Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Diederik van Dijk en Stoffer over antisemitisme in klaslokalen
Vragen van de leden Diederik van Dijk en Stoffer (beiden SGP) aan de Ministers van Buitenlandse Zaken en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over wijdverbreid antisemitisme in klaslokalen (ingezonden 28 januari 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Becking (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap), mede namens
de Minister van Buitenlandse Zaken (ontvangen 9 februari 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht dat UNESCO waarschuwt dat driekwart van de leraren in
de Europese Unie antisemitisme in het klaslokaal waarneemt?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Deelt u de zorg dat antisemitisme, ook in het onderwijs, zichtbaar toeneemt? Wat is
uw reactie op de bevindingen uit het UNESCO-rapport? Welke bevindingen geven u de
meeste zorg en zijn er zaken die u nader onderzocht en uitgediept zou willen hebben,
en zo ja, hoe kunt u dit bevorderen?
Antwoord 2
Het UNESCO-rapport, maar ook andere publicaties, incidenten en gebeurtenissen van
de afgelopen tijd laten zien dat antisemitisme wereldwijd de kop opsteekt. Ook in
Nederland blijkt uit discriminatie- en meldingscijfers dat het aantal meldingen van
antisemitische incidenten toeneemt. Zo registreerde de politie in 2024 meer gevallen
van antisemitisme dan in de jaren daarvoor. Dat is zorgwekkend, zeker gezien het aantal
gevallen waarbij sprake was van geweld of bedreiging.
Ten aanzien van het onderwijs is er verschil tussen de cijfers van het UNESCO-rapport
en een aantal Nederlandse onderzoeken, die de afgelopen jaren in Nederland is uitgevoerd.
Zo wordt in het UNESCO-rapport gesproken over 61% van de leraren die te maken heeft
gehad met Holocaustontkenning en/of -verdraaiing. Uit de docentenpeiling die in 2025
in opdracht van het Ministerie van OCW is uitgevoerd, kwam naar voren dat 14% van
de Nederlandse vo-leraren te maken heeft gehad met Holocaustontkenning en 38% met
Holocaustbagatellisering of -verdraaiing.2
Ondanks het feit dat wij vinden dat in Nederland deze percentages onacceptabel hoog
zijn, liggen deze percentages wel lager in vergelijking met de Europese percentages
in het UNESCO-rapport. Het Ministerie van OCW wil met de onderzoekers in gesprek om
inzicht te krijgen in de oorzaak van de verschillen. Ook is het ministerie benieuwd
naar onderliggende data, die mogelijk nog meer specifieke informatie over de Nederlandse
context weergeven. Mocht uit deze gesprekken het inzicht volgen dat de Nederlandse
aanpak op antisemitismebestrijding en/of Holocausteducatie verbeterd kan worden, dan
zal het kabinet hiermee aan de slag gaan. In onze Nederlandse samenleving is antisemitisme
onaanvaardbaar en goede Holocausteducatie cruciaal. De contacten met UNESCO lopen
al.
Vraag 3
Heeft u concreet inzicht in de mate waarin Nederlandse leraren antisemitisme, intimidatie
of vijandigheid jegens Joodse leerlingen ervaren in het primair en voortgezet onderwijs?
Zo ja, kunt u deze inzichten delen en daarbij aangeven uit welke bronnen Jodenhaat
met name wordt gevoed? Zo nee, hoe gaat u dit alsnog structureel in kaart brengen?
Welke rol speelt de veiligheidsmonitor daarbij en welke rol kan het UNESCO-rapport
vervullen bij de verdere ontwikkeling ervan?
