Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Jimmy Dijk over het artikel Bonje tussen nieuwe en oude eigenaar ggz-organisatie Inter-Psy: ‘We zitten in een vechtscheiding’
Vragen van het lid Jimmy Dijk (SP) aan de Minister voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het artikel Bonje tussen nieuwe en oude eigenaar ggz-organisatie Inter-Psy: «We zitten in een vechtscheiding» (ingezonden 29 december 2025).
Antwoord van Minister Bruijn (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen 2 februari
2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 865.
Vraag 1
Bent u bekend met de berichtgeving over de escalerende ruzie tussen de huidige en
voormalige eigenaar van Inter-Psy, inclusief de dreigende rechtszaken en de faillissementsaanvraag?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Hoe beoordeelt u het feit dat een grote ggz-instelling, die grotendeels met publieke
middelen wordt gefinancierd, zo kwetsbaar blijkt te zijn voor zakelijke conflicten
tussen aandeelhouders en vastgoedpartijen?
Antwoord 2
Er is mij onvoldoende bekend over de zakelijke conflicten die spelen in deze specifieke
situatie om hierover te oordelen.
Meer algemeen is het zo dat zorgaanbieders zelf verantwoordelijk zijn voor hun eigen
(financiële) bedrijfsvoering. Op basis van huidige wet- en regelgeving en de Governancecode
Zorg worden randvoorwaarden en eisen gesteld aan de bedrijfsvoering en het bestuur
van zorginstellingen. En in toekomstige wet- en regelgeving, het wetsvoorstel integere
bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz), worden deze randvoorwaarden en
eisen verder aangescherpt. Op basis van signalen en meldingen kunnen toezichthouders
nader onderzoek doen en waar nodig maatregelen opleggen. Deze voorwaarden zijn erop
gericht te zorgen dat de maatschappelijke belangen zoals kwaliteit, toegankelijkheid
en betaalbaarheid van de zorg en jeugdhulp voorop blijven staan.
Maar dit voorkomt niet dat partijen bijvoorbeeld contractueel afspraken kunnen maken
op onderdelen die niet wettelijk zijn vastgelegd of zaken juist onvoldoende juridisch
vastleggen, waarover zakelijke conflicten kunnen ontstaan.
Vraag 3
Deelt u de zorg dat procedures en machtsstrijd tussen eigenaren direct risico’s kunnen
opleveren voor de continuïteit van zorg, wachttijden en de positie van cliënten en
medewerkers? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke waarborgen zijn nu concreet aanwezig?
Antwoord 3
Ja, ik deel de zorg dat procedures en machtsstrijd tussen eigenaren onwenselijk kunnen
zijn. En dat dit risico’s kan opleveren voor de continuïteit en kwaliteit van zorg
en dat dit niet bevorderlijk is voor de werkomstandigheden van medewerkers.
De toezichthouders Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en Inspectie Gezondheidszorg en
Jeugd (IGJ) houden toezicht op respectievelijk de continuïteit en de kwaliteit van
zorg. Zodra er signalen zijn dat de continuïteit of de kwaliteit in het geding dreigt
te komen, hebben toezichthouders de mogelijkheid om een onderzoek te starten en indien
nodig maatregelen op te leggen.
Vraag 4
Kan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) bevestigen of er signalen zijn over
continuïteitsrisico’s bij Inter-Psy? Welke acties zijn of worden genomen?
Antwoord 4
De NZa houdt toezicht op continuïteit van zorg in relatie tot de zorgplicht. De NZa
heeft aangegeven bekend te zijn met deze aanbieder, maar kan geen uitspraken doen
over al dan niet lopend toezicht bij individuele zorgaanbieders. In het algemeen kan
ik verwijzen naar de early-warning-systeem-afspraken die er liggen tussen de NZa en
zorgverzekeraars2.
Vraag 5
Klopt het dat Inter-Psy recent een kapitaalinjectie van € 1,5 miljoen nodig had om
salarissen en lopende verplichtingen te kunnen voldoen? Wat zegt dit volgens u over
de financiële gezondheid en bedrijfsvoering?
Antwoord 5
Er is mij onvoldoende bekend, anders dan de berichtgeving waar u naar verwijst, over
deze specifieke casus en een eventuele kapitaalinjectie. Het is primair aan de instelling
om zorg te dragen voor een gezonde bedrijfsvoering en voldoende liquiditeit om aan
lopende verplichtingen te kunnen voldoen. Dat een organisatie tijdelijk externe financiering
nodig heeft, kan verschillende oorzaken hebben, zoals investeringen of veranderingen
in contractering. Het is niet aan mij als bewindspersoon om een oordeel te geven over
de financiële gezondheid en de bedrijfsvoering van Inter-psy.
