Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. de geannoteerde Agenda van de Informele bijeenkomst van Milieuministers van 5 en 6 februari 2026 (Kamerstuk 21501-08-1022)
21 501-08 Milieuraad
Nr. 1023
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 3 februari 2026
De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat heeft een aantal vragen en opmerkingen
voorgelegd aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat en de Minister
van Klimaat en Groene Groei over de geannoteerde agenda van de Milieuraad van 5 en
6 februari 2026 (Kamerstuk 21 501-08, nr. 1022) en het verslag van de Milieuraad van 16 december 2025 (Kamerstuk 21 501-08, nr. 1021).
De vragen en opmerkingen zijn op 29 januari 2026 aan de Staatssecretaris van Infrastructuur
en Waterstaat en de Minister van Klimaat en Groene Groei voorgelegd. Bij brief van
3 februari 2026 zijn de vragen beantwoord.
De fungerend voorzitter van de commissie, P. de Groot
Adjunct-griffier van de commissie, Van der Graaf
Vraag 1
De leden van de D66-fractie verwelkomen de mededeling van de Europese Commissie over
de circulariteit van plastics en het geplande steunpakket voor de recyclingindustrie.
Naar aanleiding van de geannoteerde agenda hebben deze leden echter nog enkele prangende
vragen: welke harde randvoorwaarden acht de Staatssecretaris noodzakelijk bij de toepassing
van de geactualiseerde massabalansregels voor chemische recycling om greenwashing
te voorkomen en de transparantie en controleerbaarheid te waarborgen? Hoe borgt de
Staatssecretaris dat chemische recycling daadwerkelijk complementair blijft aan hoogwaardige
mechanische recycling en niet leidt tot verdringing van bestaande circulaire ketens?
Erkent de Staatssecretaris dat, ondanks enkele sectorspecifieke verplichtingen, het
huidige beleid nog grotendeels leunt op vrijwillige maatregelen? Acht de Staatssecretaris
dit voldoende om structurele vraag naar recyclaat te creëren, of is de Staatssecretaris
bereid zich in te zetten voor verplichte minimumaandelen recyclaat in de komende EU-productregelgeving onder de Circular Economy Act? Kan de Staatssecretaris bevestigen dat
hij dit specifiek zal agenderen om een harde marktgarantie voor recyclers te creëren?
Antwoord
Het is allereerst belangrijk dat gerecycled plastic dat wordt toegepast als brandstof
niet mag meetellen voor het gehalte gerecycled plastic in nieuw plastic. Daarom steunt
het kabinet het door de Commissie voorgestelde allocatiemodel «fuel use exempt», waarbij
brandstofgebruik expliciet van de regels wordt uitgesloten. Daarnaast is het belangrijk
dat de regels in de praktijk gehandhaafd worden, waarbij de administratieve lasten
voor het bedrijfsleven niet disproportioneel mogen worden verhoogd. Het kabinet is
van mening dat het voorstel van de Commissie hier een goede balans in heeft gevonden.
Het kabinet is van mening dat chemische recycling een noodzakelijke aanvulling op
mechanische recycling is en daarmee een belangrijk onderdeel van een circulaire plasticketen.
Plastic dat niet recyclebaar is, of niet geschikt is voor hoogwaardige mechanische
recycling, of vrijkomt als reststroom bij mechanische recycling, wordt nu nog vaak
verbrand. Met chemische recycling kunnen die plastic afvalstromen alsnog verwerkt
worden tot grondstoffen voor de productie van nieuw hoogwaardig plastic. Het kabinet
acht de kans op verdringing van mechanische door chemische recycling klein, omdat
chemische recycling significant hogere kosten kent dan mechanische recycling.
Op dit moment is het toepassen van gerecycled plastic enkel verplicht in de Single Use Plastic (SUP)-richtlijn.1 Daarmee berust het toepassen van recyclaat in grote mate op vrijwilligheid. Dit beeld
zal de komende jaren echter significant wijzigen. In 2030 treden de recyclaatverlichtingen
van de Verpakkingenverordening2 in werking. Daarna volgen ook de recyclaatverplichtingen van de Circulaire voertuigenverordening3. Tot slot volgen er mogelijk ook recyclaatverplichtingen bij nog uit te onderhandelen
Europese wetgeving, zoals textiel onder de Ecodesign voor Duurzame Producten (ESPR)
en de aankomende Circular Economy Act (CEA)4.
Het kabinet is van mening dat aankomende Europese regelgeving de recyclaatmarkt structureel
zal verbeteren. Dit neemt echter niet weg dat de situatie van plasticrecyclers, die
nu al jaren slecht is, een urgent probleem is dat niet kan wachten op de structurele
verbetering van de markt door wetgeving die pas over jaren van kracht wordt. Daarom
bepleit het kabinet onder andere verplichte aandelen minimum recyclaat in de CEA.
Ook is het belangrijk de Europese recyclaatmarkt te beschermen tegen oneerlijke handelspraktijken.
Tegelijkertijd blijft conformiteit met de internationaalrechtelijke verplichtingen
een randvoorwaarde en heeft het kabinet aandacht voor de impact van EU-maatregelen
op de handelsbetrekkingen met derde landen.
