Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Hoogeveen en Nanninga over de Kamerbrief Side-by-side-pakket wereldwijde minimumbelasting (Pijler2) van 5 januari 2026 (Kamerstuk 25087, nr. 359)
Vragen van de leden Hoogeveen en Nanninga (beiden JA21) aan de Minister van Economische zaken en de Staatssecretaris van Financiën over de KamerbriefSide-by-side-pakket wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2) van 5 januari 2026 (Kamerstuk 25 087, 359) (ingezonden 9 januari 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Heijnen (Financiën), mede namens de Minister van Economische
Zaken (ontvangen 3 februari 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het artikel «VS bedingen uitzonderingen op minimumbelasting multinationals»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Kunt u reflecteren op de in het artikel opgenomen stelling dat Amerikaanse multinationals
zijn uitgezonderd van de wereldwijde minimumbelasting van 15% waarover in 2021 door
ruim 130 landen een akkoord is gesloten, en dat deze uitzonderingspositie de minimumbelasting
voor multinationals verwatert?
Antwoord 2
In het akkoord van het Inclusive Framework (IF) van 5 januari 2026 over het zogeheten
Side-by-Side-pakket wordt de nadruk gelegd op het belang van Pijler 2 als het primaire
systeem voor het waarborgen van een minimumniveau van belastingheffing. Dit gemeenschappelijke
systeem is met reden zorgvuldig ontworpen, waarbij de bijheffing tot het minimumbelastingtarief
van 15% op een gecoördineerde manier wordt berekend op basis van een internationaal
afgesproken belastinggrondslag. De Nederlandse inzet was er op gericht om afwijkingen
van het gemeenschappelijke systeem tot een minimum te beperken. Tegelijkertijd ziet
het kabinet het overkoepelende belang van het in stand houden van een netwerk van
minimumbelastingen in een zo groot mogelijk internationaal verband, ook als dat betekent
dat tegemoetgekomen wordt aan andere jurisdicties die een belastingstelsel hebben
dat een minimumniveau van belastingheffing waarborgt. De internationaal gecoördineerde
uitleg van de Pijler 2-regels zorgt voor eenduidigheid en biedt belastingplichtigen
zekerheid. Daarnaast bevat het Side-by-Side-pakket waarborgen zodat geen afbreuk wordt
gedaan aan de doelstellingen van de Pijler 2-regels. Zo wordt de status van een kwalificerende
Side-by-Side veiligehavenregel niet willekeurig verleend. In het IF-akkoord zijn robuuste
en strikte criteria afgesproken om te kwalificeren als een belastingstelsel dat gelijkwaardig
is aan Pijler 2.
Vraag 3
Kunt u reflecteren op de in hetzelfde artikel opgenomen stelling dat onder meer Polen,
Tsjechië en Estland aanvankelijk bezwaar hebben gemaakt tegen deze uitzonderingspositie
vanwege de vrees voor een verslechtering van de concurrentiepositie van Europese concerns?
Antwoord 3
Het kabinet begrijpt dat er bij sommige EU-lidstaten vrees bestond voor een akkoord
over de Side-by-Side veiligehavenregel omwille van de concurrentiepositie van Europese
multinationals. Niettemin vindt het kabinet dat met het akkoord het best mogelijke
resultaat is bereikt waarbij de Pijler 2-doelstellingen grotendeels zijn gewaarborgd en een netwerk van minimumbelastingen in stand
kan worden gehouden in een zo groot mogelijk internationaal verband. Dat is ook van
belang voor het EU-concurrentievermogen. De EU is immers niet gebaat bij een nieuwe
race naar de bodem in de winstbelasting.
Vraag 4
Kunt u reflecteren op de in het artikel aangehaalde analyse van Van Weeghel dat het
hanteren van een samengesteld wereldwijd gemiddeld effectief belastingtarief Amerikaanse
ondernemingen een voordeel verschaft ten opzichte van concurrenten uit landen die
de OESO-minimumbelasting per jurisdictie toepassen, waaronder de EU-lidstaten, Japan,
het Verenigd Koninkrijk en Canada?
Antwoord 4
Het IF heeft geconcludeerd dat het Amerikaanse belastingstelsel aan de overeengekomen
voorwaarden voldoet en de status krijgt van een kwalificerend Side-by-Side-regime.
