Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Bruyning over de inspectierapporten van Jeugdbescherming Noord, Gelderland en West en het functioneren van het Keurmerkinstituut (KMI)
Vragen van het lid Bruyning (Nieuw Sociaal Contract) aan de Staatssecretarissen van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Justitie en Veiligheid over de inspectierapporten van Jeugdbescherming Noord, Gelderland en West en het functioneren van het Keurmerkinstituut (KMI) (ingezonden 13 oktober 2025).
Antwoord van Staatssecretaris Rutte (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 30 januari
2026).
Vraag 1
Bent u bekend met de recente rapporten van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)
over Jeugdbescherming Gelderland(JBG), Jeugdbescherming West (JBw) en het eerdere
rapport over Jeugdbescherming Noord (JBN)?1, 2, 3
Antwoord 1
Ja
Vraag 2, 3, 4 en 5
Hoe beoordeelt u het feit dat de IGJ bij alle drie de instellingen tot nagenoeg dezelfde
structurele tekortkomingen komt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Welke lessen trekt u uit het gegeven dat het hierbij gaat om verschillende regio’s,
maar telkens dezelfde patronen zichtbaar worden (geen vaste jeugdbeschermer bij start,
wachttijden, gebrekkige analyse en planvorming, onvoldoende passende hulp)?
Kunt u uiteenzetten in hoeverre deze tekortkomingen volgens u vooral te maken hebben
met capaciteitstekorten of/en in hoeverre deze ook met cultuur, organisatie en bestuurlijke
keuzes binnen de gecertificeerde instellingen (GI’s) zelf te maken hebben?
Deelt u de analyse dat er een bredere systemische/culturele oorzaak speelt die verder
reikt dan alleen personele onderbezetting?
Antwoord 2, 3, 4 en 5
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Justitie en Veiligheid (in het vervolg: de
inspecties) hebben op basis van risicoselectie bij vijf instellingen (waaronder de
drie door u aangehaalde instellingen) verdiepend onderzoek uitgevoerd. De Inspecties
hebben deze GI’s geselecteerd op basis van de bij hen beschikbare toezichtinformatie
en op basis van het beeld uit de GI-monitor van 1 oktober 2024 van het Ministerie
van JenV over wachttijden, personeelsbezetting en tijdige inzet van passende hulp.
Het is gezien de selectie op basis van deze risico’s voorstelbaar dat bij deze instellingen
vergelijkbare problemen zijn geconstateerd, zoals «geen vaste jeugdbeschermer», krapte
in de personeelsbezetting en onvoldoende passende hulp. In totaal hebben de inspecties
bij vijf van de dertien GI’s verdiepend onderzoek uitgevoerd. Bij deze GI’s deden
zich ruim 70% van alle wachtlijsten voor op 1 oktober 2024.
De inspecties geven aan dat de belangrijkste oorzaken van de problemen gelegen zijn
in arbeidsmarkttekorten en in tekorten bij de jeugdhulp die noodzakelijk is bij het
uitvoeren van jeugdbescherming. De inspecties geven aan dat hierbij sprake is van
stelselproblematiek, in de zin dat oplossingen veelal buiten de invloedssfeer van
de individuele instellingen liggen. De inspecties geven daarnaast aan dat GI’s wel
aan de slag moeten met oplossingen die wel binnen hun invloedssfeer liggen en die
te maken kunnen hebben met de wijze van organiseren van de betreffende GI.
Naast de meer bedrijfsmatige aspecten waarin verbetering mogelijk is, is er een structurele
verandering van de gezamenlijke werkwijze in de jeugdbeschermingsketen nodig om tot
verbeteringen te komen. Hieraan werken we via het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming,
de Hervormingsagenda Jeugd en de verbetering van de rechtsbescherming. De inspecties
roepen het Rijk op om de implementatie van het Toekomstscenario voortvarend ter hand
te nemen zodat de opbrengsten van deze aanpak zo snel mogelijk ten goede komen aan
de gezinnen. De werkwijze die hierin beoogd wordt, is om al in een vroeg stadium kinderen
én gezinnen te helpen met hun problemen en daarmee te voorkomen dat een maatregel
voor kinderbescherming noodzakelijk wordt. Met deze aanpak wordt ook beoogd de druk
op de jeugdbescherming te verminderen waardoor er meer ruimte komt om de kinderen
waarvoor nog wel een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk is, adequaat te kunnen
helpen en beschermen.
