Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Van den Berg over het Rapport Wennink
Vragen van het lid Van den Berg (JA21) aan de Ministers van Klimaat en Groene Groei, van Economische Zaken en van Financiën over het Rapport Wennink (ingezonden 16 december 2025).
Antwoord van Minister Hermans (Klimaat en Groene Groei) (ontvangen 2 februari 2026).
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 715.
Vraag 1
Kunt u bevestigen dat volgens Netbeheer Nederland het aantal unieke verzoeken op de
wachtlijst midden- en laagspanning in 2025 is opgelopen tot 14.044 en het wachtlijstvermogen
tot 9,1GW?1
Antwoord 1
Ja. Volgens de laatste cijfers van Netbeheer Nederland (stand op 1 juli 2025) en zoals
gecommuniceerd in de Kamerbrief Aanpak Netcongestie van oktober jl. staan er 14.044
verzoeken van grootverbruikers in de wachtrij voor midden- en laagspanning bij de
regionale netbeheerders, voor afname van in totaal 9,1 GW. Daarnaast staan er 8.539
verzoeken van grootverbruikers voor invoeding op midden- en laagspanning bij de regionale
netbeheerders op de wachtrij, met een totaal vermogen van 4,6 GW.2 In maart 2026 zal Netbeheer Nederland met een update van deze cijfers komen.
Vraag 2
Hoeveel aanvragen op wachtlijsten betreffen (a) MKB, (b) grootverbruik/industrie,
(c) maatschappelijke instellingen, en wat zijn de mediane wachttijden per categorie
en regio?
Antwoord 2
Informatie over hoeveel partijen er van verschillende categorieën op de wachtlijst
staan is niet beschikbaar. In de meest recente voortgangsrapportage netcongestie3 is wel aangegeven dat er 362 partijen in de prioriteitscategorie nationale veiligheid
en 295 partijen in de prioriteitscategorie basisbehoeften op de wachtrij staan. Dit
zijn met name (maatschappelijke) instellingen, maar kunnen ook bedrijven zijn die
vallen onder een van deze categorieën uit het prioriteringskader. De netbeheerders
werken aan het verbeteren van het inzicht in de categorieën van bedrijven op de wachtrij.
De mediane wachttijd van partijen op de wachtrij is niet beschikbaar. De capaciteitskaart
van Netbeheer Nederland4 laat wel zien wanneer de belangrijkste knelpunten per gebied zijn opgelost en geven
daarmee een indicatie van de wachttijd per gebied.
Vraag 3
Deelt u de analyse dat netcongestie zowel schaalvergroting als verduurzaming vertraagt
en dat in regionale industrie bijna driekwart van verduurzamingsplannen niet tijdig
kan doorgaan door tekort aan energie-infrastructuur?
Antwoord 3
Netcongestie zit inderdaad zowel uitbreiding als verduurzaming van bedrijven in de
weg. In de cluster energiestrategie (CES) van cluster 6, waar de regionale industrie
gevestigd is, is inderdaad opgenomen dat 73% van de verduurzamingsplannen niet voor
2030 kan doorgaan door het ontbreken van energie-infrastructuur (publicatie januari
2025). De grootste knelpunten die in het rapport worden genoemd zijn, naast netcongestie,
de lange afstand tot de hoofdinfrastructuur, het uitblijven van tijdige infrastructuur
voor waterstof en CO2, en onvoldoende beschikbaarheid van bio/groen gas en warmte.
Vraag 4
Welke concrete stabiliteits- en veiligheidsmarges leiden er volgens u toe dat netten
gemiddeld slechts 30% benut worden, en welke ruimte ziet u voor risicogebaseerde herijking
zonder leveringszekerheid te schaden?5
Antwoord 4
Stabiliteits- en veiligheidsmarges hebben betrekking op het aanhouden van reservecapaciteit.