Vraag 6
Hoe verklaart u dat een instelling die volgens het jaarverslag 2024 winstgevend was,
binnen enkele maanden afhankelijk lijkt van noodkapitaal? Ziet u hier aanwijzingen
voor mismanagement of risicovolle financieringsconstructies?
Antwoord 6
Het is niet ongebruikelijk dat een instelling die over een boekjaar winstgevend is,
op enig moment te maken krijgt met liquiditeitsdruk. Jaarverslagen geven een beeld
op hoofdlijnen over een afgesloten periode, terwijl de liquiditeitspositie sterk kan
worden beïnvloed door actuele omstandigheden, zoals vertraagde betalingen, stijgende
kosten of incidentele uitgaven. Zoals ook hierboven al benoemd, is het niet aan een
bewindspersoon om te concluderen dat sprake is van mismanagement of risicovolle financieringsconstructies.
Het is in ons zorgstelsel de NZa die toezicht houdt op een professionele en transparante
bedrijfsvoering bij zorgaanbieders. De NZa kan geen uitspraken doen over al dan niet
lopend toezicht bij individuele zorgaanbieders. De zorgverzekeraar en interne toezichthouder
spelen hierin ook een belangrijke rol.
Vraag 7
Wat is uw oordeel over constructies waarbij zorgondernemers vastgoed in een aparte
BV onderbrengen, en vervolgens als verhuurder hoge of strategisch bepalende huren
vragen aan de zorginstelling die met publiek geld wordt bekostigd? Acht u dit moreel
en maatschappelijk verantwoord?
Antwoord 7
Ik heb geen bezwaren tegen het feit dat zorgondernemers vastgoed in een aparte BV
onderbrengen. Ik vind het daarentegen wel onwenselijk als deze constructie wordt misbruikt
voor persoonlijk gewin. Om dergelijk misbruik tegen te gaan wordt in de Wibz een norm
voor van betekenis zijnde transacties geïntroduceerd. Een vastgoedtransactie, zoals
verkoop of verhuur, valt onder deze norm. De norm zegt dat deze transacties alleen
plaats mogen vinden tegen marktconform tarief als er sprake is van verbonden partijen
(bijvoorbeeld als de bestuurder van de zorg BV dezelfde bestuurder is als van de vastgoed
BV). Met deze norm wordt zelfverrijking met vastgoedtransacties verboden. Met de voorgestelde
norm kan de NZa dergelijke meldingen over dergelijke transacties nader onderzoeken
en waar nodig handhaven door een aanwijzing te geven of een boete op te leggen. Zoals
aangekondigd in een brief van 11 december 2025 aan de Tweede Kamer3 ga ik onderzoeken of verdere aanscherping van het kader voor normale marktvoorwaarden
zowel wenselijk als mogelijk is.
Vraag 8
Bent u bereid te onderzoeken hoe vaak dergelijke vastgoed-constructies in de zorg
leiden tot onredelijke financiële druk en continuïteitsrisico’s? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 8
Ik zie geen aanleiding om daar op dit moment onderzoek naar te doen. Met het wetsvoorstel
Wibz is het voorstel om de NZa bevoegdheden te geven om bij signalen die daartoe aanleiding
geven, onderzoek te doen naar ontwijkconstructies ten aanzien van de marktconformiteit
van transacties met verbonden partijen. Op basis van het toezicht zou er door de NZa
na enige tijd meer inzicht in de praktijken van niet-integere aanbieders komen.
Vraag 9
Herkent u het signaal dat winst- en bezoldigingsbeperkingen in de zorg via vastgoedconstructies
worden omzeild? Welke maatregelen overweegt u om dit te voorkomen, bijvoorbeeld door
integrale toetsing van totale opbrengsten richting zorgondernemers?
Antwoord 9
De NZa en IGJ hebben in een gezamenlijke signalering «Versterk de integriteit en professionaliteit
van de bedrijfsvoering in de zorgsector»4 gewezen op meldingen en signalen die zij ontvangen over het oneigenlijk besteden
van zorggeld en twijfelachtige financiële of organisatorische constructies. Daarbij
wijzen zij onder andere op normen zoals vastgelegd in de Governancecode Zorg ten aanzien
van belangenverstrengeling en integere bedrijfsvoering, maar ook het door bestuurlijke
en/of financiële constructies omzeilen van wettelijke bepalingen waardoor zorggelden
oneigenlijk worden besteed. Deze signalering is aanleiding geweest om in het wetsvoorstel
Integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz) de verplichting op te
nemen dat aanbieders bij van betekenis zijnde transacties met verbonden partijen normale
marktvoorwaarden moeten hanteren. Deze norm is ook toegelicht in de beantwoording
van vraag 7.
