Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Van Eijk over het bericht ‘Landen maken knieval voor regering-Trump met nieuwe belastingregels, Nederland loopt 120 miljoen euro mis.’
Vragen van het lid Van Eijk (VVD) aan de Staatssecretaris van Financiën over het bericht «Landen maken knieval voor regering-Trump met nieuwe belastingregels, Nederland loopt 120 miljoen euro mis» (ingezonden 12 januari 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Heijnen (Financiën), mede namens de Minister van Economische
Zaken (ontvangen 3 februari 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Landen maken knieval voor regering-Trump met nieuwe
belastingregels, Nederland loopt 120 miljoen euro mis»1?
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Klopt het dat het OECD Pillar 2 Side-by-Side Package niet alleen administratieve vereenvoudigingen
bevat, maar ook materiële safe harbours introduceert die de werking van de Global
Minimum Tax wezenlijk beperken?
Antwoord 2
Het Side-by-side pakket bestaat uit de volgende onderdelen:
1. maatregelen waarmee bepaalde belastingstelsels onder voorwaarden kunnen worden gekwalificeerd
als equivalent aan Pijler 2 (het zogenoemde «Side-by-Side-systeem»);
2. vereenvoudigingsmaatregelen;
3. afspraken over een gunstige behandeling van bepaalde fiscale regelingen voor bedrijven
met reële economische activiteit.
In het akkoord van het Inclusive Framework (IF) van 5 januari 2026 over het Side-by-Side-pakket,
in het bijzonder het Side-by-Side-systeem, wordt de nadruk gelegd op het belang van
Pijler 2 als het primaire systeem voor het waarborgen van een minimumniveau van belastingheffing.
Dit gemeenschappelijke systeem is met reden zorgvuldig ontworpen, waarbij de bijheffing
tot het minimumbelastingtarief van 15% op een gecoördineerde manier wordt berekend
op basis van een internationaal afgesproken belastinggrondslag. De Nederlandse inzet
was er op gericht om afwijkingen van het gemeenschappelijke systeem tot een minimum
te beperken. Tegelijkertijd ziet het kabinet het overkoepelende belang van het in
stand houden van een netwerk van minimumbelastingen in een zo groot mogelijk internationaal
verband, ook als dat betekent dat tegemoetgekomen wordt aan andere jurisdicties die
een belastingstelsel hebben dat een minimumniveau van belastingheffing waarborgt.
De internationaal gecoördineerde uitleg van de Pijler 2-regels zorgt voor eenduidigheid
en biedt belastingplichtigen zekerheid. Daarnaast bevat het Side-by-Side-pakket waarborgen
zodat geen afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen van de Pijler 2-regels.
Vraag 3
Deelt u de analyse dat met name Amerikaans-geleide multinationale ondernemingen door
de Side-by-Side Safe Harbour en de UPE Safe Harbour feitelijk worden afgeschermd van
bijheffing onder de IIR en/of UTPR, terwijl EU-geleide groepen volledig onder het
regime blijven vallen?
Antwoord 3
De inkomen-inclusiemaatregel en de onderbelastewinstmaatregel zijn op grond van de
Side-by-Side veiligehavenregel niet van toepassing op entiteiten die deel uitmaken
van een multinationale groep met een uiteindelijkemoederentiteit (hoofdkantoor) in
de VS. Omdat de VS al als een kwalificerende Side-by-Side-jurisdictie zijn aangemerkt,
is de UPE veiligehavenregel niet aan de orde. Daarbij merkt het kabinet op dat het
van belang is dat niet-implementerende jurisdicties zich niet voordeliger kunnen positioneren
ten opzichte van jurisdicties die wel Pijler 2 implementeren. Uitgangspunt van het
Side-by-Side-systeem is in ieder geval dat de effectieve belastingdruk voor multinationale
ondernemingen vergelijkbaar uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende gelijkwaardige
belastingstelsels. Het is positief dat robuuste en strikte criteria zijn afgesproken
voor de Side-by-Side veiligehavenregel. Ook hecht het kabinet aan de onveranderde
werking van de binnenlandse bijheffingsmaatregel. Dit is positief voor het gelijke
speelveld en voor het waarborgen van de beleidsdoelstellingen van Pijler 2, aangezien
alle multinationale groepen onderworpen kunnen zijn aan een binnenlandse bijheffing
– voor zover die wordt geheven in jurisdicties waarin zij opereren – ongeacht de locatie
van het hoofdkantoor. Het is van belang dat onder het Side-by-Side-systeem een prikkel
blijft bestaan voor jurisdicties om een binnenlandse bijheffing te behouden dan wel
in te voeren. Mede daarom hecht het kabinet aan de toekomstige evaluatie om te volgen
hoe het Side-by-Side-systeem in de praktijk uitpakt en als nodig maatregelen te nemen
om risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving
te ondervangen. In het bijzonder vindt het kabinet het belangrijk om in het oog te
houden dat Nederlandse multinationals onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren
met lokale ondernemingen in Side-by-Side veiligehaven-jurisdicties.
