamer toegezegd. Het kabinet zal uw Kamer ook
in de tussentijd blijven informeren.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de
Raad Buitenlandse Zaken Defensie en NAVO Defensie ministeriële van 11 en 12 februari
2026. Deze leden hebben hier nog enkele vragen bij.
Vraag 28
Het kabinet wil snelle besluitvorming over de EU-lening aan Oekraïne en noemt daarbij
dat men wil werken met conditionaliteiten (EU-Oekraïnefaciliteit/IMF). De leden van
de CDA-fractie vragen welke concrete conditionaliteiten Nederland in de lening wil
terugzien, en hoe wordt gecontroleerd dat geld ook echt naar de juiste prioriteiten
gaat?
Antwoord
De Raad van de EU bereikte op 4 februari jl. in het Comité van Permanente Vertegenwoordigers
een principeakkoord op de EU-leningen voor Oekraïne. De lening bevat 90 miljard euro,
inclusief 60 miljard voor militaire steun. Het kabinet is tevreden over het bereikte
akkoord. Ten aanzien van de macro-financiële steun vanuit de steunlening hecht het
kabinet er waarde aan dat de verstrekking hiervan gepaard gaat met duidelijke en afdwingbare
conditionaliteiten, waarbij zoveel mogelijk wordt aangesloten bij bestaande kaders
om versnippering en extra administratieve lasten voor Oekraïne te voorkomen. Het kabinet
heeft er daarom op ingezet dat de voorwaarden voor de lening voortbouwen op de EU-Oekraïnefaciliteit
en, waar relevant, in het lopende IMF-programma. Het kabinet hecht hierbij in het
bijzonder waarde aan hervormingen op het gebied van rechtsstatelijkheid en corruptiebestrijding.
Het verstrekken van macro-financiële steun vanuit de EU-lening voor Oekraïne kan op
twee manieren gebeuren. Ten eerste kan de steun worden verleend als macro-financiële
bijstand, waarbij de Unie en Oekraïne in een Memorandum of Understanding (MoU) hervormingsvoorwaarden
vastleggen waar Oekraïne voorafgaand aan de uitbetaling aan moet voldoen. Ten tweede
kan de steun worden verstrekt via de bestaande Oekraïne-faciliteit. Bij deze optie
is de uitbetaling van steun voorwaardelijk aan het doorvoeren van hervormingsstappen
uit de bestaande hervormingsagenda voor 2024–2027 uit het Oekraïneplan. Het kabinet
wilde dat de conditionaliteiten in ieder geval betrekking hebben op het behoud en
de versterking van de rechtsstaat, effectieve corruptiebestrijding, goed financieel
beheer en begrotingsdiscipline en het functioneren van democratische instellingen
en de eerbiediging van mensenrechten.
Oekraïne is verplicht jaarlijks een financieringsstrategie op te stellen waarin de
financiële noden, prioriteiten en beoogde besteding van de middelen worden uiteengezet.
De Europese Commissie beoordeelt deze strategie aan de hand van vastgestelde criteria.
Alleen bij een positief oordeel stelt de Commissie, via een uitvoeringsbesluit van
de Raad, de middelen in tranches beschikbaar. Nederland geeft de voorkeur aan het
gebruik van de Oekraïne-faciliteit vanwege de meerjarige integrale hervormingsagenda
die daar onder ligt. Desalniettemin, houdt het kabinet oog voor de noden van Oekraïne
en sluit daarom snelle uitbetaling via macro-financiële bijstand niet uit.
Vraag 29
De leden van de CDA-fractie lezen dat de voorgestelde EU-lening 90 miljard euro is
en dat lidstaten verdeeld zijn over de vraag of Oekraïne hiermee ook buiten de EU
materieel mag kopen. De leden van de CDA-fractie vragen wat de inzet van het kabinet
hierbij is. Mag materieel strikt alleen in de EU, Noorwegen en Canada gekocht worden,
of is er wat het kabinet betreft ruimte om elders in te kopen als daarmee sneller
geleverd wordt? De leden van de CDA-fractie lezen verder dat Duitsland pleit voor
een koppeling tussen geleverde steun en de mate waarin landen kunnen profiteren van
Oekraïense contracten. Hoe kijkt het kabinet naar deze gedachte? Helpt dit de solidariteit,
of zet het juist druk op de eenheid?