Vraag 10
Hoe beoordeelt u het risico dat een verhuurder, die tevens (minderheids)aandeelhouder
is, via huurconflicten druk kan uitoefenen op de bedrijfsvoering van een zorginstelling?
Antwoord 10
Het is onwenselijk als vanwege een huurconflict druk wordt uitgeoefend op de bedrijfsvoering
van een zorginstelling. Als daarbij sprake is van niet-integer handelen verwacht ik,
naast optreden van de interne toezichthouder, dat het wetsvoorstel Wibz de NZa mogelijkheden
geeft om in een dergelijk geval nader onderzoek te doen en waar nodig maatregelen
op te leggen.
Vraag 11
Wat betekent een faillissementsaanvraag door een (voormalig) eigenaar/verhuurder voor
cliënten, medewerkers en lopende behandelingen? Is de huidige wet- en regelgeving
voldoende om te voorkomen dat patiënten de rekening betalen?
Antwoord 11
Het zal per situatie verschillen wat een faillissementsaanvraag betekent voor cliënten,
medewerkers en lopende behandelingen. In de zorg geldt dat continuïteit van zorg voor
patiënten en cliënten moet worden geborgd. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt in
eerste instantie bij zorgverzekeraars middels de zorgplicht. De NZa houdt vervolgens
toezicht op de naleving van de zorgplicht door zorgverzekeraars.
De huidige wet- en regelgeving, waaronder Zvw en Wlz, en het toezichtkader van de
IGJ en de NZa, is erop gericht om de continuïteit en toegankelijkheid van zorg zoveel
mogelijk te waarborgen. Tegelijkertijd kan niet in alle gevallen worden uitgesloten
dat cliënten hinder ondervinden van financiële of organisatorische problemen bij een
zorgaanbieder. Om ongecontroleerde faillissementen van instellingen, waar patiënten
en cliënten de dupe van kunnen worden, te voorkomen heeft het Ministerie van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport (VWS) sinds enige jaren het zogenoemde continuïteitsbeleid. Dit beleid
beschrijft hoe om te gaan met instellingen in financiële problemen. Het is erop gericht
continuïteit van zorg te borgen, wat niet hetzelfde hoeft te zijn als de continuïteit van de instelling.
Ook is het gericht op het voorkomen van ongecontroleerde faillissementen.
De kern is dat zorgaanbieders verplicht zijn om continuïteitsproblemen te melden bij
zorginkopende partijen (zoals zorgkantoren en zorgverzekeraars). Zorgkantoren en zorgverzekeraars
zijn weer verplicht dit te melden bij de NZa. Dit heet het early-warning-systeem (EWS).
Bij problemen in instellingen zijn de zorginkopende partijen op grond van hun zorgplicht
verplicht de continuïteit van zorg te borgen en de NZa ziet hierop toe. Pas in het
uiterste geval wanneer betrokken partijen er zelf niet in slagen om tot een passende
oplossing te komen, dan kan regie vanuit het Ministerie van VWS nodig zijn. De inzet
van VWS geldt als laatste redmiddel5.
De IGJ verwacht van zorgaanbieders dat zij voorbereid zijn op een scenario waarin
discontinuïteit van de zorgverlening aan patiënten, cliënten of bewoners dreigt te
ontstaan. Bijvoorbeeld als gevolg van een mogelijk faillissement of voorgenomen besluit
om te stoppen met het aanbieden van bepaalde vormen van zorg. Wanneer er daadwerkelijk
discontinuïteit van zorg lijkt te ontstaan, moeten de activiteiten van alle betrokkenen
gericht zijn op een warme overdracht van de zorgverlening. In de leidraad continuïteit
van zorg en jeugdhulp6 legt de IGJ uit wat zij concreet verwacht van zorgaanbieders waarbij bijvoorbeeld
vanwege faillissement risico’s voor de continuïteit van zorg aan patiënten en cliënten
ontstaan.
Hiernaast is in het Wetsvoorstel integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders
een maatregel opgenomen waarbij een zorgaanbieder geen onverantwoorde risico’s mag
nemen bij het aantrekken of terugbetalen van eigen of vreemd vermogen. Dit ook om
te voorkomen dat deze onverantwoorde risico’s moeten worden terugverdiend waarbij
het risico ontstaat dat de kwaliteit of continuïteit van zorg in het geding komt.