Vraag 2
De leden van de D66-fractie maken zich grote zorgen over onder geprijsde importen
uit derde landen die bijdragen aan het faillissement van Europese recyclers. Acht
de Staatssecretaris de aangekondigde «Import Surveillance Task Force» en de huidige antidumpingmaatregelen voldoende om deze oneerlijke concurrentie op
de Europese recyclaatmarkt tegen te gaan? Of zijn aanvullende handelsmaatregelen nodig,
en zo ja, welke? Is de Staatssecretaris bereid om zich binnen de EU actief in te zetten
voor een gerichte investeringsagenda voor recyclingcapaciteit en innovatieve circulaire
technologieën, vergelijkbaar met de aanpak voor andere strategische industrieën (zoals
chips of waterstof)? Kan de Staatssecretaris toelichten via welke instrumenten hij
dit wil bereiken en hoe de beoogde Trans-Regional Circularity Hubs hieraan bijdragen?
Antwoord
Duidelijk is dat plasticrecyclers te maken hebben met goedkoper geïmporteerd virgin
plastic (uit fossiele brandstoffen), een overschot aan te recyclen materialen, en
stevige en deels oneerlijke concurrentie uit derde landen en hoge energieprijzen.
Daarom roept het kabinet al langer de Commissie op om gebruik te maken van het handelsdefensief
instrumentarium waar dit nodig is.
Het is op dit moment niet geheel in te schatten of de aangekondigde maatregelen voldoende
zullen zijn. Verdere uitwerking hiervan is nodig. Het kabinet wacht deze voorstellen
af en zal deze bij verdere uitwerking nader beoordelen, met daarbij onder andere aandacht
voor de concurrentiepositie van Europese bedrijven, de impact op de handelsrelaties
met derde landen en de verplichtingen in EU-handelsakkoorden.
In de mededeling bij het plastic winterpakket wijst de Europese Commissie op het belang
van investeringen in de circulaire economie (zie ook het antwoord op vraag 4). Het
kabinet onderstreept het belang van investeringen in de circulaire economie. In het
non-paper voor de CEA (zie voetnoot 4) vraagt het kabinet hier ook aandacht voor.
Daarbij is het ook nodig investeringszekerheid te vergroten, door bijvoorbeeld verbeterde
samenwerking in ketens, het stellen van lange-termijn doelen, het bieden van zekerheid
via stabiele Europese wetgeving, en het versterken van de Europese interne markt.
De ontwikkeling van Trans-Regional Circularity Hubs kan hier daarom positief aan bijdragen, net als de voorstellen voor einde-afval criteria
voor plastics en het voorstel voor massabalansregels uit het plastic winterpakket,
alsook de aankomende CEA.
Vraag 3
De leden van de CDA-fractie merken op dat de Europese Commissie onlangs een pakket
heeft gepubliceerd om de circulariteit van plastics te promoten. Ook de einde-afval-criteria
voor mechanisch plasticrecyclaat komen daar in terug. Door aangepaste regels die in
alle EU-lidstaten hetzelfde zijn, moet het makkelijker worden om plasticrecyclaat
binnen Europa te verhandelen en ontstaat er een gelijk speelveld voor bedrijven. Deze
leden vinden het belangrijk dat deze maatregelen, waaronder de einde-afval-criteria
en de massabalansregels voor chemische recycling, zo snel mogelijk worden ingevoerd.
Zij vragen de Staatssecretaris wat in dat kader een realistisch tijdpad zou kunnen
zijn voor de definitieve invoering van onder andere de einde-afval-criteria in Nederland
en in de rest van de EU.
Antwoord
Op dit moment is er nog geen definitief tijdpad te schetsen voor de inwerkingtreding
van de einde-afval-criteria voor plastic. Met het winterpakket heeft de Commissie
hiervoor een conceptvoorstel voorgelegd ter consultatie. Hierbij geeft de Commissie
aan dat de Commissie de einde-afval-criteria voor plastic op 1 juli 2026 in werking
wil laten treden. Of dit haalbaar is, zal ook afhangen van de reacties die de Commissie
heeft ontvangen in de recente publieke consultatie. De Commissie zal n.a.v. deze reacties
immers een definitief voorstel moeten doen. Daarna kan verdere vaststelling plaatsvinden
via de daarvoor geldende procedures. Een bredere inzet op einde-afval wordt verwacht
in de Circular Economy Act, die gepland staat voor het derde kwartaal van dit jaar.
Over het voorstel voor de massabalansregels zal begin februari worden gestemd in het
hiervoor relevante expertcomité. Bij een positieve uitkomst van de stemming, kan de
Commissie de uitvoeringshandeling daarna vaststellen. Afhankelijk van wanneer de Commissie
vervolgens deze uitvoeringshandeling daadwerkelijk vaststelt, zouden de regels 20 dagen
hierna in werking treden en zou inwerkingtreding einde van het eerste kwartaal mogelijk
zijn.
Vraag 4
De leden van de CDA-fractie constateren dat de Europese Commissie tevens van plan
is om investeringen in de innovatie en opschaling van circulaire technologieën, waaronder
recycling, te versterken. De uitwerking van deze plannen volgt nog. Deze leden vragen
wat de Staatssecretaris, in afwachting van de verdere uitwerking al kan vertellen
over de doelstellingen van deze investeringen, op welke termijn de uitrol wordt verwacht
en welke rol hij ziet weggelegd voor het bedrijfsleven bij de uitvoering ervan.
