Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader) : Verslag
36 864 Wijziging van de Omgevingswet, de Wet milieubeheer en de Wet belastingen op milieugrondslag in verband met de implementatie van de herziening van de Richtlijn industriële emissies en de uitvoering van de PIE-verordening
Nr. 5
VERSLAG
Vastgesteld 5 februari 2026
De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat, belast met het voorbereidend
onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer verslag uit te brengen van haar bevindingen.
Het verslag behandelt alleen die onderdelen waarover door de genoemde fracties inbreng
is geleverd.
Onder het voorbehoud dat de regering de vragen en opmerkingen in dit verslag afdoende
zal beantwoorden, acht de commissie hiermee de openbare behandeling van het voorstel
van wet voldoende voorbereid.
Inhoudsopgave
Algemeen
1
Inleiding
2
Hoofdlijnen van de herziene Rie
2
Uitbreiding van het aantal activiteiten
5
Hoofdstuk 6bis: veehouderijen
5
Sanctionering
6
Bestuurlijke lasten: herziene Rie
6
Uitvoering, toezicht en handhaving
6
PIE-verordening
6
Algemeen
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel dat strekt tot
implementatie van de herziene Richtlijn industriële emissies (Rie) en de uitvoering
van de PIE-verordening.
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij hebben
hierbij nog enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben geen
verdere vragen.
De leden van de BBB-fractie hebben zorgvuldig de documenten gelezen en hebben nog
enkele vragen.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben met interesse kennisgenomen van
het wetsvoorstel en zijn blij dat de Europese Unie (EU) de voortrekkersrol wil blijven
nemen op het gebied van mondiale klimaatactie. Deze leden vinden het goed om te zien
dat wordt erkend dat de wereldwijde aanpak van methaanemissies afkomstig van dieren
uit de veehouderij fundamenteel is om broeikasgasemissies terug te dringen en dat
dit dringend noodzakelijk is.
Inleiding
De leden van de D66-fractie constateren dat dit wetsvoorstel vooral technische wijzigingen
bevat en dat de meer inhoudelijke implementatie via een algemene maatregel van bestuur
(AMvB) zal plaatsvinden. Deze leden vragen of de regering kan garanderen dat de strakke
inwerkingtredingstermijn van 1 juli 2026 de zorgvuldigheid van de parlementaire betrokkenheid
bij deze amvb niet in de weg staat. Kan de regering erop toezien dat de Kamer al in
een eerder stadium wordt geïnformeerd over de beleidskeuzes die binnen de geboden
EU-marges worden gemaakt, specifiek waar het gaat om het verankeren van circulaire
ambities?
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben begrepen dat het grootste deel
van de aanpassing van regelgeving ter implementatie en uitvoering van de herziene
Rie- en de PIE-verordening plaatsvinden op het niveau van een AMvB. Dit geldt bijvoorbeeld
voor de gewijzigde regels voor veehouderijen, maar er zal meer gewijzigd worden. Kan
de regering in een tabel een overzicht geven welke regels en wetten voor welke onderwerpen
precies zullen worden aangepast, wat de EU-regels precies daarover verplichten, welke
ruimte de EU geeft om meer te doen, of dat gebeurt in verschillende aparte AMvB’s
en wat de planning per onderwerp precies is? Deze leden zullen de meeste vragen bewaren
tot de behandeling later dit jaar wanneer de AMvB voorligt, maar hebben alvast enkele
vragen.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de inhoudelijke uitwerking en de gebruikmaking
van de nationale beleidsruimte pas zullen plaatsvinden in een AMvB die in het derde
kwartaal van 2026 wordt voorgehangen. Kan de regering toezeggen dat zij bij de voorbereiding
van deze AMvB een uitgebreide praktijktoets uitvoert onder actieve varkens- en pluimveehouders
om de werkbaarheid van de nieuwe «eenvormige voorwaarden voor uitvoeringsregels» te
toetsen?
Hoofdlijnen van de herziene Rie
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie lezen dat de winningsindustrie van de
Europese Unie van cruciaal belang is voor onze strategische autonomie en dat metalen
van strategisch belang zijn en we daarom duurzame binnenlandse capaciteit moeten ontwikkelen.
