Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. beleidsagenda Buitenlandse Handel ‘Nederland: welvarend en weerbaar’ (Kamerstuk 36180-164)
36 180 Doen waar Nederland goed in is – Strategie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
Nr. 196 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 30 januari 2026
De vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp heeft een aantal
vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken over
de brief van 28 mei 2025 over de Beleidsagenda Buitenlandse Handel «Nederland: welvarend
en weerbaar» (Kamerstuk 36 180, nr. 164), over de brief van 3 november 2025 over de Beantwoording vragen commissie over de
Beleidsagenda Buitenlandse Handel «Nederland: welvarend en weerbaar (Kamerstuk 36 180, nr. 164) (Kamerstuk 36 180, nr. 179) en over de brief van 13 november 2024 over de Voortgangsrapportage Nationaal Actieplan
bedrijfsleven en mensenrechten (NAP) (Kamerstuk 32 735, nr. 401.
De vragen en opmerkingen zijn op 27 januari 2026 aan de Staatssecretaris van Buitenlandse
Zaken voorgelegd. Bij brief van 30 januari 2026 zijn de vragen beantwoord.
De fungerend voorzitter van de commissie, Boswijk
Adjunct-griffier van de commissie, Hoedemaker
Inhoudsopgave
blz.
I.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
2
•
Inbreng D66-fractie en reactie van de bewindspersoon
2
•
Inbreng VVD-fractie en reactie van de bewindspersoon
0
•
Inbreng CDA-fractie en reactie van de bewindspersoon
0
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
Inbreng leden van de D66-fractie en reactie van de bewindspersoon
De leden van de D66-fractie benadrukken dat gendergelijkheid een belangrijke randvoorwaarde
is voor een gezond verdienvermogen en duurzame economische stabiliteit, zowel in Nederland
als daarbuiten. Internationale analyses laten zien dat economieën waarin vrouwen en
meisjes veilig en volwaardig kunnen participeren innovatiever, productiever en weerbaarder
zijn. Zo wijst het World Economic Forum op het positieve verband tussen gendergelijkheid
en concurrentievermogen, en becijferde de Europese Investeringsbank dat het verkleinen
van de genderkloof het wereldwijde bruto binnenlands product met circa 13 biljoen euro
zou kunnen verhogen.
Tegen deze achtergrond constateren deze leden dat het Ministerie van Buitenlandse
Zaken momenteel geen expliciet beleid voert op het snijvlak van gender en handel.
Ook blijkt dat bij het opstellen van de beleidsagenda de verplichte kwaliteitseis
«effecten op gendergelijkheid» uit het Beleidskompas niet is toegepast. Handelsbeleid
zonder structurele aandacht voor vrouwenrechten en gendergelijkheid dreigt niet alleen
bestaande ongelijkheden te bestendigen, maar laat ook aantoonbare economische kansen
onbenut.
De leden hebben hierover de volgende vragen: Is de verplichte kwaliteitseis «effecten
op gendergelijkheid» van het Beleidskompas uitgevoerd bij de totstandkoming van het
huidige handelsbeleid? Zo nee, kan de Staatssecretaris toezeggen deze analyse alsnog
uit te voeren en de uitkomsten daarvan met de Tweede Kamer te delen?
1.
Antwoord van het kabinet:
Zoals aangegeven in de beantwoording op de feitelijke vragen beschrijft de beleidsagenda
de politieke koers van het kabinet op buitenlandse handel.1 Het beleidskompas is daarbij niet gebruikt en wordt ook niet toegepast op de politieke
koers.
Kan de Staatssecretaris voorts toezeggen dat bij toekomstig handelsbeleid en bij de
totstandkoming en herziening van handelsakkoorden structureel een gedegen analyse
van de effecten op gendergelijkheid wordt uitgevoerd, en dat de inzichten daaruit
aantoonbaar worden meegewogen, conform de bestaande beleidsverplichtingen?
2.
Antwoord van het kabinet:
Voor totstandkoming en herziening van handelsakkoorden geldt dat na verlening van
een onderhandelingsmandaat door de Raad de Europese Commissie een zogenaamde sustainability impact assessment (SIA) laat uitvoeren door een onafhankelijke onderzoekspartij. Voor het uitvoeren
van een dergelijke SIA is een handreiking opgesteld. In deze handreiking wordt uitvoerende
partijen gevraagd «specifiek aandacht te besteden aan vrouwenrechten en het effect
dat het akkoord in onderhandeling kan hebben op gendergelijkheid.»2 Een overzicht van de uitgevoerde SIA’s en de uitkomsten voor gendergelijkheid is
te raadplegen via de website van de Europese Commissie.3 Bovendien wordt in de duurzaamheidshoofdstukken van handelsakkoorden vaak expliciet
afgesproken dat impact op gender gemonitord wordt.
De aan het woord zijnde leden nemen daarnaast met instemming kennis van de ondertekening
van het handelsverdrag met India. Zij zien dit als een belangrijke stap in het versterken
van de economische relaties tussen de Europese Unie en India. Kan de regering de Kamer
informeren over het verdere tijdpad richting ratificatie van dit verdrag, en over
de rol die Nederland hierin zal spelen?