Antwoord
In de recente mededeling van het plastic winterpakket kondigt de Europese Commissie
geen concreet investeringspakket aan. Wel onderschrijft de Commissie het belang van
investeringen in de circulaire economie. Ook wijst de Commissie o.a. naar haar voorstel
voor het Meerjarig Financieel Kader (MFK), waarover momenteel wordt onderhandeld,
en de investeringen hierin onder de huidige EU-begroting.
Daarnaast stelt de Commissie dat de voorgestelde maatregelen, zoals de hierboven genoemde
regels voor einde-afval, bij kunnen dragen aan de investeringszekerheid van de circulaire
transitie. Ook de Transregional Circularity Hubs kunnen aan deze investeringszekerheid bijdragen, door bijvoorbeeld opschaling van
circulaire processen en verbeterde samenwerking tussen bedrijven en regio’s. Het kabinet
benadrukt hierbij het belang dat uitwerking van relevante maatregelen aansluit bij
de (investerings)behoefte van het bedrijfsleven en andere stakeholders. Het kabinet
kijkt daarom uit naar het verdere voorstel voor deze hubs, dat later dit kwartaal
wordt verwacht.
Vraag 5
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie en de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
vinden het positief om te lezen dat het belang van de transitie naar een circulaire
economie hoog op de agenda in Europa lijkt te staan. Tegelijkertijd zijn deze leden
teleurgesteld in de voorgenomen scope van de Circulaire Economie wet, waar de focus
vooral ligt op de onderkant van de R-ladder, namelijk recycling, in plaats van de
hogere stappen op de R-ladder en dus op het verminderen van gebruik van grondstoffen
voor producten (refuse, rethink, reduce), vervangen en verlengen (re-use, repair,
refurbish, remanufacture, repurpose). Hiermee mist de Europese Commissie de kans om
de transitie daadwerkelijk op gang te brengen: minder gebruiken en hergebruiken (en
daardoor minder extraheren van grondstoffen) zou voorop moeten staan, evenals circulair
ontwerp en levensduurverlenging. Is de Staatssecretaris bereid om zich bij de Milieuraad
in te zetten voor meer aandacht voor stappen hoger op de R-ladder? Zo nee, waarom
niet?
Antwoord
Het kabinet onderschrijft het belang van een inzet op de gehele R-ladder, zowel in
het kader van de Circular Economy Act (CEA) als in andere relevante (wetgevende) instrumenten.
De Nederlandse inzet voor de CEA is opgenomen in het Nederlandse paper hiervoor (zie
ook: voetnoot 4). De CEA staat niet op de agenda van de aankomende informele bijeenkomst
van Milieuministers, maar in aanloop naar de publicatie van de CEA, dat is verwacht
voor het derde kwartaal van dit jaar, vraagt Nederland hier continue aandacht voor
op zowel politiek als ambtelijk niveau. Conform de motie Buijsse5 trekt Nederland hier ook actief samen in op met gelijkgezinde Europese lidstaten.
Het is op dit moment nog niet te overzien in hoeverre de Nederlandse inzet in dit
dossier uiteindelijk zal worden weerspiegeld in het voorstel van de Commissie. Momenteel
is de precieze vorm en inhoud van de CEA nog onduidelijk. De Commissie benadrukt in
ieder geval dat de CEA moet bijdragen aan het versterken van de interne markt voor
secundaire materialen.
Vraag 6
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie en de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
wijzen erop dat er eerder moties zijn aangenomen die het kabinet opdragen om maatregelen
te nemen voor een voortvarende aanpak van fast fashion. De meest recente motie (motie
Kostić, Huidekooper, Zalinyan – december 2025, Kamerstuknummer 21 501-08, nr. 1017) verzocht de regering om zich in de Milieuraad en daarbuiten samen met Frankrijk
in te zetten voor snelle en sterke stappen in de nationale en Europese aanpak van
fast fashion en een paar keer per jaar proactief over de voortgang aan de Kamer te
rapporteren. Kan de Staatssecretaris uitgebreid toelichten welke stappen hij sindsdien
precies heeft ondernomen? Hoe geeft de Staatssecretaris hier uitvoering aan bij de
informele Milieuraad op 5 en 6 februari? En hoe daarna?
Antwoord
Zoals beschreven in het verslag van de Milieuraad van december 2025 heeft het kabinet
de oproep van Frankrijk in de Milieuraad ondersteund. Het onderwerp staat niet op
de agenda van de komende informele bijeenkomst van Milieuministers, maar het kabinet
verkent op dit moment de mogelijkheden om – samen met andere lidstaten, waaronder
Frankrijk – een aanvullend signaal aan Brussel af te geven. Belangrijke punten voor
het kabinet de komende tijd zijn ambitieuze producteisen onder de Kaderverordening
Ecodesign, waaronder een verplicht percentage recyclaat (textiel-tot-textielrecycling)
en een gezamenlijke definitie van (ultra) fast fashion op basis waarvan verdere maatregelen genomen kunnen worden.