Antwoord
De Raad van EU bereikte op 4 februari jl. in het Comité van Permanente Vertegenwoordigers
een principeakkoord op de EU-leningen voor Oekraïne. De lening bevat 90 miljard euro,
inclusief 60 miljard voor militaire steun. Het kabinet is tevreden over het bereikte
akkoord. De Nederlandse inzet was dat de militaire noden van Oekraïne leidend dienen
te zijn. Het kabinet onderschrijft dat de inzet van de EU-lening primair moet bijdragen
aan het versterken van de Oekraïense defensiecapaciteiten én, waar mogelijk, aan de
Europese defensie-industrie. Nederland steunde daarom het cascade principe waarbij
in eerste instantie gekeken word of materieel binnen de EU kan worden aangeschaft.
Mocht urgent materieel echter niet beschikbaar of niet voldoende snel geleverd kunnen
worden, is het kabinet van mening dat steun bij uitzondering ook hierbuiten, bijvoorbeeld
in de VS, moet kunnen worden ingekocht. Hierbij zal in eerste instantie gekeken worden
naar landen waarmee al sterke defensie samenwerkingen van kracht zijn, waaronder Canada
en het Verenigd Koninkrijk. Het kabinet blijft zich daarom inzetten voor een aanpak
waarin de operationele noden van Oekraïne leidend zijn, met behoud van Europese eenheid
en met voldoende flexibiliteit om effectief en tijdig steun te kunnen leveren. Het
Duitse voorstel maakt geen onderdeel uit van dit bereikte principeakkoord.
Vraag 30
Het kabinet geeft aan dat Nederland bilaterale steun moet blijven leveren en de druk
op Rusland wil verhogen met extra sancties. Ook is in 2025 al € 700 miljoen van de
(extra) € 2 miljard gerealiseerd. De leden van de CDA-fractie vragen wat de planning
is voor het resterende deel van deze 2 miljard euro. Is al bekend waar dat aan wordt
besteed?
Antwoord
Over de resterende € 1,3 mld. voor 2026 uit de motie Klaver is nog geen besluit genomen.
Zie het antwoord op vraag 15.
Vraag 31
In de Ukraine Defense Contact Group wil Nederland specifiek aandacht vragen voor gelijke
lastenverdeling. Tegelijk laat het Kiel Institute zien dat de wereldwijde militaire
steun in 2025 lager lag dan het gemiddelde in de jaren 2022 tot en met 2024. Kan het
kabinet een overzicht delen van de mate waarin partners hun «fair share» hebben geleverd?
Antwoord
Elk land maakt eigen afwegingen over de omvang van de steun evenals de mate waarin
publieke informatie over deze steun verstrekt wordt. Het kabinet kan daarom geen (volledig)
overzicht geven van de steun verleend door andere landen.
Wel roept het kabinet in fora zoals de UDCG, binnen de EU en in bilaterale contacten
consequent op om meer te doen voor Oekraïne en mee te dragen in de lasten.
Vraag 32
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Commissie op 10 februari met een nieuw plan
(QME) komt om Oekraïne een «kwalitatief militair voordeel» te geven (de zogenoemde
«stekelvarkenstrategie»), met prioriteiten zoals munitie, luchtverdediging, drones,
training en steun aan de Oekraïense defensie-industrie. De leden van de CDA-fractie
vragen welke onderdelen hiervan door Nederland geleverd kan worden en welke resultaten
het kabinet al in 2026 wil zien (aantallen, leveringstempo, productiecapaciteit).
Hoe verhoudt dit EU-plan zich tot NAVO-coördinatie (NSATU) en bestaande coalities?
(In de routekaart staan onder andere capaciteitencoalities en een EU-Oekraïne drone-alliantie
genoemd). Hoe wordt voorkomen dat hiermee dubbel werk tussen de EU en NAVO wordt uitgevoerd,
zo vragen deze leden.
Antwoord
Zie antwoord op vraag 26.
Vraag 33
Eurocommissaris Kubilius pleit voor een Europese Veiligheidsraad, mogelijk met niet-EU
partners (zoals het VK en Canada). De leden van de CDA-fractie vragen hoe het kabinet
hier over denkt. Hoe zorgt het kabinet ervoor dat Nederland hier zo goed mogelijk
bij aangesloten is?