TenneT is wettelijk verplicht om voor het hoogspanningsnet extra componenten aan te
leggen (de zogenaamde «vluchtstrook» of reservecapaciteit) zodat stroom beschikbaar
blijft tijdens onderhoud of een storing. Uitval op het TenneT-net kan namelijk uitval
voor een hele provincie betekenen. Door de grote uitbreidingsopgave van het net zal
de gereserveerde ruimte voor onderhoud ook de komende jaren hard nodig zijn. Het Ministerie
van KGG onderzoekt samen met de ACM en de netbeheerders de mogelijkheden om het elektriciteitsnet
zwaarder te belasten. Hierbij wordt ook geanalyseerd hoeveel procent van het net momenteel
gebruikt wordt. Het onderzoek verkent ook de mogelijkheden rondom het nemen van meer
risico en mogelijke beleidsopties rondom het zwaarder belasten van het net. Het onderzoek
zal eind maart bij de komende voortgangsrapportage worden gedeeld met de Kamer. Hierbij
wordt ook gekeken naar de daadwerkelijke gemiddelde benutting van het net. Of dit
daadwerkelijk 30% is, is nog niet bekend. Een gemiddelde benutting zegt overigens
weinig over de daadwerkelijke benutting in een specifiek gebied. Dit is immers sterk
afhankelijk van de specifieke situatie, veiligheidseisen en bijvoorbeeld hoe groot
de verwachte groei achter de meter is tot het moment van uitbreiding.
Veiligheidsmarges hebben ook betrekking op de wijze waarop netbeheerders omgaan met
de verwachte elektriciteitsvraag. Deze prognoses zijn van belang bij het bepalen of
er netcongestie kan optreden. Dit betreft bijvoorbeeld de verwachte toename van de
elektriciteitsvraag bij bestaande aansluitingen. Daarbij zijn de voorspellingen en
onzekerheden rondom deze groei cruciaal. Het kabinet werkt samen met de netbeheerders,
de ACM en het bedrijfsleven aan een doorbraakaanpak voor betere benutting van het
net. Het verbeteren van de prognoses maakt hier onderdeel van uit. De Kamer wordt
binnenkort geïnformeerd over de uitkomsten van deze doorbraakaanpak.
Vraag 5
Hoeveel «Zeeland-achtige» flexibiliteitsdeals (zoals TenneT-Air Liquide) zijn sinds
2024 gesloten, en welke juridische/financiële/ACM-belemmeringen remmen opschaling?
Antwoord 5
TenneT heeft nog één andere vergelijkbare afspraak gesloten.6 In beide gevallen werd (een deel van) reeds toegekende vaste («firm») capaciteit
omgezet naar een tijdsduurgebonden contract (TDTR). Hierbij kan TenneT het transportrecht
maximaal 15% van het aantal uren in het jaar beperken en krijgt het bedrijf een korting
op de nettarieven. In beide gevallen was er sprake van specifieke omstandigheden:
het bedrijf was bereid reeds toegekende firm capaciteit om te zetten naar flexibele
capaciteit en er was genoeg capaciteit beschikbaar op de rustige momenten om de aanvraag
in te kunnen passen. De vrijgekomen transportcapaciteit kon vervolgens worden uitgegeven
aan partijen op de wachtrij. Deze nieuwe contractvorm is mogelijk sinds 2024.
Naast deze twee zijn er sindsdien nog negentien andere TDTR-contracten gesloten. Dit
betreft partijen op de wachtrij die met dit contract (flexibel) konden worden aangesloten,
zonder effect op andere partijen op de wachtrij. Flexibiliteit via alternatieve transportrechten
zoals de TDTR is vooral aantrekkelijk voor een bedrijf als oplossing om, ondanks de
wachtrij, toch (flexibele) transportcapaciteit te kunnen krijgen.
Ruimte voor nieuwe of zwaardere aansluitingen wordt wel gerealiseerd met congestiemanagementproducten
(capaciteitssturingscontract en redispatch). Hierbij passen bestaande grote netgebruikers,
tegen vergoeding, hun elektriciteitsbehoefte aan wanneer het net overbelast dreigt
te raken. Dit maakt het voor de netbeheerder mogelijk om extra aan te sluiten. Bij
de volgende voortgangsrapportage in maart wordt het aantal in 2025 afgesloten congestiemanagementcontracten
bij de landelijke en regionale netbeheerders gepubliceerd.
In de laatste brief over de voortgang aanpak netcongestie7 zijn de knelpunten benoemd die grootschalige uitrol van alternatieve transportcontracten
in de weg staan. Netbeheerders moeten ervaring opdoen met het aan de man brengen van
deze nieuwe producten. Zij moeten daarvoor meer transparantie bieden in waar welke
flexibiliteit nodig is. Marktpartijen moeten worden bewogen om flexibeler met gebruik
en invoeding van elektriciteit om te gaan. Het kabinet werkt samen met de netbeheerders,
de ACM en het bedrijfsleven aan een doorbraakaanpak voor betere benutting van het
net. Oplossingen om deze knelpunten te doorbreken maken hier onderdeel van uit. De
Kamer wordt binnenkort geïnformeerd over de uitkomsten van deze doorbraakaanpak.