Vraag 4
Acht u dit verschil in behandeling verenigbaar met het beginsel van gelijke behandeling
en het streven naar een level playing field binnen de interne markt?
Antwoord 4
Binnen de Europese Unie is Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 14 december 2022
tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van
multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie van toepassing.
Ingevolge de richtlijn hebben 22 EU-lidstaten de minimumbelasting ingevoerd met inbegrip
van de binnenlandse bijheffing. Vijf lidstaten met minder dan twaalf hoofdkantoren
hebben gebruik gemaakt van de uitstelmogelijkheid van artikel 50 van de richtlijn.2 Multinationale groepen zijn binnen de EU in het overgrote deel van de gevallen onderworpen
aan een binnenlandse bijheffing over laagbelaste winsten ongeacht de locatie van het
hoofdkantoor.
Vraag 5
Kan het SbS Package erin resulteren dat (Nederlandse) bedrijven hun hoofdkantoor verplaatsen
naar een Side-by-Side land teneinde te kunnen profiteren van de regeling?
Antwoord 5
Het kabinet stelt voorop dat meerdere factoren van belang zijn om een hoofdkantoor
in een bepaalde jurisdictie te vestigen. De fiscaliteit is een van die factoren. Het
tarief voor de vennootschapsbelasting bedraagt 25,8%, hetgeen boven het EU-gemiddelde
is. Pijler 2 behoort ook tot de fiscale regelingen die in de overweging kunnen worden
betrokken, maar er zijn ook andere factoren die voor een jurisdictie van belang kunnen
zijn. Wat betreft de invloed van het Side-by-Side pakket, is het volgende van belang.
Met het akkoord over het Side-by-Side-pakket is vooralsnog alleen het Amerikaanse
belastingstelsel aangemerkt als een kwalificerend Side-by-Side-regime. Op grond van
de Side-by-Side veiligehavenregel zullen de landen die Pijler 2 hebben ingevoerd niet
bijheffen op grond van de inkomen-inclusiemaatregel of de onderbelaste winstmaatregel
over de laagbelaste winst van entiteiten die deel uitmaken van een multinationale
groep met een hoofdkantoor in de VS. Niettemin kan op grond van de binnenlandse bijheffingsmaatregel
worden bijgeheven tot het effectieve minimumbelastingtarief van 15%. Deze binnenlandse
bijheffingsmaatregel blijft onverkort gehandhaafd onder het Side-by-Side-systeem ten
aanzien van laagbelaste entiteiten die deel uitmaken van een multinationale groep
met een hoofdkantoor in de VS. Veel jurisdicties hebben de binnenlandse bijheffing
ingevoerd of zijn daarmee bezig. Op dit moment kennen zo’n zestig jurisdicties een
binnenlandse bijheffing. Daarnaast is voor de belastingpositie van dochterondernemingen
in de Verenigde Staten van niet-Amerikaanse multinationals van belang dat de overeengekomen
gunstige behandeling van Substance Based Tax Incentives ertoe leidt dat niet-Amerikaanse multinationals niet of in mindere mate zullen worden
geconfronteerd met bijheffing ten aanzien van hun dochterondernemingen in de Verenigde
Staten. Dit betekent dat zij in die gevallen fiscaal gezien onder grotendeels dezelfde
omstandigheden kunnen blijven opereren als Amerikaanse ondernemingen. Vanwege de binnenlandse
bijheffing in buitenlandse jurisdicties en de gunstige behandeling van Substance-Based Tax Incentives wordt het risico op verplaatsing van hoofdkantoren naar de VS louter als gevolg van
het Side-by-Side-pakket beperkt. Ten slotte, eventuele wijzigingen in de vennootschapsstructuur
om bijheffing te ontgaan, kan het IF meenemen in de toekomstige evaluatie.
Vraag 6
Bent u voornemens het SbS Package in de Europese Unie te implementeren via artikel 32
van de Pillar Two-richtlijn? Zo ja, hoe voorkomt u dat deze bepaling daarmee wordt
gebruikt voor inhoudelijke beleidswijzigingen in plaats van louter administratieve
vereenvoudiging?