Antwoord 3
Het UNESCO-rapport geeft aan dat antisemitisme regelmatig en op verschillende manieren
voorkomt op Europese scholen. Ook in Nederland blijkt uit signalen vanuit de Joodse
gemeenschap, de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB), bredere samenleving,
de media, en organisaties als het CIDI, dat Joodse leerlingen zich gepest, geïntimideerd
en/of bedreigd voelen vanwege hun identiteit. Daar maakt het kabinet zich ernstig
zorgen over. Daarom is ook in 2024 de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030
ontwikkeld om gezamenlijk een vuist te maken en antisemitisme in onze Nederlandse
samenleving te bestrijden.
Tegelijkertijd worden bij de Inspectie van het Onderwijs (hierna: de inspectie) weinig
antisemitische incidenten op scholen gemeld. Het is cruciaal dat schoolbesturen, schoolleiders,
leraren, ouders en/of leerlingen zelf melding doen wanneer zij een antisemitisch incident
ervaren. Het kabinet blijft eenieder hiertoe oproepen, zodat we hier tijdig en passend
op kunnen acteren.
In het UNESCO-rapport wordt aangegeven dat scholen het lastig vinden om bij een incident
te bepalen of het wel of geen antisemitisme is. Dat signaal herkent het Ministerie
van OCW; ook Nederlandse schoolleiders en leraren hebben daar moeite mee. Daarom is
in 2024 de handreiking «omgaan met antisemitische incidenten» ontwikkeld, die scholen
helpt met het herkennen van, omgaan met en melden van antisemitische incidenten.3 Het Ministerie van OCW blijft deze handreiking verspreiden en bijstellen wanneer
nodig.
Daarnaast moet met het Wetsvoorstel Vrij en Veilig onderwijs beter landelijk zicht
komen op de veiligheid op scholen, waaronder cijfers ten aanzien van discriminatie.
Uw Kamer is in juli 2025 geïnformeerd over de voortgang van de wettelijke verankering
en herziening van de Landelijke Veiligheidsmonitor funderend onderwijs (LVM).4 Momenteel loopt een verkenning naar de noodzaak, haalbaarheid en wenselijkheid om
de veiligheid van een aantal bepaalde specifieke (kwetsbare) groepen in de LVM apart
in beeld te brengen en daarvoor extra gegevens uit te vragen. Uw Kamer wordt na de
zomer geïnformeerd over de uitkomsten van deze verkenning.
Vraag 4
In hoeverre worden concrete uitingen van antisemitisme in het onderwijs momenteel
gemonitord en geregistreerd door scholen en schoolbesturen? Acht u deze monitoring
toereikend, mede gelet op de bevindingen van UNESCO?
Antwoord 4
Iedere school is wettelijk verplicht om jaarlijks te monitoren hoe het staat met de
veiligheidsbeleving, het welbevinden en de aantasting van de veiligheid onder de leerlingen.
Scholen hebben met de resultaten van deze monitor dus op jaarbasis actuele informatie
over de sociale veiligheid op school. De inspectie ontvangt de resultaten van de monitor
en betrekt dit in haar toezicht.
Met het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs wordt deze zorgplicht verder versterkt.
Zo moeten scholen in het funderend onderwijs onder meer beter zicht krijgen op de
veiligheid op hun school door in de jaarlijkse monitor leerlingen te bevragen op ervaringen
met discriminatie. Ook komt er een verplichte registratie voor veiligheidsincidenten
(o.a. bij stelstelmatige discriminatie) en worden scholen verplicht jaarlijks hun
veiligheidsbeleid te evalueren. De regering vertrouwt erop dat de maatregelen in het
wetsvoorstel een stevige basis bieden voor het verkrijgen van zicht op antisemitische
incidenten en het voeren van beleid daartegen.
Vraag 5
Welke concrete handvatten, richtlijnen of ondersteuning ontvangen scholen en leraren
momenteel om antisemitisme in de klas te herkennen, bespreekbaar te maken en effectief
tegen te gaan, bijvoorbeeld als het gaat om de aanwezigheid van hakenkruizen in scholen?
Acht u deze ondersteuning toereikend gelet op bevindingen van UNESCO en bent u bereid
hierover in gesprek te gaan met de sectororganisaties?