Vraag 6
Hoe verklaart u dat Jeugdbescherming Noord onder verscherpt toezicht is gesteld, terwijl
Jeugdbescherming Gelderland en Jeugdbescherming West, waar dezelfde tekortkomingen
spelen, dat (nog) niet zijn?
Antwoord 6
In antwoord op deze vraag hebben de inspecties aangegeven dat zij afgewogen hebben
wat effectieve interventies zijn om de normafwijkingen te verhelpen. Het uitgangspunt
is dat handhaving bij een instelling niet effectief is als de oorzaken van de normafwijkingen
buiten de invloedssfeer van de instelling liggen. De inspecties hebben daarom afgewogen
welke oorzaken van de normafwijkingen binnen de invloedssfeer van de instellingen
zijn en welke daarbuiten liggen. Bij vier van de vijf bezochte instellingen komen
de inspecties tot de conclusie dat de oorzaken van de normafwijkingen grotendeels
buiten de invloedssfeer van de instelling liggen (zoals de arbeidsmarktproblematiek
en het ontbreken van een toereikend hulpaanbod).
Bij Jeugdbescherming Noord geven de inspecties daarnaast aan ook interne oorzaken
te zien. Vanwege de ernst en de hoeveelheid van de tekortkomingen en de opgave die
het bestuur heeft om verbeteringen door te voeren die binnen de eigen invloedssfeer
van de organisatie liggen, vonden de inspecties het noodzakelijk om Jeugdbescherming
Noord onder verscherpt toezicht te stellen.
De inspecties geven tot slot aan in alle rapporten te hebben benoemd dat zij er geen
vertrouwen in hebben dat de GI’s erin slagen om alle geconstateerde normafwijkingen
op korte termijn weg te nemen. Onderliggende oorzaken liggen deels buiten de invloedssfeer
van de GI’s en zijn het gevolg van problemen in het jeugdbeschermingsstelsel. De oorzaken
waar het bestuur wel invloed op heeft, moeten snel aangepakt worden.
Vraag 7
Welke criteria hanteert de IGJ bij het bepalen of verscherpt toezicht nodig is?
Antwoord 7
In antwoord op deze vraag hebben de inspecties aangegeven dat zij de aard en de ernst
van de normafwijking en het vertrouwen in de verbeterkracht van de instelling meewegen.
De verbeterkracht hangt niet alleen samen met «goed bestuur», maar ook met de (on)mogelijkheid
te verbeteren als gevolg van externe factoren.
Vraag 8
Ziet u verschillen in bestuurscultuur tussen de instellingen en welke rol speelt dit
bij het verschil in oordeel?
Antwoord 8
In antwoord op deze vraag hebben de inspecties aangegeven dat zij de bestuurscultuur
beoordeeld hebben onder het thema «goed bestuur» en de conclusies hierover opgenomen
hebben in de rapporten. Zij beoordelen dit in hun rapport (van 24 juli 2025) bij Jeugdbescherming
Noord als grotendeels onvoldoende, bij de overige GI’s als grotendeels voldoende.
Vraag 9
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het Keurmerkinstituut (KMI) het certificaat
voor jeugdbescherming en jeugdreclassering opnieuw heeft verleend aan Jeugdbescherming
Noord (JBN)?4
Antwoord 9
Ja
Vraag 10
Hoe kan het dat instellingen als JBN, JBG en JBw, ondanks certificering door het KMI,
zulke ernstige tekortkomingen kennen? Kunt u verklaren waarom de tekortkomingen bij
JBw en JBG wel door de IGJ zijn geconstateerd en niet door het KMI, terwijl het KMI
regelmatig audits doet en de IGJ minder vaak toetst?