Vraag 6
Erkent u dat regionale afstemming over locaties voor energieprojecten tot 10 jaar
kan duren en dat dit samenhangt met te weinig ruimtelijke regie op elektriciteitsinfrastructuur?
Welke maximale doorlooptijden gaat u hanteren voor locatiekeuze en vergunningen voor
netprojecten?8
Antwoord 6
Het kabinet herkent de duur van 10 jaar voor het gehele realisatieproces van energie-infrastructuurprojecten.
Dit omvat meer dan alleen afstemming over locaties. Hierin zit ook technische verkenning,
milieu-effectonderzoeken, vergunningverlening volgend op het locatiebesluit, bezwaar-
en beroepsprocedures, en de bouw van het project. Het kabinet werkt aan het verkorten
van deze totale doorlooptijd, zoals aangegeven in de Kamerbrief «sneller uitbreiden
elektriciteitsnet» van 25 april 20259. Onderdeel hiervan is het wetgevingsprogramma netcongestie. Per 1 januari 2026 geldt
bijvoorbeeld een standaard gedoogplicht voor onderzoekswerkzaamheden waardoor de voorbereidingen
tot locatiekeuze minder vertraging kunnen oplopen.
Het uitgangspunt blijft een zorgvuldig doorlopen proces. Voor vergunningverlening
en bezwaar- en beroepsprocedures bestaan vrij scherpe maximale termijnen. Daarom wordt
onderzocht hoe processtappen simultaan kunnen verlopen en zo efficiënt mogelijk ingericht
om de doorlooptijd te minimaliseren. Met de wettelijke maatregel «Versnelde beroepsprocedure
voor elektriciteitsprojecten vanaf 21kV» die uiterlijk begin 2027 in werking treedt,
worden stappen in de beroepsprocedure overgeslagen met mogelijk 1,5 jaar verkorting
van doorlooptijden. Uiteindelijke inwerkingtreding is afhankelijk van de grondslag
in de Wet Regie Volkshuisvesting die momenteel voor behandeling in de Eerste Kamer
ligt.
Het kabinet werkt ook aan versnelling van de locatiekeuze binnen de projectprocedure.
Een groot deel van deze procedure is door (Europese) wetgeving verplicht, het kabinet
onderzoekt de mogelijkheden om binnen deze kaders te versnellen. De doorlooptijd van
dit proces kan één of meerdere jaren duren. In verband met de complexiteit en beslag
op de ruimte kan dit proces sneller bij 110/150kV projecten dan 220/380kV. Het kabinet
werkt aan versnelling met afspraken over het trechteren van locaties. Met steun van
gemeenten en provincies kaderen we het afwegen van alternatieve locaties en de inrichting
van een zo snel mogelijke én zorgvuldige procedure. Om de ruimtelijke regie verder
te versterken wordt er aan de hand van de projectenaanpak ook gewerkt aan het sneller
aanwijzen van bevoegd gezag. KGG faciliteert deze snellere aanwijzing door in een
vroeg stadium gesprekken te organiseren tussen TenneT en decentrale overheden. Met
deze beleidsmatige en wettelijke stappen voorkomen we te lange procedures, versnelt
tussentijdse besluitvorming en kan het Rijk ingrijpen bij impasses.
Ook het formatierapport «Routes naar realisatie: keuzes voor het klimaat en de energietransitie»10 gaat in op knelpunten t.a.v. de lange doorlooptijden van energieprojecten en brengt
beleidsopties in kaart, zoals proactieve ruimtelijke sturing via actief grondbeleid.
Vraag 7
Kunt u bevestigen dat elektriciteitskosten in Nederland 20–50% hoger liggen dan buurlanden
en dat industriële elektriciteitsprijzen tot de helft hoger kunnen zijn? Welke maatregelen
neemt u om prijspariteit met België en Duitsland te bereiken en op welke termijn?11
Antwoord 7
In 2024 en 2025 heeft het kabinet onderzoek laten uitvoeren naar de elektriciteitskosten
in Nederland ten opzichte van buurlanden. Hieruit blijkt inderdaad dat de elektriciteitskosten
voor industriële grootverbruikers in Nederland fors hoger liggen. In de Kamerbrieven
van 25 april 202512 en 16 september 202513 is de Kamer over verschillende maatregelen geïnformeerd die het kabinet op nationaal
niveau neemt om de energierekening voor bedrijven en consumenten te verlagen. Zo is
de indirecte kostencompensatie ETS (IKC-ETS) verlengd tot en met 2028 en werkt het
kabinet opties uit om de nettarieven te verlagen, gericht op besluitvorming door een
nieuw kabinet.