Antwoord
Het kabinet leest met interesse alle voorstellen die erop gericht zijn dat Europese
landen meer verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen veiligheid en defensie. Eerder
heeft het kabinet gekeken naar de mogelijke meerwaarde van een Europese Veiligheidsraad.
Destijds bleek hiervoor binnen Europa onvoldoende draagvlak te bestaan. In lijn met
de aangenomen motie van het lid Klos (Kamerstuk 36 800 V, nr. 48) is het kabinet bereid om dit draagvlak opnieuw te onderzoeken. Bovendien is van
belang te vermelden dat Nederland reeds in verschillende verbanden samenwerkt t.b.v.
de Europese veiligheid. De NAVO vormt de hoeksteen van onze collectieve veiligheid.
De EU heeft een nuttige aanvullende rol te spelen op het gebied van financiering,
coördinatie en vereenvoudigen wetgeving. Daarnaast werken we samen binnen coalities
zoals de Joint Expeditionary Force (JEF) de Coalition of the Willing. In dit kader verwijs ik ook graag naar de Kamerbrief inzake EU als geopolitieke
speler die u 27 januari jl. toekwam.3
Vraag 34
De spanningen rond Groenland hebben geleid tot aandacht voor Artikel 42.7 VEU (wederzijdse
bijstand), maar er is onduidelijkheid over de operationele uitwerking en de vraag
of dit ook geldt voor overzeese gebieden. Kan het kabinet aangeven wat de juridische
en politieke inzet van het kabinet is. Geldt artikel 42.7 ook voor Groenland?
Antwoord
Zie het antwoord op vraag 2.
Vraag 35
De Commissie wil met betrekking tot Militaire Mobiliteit troepenverplaatsingen versnellen.
Het BNC-fiche laat echter vooralsnog op zich wachten. De leden van de CDA-fractie
vragen wanneer het kabinetsstandpunt verwacht wordt. De Commissie wil doorvoer binnen
de EU in drie dagen mogelijk maken en noemt investeringen in wegen, bruggen, spoor,
tunnels en (lucht)havens. Welke «hotspots» ziet het kabinet in Nederland en welke
investeringen zijn het meest urgent?
Antwoord
Het kabinetsstandpunt met betrekking tot het Militaire Mobiliteitspakket heeft u op
6 februari jl. ontvangen.
Er zijn drie militaire corridors door Nederland vastgesteld waarover zowel Host Nation
Support als eigen inzet moet kunnen plaatsvinden. De infrastructuur op deze corridors
dient gereed gemaakt te worden voor langdurige en grootschalige militaire transporten.
Momenteel wordt door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat middels delta-analyses
in kaart gebracht waar de grootste knelpunten op de infrastructuur zich bevinden.
Dit betreft gevoelige informatie, vandaar dat uw Kamer over deze routes en knelpunten
op de weg en het spoor is geïnformeerd tijdens een vertrouwelijke technische briefing
op 14 januari jl.
Vraag 36
Nederland pleit voor een eenvoudiger en efficiënter NAVO IAMD-plan, maar het is onduidelijk
wat Nederland precies hierin wil verbeteren. De leden van de CDA-fractie vragen of
het kabinet concreet kan maken welke aanpassingen Nederland voorstelt (command & control,
interoperabiliteit, taakverdeling, voorraadbeheer).
Antwoord
Zie het antwoord op vraag 19.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde
agenda’s van de Raad Buitenlandse Zaken Defensie en de NAVO Defensie Ministeriële
en hebben hierover nog enkele vragen en aandachtspunten.
De leden van de SGP-fractie steunen de inzet van het kabinet met betrekking tot het
EU-breed Militair Mobiliteitsgebied. Het versterken van militaire mobiliteit beschouwen
zij als een essentiële maatregel voor het verzekeren van collectieve veiligheid op
het Europese continent. Nederland blijft wat de leden van de SGP-fractie betreft de
inlichtingenbehoefte van de NAVO ondersteunen, onder meer door de inzet van MQ-9’s
vanuit Roemenië en vliegbasis Leeuwarden, dus ook na 31 maart 2026. De leden van de
SGP-fractie staan vierkant achter de inspanningen van de Minister om met gelijkgezinde
landen in de Ukraine Defense Contact Group werk te maken van gelijke (financiële)
lastenverdeling. Duurzame voortzetting van militaire steun voor Oekraïne is cruciaal
voor een optimale uitgangspositie aan de onderhandelingstafel met de Russische agressor.