Antwoord 10
Beide instanties hebben andere rollen en bevoegdheden. De certificerende instelling
(CI), in dit geval het Keurmerkinstituut (KMI), toetst aan de normen die zijn vastgelegd
in het normenkader voor toetsing van het kwaliteitsmanagement-systeem van GI’s5. De inspecties houden toezicht op de uitvoering van de GI’s volgens de wettelijke
eisen. Het KMI toetst het kwaliteitsmanagementsysteem (KMS) van een GI en toetst of
die GI voldoende «in control» is om haar wettelijke taken voldoende uit te kunnen
voeren. Hierbij kan de volgende vergelijking worden gemaakt: het KMI is als het ware
het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen die toetst of iemand rijvaardig is en
de IGJ is dan als het ware de politie, die zicht heeft op het feitelijke rijgedrag
en ingrijpt bij een overtreding.
In het concrete geval van JBN hebben de inspecties begin maart 2025 bij JBN toezicht
uitgevoerd. Het KMI heeft begin september 2025 een audit uitgevoerd. Op dat moment
had JBN al negen maanden gewerkt aan de noodzakelijke verbeteringen ten behoeve van
het certificaat.
Vraag 11 en 12
Hoe beoordeelt u de effectiviteit en waarde van de certificering door het KMI, gezien
deze discrepantie? Deelt u de mening dat als het KMI deze tekortkomingen niet ziet
er iets mis kan zijn met het toezicht en de audits? Kunt u zich indenken dat ouders
en gemeenten zich ongerust maken als blijkt dat het toezicht dergelijke belangrijke
zaken niet signaleert en toch certificeringen afgeeft?
Kunt u zich voorstellen dat ouders die te maken hebben met JBN zich zorgen maken over
de juistheid van de hercertificering als blijkt dat men bij andere GI’s dezelfde misstanden
over het hoofd zien? In hoeverre kunnen ouders, gemeenten en andere toezichthouders
erop aan dat het bij JBN nu allemaal klopt terwijl de zelfde misstanden elders gemist
zijn?
Antwoord 11 en 12
Ik deel niet de mening dat er sprake is van een discrepantie. Het KMI en de inspecties
kijken naar andere aspecten van kwaliteit; zie ook het antwoord op vraag 10. Door
verschillende doelstellingen van de inspecties en het KMI, is het dus mogelijk dat
KMI en inspectie tot verschillende conclusies komen. De hercertificering bij JBN is
volgens de geldende procedures voor certificering verlopen. Er is geen aanleiding
om te veronderstellen dat dit niet op een juiste wijze heeft plaatsgevonden, en ook
niet dat «men bij andere GI’s misstanden over hoofd ziet». Ik begrijp dat het voor
ouders en andere betrokkenen verwarrend kan zijn dat beide vormen van toezicht naast
elkaar bestaan maar ze dienen een ander doel.
Vraag 13
Kunt u uitleggen hoe het toezicht op het KMI zelf is ingericht en hoe de onafhankelijkheid
van dat toezicht wordt geborgd?
Antwoord 13
Het KMI is een zelfstanding bestuursorgaan (zbo) en voert haar wettelijke taak onafhankelijk
uit. De IGJ houdt toezicht op het functioneren van het KMI. Hiernaast is het KMI als
certificerende instelling geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie (RvA). Deze
accreditatie borgt dat het KMI voldoet aan de internationale normen voor deskundigheid
en onpartijdigheid op gebied van certificering. De RvA – die ook een zelfstandig bestuursorgaan
is – beoordeelt periodiek of het KMI aan deze eisen voldoet.
Vraag 14
Hoe weegt u het IGJ-rapport van oktober 2023, waarin werd gesteld dat het KMI onvoldoende
transparant is in zijn afwegingen en gevoelig lijkt voor politieke en bestuurlijke
druk?6
Antwoord 14
Voor dit antwoord verwijs ik naar de beleidsreactie op het genoemde rapport van de
inspectie die is opgenomen in de brief over jeugdzorg van de toenmalige Minister voor
Rechtsbescherming en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van
18 oktober 20237.
Vraag 15
Bent u het eens met de constatering van de IGJ dat hierdoor de onafhankelijkheid en
navolgbaarheid van de certificeringsbesluiten in het geding zijn? Graag een inhoudelijke
reactie.