Vraag 8
Deelt u de inschatting dat nettarieven richting 2040 meer dan verdubbelen bij ~5%
groei per jaar? Hoeveel komt hiervan neer bij huishoudens, MKB en industrie, en welke
dempingsopties onderzoekt u?14
Antwoord 8
De elektriciteitsnettarieven kunnen bij ongewijzigd beleid inderdaad meer dan verdubbelen.
Het kabinet heeft dit in de kabinetsreactie op het IBO-rapport Bekostiging van de
Elektriciteitsinfrastructuur eveneens aangegeven.15 De geraamde stijging richting 2040 is echter met aanzienlijke onzekerheden omgeven.
In de kabinetsreactie op het IBO heeft het kabinet meerdere opties geschetst om de
kosten van netbeheerders, en daarmee de tarieven van aangeslotenen, te dempen. Deze
opties zijn onder meer energiebesparing, het flexibiliseren van het netgebruik door
aangeslotenen, het beter benutten en zwaarder belasten van de netten, locatiesturing
en het maken van andere keuzes voor het toekomstig energiesysteem. Zie in onderstaande
figuur de verdeling van de groei van de netkosten per categorie aangeslotenen.
Ook het anders verdelen van de kosten in de tijd in de vorm van een zogenoemde amortisatierekening
is onderzocht. Hierbij wordt een deel van de kosten doorgeschoven naar toekomstige
gebruikers. Op Prinsjesdag heeft het kabinet moeten concluderen dat de rationale en
juridische mogelijkheid hiervoor ontbreekt.16 In dezelfde brief geeft het kabinet aan dat ook een eventuele subsidie aan TenneT
tot de mogelijkheid behoort om de netkosten te dempen. Een dergelijke maatregel heeft
significante en langjarige budgettaire consequenties, zoals ook blijkt uit het formatierapport
«Routes naar Realisatie»17. Besluitvorming hierover is aan een nieuw kabinet.
Vraag 9
Bent u bereid de optie uit te werken om de energiebelasting op elektriciteit voor
grootverbruik richting het EU-minimum te brengen?
Antwoord 9
Het kabinet onderschrijft het belang van concurrerende energieprijzen en een gelijk
speelveld voor de industrie. Het verlagen van de energiebelasting op elektriciteit
kan hieraan bijdragen, zoals ook beschreven in het in het vorige antwoord genoemde
rapport Routes naar Realisatie. Het belang van een dergelijke belastingverlaging voor
de industrie zal moeten worden afgewogen tegen de doelstellingen van de energiebelasting,
namelijk het genereren van overheidsinkomsten en het stimuleren van energiebesparing.
Daarbij is ook relevant dat een verlaging van de energiebelasting op elektriciteit
slechts een beperkt effect zou hebben op de elektriciteitskosten van grote industriële
bedrijven, doordat net- en elektriciteitstarieven een groter onderdeel vormen van
de energiekosten, en doordat een deel van de industrie al is vrijgesteld van energiebelasting.
Besluitvorming hierover is aan een nieuw kabinet.
Vraag 10
Welke nationale koppen bovenop Europees beleid dragen volgens u aantoonbaar bij aan
concurrentienadeel, en welke koppen heroverweegt u in het licht van investeringszekerheid
en industriebehoud?18
Antwoord 10
Er zijn diverse factoren die bijdragen aan concurrentienadeel. Dat kunnen nationale
koppen zijn, zoals de CO2-heffing voor de industrie, maar ook een hoger tarief in de energiebelasting of het
feit dat in Nederland de volumecorrectieregeling (VCR) – conform EU-regels – is afgeschaft
terwijl andere landen deze nog steeds hanteren. Een uitgebreid overzicht van factoren
die invloed hebben op het concurrentievermogen is te vinden in de Speelveldtoets19. Daaruit blijkt dat de hoge elektriciteitskosten in vergelijking met buurlanden één
van de belangrijkste factoren zijn. Het kabinet probeert dit speelveld gelijker te
trekken door onder andere de indirecte kostencompensatie ETS (IKC-ETS) te verlengen.
