Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Dobbe over het niet uitvoeren van de aangenomen motie over een campagne om mensen te werven om in de zorg te werken
Vragen van het lid Dobbe (SP) aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het niet uitvoeren van de aangenomen motie over een campagne om mensen te werven om in de zorg te werken (ingezonden 19 januari 2026).
Antwoord van Minister Bruijn (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen 9 februari
2026).
Vraag 1
Waarom weigert u de aangenomen motie Dobbe1 uit te voeren, waarmee een tweederde meerderheid van de Kamer u verzocht om «om
een wervingscampagne op te zetten, vergelijkbaar met de wervingscampagne van Defensie,
om mensen te werven om in de zorg te werken, en de Kamer hier voor de begrotingsbehandeling
over te informeren»?
Antwoord 1
Ik begrijp en deel de urgentie die aan deze motie ten grondslag ligt. De uitvoering
van moties wordt door het kabinet serieus genomen. Ik heb ervoor gekozen om, binnen
het arbeidsmarktbeleid voor zorg en welzijn, een andere route te bewandelen die aansluit
bij de beschikbare middelen en eerder gemaakte afspraken in het Aanvullend Zorg- en
Welzijnsakkoord (AZWA). Op basis daarvan is samen met het veld een landelijke inzet
voorbereid gericht op loopbaanoriëntatie en zichtbaarheid van zorg en welzijn. Zie
ook de beantwoording van de vragen hierna.
Vraag 2
Waarom bent u niet bereid om een wervingscampagne op te zetten voor de zorg, terwijl
de personeelstekorten in de zorg één van de grootste problemen in Nederland is?
Antwoord 2
Ik deel de analyse dat de personeelstekorten in zorg en welzijn urgent zijn. Tegelijkertijd
vergt effectieve werving in deze sector een aanpak die recht doet aan de grote diversiteit
van beroepen, het regionale karakter van de arbeidsmarkt en de decentrale organisatie
van werkgevers. Er is daarom samen met sociale partners gewerkt aan een gerichte inzet
die zich richt op instroom, behoud en herintrede, op een manier die duurzaam, uitvoerbaar
en realistisch is. De uitvoering van deze inzet is momenteel in voorbereiding en sluit
aan bij bestaande samenwerkingsstructuren binnen de sector.
Vraag 3
Erkent u dat het feit dat uw ministerie niet rechtstreeks de werkgever is van zorgverleners
het niet onmogelijk maakt om een wervingscampagne op te zetten?2
Antwoord 3
Dat erken ik. Tegelijkertijd acht ik het van belang om bij de opzet van landelijke
wervingsinspanningen goed aan te sluiten bij de autonomie en verantwoordelijkheid
van werkgevers en sectorale organisaties. Individuele werkgevers zijn primair verantwoordelijk
voor de werving van voldoende personeel. Ik zie dat zorg- en welzijnsinstellingen
op lokaal en regionaal niveau grote inspanning leveren op dit vlak. Het is mijn rol
om hen daar op landelijk niveau, in overleg met sociale partners en andere betrokken
partijen, zo goed mogelijk bij te ondersteunen. Om die reden is ervoor gekozen om
in nauwe samenwerking met betrokken partijen toe te werken naar een initiatief dat
zowel landelijk herkenbaar als regionaal toepasbaar is.
Vraag 4
Deelt u de mening dat het wel of niet opzetten van een wervingscampagne voor de zorg,
terwijl er ook in andere sectoren personeelstekorten zijn, een politieke keuze is
die een ruime meerderheid van de Kamer al heeft gemaakt? Zo ja, waarom maakt u deze
weging dan eigenhandig opnieuw?
Antwoord 4
Het kabinet weegt aangenomen moties zorgvuldig en voert deze in beginsel uit. Tegelijkertijd
is er sprake van een bredere arbeidsmarktdynamiek: ook in andere (semi-)publieke sectoren
zijn personeelstekorten. Dat vraagt om doordachte keuzes in communicatie en werving.
Mijn ministerie staat daarom, gecoördineerd door het Ministerie van SZW, in nauw contact
met andere departementen als het gaat om afstemming en samenwerking tussen sectoren
om de arbeidsmarkttekorten in Nederland het hoofd te bieden. Een landelijke wervingscampagne
voor de sector zorg en welzijn past niet in de lijn die eerder kabinetsbreed is afgesproken,
noch is deze wens financieel en uitvoeringstechnisch haalbaar.
De brede oproep van de Kamer om werk te maken van de instroom in de sector zorg en
welzijn neem ik serieus en heb ik daarom nadrukkelijk meegenomen in de gesprekken
die ik hierover voer met het veld. Zoals eerder toegezegd in de stand van zaken brief
voor het kerstreces3, breng ik uw Kamer op de hoogte van de uitkomst van deze gesprekken.
Er is brede steun vanuit het veld om meerjarig te investeren in het voortzetten en
integreren van bestaande loopbaaninstrumenten. Dit is afgesproken in het Aanvullend
Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA). De betrokken partijen hebben recent ingestemd met
het reserveren van 4,6 miljoen euro per jaar voor dit doel. Hiermee wordt nog dit
jaar een landelijk loopbaanplatform gelanceerd waarop studiekiezers, studenten, werkenden,
zij-instromers en herintreders terecht kunnen voor betrouwbare informatie en persoonlijk
advies om een volgende loopbaanstap te zetten richting zorg en welzijn. De lancering
van dit platform gaat gepaard met landelijke publiekscommunicatie om zoveel mogelijk
mensen uit de doelgroep te bereiken. Deze keuze heb ik niet opnieuw of eenzijdig gemaakt,
maar in overleg met sociale partners en AZWA-partijen voorbereid. Daarbij is het doel
van de motie overeind gebleven: meer mensen enthousiasmeren voor werken in zorg en
welzijn. Het middel om tot dit doel te komen is aangepast aan wat uitvoerbaar is binnen
de huidige financiële en organisatorische ruimte.