Antwoord 15
Ik deel die constatering niet. De bevindingen van de IGJ laten zien dat er verbetering
nodig was in transparantie en motivering, maar dat betekent niet dat de onafhankelijkheid
en de navolgbaarheid van certificeringsbesluiten in het geding zijn geweest. De aanbevelingen
van de IGJ zijn betrokken bij de aanbesteding van de certificerende instantie om daarmee
tot een betere transparantie en motivering van besluiten van de certificerende instelling
te komen.
Vraag 16
In hoeverre herkent u signalen dat bestuurlijke druk een rol speelt bij certificeringsbesluiten
van het KMI? Kunt u uw antwoord motiveren?
Antwoord 16
Ik herken die signalen niet. Certificeringsbesluiten dienen plaats te vinden op basis
van het vastgestelde normenkader. Het KMI dient haar taak onafhankelijk uit te voeren
volgens de accreditatie-eisen en wettelijke kaders waaraan het KMI is gebonden. De
Raad voor Accreditatie houdt toezicht op de uitvoering volgens die accreditatie-eisen.
Vraag 17
Kunt u concreet aangeven of en hoe bewindspersonen, ministeries of koepelorganisaties
druk hebben uitgeoefend op het KMI in de afgelopen jaren? Zo ja, waar is dat gebeurd?
Zo nee, kunt dit duidelijk maken?
Antwoord 17
Er is geen sprake van dat bewindspersonen of ministeries druk hebben uitgevoerd op
het KMI. Het KMI voert haar taak als zelfstandig bestuursorgaan (zbo) onafhankelijk
uit.
Vraag 18
Acht u het wenselijk dat een privaatrechtelijk instituut met een monopoliepositie
als het KMI zo’n cruciale rol vervult in de jeugdbeschermingsketen? Deelt u de mening
dat het afgeven van dergelijke certificeringen feitelijk een overheidstaak moet zijn
die niet aan marktpartijen kan worden overgelaten gezien het feit dat een kinderbeschermingsmaatregel
een zeer ernstige ingreep is die allen met toestemming van een rechter mag worden
uitgesproken en uitgevoerd?
Antwoord 18
Ik deel die mening niet. Het KMI vervult deze taak als privaatrechtelijke zbo met
een wettelijk toegekende taak. De certificering vindt plaats volgens wettelijk vastgestelde
eisen en onder accreditatie. Daarmee is de onafhankelijkheid, de legitimiteit en de
kwaliteit van de certificering geborgd. Er is door de wetgever gekozen voor één certificerende
instantie om zorg te dragen dat elke GI op dezelfde wijze wordt beoordeeld. Ik wijs
erop dat certificatie een breed toegepaste methode is om publieke belangen te borgen
(bijv. bij veiligheid van producten en diensten).
Vraag 19 en 20
Bent u op de hoogte van het feit dat toezichthouders, gemeenten, cliëntenraden en
media geen inzicht krijgen, ook niet desgevraagd, in de resultaten van de audits?
Acht u het wenselijk dat de onderbouwing van deze certificeringsbeslissing geheim
wordt gehouden? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 19 en 20
Ja, ik ben hiervan op de hoogte. De conclusie van het certificeringsbesluit wordt
openbaar gemaakt. Volgens het Aanwijzingsbesluit certificerende instelling jeugdwet
2024 publiceert het KMI op zijn website welke GI’s zijn gecertificeerd en welke een
aanvraag voor een certificering hebben ingediend. De auditrapporten worden niet openbaar
gemaakt; deze kunnen bedrijfsgevoelige informatie bevatten. Het is bij toezicht op
individuele bedrijven en organisaties overigens gebruikelijk dat er geen individuele
informatie openbaar wordt gemaakt. De Wet open overheid biedt hiervoor een weigeringsgrond.
GI’s zijn privaatrechtelijke organisaties en openbaarmaking van deze informatie kan
hun concurrentie en onderhandelingspositie schaden. Toezichthouders, zoals de inspecties
en de Raad voor Accreditatie, hebben uiteraard wel de bevoegdheid om auditrapporten
bij het KMI op te vragen in het kader van het door hen uit te voeren toezicht.