Antwoord 5
Zoals ook bij vraag 3 aangegeven, is vanuit het Ministerie van OCW de handreiking
«Omgaan met antisemitische incidenten op scholen» ontwikkeld.
In deze handreiking wordt beschreven wat antisemitisme is, hoe antisemitisme herkend
kan worden, en staan handelingsopties bij antisemitische incidenten op school beschreven.
Bij deze handelingsopties staan suggesties voor preventieve maatregelen en schoolbrede
afspraken, adviezen over hoe om te gaan met antisemitische uitingen in de klas, is
een lijst opgenomen met plekken en organisaties waar docenten terecht kunnen voor
ondersteuning en advies, en wordt een overzicht geboden van plekken waar meldingen
van antisemitische incidenten gedaan kunnen worden. In de handreiking is bewust gewerkt
met concrete voorbeelden, zodat leraren de ondersteuning direct kunnen toepassen op
situaties in de praktijk. Deze voorbeelden komen overeen met de praktijksituaties
die in het UNESCO-rapport genoemd worden.
Daarnaast ondersteunt Stichting School & Veiligheid (SSV) scholen bij het bevorderen
van een sociaal veilig klimaat op school met informatie, handreikingen en e-learnings.
Zo biedt de e-learning «Dialoog onder druk» handvatten aan leraren bij het voeren
van moeilijke gesprekken in tijden van spanningen en polarisatie. Ook kunnen scholen
contact opnemen met het adviespunt van SSV voor individueel advies.
Het Ministerie van OCW heeft periodiek contact met de sectorraden over antisemitisme
en bredere vormen van discriminatie en racisme. De sectorraden hebben goed zicht op
het onderwijsveld en halen belangrijke input over ondersteuningsbehoeften op. Ook
helpen de sectorraden om beleidsacties, zoals de CJP-projectsubsidie voor extra activiteiten
Holocausteducatie, goed te laten landen in het onderwijsveld. Het Ministerie van OCW
en de sectorraden zullen op korte termijn de cijfers uit dit UNESCO-rapport bespreken.
Vraag 6
Welke rol speelt Holocausteducatie binnen het Nederlandse curriculum bij het bestrijden
van antisemitisme, het doorgeven van historisch besef aan nieuwe generaties en de
positieve aandacht voor de Joodse gemeenschap? Bent u bereid met uitgevers in gesprek
te gaan over de lessen die uit de UNESCO-rapporten getrokken kunnen worden als het
gaat om de rol van lesmateriaal?
Antwoord 6
Onderwijs over de Holocaust en over de opkomst en verspreiding van monotheïstische
godsdiensten, waaronder het Jodendom, is verankerd in zowel het huidige als het herziene
curriculum van het primair en voortgezet onderwijs (po: kerndoel 27 po; vo: kerndoel
26, leergebied Mens en Tijd).
Het kabinet beschouwt Holocausteducatie als een essentieel onderdeel van de bredere
maatschappelijke aanpak van antisemitisme. Daarom is door de Ministeries van OCW,
SZW en VWS, in gezamenlijkheid met de NCAB, het Nationaal Plan Versterking Holocausteducatie
opgesteld. In december 2025 is de voortgangsrapportage van dit plan naar uw Kamer
gestuurd.5 Onderdeel van dit plan is de landelijke campagne «Leer over de Holocaust»; een initiatief van de NCAB, dat zich richt op bewustwording en kennisoverdracht
onder de gehele Nederlandse bevolking. In januari 2026 is deze campagne voor de derde
keer van start gegaan. Daarnaast hecht het kabinet groot belang aan positieve aandacht
voor de Joodse gemeenschap en voor Joods leven in Nederland, omdat dit bijdraagt aan
het tegengaan van antisemitisme. Hiervoor zijn middelen beschikbaar gesteld via de
kabinetsbrede Strategie Bestrijding Antisemitisme.