Vraag 12
Kunt u uiteenzetten welke instrumenten de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en IGJ
hebben om in te grijpen wanneer zakelijke conflicten de zorgcontinuïteit bedreigen?
Zijn deze instrumenten in dit dossier benut?
Antwoord 12
Hier verwijs ik naar de early-warning-systeem-afspraken en bevoegdheden van de IGJ,
zoals omschreven in mijn antwoord op vraag 11. De NZa houdt toezicht op de zorgplicht
via de as van de zorgverzekeraar.
Vraag 13
Acht u de productiviteitsdruk (zes van de acht uur cliëntencontact) medisch verantwoord,
gelet op de noodzaak van voorbereiding, overleg en dossiervoering? Ziet u risico’s
voor kwaliteit en werkdruk?
Antwoord 13
De beoordeling of zorg medisch verantwoord is, ligt primair bij de professionele beroepsgroepen
en bij de individuele zorgverlener. Wat kwalitatieve zorg is, is vastgelegd in wet-
en regelgeving en uitgewerkt in professionele standaarden, richtlijnen en zorgstandaarden.
In het huidige zorgstelsel is de zorgaanbieder verantwoordelijkheid om kwalitatieve
goede zorg te leveren en het is aan de zorgverzekeraar om voldoende zorg in te kopen
tegen een tarief waardoor een aanbieder zorg kan aanbieden die voldoet aan de kwaliteitsstandaarden.
De IGJ houdt toezicht op de kwaliteit van zorg.
Vraag 14
Wat is uw oordeel over het gegeven dat diverse leidinggevenden en behandelaars zijn
vertrokken na de overname?
Antwoord 14
Bij een overname is het niet ongebruikelijke dat er personeelswisselingen plaatsvinden.
Wanneer leidinggevenden en behandelaren een zorginstelling verlaten, is het belangrijk
dat de zorgcontinuïteit en de kennisoverdracht goed worden gewaarborgd. Het is de
verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder dat zij de maatregelen nemen die daarvoor
nodig zijn. Verder is er een rol weggelegd voor de NZa en IGJ om toezicht te houden
op, respectievelijk, de continuïteit en kwaliteit van zorg.
Vraag 15
Hoe waarborgt u dat bij overnames van zorginstellingen niet primair financiële motieven,
maar publieke waarden (kwaliteit, continuïteit, bereikbaarheid) centraal staan?
Antwoord 15
De zorgspecifieke fusietoets van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) toetst fusies
en overnames, met als doel om de publieke waarden te waarborgen. De NZa moet een concentratie
of fusie eerst goedkeuren alvorens deze bij de Autoriteit, Consument en Markt (ACM)
wordt getoetst. De ACM toetst overnames en fusies wanneer deze boven een bepaalde
omzetdrempel vallen en kijkt daarbij onder andere of een organisatie niet te groot
wordt. Met de aangekondigde aanscherpingen van de zorgspecifieke fusietoets krijgt
de NZa ook de bevoegdheid om een concentratie tegen te houden als er risico’s zijn
op een onrechtmatige bedrijfsvoering bij een of meer van de betrokken zorgaanbieders.
Ook kan de NZa concentraties tegenhouden wanneer de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd
(IGJ) risico’s ziet voor de kwaliteit van zorg. Hiernaast heeft de intern toezichthouder
ook een belangrijke rol bij het waarborgen van de kwaliteit, continuïteit en bereikbaarheid
bij fusies en overnames.
Vraag 16
Welke lessen trekt u breder voor het zorgstelsel uit dit conflict? Ziet u aanleiding
voor aanscherping van toezicht, wetgeving of voorwaarden rond private investeerders
in de ggz?
Antwoord 16
Zonder op dit specifieke geval in te gaan, kan ik stellen dat financieel gewin nooit
de boventoon mag voeren in de zorg. Zeker wanneer daarbij geen oog is voor het belang
van patiënt en voor de kwaliteit, betaalbaarheid en toegankelijkheid van zorg. In
de Wibz zit een voorwaarde waardoor er geen onverantwoorde risico’s bij het aantrekken
of terugbetalen van eigen of vreemd vermogen mogen worden genomen. Dit moet voorkomen
dat private investeerders of andersoortige investeerders de continuïteit van de zorgaanbieder
in het geding brengen. Hiernaast wordt met de herbezinning op de Wibz ook gekeken
naar aanscherpingen die zien op (private) investeerders met niet zuivere intenties.
Een andere belangrijke rol is weggelegd voor de NZa, zij houden toezicht op professionele
bedrijfsvoering en goed bestuur van zorgaanbieders. Zij heeft op dit moment al de
mogelijkheid om bij signalen een onderzoek in te stellen. Op basis van de uitkomst
van dit onderzoek kan de NZa eventueel maatregelen opleggen.