Internationale (klimaat)processen
Vraag 7
De leden van de D66-fractie constateren dat de geopolitieke verhoudingen de internationale
voortgang bemoeilijken. Juist nu moet de EU haar rol als mondiale klimaatdiplomaat
opeisen. Op welke manier gaat de Staatssecretaris de Europese handelsmacht inzetten
om internationale partners te blijven stimuleren tot ambitieuze Nationally Determined
Contributions (NDC’s) richting COP31? Hoe kan de EU een «coalition of the willing»
vormen om de 1,5-graad-doelstelling levend te houden, ook buiten de traditionele multilaterale
blokkades om?
Antwoord
Er zijn verschillende manieren waarop klimaat terugkomt in het Europese handelsbeleid.
Zo zet de Europese Commissie in lijn met de mededeling over handel en duurzame ontwikkeling
uit 2022 erop in de Overeenkomst van Parijs als essentieel element op te nemen in
handelsakkoorden.6 Dat betekent dat ernstige schending van de Overeenkomst kan leiden tot het (deels)
opschorten van de handelsvoordelen onder het akkoord. In de recent afgesloten akkoorden
met de Mercosur-landen en Indonesië is deze inzet ook opgenomen in het uiteindelijke
akkoord. Ook in het handelsakkoord met India is klimaat verankerd in het hoofdstuk
Handel en Duurzame Ontwikkeling, dat de EU de mogelijkheid biedt India aan te spreken
op de implementatie van het Klimaatakkoord van Parijs. Daarnaast zijn er ook duurzaamheidsinstrumenten
die (toegang tot) de Europese interne markt gebruiken om verduurzaming tot stand te
helpen brengen. Denk daarbij aan het Carbon Border Adjustment Mechanism, waarbij een koolstofheffing betaald moet worden voor bepaalde geïmporteerde producten
indien de uitstoot nog niet (afdoende) is beprijsd in het exporterende land. Hoewel
dit laatste voorbeeld geen directe gevolgen heeft voor de ambitie die landen neerleggen
in hun NDC’s, maakt ze het wel belangrijker en aantrekkelijker voor derde landen om
hun economie te verduurzamen. Nederland steunt deze inzet van de Europese Commissie.
Nederland en meerdere andere EU-landen zijn actief in de High Ambition Coalition (HAC). Deze groep landen was instrumenteel om de 1,5-graad-doelstelling in de Overeenkomst
van Parijs te krijgen, en speelde een cruciale rol bij de afspraken over het versneld
wegbewegen van fossiele brandstoffen die zijn gemaakt op de COP28 in Dubai. Het kabinet
zal in haar interventie bij deze informele bijeenkomst van Milieuministers oproepen
om als EU onze samenwerking met de HAC te versterken, om inderdaad te zorgen dat het
langetermijndoel binnen bereik blijft. Om dit te kunnen realiseren is het bovendien
belangrijk dat landen hun klimaatplannen en Nationally Determined Contributions uitvoeren. Om de implementatie van gemaakte afspraken over het uitfaseren van fossiele
brandstoffen verder te brengen organiseert Nederland samen met Colombia in april dit
jaar een ministeriële conferentie.
Vraag 8
De leden van de BBB-fractie lezen dat EU-eenheid onder druk staat binnen de Internationale
Maritieme Organisatie (IMO), wat betreft het Net Zero Framework. Kan de Staatssecretaris
toelichten waar deze verdeeldheid over gaat? Hoe gaat de Staatssecretaris voorkomen
dat Nederland strengere maritieme eisen krijgt opgelegd dan concurrerende landen buiten
de EU?
Antwoord
In oktober 2025 heeft de IMO vergaderd over het aannemen van het Net-Zero Framework (NZF). In de verzamelbrief Maritieme Zaken van 26 januari jl.7 bent u geïnformeerd dat de vergadering verdaagd is. Dat besluit is genomen onder
druk. Tijdens de Transportraad van 4 december 2025 is het belang benoemd van een eensgezind
optreden van EU-lidstaten8. Nederland zet zich daar actief voor in. Nederland blijft het NZF onverkort steunen
en zet zich actief in om genoeg steun te verzamelen om het voorstel aan te nemen wanneer
de bijeenkomst wordt hervat. Mondiale regelgeving van de IMO bevordert een gelijk
speelveld.
Samenhang tussen waterweerbaarheid en klimaatadaptatie
Vraag 9
De leden van de D66-fractie schrikken van de cijfers waaruit blijkt dat 25% van de
totale Europese klimaatschade van de afgelopen veertig jaar in de laatste vier jaar
is ontstaan. Zij onderschrijven de conclusie dat investeren in adaptatie vele malen
goedkoper is dan het herstellen van schade achteraf. Deze leden vragen de Staatssecretaris
hoe hij de «dividend-gedachte» – waarbij elke geïnvesteerde euro in overstromingsbescherming
zich verzesvoudigt – vertaalt naar concreet beleid in de Europese Raad.
Antwoord
Het Kabinet onderschrijft het belang van het nemen van maatregelen om schade te voorkomen.
Bij het opstellen en uitvoeren van beleid voor het vergroten van de weerbaarheid tegen
klimaatverandering wordt op basis van risicoanalyses en stresstesten bepaald wat de
risico’s zijn en welk type adaptatie maatregelen daarbij passend zijn.