Vraag 21, 22, 23, 24, 30, 31, 33 en 37
Erkent u dat het ongewenst is dat zowel toezichthouders als de inspecties, gemeenten
(als opdrachtgevers), als cliëntenraden en ouders niet kunnen inzien op basis waarvan
een certificering is afgegeven? Kunt u dit toelichten?
Deelt u de mening dat het gebrek aan transparantie bijdraagt aan wantrouwen richting
de GI’s als het certificeringssysteem in zijn geheel? Zo, nee waarom niet?
Kunt u toelichten op welke wijze GI’s momenteel worden beoordeeld op de individuele
punten van het normenkader en waarom deze scores niet openbaar beschikbaar zijn?
Is het volgens u wenselijk dat onbekend blijft welke verbeterpunten het KMI heeft
vastgesteld en of deze inmiddels aantoonbaar zijn opgelost?
Wat vindt u van de afspraak dat auditrapporten en onderliggende bevindingen niet openbaar
mogen worden gemaakt, zelfs niet aan toezichthouders, gemeenten of cliëntenraden?
Deelt u de mening dat het KMI nooit met een dergelijke afspraak had mogen instemmen,
juist gezien de publieke verantwoordelijkheid die zij namens de overheid vervult?
Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om een aanwijzing te geven aan het KMI en de GI’s om per direct en met
terugwerkende kracht vanaf de instelling van het certificeringssysteem in 2015 alle
auditrapporten openbaar te maken? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid per direct op te treden tegen de huidige praktijk waarbij auditrapporten
geheim blijven, en te zorgen dat betrokken ouders, cliëntenraden, gemeenten en inspecties
toegang krijgen tot deze informatie?
Antwoord 21, 22, 23, 24, 30, 31, 33 en 37
Certificeringsbesluiten worden genomen op basis van het door de Minister vastgestelde
normenkader. Het auditrapport is een individuele beoordeling over een instelling en
kan bedrijfsgevoelige informatie bevatten (zie antwoord op vraag 19 en8 en wordt daarom niet openbaar gemaakt. Dit doet niets af aan de kwaliteit en de legitimiteit
van het certificeringsbesluit. Het KMI toetst niet alleen of een GI aan het normenkader
voldoet, maar ziet ook toe via vervolg-audits of eerder geconstateerde afwijkingen
zijn opgelost. Een certificaat kan bijvoorbeeld niet worden toegekend als kritische
constateringen niet adequaat zijn opgepakt.
Transparantie is van belang voor het vertrouwen in het stelsel. Ik deel de conclusie
niet dat het gebrek aan openbaarmaking van de onderliggende auditinformatie leidt
tot wantrouwen richting de GI’s of het certificeringsstelsel. De werking van de certificering
wordt getoetst door de Raad voor Accreditatie.
Vraag 25 en 26
Kunt u aangeven om welke inhoudelijke redenen het KMI eind 2024 heeft besloten om
het volledige certificaat van JBN in te trekken en te vervangen door een overbruggingscertificaat?
Waarom heeft men dat niet gedaan bij JBG en JBw? Of heeft het KMI deze misstanden
niet geconstateerd bij de audits? Kunt u verklaren hoe deze ernstige misstanden eventueel
gemist zijn door het KMI?
Wat zijn concreet de redenen dat het KMI nu, minder dan een jaar later, opnieuw een
volledig certificaat aan JBN heeft toegekend?
Antwoord 25 en 26
Uit de audit van het KMI kwam naar voren dat JBN een aantal kritische afwijkingen
(van het normenkader) had. Het KMI heeft destijds besloten om een overbruggingscertificaat
af te geven. Het KMI geeft alleen een overbruggingscertificaat af als zij de verwachting
heeft dat de betreffende organisatie, binnen de gestelde termijn, de situatie kan
verbeteren. Bij de laatste audit is gebleken dat JBN door de door hen doorgevoerde
verbeteringen binnen de gestelde termijn weer voldeed aan de normen van het normenkader.