De leden van de SGP-fractie zijn uitermate kritisch op de uitlatingen van Eurocommissaris
Kubilius. Zonder de Amerikanen is geloofwaardige afschrikking luchtfietserij, zeker
op korte termijn. Iedere stap naar meer Europese defensie- en veiligheidssamenwerking
wordt wat de leden van de SGP-fractie betreft in volstrekte openheid met, en met instemming
van de NAVO genomen. Europa moet politiek en militair zelfstandiger worden, maar de
Commissie moet zich hierin uitermate terughoudend opstellen en de regie bij de hoofdsteden
laten. Het is voor de leden van de SGP-fractie onbespreekbaar dat de Commissie bevel
voert over de strijdkrachten, of dat het Europees Parlement ooit over de inzet van
Nederlandse jongens en meiden beslist.
Een Europese Veiligheidsraad is voor de leden van de SGP-fractie alleen een optie
als informeel overlegorgaan dat in een concrete crisis op het Europese continent als
politieke regisseur optreedt. Dit orgaan opereert in nauwe afstemming met de NAVO,
met een sleutelpositie voor het Verenigd Koninkrijk naast Frankrijk en Duitsland.
Niet de Commissie, maar de voorzitter van de Europese Raad heeft een permanente plaats
in dit orgaan, evenals de secretaris-generaal van de NAVO.
Vraag 37
Hoe wordt in het EU-breed Militair Mobiliteitsgebied omgegaan met EU-lidstaten die
geen deel uitmaken van de NAVO? Wordt Oostenrijk onderdeel van het zogenoemde Militair
Schengen, en zo ja, gelden hier enige beperkingen voor militaire verplaatsingen onder
NAVO-vlag, zo vragen de leden van de SGP-fractie.
Antwoord
Het voorstel van de Commissie geldt voor de gehele Europese Unie, daar maken ook de
niet-NAVO EU-lidstaten deel van uit, zoals Oostenrijk. Op deze manier kan flexibiliteit
gegarandeerd worden voor militair transport in de EU. Het Commissievoorstel voor de
verordening is niet het eindresultaat dat in werking zal treden. Dit eindresultaat
is afhankelijk van de uitkomsten van onderhandelingen met de Raad en het Europees
Parlement, de precieze afspraken zijn dus momenteel nog niet in te schatten.
Vraag 38
Wat zijn de criteria op basis waarvan de Minister tot een mandaat komt voor de inzet
van Nederlandse MQ-9’s ten behoeve van NAVO-inlichtingen? Is er, gelet op Russische
dreiging aan vooral de Europese oostflank, behoefte aan intensivering van Nederlandse
inzet op dit terrein?
Antwoord
Momenteel vindt besluitvorming plaats over mogelijke verdere inzet van de MQ-9. De
inzet vindt plaats op basis van NAVO-verzoeken en moet passen binnen Nederlandse wettelijke
kaders. In de besluitvorming worden diverse factoren meegewogen zoals de personele
en materiële inzetbaarheid en beschikbaarheid. Ik informeer de Kamer uiterlijk eind
maart van dit jaar over de uitkomst van dit besluitvormingsproces.
Vraag 39
Kan de Minister aangeven welke voordelen het Nederlandse leiderschap op drones en
counterdrones heeft voor onze binnenlandse maakindustrie? Waar in het proces is Spanje
toegevoegd als lead-nation naast Letland, Kroatië en Nederland, zo vragen de leden
van de SGP-fractie.
Antwoord
In de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie zijn intelligente systemen, waaronder
drones, benoemd tot prioritair technologiegebied voor Nederland. Met het Actieplan
Productiezekerheid Onbemenste Systemen zet Defensie stappen om een koploper te worden
op dit gebied. Voor succesvolle Nederlandse industrie is een grotere afzetmarkt randvoorwaardelijk.
