Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over publicatie internetconsultatie Landelijke vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Kamerstuk 28973-288)
2026D05950 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Binnen de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur hebben
de onderstaande fracties de behoefte vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Minister
van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over haar brief van 12 januari
2026 «Publicatie internetconsultatie Landelijke vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties»
(Kamerstuk 28 973, nr. 288).
De fungerend voorzitter van de commissie,
Podt
De griffier van de commissie,
Jansma
Inhoudsopgave
I
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
II
Antwoord/Reactie van de Minister
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de stukken met betrekking tot
de Publicatie internetconsultatie Landelijke vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties.
Deze leden hebben geen aanvullende vragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de start van de internetconsultatie
voor de Landelijke vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Vbr). Deze
leden constateren dat het kabinet opnieuw inzet op bedrijfsbeëindiging, terwijl fundamentele
knelpunten in het stikstof- en vergunningenbeleid onopgelost blijven. Dit roept bij
deze leden ernstige vragen op over de vrijwilligheid, doelmatigheid en rechtsstatelijke
onderbouwing van deze regeling.
Vrijwilligheid of verkapte dwang
De leden van de PVV-fractie constateren dat de regeling als vrijwillig wordt gepresenteerd,
terwijl boeren tegelijk worden geconfronteerd met vergunningsonzekerheid, handhavingsdreiging
en juridisch stilstaand beleid. Hoe kan de Minister volhouden dat er sprake is van
echte vrijwilligheid, zolang boeren geen reëel perspectief hebben op legalisatie en
voortzetting van hun bedrijf?
Uitkoop als standaardoplossing
De leden van de PVV-fractie constateren dat het kabinet opnieuw kiest voor bedrijfsbeëindiging
in plaats van het oplossen van de kernproblemen: vastgelopen vergunningverlening en
juridisering van het stikstofbeleid. Waarom zet het kabinet opnieuw in op het uitkopen
van boeren, in plaats van eerst te zorgen voor rechtszekerheid en toekomstperspectief
voor bedrijven die willen doorgaan?
Onduidelijke doelmatigheid
De leden van de PVV-fractie constateren dat het voor de Kamer niet inzichtelijk is
welk stikstofeffect met deze regeling daadwerkelijk wordt behaald en tegen welke kosten.
Kan de Minister aangeven hoeveel stikstofreductie met deze regeling wordt verwacht,
hoeveel bedrijven naar verwachting zullen deelnemen en wat de kosten per mol reductie
zijn?
Brussel vóór de Kamer
De leden van de PVV-fractie constateren dat de regeling op korte termijn ter pre-notificatie
wordt aangeboden aan de Europese Commissie, terwijl de Kamer hierover nog niet inhoudelijk
heeft gedebatteerd. Waarom kiest de Minister ervoor Brussel voorrang te geven boven
het parlement en welke beleidsruimte resteert de Kamer nog na pre-notificatie?
Lessen uit eerdere regelingen
De leden van de PVV-fractie constateren dat eerdere beëindigingsregelingen trage uitvoering,
complexe voorwaarden en langdurige onzekerheid voor boeren kenden. Welke concrete
verbeteringen zijn doorgevoerd ten opzichte van eerdere regelingen en kan de Minister
garanderen dat deelnemers niet opnieuw vastlopen in langdurige procedures?
Risico-inventarisatie bij beleid dat afwijkt van het EU-beleid
De leden van de PVV-fractie zijn voor de instandhouding van de Nederlandse boeren
en daarmee ook voor de Nederlandse voedselzekerheid. Deze leden vinden dan ook dat
dit leidend moet zijn. Graag zouden deze leden een concrete reactie van de Minister
ontvangen met alle risico’s en mogelijke gevolgen wanneer de Nederlandse regering
echt achter de boeren gaat staan en daarmee geen gehoor geeft aan de onwerkbare beperkingen
die Brussel ons oplegt.