Bij andere GI’s heeft het KMI geen vergelijkbare afwijkingen van het normenkader geconstateerd
die aanleiding gaven tot de afgifte van een overbruggingscertificaat. Zie ook het
antwoord op vraag 10 voor de toelichting op het verschil tussen certificering door
het KMI en het toezicht door de inspecties.
Vraag 27, 28, 29 en 32
Kunt u bevestigen dat de schemabeheerder voor het certificeringssysteem Jeugdzorg
Nederland is? Zo nee, wie is dan de schemabeheerder?
Deelt u de zorg dat de schemabeheerder, als vertegenwoordiger van de sector zelf,
hiermee in feite de regie heeft over het certificeringssysteem? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat dit een ongewenste situatie oplevert waarin Jeugdzorg Nederland
toezicht uitoefent op zichzelf? Kunt u uw antwoord toelichten?
Erkent u dat hiermee feitelijk het certificeringssysteem in handen is gekomen van
de sector zelf, en dat daarmee de samenleving en toezichthouders op afstand worden
gehouden? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 27, 28, 29 en 32
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid stelt het normenkader vast. Daaraan voorafgaand
wordt advies gevraagd aan de Commissie van Belanghebbenden9 en de Raad voor Accreditatie. Het normenkader is onderdeel van het certificatieschema.
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid is hiervan de eigenaar en is schemabeheerder
van het normenkader.
Vraag 34
Indien nee, welke alternatieve maatregelen gaat u nemen om alsnog te zorgen voor transparantie
en publieke verantwoording?
Antwoord 34
Zie het antwoord op vraag 11.
Vraag 35
Hoe beoordeelt u de opstelling van het KMI, dat aangeeft naar mensen die op transparantie
vragen wel «meer openheid te willen bieden», maar dit voorlopig niet te doen vanwege
«beleidsregels»? Bent u op de hoogte van deze beleidsregels en wat is uw mening over
deze beleidsregels?
Antwoord 35
Ja, ik ben op de hoogte van de beleidsregels van het KMI. Deze beleidsregels vallen
binnen de normen waarbinnen het KMI als privaatrechtelijke zbo, haar taak onafhankelijk
uitvoert. Het is niet aan mij om een inhoudelijk oordeel te geven over de wijze waarop
het KMI haar beoordelingskader invult, zolang het binnen de kaders van de Jeugdwet
en de Algemene wet bestuursrecht (Awb) valt. Het KMI heeft aangegeven de komende periode,
samen met de commissie van belanghebbenden, de mogelijkheden te onderzoeken om meer
transparantie te kunnen bieden over de uitkomsten van de audits.
Vraag 36
Deelt u de mening dat bij een publieke taak die zo ingrijpend is als jeugdbescherming,
volledige transparantie de norm moet zijn en geheimhouding onacceptabel is? Zo nee,
waarom niet?
Antwoord 36
Ik deel deze mening niet. Transparantie is belangrijk, maar als het om auditrapporten
gaat niet altijd. Deze kunnen bedrijfsgevoelige informatie bevatten. Zie ook het antwoord
op vraag 19 en 20.
Vraag 38 en 39
Wat gaat u concreet doen om te voorkomen dat certificering in de jeugdzorg een papieren
exercitie blijft, terwijl in de praktijk ouders en kinderen nog steeds ernstige schade
ondervinden van het handelen van gecertificeerde instellingen?
Welke alternatieven ziet u om het certificerings- en toezichtproces onafhankelijker,
transparanter en minder manipuleerbaar in te richten?
Antwoord 38 en 39
Zowel het KMI als de IGJ heeft een eigen rol in het toezicht op de GI’s. Het KMI toetst
of een organisatie voldoet aan het normenkader voor toetsing van het kwaliteitsmanagementsysteem
van gecertificeerde instellingen10. De IGJ ziet toe op de uitvoering van het handelen van de gecertificeerde instellingen
volgens wettelijke vereisten en kan ingrijpen bij signalen of tekortkomingen wanneer
de situatie erom vraagt. In het kader van het Toekomstscenario Kind- en gezinsbescherming
laat ik onderzoeken welke alternatieven er voor het huidige certificeringsstelsel
mogelijk zijn.