Vraag 5
Vindt u ook niet dat het ondemocratisch is om als dubbeldemissionair Minister, namens
een coalitie die rust op 17% van de Kamer, een heel duidelijke, simpele en uitvoerbare
wens van 101 Kamerleden naast u neer te leggen?
Antwoord 5
De demissionaire status van het kabinet doet niets af aan het uitgangspunt dat moties
van de Kamer serieus worden genomen en in beginsel worden uitgevoerd. Dat geldt ook
in dit geval. Zoals eerder aangegeven, is het financieel en uitvoeringstechnisch niet
haalbaar om op korte termijn een grootschalige wervingscampagne op te zetten. Ik deel
daarom niet de opvatting dat dit een heel simpele en op korte termijn uitvoerbare
wens is.
De opzet en uitvoering van een grootschalige wervingscampagne zoals bij Defensie kost
tientallen miljoenen euro’s per jaar4. Het amendement van het lid Van Zanten over middelen beschikbaar stellen voor een
publiekscampagne werken in de zorg is tijdens de begrotingsbehandeling vorig jaar
verworpen5. Met de hoogte van deze eenmalige middelen was het bovendien ook niet mogelijk geweest
om een grootschalige wervingscampagne succesvol op te zetten en uit te voeren. Een
overheidscampagne vergt immers, afhankelijk van de beschikbare input, de kennisbasis
en de mate waarin doel, doelgroep en boodschap vooraf scherp zijn, vaak een aanzienlijke
voorbereidingstijd. Zeker wanneer het gaat om het ontwikkelen van een nieuwe campagne
(en niet het herhalen van bestaande uitingen) wordt in de praktijk vaak uitgegaan
van een voorbereiding in de orde van grootte van grofweg acht tot twaalf maanden;
in sommige gevallen kan dit ook richting een jaar of langer lopen (onder meer door
onderzoek, conceptontwikkeling, inkoop/aanbesteding, productie, toetsing en bestuurlijke
afstemming). Daarbij is het nog maar de vraag of de voorgenomen wervingscampagne voldoende
bijdraagt aan het beleidsdoel en of de investering zich daarmee laat rechtvaardigen.
Om die reden kies ik voor een ander middel dan een overheidscampagne. Ik verwacht
daarmee recht te doen aan de geest van de motie én aan de uitvoeringspraktijk in het
veld.
Vraag 6
Wat betekent een aangenomen motie voor u? Is dat enkel een suggestie die u alleen
uitvoert als u het er toevallig mee eens bent? Of bent u ook bereid om voorstellen
uit te voeren waar u zelf niet achter staat, als de Kamer u daartoe oproept?
Antwoord 6
Een aangenomen motie beschouw ik als een opdracht aan het kabinet, die ik serieus
neem. Tegelijkertijd vraagt elke motie om nadere interpretatie in de context van de
uitvoerbaarheid, juridische kaders en betrokkenheid van partijen. Dat betekent dat
de precieze vorm van uitvoering soms wordt ingevuld in overleg met het veld, zodat
maatregelen niet alleen wenselijk maar ook werkbaar zijn. Dat is hier ook het geval.
Vraag 7
Bent u bereid om alsnog een wervingscampagne op te zetten voor de zorg?
Antwoord 7
Ik ben bereid en reeds doende om, in samenwerking met sociale partners en AZWA-partijen,
toe te werken naar een landelijke inzet die gericht is op het versterken van de zichtbaarheid
van zorg en welzijn als aantrekkelijke loopbaankeuze. Kern van deze inzet is de ontwikkeling
van een breed loopbaanplatform, dat mensen ondersteunt bij het oriënteren op, instromen
in en doorgroeien binnen zorg en welzijn. Daarmee draagt het niet alleen bij aan instroom,
maar ook aan behoud en herintrede, precies de plekken waar de personeelsopgave het
meest knelt. Dit landelijke loopbaanplatform betreft bovendien een unieke samenwerking
waarin alle branches binnen de sector zijn aangesloten; van zorg tot welzijn. Op die
manier ontstaat voor het eerst een gezamenlijke basis met betrouwbare informatie voor
iedereen die (weer) in de sector wil werken.
Een landelijke wervingscampagne op de schaal van Defensie is op dit moment niet haalbaar,
gezien de voorbereidingstijd, uitvoeringscomplexiteit en financiële impact die kan
oplopen tot tientallen miljoenen euro’s per jaar. De gekozen route is beter uitvoerbaar
binnen de beschikbare middelen, beter passend bij de structuur van de sector, en naar
verwachting effectiever doordat zij gedragen wordt door het veld. De voortgang van
deze inzet zal actief worden gemonitord, zodat indien nodig kan worden bijgestuurd.
Ik zal uw Kamer vanzelfsprekend op de hoogte houden van de vorderingen van het nieuwe
loopbaanplatform. Ik ben ervan overtuigd dat deze aanpak, hoewel anders van vorm dan
in de motie verzocht, recht doet aan de kern: méér mensen enthousiasmeren en behouden
voor het werk in zorg en welzijn.
Ondertekenaars
J.A. Bruijn, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.