Het kabinet onderhoudt bovendien, onder meer via de Ministeries van OCW en JenV, actief
contact met UNESCO. In oktober 2025 heeft UNESCO bij OCW een workshop verzorgd over
het tegengaan van antisemitisme, waaraan ook beleidsmedewerkers van andere departementen
en de NCAB hebben deelgenomen.
Ten aanzien van lesmateriaal is het voor de overheid gepast om in het licht van artikel 23
van de Grondwet terughoudend te zijn en niet teveel te mengen in de totstandkoming
van lesmateriaal. Dat is aan leermiddelenmakers en scholen zelf. Het kabinet vindt
het UNESCO-rapport en het onderwerp echter zó belangrijk, dat zij de constateringen
en aanbevelingen bij leermiddelenmakers onder de aandacht zal brengen.
Vraag 7
Hoe verhoudt het Nederlandse beleid zich tot de bevindingen en aanbevelingen van UNESCO
en de Europese Commissie inzake antisemitisme in het onderwijs?
Antwoord 7
Het tegengaan van antisemitisme in het onderwijs is onderdeel van structureel beleid
via (1) de verankering van kennis over de Holocaust en het Jodendom in het onderwijscurriculum;
(2) het stimuleren van respect voor elkaar en elkaars culturen vanuit de wettelijke
burgerschapsopdracht; (3) zorgplicht voor de sociale veiligheid van alle leerlingen.
Door de maatschappelijke ontwikkelingen is dit structurele beleid de afgelopen twee
jaar geïntensiveerd. Veel aspecten die UNESCO en de Europese Commissie aanbevelen
zijn dan ook al door het Nederlandse kabinet in gang gezet. Dat is positief.
Zo is een van de UNESCO-aanbevelingen om voor docenten een handboek te realiseren
met daarin strategieën over hoe te reageren bij uitingen van antisemitisme in de klas.
Dit sluit nauw aan bij de eerder genoemde handreiking, die in Nederland al sinds mei
2024 in het onderwijsveld verspreid wordt. Ook de aanbeveling om een online cursus
in te richten die leraren moet helpen om moeilijke onderwerpen te behandelen in de
klas, sluit aan bij het al lopende beleid van het Ministerie van OCW. Al voor opleving
van het Israëlisch-Palestijns conflict kreeg het Ministerie van OCW signalen van het
onderwijsveld dat er behoefte is aan ondersteuning bij het voeren van lastige gesprekken
over maatschappelijk gevoelige thema’s. Ook in de docentenpeiling Holocausteducatie
(2025) kwam naar voren dat de grootste ondersteuningsbehoefte van leraren blijkt niet
zozeer te liggen bij de inhoud van Holocausteducatie zelf, maar bij het omgaan met
bredere maatschappelijke spanningen die tijdens lessen kunnen ontstaan. Nederlandse
leraren zijn op zoek naar handvatten, training en ondersteuning om deze gesprekken
over bredere maatschappelijke kwesties op een open, veilige en feitelijke manier te
voeren. Daarom is het Ministerie van OCW al in 2023 gestart om hiervoor een ondersteuningsaanbod
voor leraren te realiseren, dat continu doorontwikkeld wordt. Een voorbeeld hiervan
is de subsidie «Schurende gesprekken», die aangeboden wordt via het Expertisepunt
Burgerschap.6
Bij het tegengaan van antisemitisme is het onderwijs dus van onschatbare waarde. Maar
de onderwijssector alleen is niet voldoende. Daarom is de gezamenlijke uitvoering
(over sectoren en departementen heen) van de Strategie Bestrijding Antisemitisme ook
zo belangrijk, zodat we antisemitisme gericht in de gehele maatschappij kunnen bestrijden.