Daarbij kan het gaan om preventieve maatregelen, maar ook om schadebeperking of crisisbeheersing.
Overwegingen met betrekking tot kosten en baten spelen daarbij een belangrijke rol.
Hoe groter het verschil tussen de kosten voor het herstellen van schade en de kosten
voor het voorkomen van schade, hoe meer het nemen van preventieve maatregelen in de
rede ligt. Dit uitgangspunt zal ook actief in de Milieuraad worden uitgedragen.
Vraag 10
De leden van de D66-fractie verwelkomen de presentatie van het Europees Milieuagentschap
(EMA) over waterweerbaarheid. Welke inzet kiest de Staatssecretaris in de Milieuraad
om, vooruitlopend op het aangekondigde Europese initiatief over klimaatveerkracht
in oktober 2026, te pleiten voor bindende Europese doelstellingen voor klimaatweerbaarheid,
analoog aan de bindende doelen voor emissiereductie? Is de Staatssecretaris bereid
deze inzet actief in de Raad te agenderen, en hoe zal hij zich daarbij hard maken
voor een consequente toepassing en verankering van het «do-no-significant-harm»-principe
in de financiering van grensoverschrijdende waterprojecten?
Antwoord
Het kabinet is voorstander van Europees klimaatadaptatiebeleid, in lijn met de EU-standpunten
zoals weergegeven in het BNC-fiche over de Mededeling beheersing van klimaatrisico’s
(2024).9 Anders dan bij reductie van emissies van broeikasgassen, is het voor klimaatweerbaarheid
niet zinvol om op Europees niveau concrete specifieke doelstellingen te formuleren.
Klimaatverandering pakt in verschillende landen en gebieden verschillend uit, zodat
het nemen van adaptatiemaatregelen vrijwel altijd lokaal maatwerk vereist. Om hier
ruimte aan te geven is het enkel mogelijk om op EU-niveau algemene doelen te stellen,
waarbij de inhoudelijke invulling door de lidstaten dient te geschieden. De inzet
van het kabinet is daarom vooral gericht op het vergroten van het Europese instrumentarium
om lidstaten te ondersteunen sneller klimaatbestendig te worden.
Nadere ondersteuning is ook relevant voor grensoverschrijdende waterprojecten. Nederland
is al actief in grensoverschrijdende samenwerking, bijvoorbeeld via de internationale
riviercommissies. Het kabinet vindt versterking van deze samenwerking met ondersteuning
van de EU belangrijk, bijvoorbeeld in de beschikbare middelen en capaciteit van de
internationale riviercommissies. Het niet toebrengen of beperken van schade bij grensoverschrijdende
waterprojecten is een uitgangspunt, dat ook terug zou moeten komen in de financiering
van dergelijke projecten. Over de toepassing van het Do No Significant Harm-principe
(DNSH) in de nieuwe EU-begroting volgt nog een richtsnoer vanuit de Europese Commissie.
Het is op dit moment nog onduidelijk hoe dit concept wordt vormgegeven binnen de financieringsprogramma’s
van de nieuwe Europese begroting.
Vraag 11
De leden van de BBB-fractie lezen dat er wordt gesproken over een Europese Waterweerbaarheidsstrategie
die gericht is op een «economie die slim met water omgaat» (geannoteerde agenda).
Kan de Staatssecretaris garanderen dat deze strategie niet zal leiden tot nieuwe dwingende
beperkingen voor de agrarische sector wat betreft watergebruik of onttrekking? Hoe
verhoudt dit zich tot de Nederlandse subsidiariteit op het gebied van eigen regionaal
waterbeheer?
Antwoord
De Waterweerbaarheidsstrategie geeft uitgangspunten voor verdere beleidsontwikkeling
binnen de EU op dit vlak. De strategie brengt geen nieuwe juridische verplichtingen
in bestaande programma’s met zich mee en de aanbeveling is niet bindend. Zoals de
strategie nu is verwoord, lijkt het optreden geschikt om de doelstelling van het vergroten
van de weerbaarheid op watergebied binnen de EU te bereiken. Bovendien gaat het voorgestelde
optreden niet verder dan noodzakelijk, omdat de uitvoering aan de lidstaten wordt
overgelaten. Mochten er voorstellen met wetgevingshandelingen vanuit de Commissie
worden gepubliceerd, dan zal het kabinet deze zoals te doen gebruikelijk beoordelen
op hun proportionaliteit.
De strategie heeft beoogd de klimaatbestendigheid van de EU te vergroten en de wateruitdagingen
aan te pakken. Gezien het grensoverschrijdende karakter van de water- en klimaatproblematiek
kan dit onvoldoende door lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau worden
verwezenlijkt. Daarom is een EU-aanpak nodig. Naast acties op lokaal, regionaal, nationaal,
internationaal (binnen de stroomgebieden en samenwerking in rivier- en scheepvaart
commissies) dienen ook op Europees niveau acties te worden ondernomen om een weerbare
samenleving te realiseren. Coördinatie binnen de EU zorgt voor efficiëntieverbeteringen
met name op het gebied van bilaterale en multilaterale samenwerking. Dit is noodzakelijk
voor adequaat, grensoverschrijdend waterbeheer. Om die redenen is optreden op het
niveau van de EU gerechtvaardigd. Mochten er in het vervolg wetgevingsvoorstellen
door de Commissie worden gepubliceerd, dan zal het kabinet deze voorstellen beoordelen
op hun subsidiariteit via het gebruikelijke BNC-fiche.