Dat kan alleen in samenwerking met Europese partners worden gerealiseerd. Mede daarom
heeft Nederland, samen met Letland, Kroatië en inmiddels ook Spanje, de leiding genomen
op deze Europese Priority Capability Area. Europese samenwerking leidt tot vraagbundeling
én -zekerheid, interoperabiliteit en schaal. Dat komt alle Europese producenten van
drones ten goede, ook de Nederlandse. Nemen wij deze stappen niet, dan kan de Europese
markt onvoldoende concurreren met de snelle ontwikkelingen in landen buiten de EU.
Dat heeft negatieve effecten voor het concurrentievermogen van onze bedrijven, maar
ook voor onze militaire slagkracht en voortzettingsvermogen.
Tijdens de tweede bijeenkomst van de PCA Drones en counter-drone systemen op 15 januari
jl. in Zagreb is Spanje verwelkomd als co-lead nation.
Vraag 40
Wat is de positie van het kabinet over een Europese pilaar binnen de NAVO? Hoe beoordeelt
het kabinet de uitspraken van Eurocommissaris Kubilius en NAVO secretaris-generaal
Rutte hierover? Wat is de positie van het kabinet over een Europese Veiligheidsraad
met deelname van niet-EU partnerlanden zoals het Verenigd Koninkrijk, zo vragen de
leden van de SGP-fractie.
Antwoord
Het kabinet acht het zeer wenselijk dat Europese bondgenoten meer verantwoordelijkheid
nemen voor de veiligheid op het Europese continent. Het is daarvoor minimaal van belang
dat wordt voldaan aan NAVO’s Capability Targets en de The Hague Investment Pledge. Momenteel wordt gesproken over hoe Europa verder kan toewerken naar meer Europese
verantwoordelijkheid voor de Europese veiligheid. Ook niet-EU landen, zoals het VK,
Noorwegen, Turkije en Canada, zijn daarbij essentieel. Wat het kabinet betreft staat
een Europese pilaar voor dit geheel aan afspraken en capaciteiten ten behoeve van
een grotere Europese veiligheidsverantwoordelijkheid. Dit perspectief sluit aan bij
de lezing van het kabinet van Rutte’s speech bij het Europese Parlement op 28 januari
jl.4 en Kubilius» speech tijdens de EDA Annual Conference op 28 januari jl.5
Het kabinet leest met interesse alle voorstellen om meer en beter verantwoordelijkheid
te nemen voor de eigen veiligheid door Europese landen. Zo ook het voorstel voor een
Europese veiligheidsraad. Het kabinet stelt zich constructief op bij voorstellen die
de geopolitieke slagkracht van de EU te vergroten. Het kabinet is betrokken bij gesprekken,
onder andere met andere lidstaten, over hoe dit te bewerkstelligen. Hierbij is voor
het kabinet belangrijk dat zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van bestaande structuren
en dubbeling wordt voorkomen. Waar bestaande structuren niet genoeg handvatten bieden
om als EU en/of met Europese landen slagvaardiger te worden, denkt het kabinet mee
over mogelijke andere oplossingen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van Groep Markuszower hebben de Kamerstukken behorende bij de Raad Buitenlandse
Zaken Defensie en NAVO Defensie Ministeriële van 11 en 12 februari gelezen en hebben
hierover nog een aantal aanvullende vragen.
Vraag 41
Genoemde leden vragen zich af welke rol de Minister speelt bij de invulling van de
afgesproken 1,5% van het bbp aan uitgaven voor weerbaarheid. Kunnen de voorgenomen
investeringen in Nederland (bijvoorbeeld in infrastructuur, onderwijs of medische
zorg) ook kunnen worden toegerekend aan de 1,5%-norm voor weerbaarheid? Is er inmiddels
meer bekend over de wijze waarop Oost-Europese landen invulling geven aan de 1,5%-norm
voor weerbaarheid? Zijn er reeds concrete uitgaven aangemerkt die (gedeeltelijk) onder
de 1,5% bbp-uitgaven voor weerbaarheid zullen vallen, zo vragen deze leden.
Antwoord
Zie het antwoord op vraag 22.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.M. Paternotte, voorzitter van de vaste commissie voor Defensie -
Mede ondertekenaar
N.E. Manten, adjunct-griffier