Tot slot
De leden van de PVV-fractie benadrukken dat boeren geen probleem zijn dat moet worden
«weggekocht», maar ondernemers zijn die recht hebben op rechtszekerheid, eigendomsbescherming
en een toekomst. Zolang het kabinet vasthoudt aan een stikstofbeleid dat bedrijven
juridisch klemzet en uitkoop als oplossing presenteert, is geen sprake van vrijwilligheid
maar van politieke druk. Deze leden verzetten zich tegen beleid dat het Nederlandse
platteland verder uitholt in plaats van versterkt.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de regering over
Publicatie internetconsultatie Landelijke vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties
en hebben enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie constateren dat jonge boeren meer moeite hebben met financiële
redzaamheid dan langer zittende boeren vanwege onder andere financiële opstartproblemen.
Deze leden zijn van mening dat er een risico kan ontstaan dat jonge boeren hierdoor
eerder geneigd zijn zichzelf aan te melden voor een vrijwillige beëindigingsregeling.
Deze leden zien het belang van jonge boeren voor een toekomstbestendige sector en
willen de toegang tot de sector toegankelijker maken. Zij vragen de Minister in hoeverre
er bij het opstellen van deze vrijwillige beëindigingsregeling rekening is gehouden
met dit risico en in hoeverre en op welke wijze de regeling zo kan worden ingericht
dat dit risico wordt beperkt.
De leden van de CDA-fractie merken op dat binnen de Landelijke beëindigingsregeling
veehouderijlocaties (Lbv) en Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met
piekbelasting (Lbv-plus)was opgenomen dat de ondernemer bij vrijwillige uitkoop 15
procent van de omgevingsvergunning van een Natura 2000-activiteit kon behouden. Na
de uitspraken van de Raad van State op 18 december 2024 inzake Rendac (Afdeling bestuursrechtspraak
Raad van State, 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923) en Amercentrale (Afdeling
bestuursrechtspraak Raad van State, 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4909) is dit
in de praktijk nagenoeg onmogelijk geworden vanwege de additionaliteitsvereiste en
de ontbrekende stikstofruimte. Dit heeft er toe geleid dat een aanzienlijk aantal
bedrijven zich uiteindelijk terugtrokken en niet meer wilden deelnemen aan de beëindigingsregeling.
In de Vbr wordt ook een soortgelijke 15 procent-regeling opgenomen.
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister in hoeverre de uitspraken van 18 december
2024 ook invloed heeft op de voorgenomen 15 procent-regeling in deze nieuwe beëindigingsregeling.
Ook vragen deze leden de Minister in hoeverre en op welke wijze er rekening wordt
gehouden met een scenario waarin deelnemers zich in de Vbr ook terugtrekken als blijkt
dat er geen ruimte voor de 15 procent-regeling is.
De leden van de CDA-fractie constateren dat zaakbegeleiders worden ingezet in het
ondersteunen van deelnemers van de Vbr. Deze leden merken op dat deze zaakbegeleiders
een waardevolle rol vervullen en een unieke positie innemen die ook bij het opstellen
van een nieuwe beëindigingsregeling kan worden benut. Deze leden zien de kennis en
inzichten van de zaakbegeleiders uit zowel de Lbv en Lbv+ rals ook de gesprekken met
Programma Aanpak Stikstof (PAS)-melders dan ook als zeer relevant voor de totstandkoming
van de Vbr. Deze leden vragen de Minister of en op welke wijze de zaakbegeleiders
ook daadwerkelijk zijn en worden betrokken in de totstandkoming van de Vbr.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben de Vbr waarvoor 12 januari 2026 de internetconsultatie
is gestart, gelezen en hebben daarover nog enkele vragen.
De leden van de BBB-fractie vragen waarom ervoor is gekozen om de regeling zo in te
richten dat veehouderijlocaties die volledig of deels gelegen zijn binnen een strook
van 1.000 meter rondom een overbelast en voor stikstof gevoelige Natura 2000-gebied
met voorrang aanspraak kunnen maken op subsidie, en daarnaast deelnemers buiten die
gebieden geen vergoeding te geven voor sloopkosten.