Deze leden vragen zich af wat hier precies mee bedoeld wordt. Ze vragen zich ook af
of hierbij actief rekening gehouden wordt met het vormen van een Europese strategie
over welke industrie we wel en niet willen hebben, en waar precies, zodat we gezamenlijk
in Europa toewerken naar strategische autonomie omdat niet alles overal kan. Wordt
er gewerkt aan zo een Europese strategie waarin fundamentele keuzes worden gemaakt
over wat we wel en niet willen qua industrie, waar en waarom? Is de regering het met
deze leden eens dat we niet alles in Nederland kunnen doen en dat we moeten kijken
naar welke industrie toekomstbestendig is en waar die industrie in Europa precies
het beste kan voortbestaan (waarbij er wordt gestreefd naar plekken waar zo een industrie
het schoonst kan produceren, met een zo laag mogelijke impact voor omgeving, natuur,
milieu en gezondheid)? Ook lezen deze leden dat geharmoniseerde milieumaatregelen
nodig zijn zodat de industrie zo weinig mogelijk gevolgen heeft voor de menselijke
gezondheid en het milieu. Hierbij worden deskundigen uit de industrie nauw betrokken
bij de ontwikkeling van consensuele en op maat gemaakte milieuvoorschriften voor duurzame
groei van de activiteiten. Deze leden vragen of alleen deskundigen uit de industrie
nauw betrokken zijn geweest bij het ontwikkelen van de gemaakte milieuvoorschriften
of ook onafhankelijke wetenschappelijke deskundigen van bijvoorbeeld niet-gouvernementele
organisaties (ngo’s)? Kan de regering een lijst sturen van de experts, bedrijven en
organisaties die hierover hebben meegedacht? Kan ook worden gedeeld welke deskundigen
uit de industrie nauw berokken zijn geweest? We weten uit het verleden dat de industrie
economische «groei» vaak voorop stelt, en dan pas eventueel kijkt naar de impact op
de leefomgeving. Deze leden maken zich grote zorgen dat de nauwe betrokkenheid van
de industrie bij het uitwerken van dit voorstel ervoor zorgt dat het voorstel vooral
economisch goed is voor de industrie, maar te weinig positieve effecten heeft op de
bescherming van onze gezondheid en het milieu. Deelt de regering die zorgen, en zo
nee, waar baseert de regering dat dan op? Is de regering het met deze leden eens dat
voor onafhankelijke toetsing van voorstellen die het milieu en de gezondheid zouden
moeten beschermen, ook onafhankelijke gezondheids- en milieuexperts moeten worden
betrokken en een sterke rol zouden moeten spelen bij de invulling van het voorstel?
Zijn gezondheids- en milieuexperts betrokken bij de invulling van het voorstel, en
zo ja welke? Kan de regering alle bestaande adviezen van gezondheids- en milieuexperts
met de Kamer delen? Hoe beoordelen gezondheids- en milieuexperts de voorliggende voorstellen?
Hoe beoordelen milieu-, natuur-, en gezondheidsorganisaties de voorstellen (graag
een zo volledig mogelijk beeld geven)?
Op welke wijze zijn de nieuwste wetenschappelijke inzichten over de gezondheidseffecten
van industriële emissies, zoals (ultra)fijnstof, PFAS, zware metalen en stikstofoxiden,
meegenomen in de voorgestelde wetgeving en kan de regering steeds aangeven waar dat
precies staat in het wetsvoorstel?
Deze leden vragen of er later in het proces een mogelijkheid is om expliciete gezondheidsnormen
in vergunningverlening op te nemen, in plaats van enkel technische emissiegrenswaarden.
Welke vijf maatregelen uit de richtlijn gaan volgens de regering concreet het meest
bijdragen aan het beter beschermen van de gezondheid en het milieu? Wat zal die winst
precies zijn en op welke onafhankelijke experts baseert de regering zich? En welke
extra milieueisen komen er concreet bij na de implementatie van deze verordening?