Vraag 40
Hoe reflecteert u op de bredere bestuurscultuur in de jeugdbescherming, waarin organisaties
ondanks herhaalde waarschuwingen structureel tekortschieten maar tegelijkertijd bestuurlijk
overeind blijven?
Antwoord 40
De jeugdbescherming kampt met grote uitdagingen. Het inspectierapport «Als zelfs overheidsingrijpen
kinderen geen bescherming biedt» benoemt de grootste tekortkomingen in de jeugdbescherming
en jeugdreclassering. Kinderen en hun ouders moeten vaak wachten op een vaste jeugdbeschermer,
er is onvoldoende betekenisvol contact met jeugdigen en gezinnen en passende jeugdhulp
wordt niet of niet tijdig ingezet. De inspecties geven daarbij ook aan dat de oorzaak
hiervan niet bij de jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders ligt. Tegelijkertijd worden
de instellingen ook aangesproken op onderdelen die beter moeten en dan constateer
ik dat deze bestuurders zich inzetten om dat te verbeteren. De inspecties geven ook
aan dat enkele oorzaken niet binnen de beïnvloedingsmogelijkheden van de GI’s zelf
liggen.
De inspecties hebben de bestuurscultuur beoordeeld onder het thema «goed bestuur»
en de conclusies hierover opgenomen in de rapporten. Zij beoordelen dit bij JB Noord
als grotendeels onvoldoende en bij de overige GI’s als grotendeels voldoende.
Vraag 41
Welke verantwoordelijkheid neemt u als kabinet voor het feit dat deze structurele
tekortkomingen al jarenlang bekend zijn maar zich blijven herhalen?
Antwoord 41
De jeugdbescherming kampt met grote en complexe uitdagingen en daar voelen we ons
ook verantwoordelijk voor. Die verantwoordelijkheid vullen we in met de inzet op de
Hervormingsagenda Jeugd, het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming en de verbetering
van de rechtsbescherming.
Vraag 42
Hoe verklaart u dat jeugdigen en gezinnen nog steeds slachtoffer worden van dezelfde
systeemfouten, ondanks eerdere toezeggingen van verbeteringen?
Antwoord 42
Het eerlijke antwoord is dat er geen maatregelen zijn die op korte termijn deze complexe
tekortkomingen kunnen oplossen. Dat betekent dat het risico bestaat er onvoldoende
zicht is op de ontwikkeling en veiligheid van jeugdigen.
Vraag 43
Wat zijn volgens u de belangrijkste drie systeemingrepen die noodzakelijk zijn om
daadwerkelijk verbetering te realiseren?
Antwoord 43
De belangrijkste ingrepen zijn het versterken van de lokale teams, het verbeteren
van de beschikbaarheid van jeugdhulp en hulp voor het hele gezin en (daarmee) het
terugbrengen van de vraag naar jeugdbescherming.
Vraag 44
Kunt u toezeggen dat de Kamer jaarlijks een overzicht ontvangt van gecertificeerde
instellingen met daarbij de bevindingen van IGJ en KMI, zodat de Kamer kan toetsen
of certificering en inspectie in de pas lopen?
Antwoord 44
Wanneer er een aanleiding voor is, zoals bij rapporten van de inspecties, zal ik de
Kamer informeren volgens de gebruikelijke wijze.
Vraag 45
Bent u bereid in uw antwoord een inhoudelijke reflectie te geven op de vraag of de
huidige bestuurscultuur in de jeugdbescherming toereikend is om echte verandering
te realiseren, of dat een meer fundamentele herziening nodig is?
Antwoord 45
Met de programma’s Hervormingsagenda Jeugd en het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming
zijn we een beweging begonnen waarin we met elkaar, ieder vanuit zijn/haar verantwoordelijkheid,
de situatie in de jeugdzorg (waaronder de jeugdbescherming) structureel willen verbeteren.
We hebben daarbij alle betrokkenen nodig en ik volg de inspecties die oproepen tot
stevig leiderschap van GI’s, gemeenten en Rijk om samen tot duurzame oplossingen te
komen voor de aanpak van de onderliggende oorzaken.
Ondertekenaars
A.C.L. Rutte, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.