Vraag 12
De leden van de BBB-fractie lezen er een aanzienlijke «investment gap» voor klimaatadaptatie
is, die oploopt tot 137 miljard euro per jaar. In hoeverre is het kabinet bereid te
voorkomen dat de rekening voor deze miljardeninvesteringen eenzijdig bij de landbouw
en visserij terechtkomt via het «do-no-significant-harm»-principe bij financieringsprogramma’s?
Antwoord
Het Do No Significant Harm-principe (DNSH) heeft als doel dat er geen ernstige afbreuk mag worden gedaan aan bestaande
EU-milieudoelstellingen. Elke sector kent daarin eigen risico’s en kansen. Het kabinet zet zich
ervoor in dat bij de uitwerking van het DNSH-principe rekening wordt gehouden met
een proportionele en uitvoerbare toepassing daarvan, waarbij wordt gekeken naar sectorspecifieke
omstandigheden (met name relevant voor landbouw, visserij en de aquacultuursector)
zoals technologische haalbaarheid en bestaande transitiepaden. Over de toepassing
van het Do No Significant Harm-principe (DNSH) in de nieuwe EU-begroting volgt nog een richtsnoer vanuit de Commissie.
Het is op dit moment nog onduidelijk hoe dit concept wordt vormgegeven binnen de financieringsprogramma’s
van de nieuwe Europese begroting.
Het genoemde «investment gap» van 137 miljard euro is de maximale investering die volgens het Europees Milieuagentschap
(EEA) voor de sectoren transport, energie en landbouw gezamenlijk in de EU nodig is
voor aanpassing aan klimaatverandering bij een hoge uitstoot van broeikasgassen.10 Het grootste deel daarvan is nodig voor investeringen op het gebied van energie.
Voor landbouw komt het EEA uit op 17 miljard euro voor de EU als geheel indien de
uitstoot van broeikasgassen mondiaal sterk blijft stijgen. Het is dus zeker niet zo
dat de gehele investering op het conto van de landbouw komt te liggen.
Vraag 13
De leden van de BBB-fractie lezen dat het Europees Milieuagentschap stelt dat klimaatbeleid
voor de landbouwsector vooral rendement zal opleveren door schade te beperken. Deelt
de Staatssecretaris de opvatting van deze leden dat deze visie en de stapeling van
Europese regelgeving (zoals de Kaderrichtlijn Water en nieuwe adaptatiewetgeving)
de economische levensvatbaarheid van boerenbedrijven juist direct onder druk zet?
Antwoord
Ondernemers in de land- en tuinbouw ervaren nu al de gevolgen van klimaatverandering,
zoals extreme droogte en hitte, wateroverlast of verzilting. Schade aan teelten en
kassen als gevolg van klimaatrisico’s zetten de bedrijfscontinuïteit onder druk en
hebben een negatieve invloed op de economische levensvatbaarheid van agrarische ondernemers.
Met het Actieprogramma Klimaatadaptatie Landbouw (AP KAL) uit 2020, dat onder de Nationale
Adaptatiestrategie (NAS) valt, werkt het kabinet actief aan klimaatweerbaarheid in
de Nederlandse land- en tuinbouw. Het doel van het Actieprogramma is om landbouwondernemers
te ondersteunen en te stimuleren beter met de gevolgen van klimaatrisico’s om te gaan.
Hiermee richt het kabinet zich op het bieden van een duurzaam toekomstperspectief
aan boerenbedrijven.
De Commissie werkt tevens aan een EU-voorstel om de klimaatweerbaarheid van de EU
en haar lidstaten te vergroten. Dit «Europees initiatief inzake klimaatveerkracht
en het beheer van klimaatrisico’s» wordt verwacht in oktober 2026. Het kabinet onderstreept
het belang dat er bij nieuw beleid op gebied van klimaatadaptatie aandacht is voor
de economische gevolgen en de bedrijfscontinuïteit van agrariërs.
Vraag 14
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie en de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
constateren dat de Britse inlichtingendiensten bevestigen dat belangrijke ecosystemen
wereldwijd «op het punt staan om in te storten» en waarschuwen dat dit de nationale
veiligheid van het Verenigd Koninkrijk in gevaar brengt. De inlichtingendiensten constateren
dat nu al steeds meer oogsten mislukken, weerextremen toenemen en steeds vaker besmettelijke
ziektes uitbreken.