Welke meetbare doelstellingen worden gehanteerd voor de vermindering van industriële
vervuiling in de komende tien jaar? Welke indicatoren worden gebruikt om te bepalen
of milieu- en gezondheidsdoelen daadwerkelijk worden gehaald? Kan de regering toezeggen
dat bij tegenvallende resultaten onmiddellijk wordt bijgestuurd met strengere normen?
Kan de regering toelichten of zij bij de implementatie van de herziene Rie expliciet
gaat kiezen voor het maximaal benutten van de ruimte die de richtlijn biedt om strengere
nationale normen vast te stellen ter bescherming van mens, dier, milieu en natuur?
Zo nee, waarom niet?
Hoe worden cumulatieve milieueffecten van meerdere industriële bronnen in één regio
precies meegenomen in de vergunningverlening?
Wordt overwogen om bij herhaaldelijke overtredingen het makkelijker mogelijk te maken
om vergunningen daadwerkelijk in te trekken?
Hoe verhoudt dit wetsvoorstel zich tot het voorzorgsbeginsel en het principe «de vervuiler
betaalt», dat centraal staat in zowel Europees milieubeleid als het beleid van deze
regering?
De leden van de Partij voor de Dieren wijzen erop dat de industrie ook miljarden euro’s
aan maatschappelijke kosten met zich meebrengt, zoals uit onderzoek blijkt. Is de
regering zich daarvan bewust? Welke van dat soort onderzoeken kent de regering? En
hoe schat zij op basis daarvan die kosten in, uitgedrukt in euro’s per jaar? Hoe wegen
deze kosten precies op tegen de economische korte termijn opbrengsten van de industrie?
Kan de regering straks bij de exacte implementatie van de Europese richtlijnen en
de keuzes die de regering daarin maakt expliciet maken hoe ze de maatschappelijke
kosten van de industrie hebben gewogen?
Deelt de regering de zorg dat ruime uitzonderingsmogelijkheden de effectiviteit van
de richtlijn ondermijnen? Zo nee, waar baseert de regering dat op?
Worden de omgevingsdiensten ook versterkt in hun capaciteit en kennis om hun taken
in toezicht, handhaving en vergunningverlening goed te kunnen uitvoeren, in lijn met
de nieuwe wet- en regelgeving? Zo nee, ziet de regering dan niet het gevaar dat de
problemen rondom gebrekkig toezicht en handhaving zoals eerder geconstateerd door
onder andere de Algemene Rekenkamer en de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) zich
voortzetten? Waar baseert de regering zich dan op? Kan de regering punt voor punt
ingaan op de zorgen die in onderzoeken van onder andere de OVV en de Algemene Rekenkamer
zijn gedeeld over vergunningverlening, toezicht en handhaving en hoe dat zal worden
ondervangen bij de implementatie van de nieuwe regelgeving?
De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vragen op welke wijze burgers
worden geïnformeerd over emissies van industriële installaties in hun leefomgeving.
Op welke manier zal meer worden ingezet op echt onafhankelijke metingen, die zoveel
mogelijk «realtime» zijn, zoals aangenomen moties van de Kamer vragen? Zal alle relevante
emissiedata zo snel mogelijk actief openbaar worden gemaakt in begrijpelijke en toegankelijke
vorm?
Aanvullend daarop vragen deze leden zich af welk mogelijk effect deze implementatie
zou kunnen hebben op de maatwerkafspraken met Tata Steel. Zijn alle eisen uit deze
richtlijn al verwerkt in de Joint Letter of Intent (JloI)? Wat is in de JloI nog bovenwettelijk,
rekening houdend met het feit dat de implementatie van de richtlijn voor striktere
regels zou moeten zorgen en meer eisen voor de industrie om zelf meer te doen om de
schade aan gezondheid en milieu te verminderen? En betekent de implementatie van deze
richtlijn ook nog iets voor het beleid rondom de afvalstatus van staalslakken?
Onder de definitie van best beschikbare technieken (BBT) wordt onder andere «economisch»
haalbaar verstaan. Wie bepaalt of deze technieken economisch haalbaar zijn? En wanneer
zijn ze economisch haalbaar? Gezien het gebrek aan capaciteit bij handhavende en toezichthoudende
instanties: hoe wordt geborgd dat onafhankelijk op hoog niveau kan worden getoetst
of de gegevens en informatie die bedrijven aanleveren kloppen en of er inderdaad sprake
is van toepassing van best beschikbare technieken? Zijn ze bijvoorbeeld economisch
haalbaar als ze duurder zijn dan de huidige techniek en het bedrijf daarmee minder
winst maakt?