Op grond van het Amerikaanse NCTI2-systeem wordt in voorkomende gevallen belasting geheven over de niet-uitgekeerde
winsten van buitenlandse dochterondernemingen van Amerikaanse multinationals. Voor
de berekening van die belasting wordt onder meer uitgegaan van de gezamenlijke winsten
van die dochterondernemingen wereldwijd en de totale winstbelasting betaald in de
desbetreffende landen. Pijler 2 gaat uit van een bijheffing indien de effectieve belastingdruk
van de entiteiten van een multinational in een jurisdictie minder dan 15% bedraagt.
Afhankelijk van de omstandigheden van het geval is het mogelijk dat onder het Amerikaanse
NCTI-systeem minder belasting zal worden geheven dan bij toepassing van Pijler 2 het
geval zou zijn geweest. Echter, gezien de verschillende kenmerken en de technische
vormgeving van beide systemen kan niet worden gezegd dat het ene systeem steeds leidt
tot een lagere belastingdruk dan het andere. Uitgangspunt van het Side-by-Side-systeem
is dat de effectieve belastingdruk voor multinationale ondernemingen vergelijkbaar
uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende gelijkwaardige belastingstelsels.
Vraag 5
Kunt u reflecteren op de in het artikel aangehaalde analyse van De Wilde dat de Verenigde
Staten bij het bepalen van de binnenlandse effectieve belastingdruk fiscale stimulansen
buiten beschouwing laten, terwijl deze onder de OESO-regels juist meetellen, en dat
deze systematiek investeren in de Verenigde Staten aantrekkelijker maakt voor Amerikaanse
bedrijven dan voor ondernemingen uit EU-landen en andere early adopters?
Antwoord 5
Voor de belastingpositie van dochterondernemingen in de Verenigde Staten van niet-Amerikaanse
multinationals is van belang dat de overeengekomen gunstige behandeling van Substance Based Tax Incentives onder Pijler 2 er naar verwachting toe leidt dat niet-Amerikaanse multinationals
niet of in mindere mate zullen worden geconfronteerd met bijheffing ten aanzien van
hun dochterondernemingen in de Verenigde Staten. Dit betekent dat zij in die gevallen
in de Verenigde Staten fiscaal gezien onder grotendeels dezelfde voorwaarden kunnen
opereren als Amerikaanse multinationals.
Vraag 6
Hoe rijmt u de in het artikel opgenomen passages, waarin wordt gesteld dat de uitzonderingspositie
voor Amerikaanse multinationals leidt tot concurrentievoordelen en een verwatering
van de minimumbelasting, met de stelling in de Kamerbrief dat het van belang is dat
niet-implementerende jurisdicties zich niet voordeliger kunnen positioneren ten opzichte
van jurisdicties die Pijler 2 wel implementeren (p. 6)?
Antwoord 6
Voor de Side-by-Side veiligehavenregel zijn robuuste en strikte criteria afgesproken.
Daarnaast is de werking van de binnenlandse bijheffing onveranderd. Dit is positief
voor het gelijke speelveld en voor het waarborgen van de beleidsdoelstellingen van
Pijler 2, aangezien alle multinationale groepen onderworpen kunnen zijn aan een binnenlandse
bijheffing – voor zover die wordt geheven in jurisdicties waarin zij opereren – ongeacht
de locatie van het hoofdkantoor. Het is van belang dat onder het Side-by-Side-systeem
een prikkel blijft bestaan voor jurisdicties om een binnenlandse bijheffing te behouden
dan wel in te voeren. Mede daarom hecht het kabinet aan de toekomstige evaluatie om
te volgen hoe het Side-by-Side-systeem in de praktijk uitpakt en als nodig maatregelen
te nemen om risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling
en winstverschuiving te ondervangen.
Vraag 7
Kunt u, ter toelichting op de werking van het Side-by-Side-regime, een uitgewerkt
rekenvoorbeeld (met expliciet vermelde aannames) verstrekken waarin u eenzelfde multinationale
groep onder (i) de reguliere Pijler 2-systematiek (per jurisdictie-toets met toepassing
van IIR/UTPR) en (ii) het Side-by-Side-regime (met vrijstelling van IIR/UTPR voor
de uiteindelijke moederentiteit in een kwalificerende jurisdictie) vergelijkt en daarbij
inzichtelijk maakt in welke gevallen en waarom deze benadering in de praktijk kan
leiden tot een lagere (of anders verdeelde) effectieve belastingdruk?