Met het pakket voor Groene Groei20 heeft het kabinet eerder al ingezet op het herstellen van het gelijk speelveld en
verbeteren van het concurrentievermogen door het effectief buiten werking stellen
van de CO2-heffing en niet invoeren van de plasticsheffing. Tegelijkertijd heeft Nederland relatief
veel subsidies voor de industriesector ten opzichte van buurlanden21 en zijn er andere factoren die een positief effect op de concurrentiepositie van
de Nederlandse industrie hebben zoals opgebouwde expertise, logistieke hubs, goede
infrastructuur en een hoog opgeleide bevolking.
Vraag 11
Deelt u dat netcongestie een belangrijk obstakel is voor AI-proposities en dat hyperscale-datacenters
door beleid feitelijk in 340 van 342 gemeenten niet mogelijk zijn?22
Antwoord 11
Het kabinet erkent dat netcongestie een belangrijk obstakel is. Voldoende datacentercapaciteit
is randvoorwaardelijk voor het realiseren van de Nederlandse AI-ambities. Wachtlijsten
voor aansluitingen en bouwstops belemmeren de groei van deze sector. Het recente advies
van Peter Wennink benadrukt terecht de urgentie om netcongestie aan te pakken via
betere netbenutting, flexibiliteit, prioritering en publiek-private samenwerking.
In 2023 is in de algemene maatregel van bestuur (AMvB) in het Besluit kwaliteit leefomgeving
(paragraaf 5.1.7.7) een instructieregel opgenomen waaruit volgt dat de bouw van hyperscale
datacenters – met een vermogen van meer dan 70 MW en een ruimtebeslag van meer dan
10 hectare – op dit moment inderdaad feitelijk in slechts twee gemeenten mogelijk
is. Dit beleid voorziet in landelijke regie op deze zeer grootschalige faciliteiten
vanwege hun impact op leefomgeving, energievoorziening en infrastructuur, en is daarmee
niet toe te schrijven aan netcongestie. Er bestaan geen landelijke restricties voor
vestiging van datacenters onder de drempelwaardes van hyperscale datacenters uit deze
AMvB. Grote datacenters kunnen worden gebouwd zolang zij niet tegelijk aan beide criteria
voldoen. De besluitvorming hierover is een bevoegdheid van gemeenten en provincies.
Zij bepalen of, en onder welke voorwaarden zij datacenters op hun grondgebied toestaan.
Datacenters die onder de criteria van deze AMvB ontwikkeld mogen worden kunnen evengoed
een waardevolle bijdrage leveren aan de ontwikkeling van AI-capaciteit en digitale
infrastructuur.
Vraag 12
Gezien het projectvoorstel «AI Gigafabriek» >100.000 GPU’s en 250–750 MW IT-capaciteit
noemt, welke harde randvoorwaarden stelt het kabinet aan netinpassing, flexibiliteit
en restwarmte zodat dit niet tot extra congestie leidt?
Antwoord 12
De precieze grootte van de omvang van een AI-gigafabriek staat niet vast en kan verschillen
per projectvoorstel. AI-infrastructuur vormt de fundering onder moderne AI-modellen
en -toepassingen. Het kabinet verwelkomt daarom AI-infrastructuur initiatieven en
investeringen waar zij positief bijdragen aan een evenwichtige ontwikkeling van het
nationale en Europese AI-ecosysteem.
Dit kunnen volledig private AI-infrastructuur projecten zijn.
Met betrekking tot het specifieke publiek-private Europese AI-gigafabrieken initiatief
heeft het kabinet nog geen definitieve besluitvorming afgerond of formele keuze gemaakt
om mee te financieren aan een AI-gigafabriek binnen de EuroHPC call voor AI-gigafabrieken
die nog opengesteld moet worden.23 De precieze randvoorwaarden voor ondersteuning en co-financiering van een AI-gigafabriek
worden op dit moment nog uitgewerkt door de Europese Commissie en zullen bij openstelling
van de call bekend zijn. Wel is in de amendering van de EuroHPC-verordening al benadrukt
dat voor AI-gigafabrieken energie-efficiëntie en duurzaamheid deel zullen uitmaken
van de criteria die de Commissie wil meenemen in het selectieproces.
Ondertekenaars
S.T.M. Hermans, minister van Klimaat en Groene Groei
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.