De herziening van de Rie is op 15 juli 2024 gepubliceerd. Kan de regering laten weten
waarom deze wijzigingen nu pas voorliggen en de AmvB zelfs pas in het derde kwartaal
van dit jaar voorligt? Is de regering het met deze leden eens dat dit wel erg laat
is aangezien de lidstaten tot 1 juli 2026 hebben om de richtlijn om te zetten in nationale
wetgeving? Hoe kan ervoor worden gezorgd dat in de toekomst zulke belangrijke richtlijnen
eerder worden geïmplementeerd?
Uitbreiding van het aantal activiteiten
De leden van de D66-fractie lezen over uitbreiding van het aantal activiteiten. Wat
betreft de uitbreiding van het toepassingsbereik naar activiteiten zoals grootschalige
batterijproductie en waterstofproductie door elektrolyse, vragen deze leden hoe de
regering borgt dat de vergunningverlening voor deze vitale sectoren van de energietransitie
niet vertraagt door de nieuwe administratieve eisen. Kan de regering nader toelichten
waarom voor waterstofproductie via elektrolyse een drempelwaarde van 50 ton per dag
is ingevoerd, en welk effect dit heeft op de opschaling van groene waterstofprojecten
in Nederland?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de Europese Commissie voor verschillende onderdelen
uitvoeringshandelingen vast zal stellen. Zij vernemen graag of de sectoren waarvan
de activiteiten door de uitbreiding onder de herziene Rie komen te vallen, hierover
zijn geïnformeerd.
Daarnaast vragen de leden van de VVD-fractie hoe, nu er geen consultatie heeft plaatsgevonden,
is vastgesteld dat de impact voor deze sectoren beperkt is, zoals wordt gesteld.
Tot slot vernemen deze leden graag of tijdige opvolging door deze sectoren van de
verplichtingen die voortvloeien uit de herziene Rie haalbaar en betaalbaar is
Hoofdstuk 6bis: veehouderijen
De leden van de D66-fractie constateren dat de herziene Rie voor veehouderijen minder
verplichtingen bevat dan voorheen onder het regime van Integrated Pollution and Prevention
Control (IPPC). Kan de regering toelichten hoe deze versoepeling zich verhoudt tot
de nationale opgave om de stikstof- en fijnstofemissies drastisch te reduceren? Kan
de regering garanderen dat de nieuwe «eenvormige voorwaarden voor uitvoeringsregels»
minstens even effectief zijn als de huidige BBT-conclusies voor de bescherming van
omwonenden en natuur? Voorts vragen deze leden naar de samentellingsregel voor nabijgelegen
installaties: hoe voorkomt de regering dat bedrijven hun activiteiten juridisch opknippen
om onder de drempelwaarden voor veestapeleenheden (VSE) te blijven?
De leden van de BBB-fractie lezen dat de drempelwaarden voor veehouderijen voortaan
worden uitgedrukt in veestapeleenheden (VSE) in plaats van dieraantallen. Hoe wordt
gewaarborgd dat door de vastgestelde coëfficiënten in bijlage Ibis niet onbedoeld
een grotere groep Nederlandse boeren onder de richtlijn komt te vallen dan onder het
huidige IPPC-regime? Op welke wijze is de agrarische sector betrokken geweest bij
de totstandkoming van deze omrekeningsfactoren?
Deze leden lezen dat de zogenaamde samentellingsregel ook van toepassing is op installaties
van verschillende exploitanten die een «economische relatie of rechtsbetrekking» met
elkaar hebben. Kan de regering verduidelijken wat exact wordt verstaan onder een «economische
relatie» en hoe wordt voorkomen dat zelfstandige familiebedrijven die bijvoorbeeld
samenwerken in een coöperatie of materieel delen, onterecht als één grote installatie
worden aangemerkt?