De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast of de Minister kan reflecteren op de
gevolgen van deze uitkoopregeling voor structuur op het platteland. Deze leden zien
namelijk het risico dat gebiedsgericht nu erg veel agrarische bedrijven verdwijnen.
Wat zijn de gevolgen voor de samenleving als men breder kijkt dan alleen naar voedselproductie
en financiën? Boeren voorzien ook in agrarisch natuurbeheer, educatie op hun bedrijf
en neventakken zoals zorg en kinderopvang. Daarnaast is natuurlijk ook de structuur
rondom agrarische bedrijven gevoelig voor het wegvallen van een groot aantal bedrijven
in één gebied. Is daarnaar onderzoek gedaan? Wat zijn de gevolgen voor toeleveranciers,
veeartsen, loonwerkers en andere bedrijven die afhankelijk zijn van de agrariërs?
De leden van de BBB-fractie vragen tot slot wat de te verwachten gevolgen zijn voor
het areaal blijvend grasland als deze uitkoopregeling succesvol is. Wat zouden de
gevolgen zijn voor bijvoorbeeld de waterkwaliteit als het aandeel grasland afneemt
door deze regeling?
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van de conceptregeling voor vrijwillige
bedrijfsbeëindiging in de veehouderij die ter consultatie is voorgelegd. Deze leden
hebben enkele vragen.
De leden van de SGP-fractie constateren dat bij vorige saneringsregelingen relatief
veel geld is geïnvesteerd in de sanering van relatief moderne stallen met relatief
lage emissies per dierplaats en dat de regelingen minder aantrekkelijk waren voor
bedrijven met verouderde stallen en relatief hoge emissies per dierplaats. Deelt de
Minister deze analyse? Deelt zij de mening van deze leden dat dit niet bijdraagt aan
structuurversterking van de veehouderij en geen doelmatige besteding van middelen
is? Deelt de Minister de analyse van deze leden dat de voorgestelde beëindigingsregeling
opnieuw aantrekkelijker is voor bedrijven met relatief moderne stallen dan voor bedrijven
met verouderde stallen? Ziet de Minister mogelijkheden om de regeling zo in te richten
dat het bijdraagt aan structuurversterking van de veehouderij en de regeling aantrekkelijker
wordt voor bedrijven met verouderde stallen? Deze leden wijzen in dit verband op de
mogelijkheid om een koppeling te maken met de verplaatsingsregeling, zodat de verouderde
stallen van een ondernemer die door wil gaankunnen worden gesloopt, maar de ondernemer
door kan gaan op een locatie met modernere stallen.
De leden van de SGP-fractie constateren dat er in de varkenshouderij zorgen zijn over
de gevolgen van de verschillende saneringsregelingen voor de balans tussen het aantal
zeugen en het aantal vleesvarkens, omdat relatief veel vleesvarkensbedrijven worden
gesaneerd en een groter deel van de biggen geëxporteerd zal moeten worden. Hoe weegt
de Minister dit, zo vragen deze leden.
De leden van de SGP-fractie horen graag waarom de Minister heeft gekozen voor een
selectie op basis van wie het eerst komt, wie het eerst maalt. Zijn vanuit het oogpunt
van doelmatigheid andere varianten overwogen? Zo ja, welke? Waarom is hier niet voor
gekozen? Waarom is bijvoorbeeld niet gekozen voor prioritering op basis van euro’s
per vermeden kilogram stikstofuitstoot in combinatie met de afstand tot de stikstofgevoelige
natuur?
De leden van de SGP-fractie horen graag of de Minister mogelijkheden ziet voor een
regeling voor veehouders die vanwege het ontbreken van een opvolger binnen afzienbare
termijn willen stoppen en met deze regeling contractueel akkoord gaan met bedrijfsbeëindiging
binnen een afgesproken termijn, inclusief de garantie dat ze in de tussentijd niet
meer hoeven te investeren in nieuwe milieu- of dierenwelzijnseisen.