Antwoord 6
De OESO-regels over de minimumbelasting, in de vorm van de OESO-modelregels, commentaar
of de nadere regelgeving in de vorm van administratieve richtsnoeren, werken niet
direct door in de Nederlandse rechtsorde. Het IF noch de OESO kunnen bindende wetgeving
vaststellen. Het kabinet zal de nadere regelgeving vanuit de OESO daarom telkens beoordelen
en aan de hand daarvan – van geval tot geval – bepalen of de wettekst en de toelichting
van de Wet minimumbelasting 2024 aanpassing behoeven.3 Dit geldt ook voor het thans afgesproken Side-by-Side pakket. Het kabinet is voornemens
om het Side-by-Side pakket in een separaat wetsvoorstel uit te werken, zoals in de
Kamerbrief van 5 januari is aangekondigd. De Europese Commissie heeft in haar mededeling
van 12 januari 2026 het Side-by-Side pakket erkend en de toepassing ervan in het kader
van Richtlijn (EU) 2022/2523 bevestigd.4 Richtlijn (EU) 2022/2523 is dan ook geen beletsel om de bepalingen van het Side-by-Side
pakket in de Wet minimumbelasting 2024 op te nemen. Overigens ziet artikel 32 van
de richtlijn op de toepassing door EU-lidstaten van een kwalificerende internationale
overeenkomst inzake veilige havens waarmee alle EU-lidstaten hebben ingestemd. Daarbij
is geen beperking opgenomen tot louter administratieve vereenvoudiging.
Vraag 7
Bent u voornemens om zo snel mogelijk een verzoek te doen voor kwalificatie van het
Nederlandse stelsel voor de Side-by-Side Safe Harbour en de Qualified UPE Safe Harbour?
Zo nee, waarom niet?
Antwoord 7
Nee. In Nederland zijn de Pijler 2-regels van toepassing in de vorm van de Wet minimumbelasting
2024. Daarom is er voor Nederland geen reden om een verzoek te doen voor kwalificatie
van het Nederlandse stelsel voor de Side-by-Side veiligehavenregel en de UPE veiligehavenregel.
Vraag 8
Hoe beoordeelt u de verenigbaarheid van deze dynamische verwijzing naar OECD-soft
law met de Meroni-jurisprudentie van het Hof van Justitie, die delegatie van discretionaire
bevoegdheden van politieke aard verbiedt?
Antwoord 8
De vraag wordt zo geïnterpreteerd dat met «deze dynamische verwijzing» artikel 32
van Richtlijn (EU) 2022/2523 wordt bedoeld. De Europese Commissie heeft in haar mededeling
van 12 januari 2026 het Side-by-Side pakket erkend en de toepassing ervan in het kader
van Richtlijn (EU) 2022/2523 bevestigd. Richtlijn (EU) 2022/2523 is dan ook geen beletsel
om de bepalingen van het Side-by-Side pakket in de Wet minimumbelasting 2024 op te
nemen.
Vraag 9
Kunt u toelichten hoe rechtszekerheid voor belastingplichtigen wordt gewaarborgd,
nu de kwalificatie van een «Qualified SbS Regime» berust op open en subjectieve criteria
zoals een «materieel risico» en een «pragmatische, holistische beoordeling over tijd»?
Antwoord 9
Het IF bepaalt of een regime als een Qualified Side-by-Side-regime kan worden aangemerkt.
Welke regimes daarvoor in aanmerking komen, zal centraal worden bijgehouden. Belastingplichtigen
kunnen zich hierdoor op de hoogte stellen welke regimes als een Qualified Side-by-Side-regime
kunnen worden aangemerkt.
Vraag 10
Deelt u de zorg dat de vaststelling van een «Qualified SbS Regime» plaatsvindt buiten
de EU-rechtsorde, zonder effectieve rechterlijke toetsing, terwijl deze vaststelling
directe gevolgen heeft voor de toepassing van EU-belastingregels?
Antwoord 10
De Europese Commissie heeft in haar mededeling van 12 januari 2026 het Side-by-Side
pakket erkend en de toepassing ervan in het kader van Richtlijn (EU) 2022/2523 bevestigd.
Het Hof van Justitie van de EU is in hoogste instantie bevoegd om het EU-recht uit
te leggen. Dat geldt ook voor de uitleg van Richtlijn 2022/2523.
Vraag 11 en 12
Heeft u laten toetsen of de SbS- en UPE-safe harbours kunnen kwalificeren als selectieve
staatssteun? Zo ja, wat waren de uitkomsten? Zo nee, waarom niet?
Onderschrijft u dat, indien deze safe harbours als ongeoorloofde staatssteun zouden
worden aangemerkt, lidstaten gehouden kunnen zijn tot terugvordering van belastingvoordelen,
met mogelijk aanzienlijke retroactieve belastingclaims tot gevolg?