De leden van de BBB-fractie lezen dat extensieve bedrijven zijn uitgezonderd als dieren
«voor een groot deel van het jaar» buiten staan. Kan de regering aangeven of zij voornemens
is om in de aankomende AMvB een harde norm (zoals een specifiek aantal dagen of uren)
vast te stellen voor dit begrip, om te voorkomen dat boeren met weidegang te maken
krijgen met willekeur bij de handhaving?
Deze leden lezen dat het bevoegd gezag de exploitatie van een veehouderij moet stopzetten
bij een «aanzienlijk gevaar voor de menselijke gezondheid» of een «aanzienlijke verslechtering
van het milieu». Kan de regering nader duiden wat de ondergrens is voor een «aanzienlijke
verslechtering», en hoe wordt gewaarborgd dat dit middel niet lichtvaardig wordt ingezet
bij kleine technische overtredingen die geen direct gevaar vormen?
Sanctionering
De leden van de BBB-fractie lezen dat voor de zwaarste inbreuken die door een rechtspersoon
worden gepleegd, de financiële sanctie ten minste 3% van de jaaromzet van de exploitant
moet zijn. Kan de regering toelichten hoe zij de proportionaliteit van deze sanctie
ziet voor agrarische gezinsbedrijven, die vaak een hoge omzet hebben, maar zeer beperkte
winstmarges? In hoeverre heeft de strafrechter nog de vrijheid om rekening te houden
met de specifieke economische draagkracht van een boer?
Bestuurlijke lasten: herziene Rie
De leden van de D66-fractie steunen de verplichting voor het bevoegd gezag om de strengst
mogelijke emissiegrenswaarden vast te stellen binnen de bandbreedte van de beste beschikbare
technieken. Hoe gaat de regering toezien op een uniforme toepassing van deze «strengste
ondergrens» door verschillende omgevingsdiensten, om een ongelijk speelveld of «vergunning-shopping»
te voorkomen? Met betrekking tot de nieuwe milieuprestatiegrenswaarden voor het verbruik
van grondstoffen, water en energie, vragen deze leden of de regering voornemens is
om koplopers in de circulaire industrie extra te stimuleren via deze vergunningsvoorwaarden.
Kan de regering tevens verduidelijken hoe de transformatieplannen van bedrijven getoetst
gaan worden op hun bijdrage aan de klimaatneutraliteit in 2050?
Uitvoering, toezicht en handhaving
De leden van de D66-fractie merken op dat, ten aanzien van de handhaving en sanctionering,
de boete voor zware inbreuken door rechtspersonen ten minste 3% van de jaaromzet moet
bedragen. Hoe reflecteert de regering, in navolging van de mogelijkheid in het Wetboek
van Strafrecht, op de mogelijkheid om dit percentage in de praktijk vaker richting
de 10% te laten bewegen bij recidive of moedwillige verontreiniging? Wat betreft de
informatieplicht bij incidenten met grensoverschrijdende gevolgen vragen deze leden
hoe de regering de onmiddellijke communicatie tussen lidstaten technisch heeft ingericht,
zeker wanneer de menselijke gezondheid of drinkwaterbronnen in het geding zijn. Tot
slot vragen zij of de ruimere toegang tot de rechter en de implementatie van het Varkens-in-Noodarrest
ook zal leiden tot extra ondersteuning voor maatschappelijke organisaties die de naleving
van milieunormen willen afdwingen.
PIE-verordening
De leden van de VVD-fractie hebben een vraag over de rapportageplicht. Deze leden
vernemen graag of het hier uitsluitend rapportageverplichtingen betreft of dat er
sprake is van verdere verplichtingen, nu of in de toekomst, bijvoorbeeld doordat sectoren
door de uitbreiding van activiteiten «in scope» komen terwijl dat voorheen niet het
geval was en sectoren daardoor geconfronteerd kunnen worden met (onverwachte) omschakelingen
en investeringen in best beschikbare technieken voor het behoud of de verkrijging
van vergunningen om de betreffende activiteiten uit te voeren.
De fungerend voorzitter van de commissie, P. de Groot
Adjunct-griffier van de commissie, Koerselman
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
P.C. (Peter) de Groot, voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat -
Mede ondertekenaar
G.B. Koerselman, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.