Vraag 8
Welke inzet pleegt Nederland binnen de EU en internationaal om antisemitisme tegen
te gaan? Kunt u concreet aangeven welke initiatieven Nederland ondersteunt of bevordert?
Met welke EU-lidstaten zou u op dit vlak een aanjagende rol kunnen vervullen zodat
het Joodse leven in de EU niet wegsterft, maar haar historische plek kan behouden?
Antwoord 8
Nederland zet zich binnen de EU en internationaal in voor een effectieve en praktijkgerichte
aanpak van antisemitisme. De NCAB speelt hierin een belangrijke rol en staat in nauw
contact met buitenlandse coördinatoren ter bestrijding van antisemitisme. Zo organiseerde
de NCAB op 18-19 november 2025 in Den Haag een internationale conferentie voor openbaar
aanklagers met deelname van 33 Europese landen, gericht op de versterking van de strafrechtelijke
aanpak, waaronder vervolgbaarheid, online bewijs en grensoverschrijdende samenwerking.
Daarnaast heeft Nederland samen met Oostenrijk en Frankrijk een aanjagende rol vervuld
door het inbrengen van een gezamenlijke EU non-paper om te voorkomen dat EU-middelen
indirect bijdragen aan antisemitisme of ondermijning van Europese waarden. Deze inzet
richt zich op contractuele voorwaarden bij EU-subsidies, aanvullende controles en
audits, met oog voor proportionaliteit en uitvoerbaarheid, en draagt bij aan het behoud
en de versterking van Joods leven in Europa.
Verder erkent het kabinet dat online antisemitisme een aanjagende factor is voor offline
incidenten. Daarom is binnen het netwerk van Special Envoys and Coordinators on Combating
Antisemitism (SECCA) een werkgroep opgericht met focus op internationale kennisdeling,
gezamenlijke acties en overleg met grote online platforms. De NCAB zit deze werkgroep
voor.
Met deze inzet draagt Nederland eraan bij dat antisemitisme binnen de EU en internationaal
krachtig wordt bestreden en dat de veiligheid, zichtbaarheid en continuïteit van Joods
leven in Europa worden versterkt.
Vraag 9
Bent u bereid om naar aanleiding van dit rapport te bezien of aanvullende (internationale
of nationale) maatregelen nodig zijn om de veiligheid en het welzijn van Joodse leerlingen
en leraren te waarborgen? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer hierover worden geïnformeerd?
Antwoord 9
Momenteel is het kabinet bezig met de actualisatie van de Strategie Bestrijding Antisemitisme.
In dat proces zullen de bevindingen van het UNESCO-rapport nog nader bekeken worden
om te bepalen of aanvullende nationale of internationale maatregelen nodig zijn om
de veiligheid en het welzijn van Joodse leerlingen en leraren te waarborgen. Daarbij
werkt Nederland nauw samen met UNESCO en andere internationale partners, onder meer
om kennis te delen, goede praktijken uit te wisselen en antisemitisme in het onderwijs
effectief tegen te gaan.
Tegelijkertijd benadrukt het kabinet graag dat zij – ook voor publicatie van het UNESCO-rapport
– al scherp aandacht had voor de veiligheid en het welzijn van Joodse leerlingen en
leraren. Het kabinet spant zich ten volle in om antisemitisme in onze Nederlandse
samenleving te bestrijden en daarbij de fysieke en sociale veiligheid van Joodse leerlingen
en leraren te bewaken. Zo kunnen Joodse organisaties en instellingen, waaronder scholen,
aanspraak maken op het Veiligheidsfonds Joodse Instellingen en Evenementen voor aanpassingen
aan gebouwen en inzet van beveiligers. In de aankomende Kamerbrief omtrent de actualisatie
van de kabinetsbrede strategie wordt uw Kamer verder geïnformeerd over de (actualisatie)
van deze veiligheidsmaatregelen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
K.M. Becking, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Mede namens
D.M. van Weel, minister van Buitenlandse Zaken
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.