Antwoord 7
Ten eerste hangt de uitkomst van een vergelijking af van de kenmerken en de technische
vormgeving van het toepasselijke Side-by-Side-regime. Tot nu toe is alleen het Amerikaanse
belastingstelsel aangemerkt als een kwalificerend Side-by-Side-regime. De kenmerken
en de technische vormgeving van Pijler 2 zijn niet goed vergelijkbaar met de kenmerken
en de technische vormgeving van het Amerikaanse belastingstelsel. Om enigszins recht
te doen aan de gevallen in de praktijk zou moeten worden uitgegaan van een groot aantal
variabelen zoals de belastbare winstgrondslag, de aanwezigheid van «substance», de
belastingheffing in de eigen jurisdictie en in de jurisdicties van de dochterondernemingen
alsmede de mogelijkheid tot verrekening van in het buitenland geheven belastingen.
Als gevolg daarvan zouden steeds verschillende aannames moeten worden gemaakt. Een
eenvoudig begrijpelijk rekenvoorbeeld zou geen betrouwbaar beeld geven in welke gevallen
in de praktijk het Amerikaanse belastingstelsel kan leiden tot een lagere of anders
verdeelde belastingdruk.
Vraag 8
Kunt u in het in de vorige vraag gevraagde rekenvoorbeeld tevens uitgaan van een situatie
waarin de multinationale groep activiteiten ontplooit in ten minste één laagbelastende
jurisdictie, en inzichtelijk maken hoe de effectieve belastingdruk onder de reguliere
Pijler-2-systematiek zich in dat geval verhoudt tot de belastingdruk onder het Side-by-Side-regime?
Antwoord 8
Ook hier geldt dat de uitkomst van een vergelijking afhangt van de kenmerken en de
technische vormgeving van het toepasselijke Side-by-Side-regime en dat tot nu toe
alleen het Amerikaanse belastingstelsel is aangemerkt als een kwalificerend Side-by-Side-regime.
Ook in geval van een multinationale groep met een dochteronderneming in ten minste
één laagbelastende jurisdictie geeft een eenvoudig begrijpelijk rekenvoorbeeld om
de hiervoor genoemde redenen geen betrouwbaar beeld hoe de belastingdruk onder Pijler
2 zich in de praktijk verhoudt tot de belastingdruk onder het Amerikaanse belastingstelsel.
Vraag 9
Acht u het vanuit het oogpunt van gelijke concurrentieverhoudingen verdedigbaar dat
Amerikaanse multinationals kunnen volstaan met een wereldwijd gemiddeld effectief
tarief, terwijl Europese multinationals per jurisdictie aan de 15%-toets zijn onderworpen?
Antwoord 9
Op grond van het Amerikaanse NCTI-systeem wordt voor de berekening van de toepasselijke
belasting onder meer uitgegaan van de gezamenlijke winsten van de tot een Amerikaanse
multinationale groep behorende dochterondernemingen buiten de VS en de totale winstbelasting
betaald in de desbetreffende andere landen. Pijler 2 gaat uit van een bijheffing indien
de effectieve belastingdruk van de entiteiten van een multinationale groep in een
jurisdictie minder dan 15% bedraagt. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval
is het mogelijk dat onder het NCTI-systeem minder of meer belasting zal worden geheven
dan bij toepassing van Pijler 2 het geval zou zijn geweest. Gezien de verschillende
kenmerken en de technische vormgeving van beide systemen kan niet worden gezegd dat
het ene systeem steeds leidt tot een lagere belastingdruk dan het andere. Het IF heeft
vastgesteld dat er geen materieel risico is dat de buitenlandse winsten van Amerikaanse
multinationale groepen die gezien hun omvang onder Pijler 2 zouden vallen, onderworpen
zijn aan een effectief tarief van minder dan 15%. Het uitgangspunt van het Side-by-Side-systeem
is dat de effectieve belastingdruk voor multinationale ondernemingen vergelijkbaar
uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende gelijkwaardige belastingstelsels.
Daarbij is de toekomstige evaluatie van belang om te volgen hoe dit in de praktijk
uitpakt.
Vraag 10
Kunt u uiteenzetten welke concrete waarborgen het kabinet ziet om te voorkomen dat
de erkenning van het Amerikaanse belastingstelsel als kwalificerend Side-by-Side-regime
leidt tot structurele concurrentieverstoringen ten nadele van in de EU gevestigde
concerns en in hoeverre deze waarborgen naar uw oordeel toereikend zijn?