Antwoord 11 en 12
In het Werkingsverdrag betreffende de Europese Unie (VWEU) is vastgelegd aan welke
voorwaarden voorstellen tot EU regelgeving moeten voldoen, zo ook aan de staatssteunregels
(artikelen 107 e.v. VWEU). Lidstaten mogen er vanuit gaan dat de Europese Commissie
regelgeving conform het VWEU voorstelt en daarbij geen strijd met de regelgeving met
betrekking tot staatssteun ontstaat. In dit verband verwijs ik naar de mededeling
van 12 januari 2026, van de Europese Commissie (zie antwoord bij vraag 8).
Vraag 13
Bent u bereid de Kamer te informeren over de juridische risico’s van implementatie
van het SbS Package en toe te zeggen dat Nederland zich in EU-verband zal verzetten
tegen elke implementatie die verder gaat dan zuivere administratieve vereenvoudiging?
Antwoord 13
Het kabinet is voornemens om het Side-by-Side pakket in een separaat wetsvoorstel
uit te werken, zoals in de Kamerbrief van 5 januari is aangekondigd. Dit wetsvoorstel
zal naar verwachting vóór de zomer van 2026 worden ingediend bij uw Kamer. De Europese
Commissie heeft in haar mededeling van 12 januari 2026 het Side-by-Side pakket erkend
en de toepassing ervan in het kader van Richtlijn (EU) 2022/2523 bevestigd. Richtlijn
(EU) 2022/2523 is dan ook geen beletsel om de bepalingen van het Side-by-Side pakket
in de Wet minimumbelasting 2024 op te nemen. Overigens ziet artikel 32 van de richtlijn
op de toepassing door EU-lidstaten van een kwalificerende internationale overeenkomst
inzake veilige havens waarmee alle EU-lidstaten hebben ingestemd. Daarbij is geen
beperking opgenomen tot zuivere administratieve vereenvoudiging.
Vraag 14
Klopt het dat door het SbS Package Nederland 120 miljoen euro aan belastinginkomsten
misloopt? Zo ja, waren deze inkomsten reeds ingeboekt in het inkomstenkader? Kunt
u het verloop van de ramingen en de bijstellingen vanaf moment van opvoeren van de
inkomsten uit de Wet minimumbelasting 2024 met de Kamer delen?
Antwoord 14
Bij de invoering in 2024 is geraamd dat Pijler 2 voor een structurele opbrengst van
€ 466 miljoen voor Nederland zou zorgen.5 Deze inkomsten zijn met aanname van de Wet minimumbelasting 2024 definitief ingeboekt
in het inkomstenkader. Sinds 2024 maken de inkomsten uit pijler 2 daarmee deel uit
van het basispad. De sindsdien aangebrachte wijzigingen in de Wet minimumbelasting
2024 hadden geen budgettaire gevolgen.
Met dit IF-akkoord is de situatie veranderd. De afgesproken aanpassingen leiden tot
een budgettaire derving ten opzichte van het basispad. De derving van dit akkoord
is voorlopig geraamd op circa € 120 miljoen per jaar. Bij de indiening van het wetsvoorstel
ter uitvoering van dit akkoord zal, zoals gebruikelijk, een herijking plaatsvinden
van deze budgettaire raming.
Ondanks deze budgettaire derving ten opzichte van het basispad, blijft de geraamde
opbrengst van Pijler 2 voor Nederland ruimschoots positief. De verwachting blijft
dat Nederland dankzij Pijler 2 uiteindelijk beter af is doordat fiscaal gedreven investeringen
en fiscaal gedreven winstverschuiving zullen afnemen. Zonder dit akkoord zou de toekomst
van Pijler 2 onzeker zijn, waarbij de gehele Pijler 2-opbrengst op de tocht zou staan.
Een recent rapport van de OESO laat zien dat het wereldwijde gemiddelde vennootschapsbelastingtarief
sinds de afspraken over Pijler 2 nu drie jaren op rij licht is gestegen, na tientallen
jaren van daling.6 In een scenario zonder Pijler 2 zou een nieuwe race naar de bodem kunnen ontstaan,
met grote druk om de tarieven in de Nederlandse vennootschapsbelasting te verlagen.
Gegeven de huidige opbrengsten uit de vennootschapsbelasting van bijna € 50 miljard
per jaar, zou een dergelijk scenario aanzienlijke consequenties voor de schatkist
hebben.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
E.H.J. Heijnen, staatssecretaris van Financiën -
Mede namens
V.P.G. Karremans, minister van Economische Zaken
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.