Zonder actie kan dit in de nabije toekomst tot onder andere voedseltekorten en stijgende
prijzen leiden. Is de Minister het met de conclusies van de inlichtingendiensten eens
en erkent de Minister dat de aanpak van de klimaat- en biodiversiteitscrisis een kwestie
is van nationale, Europese en internationale veiligheid en voedselzekerheid? Is de
Minister bereid om bij de informele Milieuraad aandacht te vragen voor deze conclusies
van de inlichtingendiensten en samen met collega’s op te trekken in niet alleen sterker
beleid voor klimaatadaptatie, maar ook in het versterken van internationaal en Europees
beleid in het voorkomen van verdere ontwrichtende klimaatverandering? Zo nee, waarom
niet? Omarmt de Minister de conclusies van het Europees Milieuagentschap (EMA) dat
extra beleid (met name op landbouw, transport en energie) vooral rendement zal opleveren
en dat uitstel van actie meer kost dan nu investeren? Zo nee, op welke wetenschappelijk
conclusies baseert de Minister zich dan? Ziet de Minister ook de «investment gap»
dat het EMA aankaart en op welke manier gaat de Minister zich inzetten om dat gat
zo snel mogelijk te overbruggen (aangezien de kosten van nu niet investeren veel groter
zullen)?
Antwoord
Het kabinet heeft kennis genomen van de conclusies uit het Britse inlichtingenrapport
Global biodiversity loss, ecosystem collapse and national security11.
Het kabinet zet zich in voor het behoud en herstel van ecosystemen en een weerbare
voedselvoorzieningsketen waarin een integrale risicobenadering wordt gehanteerd die
klimaat- en biodiversiteitsrisico’s expliciet meeneemt. In de «Veiligheidsstrategie
van het Koninklijk der Nederlanden» wordt ingezet op intensivering van klimaatmitigatie
en – adaptatie en er wordt binnen andere actielijnen van de strategie rekening gehouden
met klimaatverandering. De grensoverschrijdende aspecten hiervan vormen een belangrijke
reden voor het kabinet om klimaatweerbaarheid in EU-verband te willen bespreken. Het
kabinet zal tijdens de Informele Milieuraad aandacht vragen voor het belang van gezamenlijke
actie op het gebied van het vergroten van de weerbaarheid tegen klimaatverandering
(adaptatie), als op het zoveel mogelijk voorkomen van klimaatverandering (mitigatie).
Het kabinet volgt nauwgezet de discussies in Brussel over de nieuwe EU-begroting.
Het kabinet is van mening dat de EU-begroting de klimaat- en energietransitie en decarbonisatie
van de industrie dient te ondersteunen, aangezien deze een belangrijk fundament zijn
voor het bredere Europese concurrentievermogen en onze weerbaarheid. Daarbij moet
ook worden gekeken naar financiering en investeringen vanuit niet-overheden. Met bijdragen
uit de EU-begroting kan een hefboom worden gecreëerd om meer publieke en private financiering
te verwerven, zoals reeds gebeurt onder InvestEU en via de Europese Investeringsbank
(EIB). Het kabinet ziet voordelen van (innovatieve) financiële instrumenten en staat
open voor de inzet daarvan binnen de EU-begroting. Het is daarbij wel van belang dat
de financiële risico’s worden gedekt door de EU-begroting.
REACH
Vraag 15
De leden van de CDA-fractie merken op dat er geruchten rondgaan dat de herziening
van REACH-verordening mogelijk niet doorgaat, maar dat er enkel wijzigingen zullen
plaatsvinden via comitéprocedure. Deze leden vragen de Staatssecretaris of hij op
de hoogte is van deze geruchten en wat zijn reactie daarop is. Deelt de Staatssecretaris
de mening dat het onwenselijk zou zijn als de herziening van REACH-verordening niet
doorgaat?
Antwoord
De Europese Commissie heeft hierover nog geen mededelingen gedaan, maar de genoemde
signalen zijn wel bekend.
Het kabinet is van mening dat de herziening van de REACH-verordening langs de lijnen
van de EU-strategie voor duurzame chemische stoffen12 sterk de voorkeur heeft. Verschillende van de ideeën uit het non-paper13 dat afgelopen najaar met de Kamer is gedeeld, kunnen ook zonder een wijziging van
de wetstekst van REACH worden gerealiseerd. Die ideeën hebben met elkaar gemeen dat
ze per saldo zullen leiden tot minder regeldruk en tegelijkertijd tot een betere bescherming
van mens, dier en milieu vergeleken met de huidige praktijk.
Vraag 16
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie en de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
constateren dat bij de Milieuraad van december 2025 ook voor de transitie naar circulaire
economie het belang van een herziening van de REACH-verordening terecht is bevestigd.
Deze leden hebben echter via berichten van de gerenommeerde nieuwssite Politico vernomen
dat de herziening van de REACH-verordening, al meerdere keren uitgesteld, mogelijk
niet doorgaat als zodanig maar dat hooguit wijzigingen zullen plaatsvinden via comitologie
(in comité»s buiten de Raad en het Europees Parlement om).