Antwoord 10
Als onderdeel van het akkoord is afgesproken dat eventuele substantiële risico’s met
betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving zullen
worden ondervangen. Daartoe zal het IF een evaluatie («stocktake») uitvoeren die in 2029 moet worden afgerond, op basis van een objectief en een op
data gebaseerd proces. Daarbij zal bijvoorbeeld worden gekeken in hoeverre jurisdicties
binnenlandse bijheffingen behouden of invoeren. Verder zal worden gekeken naar eventuele
onbedoelde effecten zoals materiële concurrentieverstoringen tussen multinationale
groepen en negatieve gedragseffecten, zoals een toename van winsten in laagbelastende
jurisdicties zonder een binnenlandse bijheffing. Het IF verbindt zich er ook toe om
gerichte oplossingen te overwegen wanneer zich bepaalde risico’s met betrekking tot
het gelijke speelveld voordoen. Het kabinet vindt deze evaluatie van groot belang.
Vraag 11
Kunt u uiteenzetten welke mitigerende maatregelen (fiscaal en niet-fiscaal) het kabinet
voorziet om eventuele structurele concurrentieverstoringen te beperken die kunnen
voortvloeien uit de erkenning van het Amerikaanse belastingstelsel als kwalificerend
Side-by-Side-regime ten opzichte van in de EU gevestigde concerns?
Antwoord 11
Welke maatregelen eventueel aangewezen zouden zijn, hangt ervan af welke elementen
in welk systeem een eventuele structurele concurrentieverstoring zouden veroorzaken.
Dat is op voorhand niet te zeggen en zou moeten blijken uit de evaluatie. Dat neemt
niet weg dat altijd gekeken kan worden naar fiscale maatregelen ten gunste van het
vestigingsklimaat voor zover die passen in het Pijler 2-raamwerk.
Vraag 12
In hoeverre acht u het risico reëel dat multinationals hun winstallocatie aanpassen
om optimaal gebruik te maken van de vrijstelling van IIR en UTPR onder het Side-by-Side-regime
en welke kwantitatieve inschatting ligt hieraan ten grondslag?
Antwoord 12
Het is niet geheel duidelijk wat in dit verband wordt bedoeld met de aanpassing van
de winstallocatie nu de voor Pijler 2 relevante winst wordt bepaald aan de hand van
de commerciële jaarrekening. Het is denkbaar dat een multinational met hoofdkantoor
in een kwalificerende Side-by-Sidejurisdictie besluit om winstgevende activiteiten
in een voorheen laagbelastende jurisdictie die een binnenlandse bijheffing heeft ingevoerd,
te verplaatsen naar een andere, nog steeds laagbelastende jurisdictie (zonder binnenlandse
bijheffing). Maar of dat werkelijk een reëel risico is, is moeilijk in te schatten
omdat voor een dergelijke verplaatsing verscheidene factoren een rol kunnen spelen.
De aangekondigde evaluatie in 2029 zal hier naar verwachting meer inzicht in geven.
Vraag 13
Indien bij deze risico-inschatting wordt uitgegaan van mogelijke gedragseffecten,
betreft dit dan een aanvullende derving bovenop de in de Kamerbrief geraamde circa
€ 120 miljoen per jaar die voortvloeit uit het niet toepassen van de inkomens-inclusiemaatregel
en de onderbelastewinstmaatregel, of zijn deze gedragseffecten reeds in die raming
verdisconteerd?
Antwoord 13
Het akkoord zal naar verwachting in eerste instantie met name effect hebben op multinationals
met een Amerikaans hoofdkantoor en op multinationals die kunnen profiteren van de
gunstigere behandeling van belastingvoordelen. De positieve gedragseffecten van de
minimumbelasting, zoals winstverschuiving (terug) naar Nederland, zullen bij deze
bedrijven naar verwachting in mindere mate optreden. Dit is al meegenomen in de budgettaire
raming. Dit inzicht zorgt dus niet voor een aanvullende derving bovenop de geraamde
€ 120 miljoen.
Vraag 14
Bent u voornemens om, naast de in het Inclusive Framework afgesproken evaluatie («stocktake»)
in 2029, een nationale evaluatie uit te voeren naar de effecten van het Side-by-Side-regime,
in het bijzonder ten aanzien van concurrentieverhoudingen, gedragseffecten en budgettaire
opbrengsten voor Nederland?