Vraag 17
Ziet u het conflict rond Inter-Psy als een incident, of als symptoom van een structureel
probleem waarin marktprikkels en aandeelhoudersbelangen botsen met het publieke belang
in de zorg? Kunt u dat onderbouwen?
Antwoord 17
In de brief van 14 maart 20257 heeft mijn ambtsvoorganger uitgebreid stilgestaan bij de marktwerking in de zorg
en de uitdagingen die het huidige stelsel met zich meebrengt. In deze brief wordt
uitvoerig toegelicht dat marktprikkels in het zorgstelsel historisch gezien een rol
hebben gespeeld bij het bevorderen van efficiëntie en keuzevrijheid, maar dat tegelijkertijd
duidelijk is geworden dat ongebreidelde marktwerking niet altijd vanzelf leidt tot
betere toegankelijkheid, samenwerking of continuïteit van zorg. Destijds werd gesignaleerd
dat er op onderdelen aanpassingen nodig zijn om de publieke doelstellingen van kwaliteit,
toegankelijkheid en continuïteit beter te borgen, zoals regels rond winstuitkeringen,
het voorkomen van evident onwenselijke fusies en een meer gelijkgerichte inkoop in
cruciale sectoren van de zorg8. Dat gezegd hebbende, kan ik niet ingaan in op individuele casussen.
Vraag 18
Deelt u de analyse dat het huidige stelsel zorginstellingen stimuleert om te denken
in termen van groei, rendement en vastgoedposities, in plaats van stabiliteit, nabijheid
en kwaliteit van zorg? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 8
Deze analyse deel ik niet. Zorgaanbieders zijn van oudsher private organisaties en
het huidige stelsel van marktwerking leidt bovendien tot concurrentieprikkels die
kunnen leiden tot verbetering van kwaliteit. Winstgevendheid van een zorgaanbieder
(anders dan winstuitkering) is daarbij noodzakelijk om te kunnen innoveren en investeren
in de zorg, en noodzakelijk om onderhoud te kunnen uitvoeren. Dit komt de zorg ten
goede. Dat betekent niet dat financieel gewin de boventoon mag voeren, zoals dat wel
het geval is bij partijen die gericht zijn op snel geld verdienen.
Vraag 19
In hoeverre acht u het wenselijk dat private investeerders, vaak georganiseerd in
complexe holdings, strategische zeggenschap hebben over essentiële ggz-voorzieningen?
Welke risico’s ziet u voor democratische controle en publieke verantwoording?
Antwoord 19
Ik vind het van groot belang dat bestuurders van zorginstellingen de kwaliteit en
continuïteit van zorg voorop zetten, onafhankelijk van het type investeerder. Met
het wetsvoorstel Wibz stel ik maatregelen aan het uitkeren van winst. Zo mag winst
alleen worden uitgekeerd als de NZa geen maatregel heeft opgelegd vanwege tariefdelicten
of overtreden van transparantiebepalingen.
Dit om de kwaliteit en continuïteit van zorg te beschermen en te voorkomen dat strategische
keuzes of persoonlijk financieel gewin de overhand krijgen. Hiernaast ben ik met de
aanscherping van de Wibz aan het kijken of er aanvullende maatregelen mogelijk zijn
om het gedrag van investeerders die financieel gewin voorop stellen te mitigeren.
Vraag 20
Bent u bereid om de Kamer een integrale analyse te sturen van de effecten van private
investeringen, vastgoedconstructies en overnames op continuïteit, werkdruk, wachttijden
en kwaliteit in de ggz – inclusief beleidsopties voor structurele hervorming?
Antwoord 20
Uit het rapport van EY uit 2024 worden geen verschillen in kwaliteit gevonden tussen
PE-gefinancierde ggz instellingen, en niet-PE-gefinancierde instellingen9. Onderzoek van SiRM en Finance Ideas10 geeft aan dat private investeringen leiden tot nieuwe toetreders en innovatie en
investeringen, wat erg belangrijk is in tijde van schaarste. Echter benoemt dit onderzoek
ook risico’s verbonden aan private investeringen, zoals een focus op financiële resultaten
en ongewenste risicoselectie. Ik zie op dit moment geen aanleiding om een soortgelijke
integrale analyse uit te voeren. Met de herbezinning van de Wibz wordt onder andere
gekeken naar aanscherpingen om eventuele negatieve effecten van private investeringen
verder tegen te gaan.
Ondertekenaars
J.A. Bruijn, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.