Het probleem met wijzigingen via zulke comité-structuren: ten eerste vindt geen fundamentele
herziening van de verordening zelf plaats, terwijl die vanuit allerlei invalshoeken
broodnodig werd geacht en de Kamer hier ook op heeft ingezet via onder andere een
brief aan de Europese Commissie. In die brief wordt beschreven waarom fundamentele
herziening nodig is:om procedures te versnellen (goed voor het bedrijfsleven), om
het beschermingsniveau te waarborgen nu steeds meer nieuwe stoffen op de markt komen
(goed voor mensen en biodiversiteit) en om dierproeven te verminderen (door het leggen
van verbinding met de roadmap voor het uitfaseren van dierproeven). Daarnaast, los
van de inhoud, is wijziging op comiténiveau een slechte zaak omdat een zo belangrijk
onderwerp als chemische stoffen op politiek niveau hoort te worden behandeld, in de
Raad en in het Europees Parlement. Dat is de enige manier om het democratisch gehalte
van de besluitvorming te waarborgen en om transparantie voor de burgers te garanderen.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie en de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
maken zich hier ernstig zorgen over en constateren dat deze ontwikkeling tegen de
lijn van de Kamer in zou gaan. Kan de Staatssecretaris reageren op de bovenstaande
geruchten dat de herziening van de REACH-verordening mogelijk niet doorgaat maar dat
hooguit wijzigingen zullen plaatsvinden via comitologie? Heeft de Staatssecretaris
anders aanwijzingen dat de herziening van REACH conform de reguliere weg zal gaan
en niet via de weg van comitologie? Wat is daarover bekend bij de Staatssecretaris
en sinds wanneer precies? De Kamer heeft de herziening van REACH tot prioriteit benoemd
en richting de Europese Commissie per brief aangedrongen op een snelle herziening
van de verordening. Is de Staatssecretaris bereid om bij de informele Milieuraad deze
kwestie op te brengen en zich er sterk voor te maken dat een echte herziening van
REACH zoals gepland doorgaat en de bespreking daarvan op politiek niveau, transparant
en via de gebruikelijke democratische wijze doorgang vindt? Is de Staatssecretaris
daarbij bereid om en marge van de informele Milieuraad actief samenwerking te zoeken
met collega-bewindspersonen en na te gaan of gezamenlijke actie kan worden ondernomen?
Antwoord
Het kabinet is bekend met de geruchten vanuit de berichtgeving in Politico. Dit is
een punt van aandacht wat meegenomen wordt in de contacten met de Europese Commissie
en lidstaten. Er zal informatie worden verzameld en van gedachten worden gewisseld
over de kansen en de risico’s van het openbreken van de wetstekst van de REACH-verordening
vergeleken met het uitsluitend aanpassen van de bijlage. In het verslag van de Milieuraad
van 16 december 202514 heeft u kunnen lezen dat er op verzoek van de Kamer opnieuw is aangedrongen op het
spoedig uitbrengen van het voorstel voor de beoogde herziening van de REACH-verordening.
Ook verschillende andere lidstaten hebben hier herhaaldelijk op aangedrongen. Het
kabinet begrijpt en deelt ook de zorg van de Kamer over de vertragingen die zijn opgetreden
bij het publiceren van de revisie van REACH. Het kabinet is het met de Kamer eens
dat besluitvorming over nieuw beleid bij voorkeur op politiek niveau, transparant
en via de gebruikelijke democratische wijze doorgang vindt. Ook een aanpassing via
comitologie is een democratisch besluit. De medewetgevers, Raad en Europees Parlement,
hebben een comité gemandateerd bepaalde beslissingen te nemen.
Overig
Vraag 17
Tot slot lezen de leden van de BBB-fractie dat er tijdens de raad gesproken zal worden
over de gevolgen van klimaatverandering. Hoe houden verouderde richtlijnen, zoals
de nitraatrichtlijn, maar ook de vogel- en habitatrichtlijnen, rekening met de gevolgen
van klimaatverandering? Is de Minister van Klimaat en Groene Groei het met deze leden
eens dat doelen achterhaald kunnen zijn, en dat door klimaatverandering doelen die
in het verleden zijn opgesteld, nu niet meer realistisch zijn?
Antwoord
De richtlijnen bieden mogelijkheden om rekening te houden met de gevolgen van klimaatverandering.
Zo geldt vanuit Europees recht dat lidstaten niet zijn gehouden aan het onmogelijke.
Binnen de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR) kan met de gevolgen van klimaatverandering,
voor zover Nederland het niet in haar beschikkingsmacht heeft deze te ondervangen,
rekening worden gehouden bij het bepalen van doelen en maatregelen. De Nitraatrichtlijn
heeft als doel de waterverontreiniging die wordt veroorzaakt of teweeggebracht door
nitraten uit agrarische bronnen te verminderen, en verdere verontreiniging van dien
aard te voorkomen. Dit doel geldt onafhankelijk van de klimatologische omstandigheden.
Deze verschillen immers op dit moment al sterk tussen lidstaten. Op dit moment voert
de Commissie een evaluatie van de Nitraatrichtlijn uit om te bezien of de richtlijn
nog toegespitst is op de huidige (klimaat)omstandigheden.
Het kan voor de VHR zo zijn dat door klimaatverandering in het verleden gestelde doelen
niet meer haalbaar worden. Dan is er de mogelijkheid deze binnen de kaders van de
VHR aan te passen. Zoals is aangegeven in de verzamelbrief Natuur van 20 januari 2026,15 zijn onlangs de landelijke doelen voor Natura 2000-habitattypen en soorten, die sinds
2006 golden, vernieuwd. Daarbij is rekening gehouden met klimaatverandering.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
P.C. (Peter) de Groot, voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat -
Mede ondertekenaar
L. van der Graaf, adjunct-griffier