Antwoord 14
Het is van belang dat het IF zal monitoren hoe het Side-by-Side-systeem in de praktijk
uitpakt en -als nodig actie kan ondernemen om risico’s met betrekking tot het gelijke
speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving te adresseren. In het bijzonder
vindt het kabinet het belangrijk om bij die evaluatie in het oog te houden dat Nederlandse
bedrijven onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren met lokale bedrijven in Side-by-Side-
of UPE Safe Harbour-jurisdicties. Uiteraard zal uw Kamer te zijner tijd worden geïnformeerd
over de uitkomsten van deze evaluatie en zullen bij de Nederlandse weging van de uitkomsten
waar relevant ook eigen gegevens en analyses worden betrokken. Daarbij zal het kabinet
ook de signalen vanuit de praktijk in de gaten houden.
Vraag 15
Welke gevolgen verwacht u dat de uitzonderingspositie voor Amerikaanse multinationals
heeft voor het Nederlandse vestigingsklimaat?
Antwoord 15
Het is niet de verwachting dat de Side-by-Side veiligehavenregel grote gevolgen heeft
voor het Nederlandse vestigingsklimaat. In het algemeen geldt dat het IF-akkoord van
belang is om zekerheid en stabiliteit te waarborgen in het internationale belastingsysteem.
Daar heeft ook het Nederlandse vestigingsklimaat baat bij.
Vraag 16
Welke signalen ontvangt u vanuit het Nederlandse bedrijfsleven over de gevolgen van
deze uitzonderingspositie voor hun internationale concurrentiepositie?
Antwoord 16
Het internationale bedrijfsleven dat bij de OESO wordt vertegenwoordigd in de Business
Advisory Group is positief over het Side-by-Side-pakket.3 Op ambtelijk niveau is veelvuldig in verschillende gremia gesproken met het Nederlandse
bedrijfsleven over Pijler 2. Daarbij is ook gesproken over de positie van jurisdicties
die Pijler 2 niet hebben ingevoerd en het belang van een gelijk speelveld. Ook heeft
het Nederlandse bedrijfsleven aandacht gevraagd voor administratieve lasten en de
stabiliteit van het internationale belastingsysteem. Het Nederlandse bedrijfsleven
zal sommige elementen van het Side-by-Side-pakket positief waarderen, zoals de verlenging
van de tijdelijke veiligehavenregel op basis van een kwalificerend landenrapport en
de gunstige behandeling van kwalificerende belastingprikkels. Anderzijds wijst het
bedrijfsleven erop dat Amerikaanse multinationals in voorkomende gevallen minder belasting
over hun buitenlandse winsten kunnen betalen dan onder Pijler 2 het geval zou zijn.
Het kabinet erkent het belang dat niet-implementerende jurisdicties zich niet voordeliger
kunnen positioneren ten opzichte van jurisdicties die wel Pijler 2 implementeren.
Nederland heeft tijdens de onderhandelingen ook ingezet op het behoud van een gelijk
speelveld en het concurrentievermogen van het Europese en Nederlandse bedrijfsleven.
Uitgangspunt van het Side-by-Side-systeem is uiteindelijk dat de effectieve belastingdruk
voor multinationale ondernemingen vergelijkbaar uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende
gelijkwaardige belastingstelsels. Het kabinet wijst in dit verband op de onveranderde
werking van de binnenlandse bijheffing. Dit is positief voor het gelijke speelveld
en voor het waarborgen van de beleidsdoelstellingen van Pijler 2, aangezien alle multinationale
groepen onderworpen kunnen zijn aan een binnenlandse bijheffing – voor zover die wordt
geheven in jurisdicties waarin zij opereren – ongeacht de locatie van het hoofdkantoor.
Het is van belang dat onder het Side-by-Side-systeem een prikkel blijft bestaan voor
jurisdicties om een binnenlandse bijheffing te behouden dan wel in te voeren. Mede
daarom hecht het kabinet aan de toekomstige evaluatie om te volgen hoe het Side-by-Side-systeem
in de praktijk uitpakt en als nodig maatregelen te nemen om risico’s met betrekking
tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving te ondervangen.
In het bijzonder vindt het kabinet het belangrijk om in het oog te houden dat Nederlandse
multinationals onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren met lokale ondernemingen
in een Side-by-Side veilige haven jurisdictie.
Vraag 17
In hoeverre leidt deze uitzonderingspositie er naar uw oordeel toe dat Nederlandse
en Europese ondernemingen structureel op achterstand komen ten opzichte van Amerikaanse
concurrenten?