De leden van de SGP-fractie horen graag of de Minister mogelijkheden ziet om gedeeltelijke
bedrijfsbeëindigingen in de opkoopregeling mee te nemen, bijvoorbeeld bij gemengde
bedrijven die een tak willen afstoten of bij bedrijven die een verouderde stal willen
slopen.
De leden van de SGP-fractie zien risico’s voor de ontwikkeling van de waterkwaliteit
als vrijkomende graslanden omgezet worden in bouwland. Hoe wordt, bijvoorbeeld door
inzet van de Nationale Grondbank, omzetting van grasland in bouwland zoveel mogelijk
voorkomen, zo vragen deze leden.
De leden van de SGP-fractie horen graag waarom opnieuw een beroepsverbod binnen dezelfde
veehouderijtak, ook binnen Nederland, is opgenomen, terwijl door de opkoop van de
productie- en fosfaatrechten in combinatie met bijbehorend stelsel al is verzekerd
dat het aantal dieren op nationale schaal afneemt. De op een op te kopen locatie stoppende
veehouder kan immers alleen elders verder als hij bestaande productie- en fosfaatrechten
overneemt.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de publicatie internetconsultatie
Landelijke vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties en hebben hier een
aantal vragen over.
De leden van de PvdD-fractie verzoeken de Minister te reflecteren op het onderzoek
van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) (Rli, februari 2026 «Grond
voor verbetering» (https://www.rli.nl/publicaties/2026/advies/grond-voor-verbetering)), waarin wordt geconcludeerd dat de overheid de verduurzaming van de landbouw belemmert.
Zo wordt bij de uitkoop van veehouderijen niet de grond opgekocht. Deze gronden worden
vervolgens door de uitgekochte veehouders verpacht of verkocht aan de hoogste bieders,
vaak voor intensieve teelten waarvoor veel landbouwgif wordt gebruikt, zoals aardappel-
en lelieteelt.
De leden van de PvdD-fractie vragen of de Minister de mening van deze leden deelt
dat dit zeer onwenselijk is. Zo nee, waarom niet? Is zij bereid om, conform het advies
van de Rli, actiever in te grijpen op de grondmarkt om zo maatschappelijke doelen
te realiseren? Zo nee, waarom niet? Ziet de Minister mogelijkheden om, in lijn met
het advies van de Rli, de aankoop van grond onderdeel uit te laten maken van de beëindigingsregelingen,
zodat deze grond vervolgens kan worden verkocht of verpacht ten behoeve van biologische,
plantaardige teelten? Zo nee, waarom niet? Ziet zij dan mogelijkheden om via flankerend
beleid ervoor te zorgen dat gronden die vrijkomen bij beëindigingsregelingen niet
mogen worden verpacht of verkocht voor intensieve teelten maar uitsluitend mogen worden
gebruikt voor biologische en plantaardige landbouw, indien de Minister hier niet toe
bereid is? Zo nee, waarom niet?
De leden van de PvdD-fractie vragen hoe de Minister het verder opdrijven van de hoge
prijzen van landbouwgrond, wat vaak wordt aangejaagd door beleggers en speculanten,
tegengaat.
De leden van de PvdD-fractie verzoeken de Minister te reageren op de kritische inbreng
van de Caring Farmers bij de internetconsultatie en expliciet in te gaan op de door
hen genoemde punten.
De leden van de PvdD-fractie zijn voorts van mening dat het niet uit te leggen is
dat er met belastinggeld stallen worden opgekocht in het kader van beëindigingsregelingen,
maar dat op andere plekken veehouders nieuwe stallen bouwen of uitbreiden. Is de Minister
bereid om een landelijk moratorium voor nieuwe stallen en voor de uitbreiding van
veehouderijen in te stellen? Zo nee, waarom niet? Is de Minister tevens bereid om
binnen de beëindigingsregeling prioriteit te geven aan niet-dierwaardige sectoren
en stallen? Zo nee, waarom niet?
II Antwoord/Reactie van de Minister
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
A. Podt, voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Mede ondertekenaar
R.P. Jansma, griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.