Antwoord 17
De positie, in het bijzonder de fiscale positie, van Nederlandse en Europese ondernemingen
hangt af van verscheidene nationale en internationale factoren. Het kabinet denkt
niet dat Nederlandse en Europese ondernemingen als gevolg van de Side-by-Side veiligehavenregel
structureel op achterstand komen. Uitgangspunt van het Side-by-Side-systeem is in
ieder geval dat de effectieve belastingdruk voor multinationale ondernemingen vergelijkbaar
uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende gelijkwaardige belastingstelsels.
Daarnaast zal het IF een evaluatie («stocktake») uitvoeren die in 2029 moet worden afgerond, op basis van een objectief en een op
data gebaseerd proces. Het IF verbindt zich er ook toe om gerichte oplossingen te
overwegen wanneer zich bepaalde risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld
voordoen. Het kabinet vindt deze evaluatie van groot belang.
Vraag 18
Welke concrete maatregelen onderneemt u om te voorkomen dat Nederland economisch nadeel
ondervindt van de uitzonderingspositie voor de Verenigde Staten?
Antwoord 18
Het is voorbarig om op voorhand te stellen dat Nederland een beduidend economisch
nadeel ondervindt als gevolg van de Side-by-Side veiligehavenregel zoals ook in de
beantwoording van vraag 17 geschetst. Het IF zal een evaluatie («stocktake») uitvoeren die in 2029 moet worden afgerond, op basis van een objectief en een op
data gebaseerd proces. Het IF verbindt zich er ook toe om gerichte oplossingen te
overwegen wanneer zich bepaalde risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld
voordoen. Het kabinet vindt deze evaluatie van groot belang.
Vraag 19
Acht u het wenselijk dat Nederland onderdeel blijft van internationale afspraken die
ertoe kunnen leiden dat het Nederlandse vestigingsklimaat minder aantrekkelijk wordt
en Nederlandse bedrijven in een nadeliger positie komen ten opzichte van Amerikaanse
ondernemingen?
Antwoord 19
Het kabinet vindt dat afspraken over onder meer het tegengaan van belastingontwijking
door multinationals, zoals de wereldwijde minimumbelasting, het beste in mondiaal
verband kunnen worden gemaakt. Dit is van groot belang voor de effectiviteit en stabiliteit
van het internationale belastingstelsel. De OESO-modelregels voor de wereldwijde minimumbelasting
zijn binnen de Europese Unie opgenomen in Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van
14 december 2022 tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing
voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen
in de Unie. Nederland heeft deze richtlijn geïmplementeerd door middel van de Wet
minimumbelasting 2024. Nederland is hiermee gehouden aan de regels van de wereldwijde
minimumbelasting. Nog los daarvan: in het hypothetische geval waarin Nederland de
regels van de minimumbelasting niet zou toepassen, zouden andere jurisdicties de minimumbelasting
die Nederland als gevolg daarvan niet zou heffen, wel kunnen heffen. Het kabinet is
daarnaast van mening dat het opnemen van de het Side-by-Side pakket in de Nederlandse
wetgeving zorgt voor eenduidigheid en belastingplichtigen zekerheid biedt, wat ook
ten goede kan komen aan het vestigingsklimaat.
Vraag 20
Hoe beoordeelt u, in het licht van deze uitzonderingspositie, de haalbaarheid en geloofwaardigheid
van toekomstige mondiale belastingafspraken wanneer de Verenigde Staten structureel
een eigen uitzonderingspositie afdwingen en andere landen zich daaraan aanpassen?
Antwoord 20
Het kabinet vindt dat afspraken over onder meer het tegengaan van belastingontwijking
door multinationals of de uitwisseling van gegevens tussen landen het beste in mondiaal
verband kunnen worden gemaakt. Dit is van groot belang voor de effectiviteit en stabiliteit
van het internationale belastingstelsel. De betrokkenheid van de Verenigde Staten
is daarbij van groot belang, zeker voor zover hun belastingsysteem als gelijkwaardig
kan worden gezien.
Vraag 21
Kunt u deze vragen binnen twee weken en elk van de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Antwoord 21
De vragen zijn elk afzonderlijk beantwoord. Helaas is het niet gelukt om de vragen
binnen de gebruikelijke termijn te beantwoorden.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
E.H.J. Heijnen, staatssecretaris van Financiën -
Mede namens
V.P.G. Karremans, minister van Economische Zaken
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.