3.
Antwoord van het kabinet:
Het handelsakkoord met India betreft naar alle waarschijnlijkheid een zogenoemd EU-only akkoord. Dit betekent dat alleen de EU partij wordt en er geen nationale ratificatieprocedures
nodig zijn. Het tijdspad van het ratificatieproces is momenteel nog niet bekend, maar
het proces zal er als volgt uit zien: nadat de verdragsteksten gepubliceerd zijn,
juridisch gecontroleerd zijn en vertaald in alle officiële talen van de EU, zal de
Europese Commissie de Raad van de Europese Unie vragen om goedkeuring om het akkoord
te ondertekenen. Na de ondertekening is het vervolgens aan het Europees Parlement
om in te stemmen met het handelsakkoord waarna de Raad tot slot besluit dat het akkoord
in werking kan treden. Als India het handelsakkoord ook heeft geratificeerd, treedt
het in werking.
Als lid van de Raad zal Nederland een rol spelen in deze besluitvorming. Uw Kamer
zal tijdig een kabinetsappreciatie van het handelsakkoord ontvangen wanneer de benodigde
stukken aan de Raad ter besluitvorming zijn voorgelegd.
Voorts vernemen de voornoemde leden graag in hoeverre de ondertekening van het verdrag
met India bijdraagt aan het creëren van momentum voor lopende handelsbesprekingen
met Indonesië en Australië. Kan de regering een actuele stand van zaken geven van
deze onderhandelingen? In welke sectoren verwacht de regering dat Nederland en de
Europese Unie in het bijzonder economisch voordeel zullen behalen uit deze (toekomstige)
akkoorden?
4.
Antwoord van het kabinet:
Uw Kamer wordt vier keer per jaar geïnformeerd over de voortgang van lopende onderhandelingen
over handelsakkoorden in de Voortgangsrapportage Handelsakkoorden, als bijlage bij
de geannoteerde agenda voor de Raad Buitenlandse Zaken Handel. De meest recente voortgangsrapportage
wordt aan uw Kamer gezonden als bijlage bij de geannoteerde agenda voor de informele
Raad Buitenlandse Zaken Handel van 19-20 februari a.s.
Voor Australië geldt dat de onderhandelingen halverwege 2025 zijn hervat. Momenteel
staat een aantal inhoudelijke punten nog open, waaronder markttoegang voor landbouwproducten.
Het is op dit moment nog niet bekend wat de tijdslijn voor afronding van de onderhandelingen
is. Ten aanzien van de economische effecten blijkt uit het SIA dat het akkoord gunstig
is voor de goederenexport in de sectoren machines en apparaten, chemie, motorvoertuigen
en transportmiddelen, voeding en dranken, elektronische apparatuur, alsmede voor sectoren
die gebruikmaken van kritieke grondstoffen.4 Voorts heeft SEO Economisch Onderzoek eerder een analyse gedaan naar de effecten
voor de Nederlandse economie. Daaruit blijkt dat een akkoord met Australië zou leiden
tot een stijging van het Nederlandse bruto binnenlands product (BBP) met ongeveer
1 miljard euro.5
Wat betreft het EU-Indonesië handelsakkoord is op 23 september 2025 een onderhandelaarsakkoord
bereikt. Het kabinet zal uw Kamer een kabinetsappreciatie doen toekomen wanneer de
Commissie de teksten van het akkoord ter besluitvorming voorlegt aan de Raad. Ten
aanzien van de economische effecten blijkt uit het SIA van de Commissie dat het akkoord
naar verwachting een positieve impact op handel zal hebben voor beide kanten. Daarbij
worden specifiek de sectoren motorvoertuigen, papier en papierproducten, chemicaliën,
rubber- en plasticproducten en -machines aangestipt.6 Voorts blijkt uit het voornoemde SEO-onderzoek dat een akkoord met Indonesië zou
leiden tot een stijging van het Nederlandse BBP met ongeveer 1,3 miljard euro.
Op welke wijze wordt daarbij rekening gehouden met sociale effecten, de positie van
vrouwen en meisjes, en de impact op natuur en biodiversiteit? Hoe worden deze overwegingen
concreet meegewogen in de onderhandelingsinzet en de uiteindelijke beoordeling van
de akkoorden?
5.
Antwoord van het kabinet:
Voor elk handelsakkoord wordt in opdracht van de Commissie een SIA uitgevoerd. Hierin
wordt ingeschat wat de effecten van een akkoord zijn op mensenrechten, arbeidsrechten,
klimaat en biodiversiteit. In de rapporten worden aanbevelingen gedaan, zodat de EU
deze mee kan nemen in de onderhandelingsinzet. In reactie op het SIA publiceert de
Commissie een document, waarin de Commissie reageert op de bevindingen en aangeeft
welke aanbevelingen meegenomen worden en of de inzet van de Commissie aangepast wordt.
Alle impact assessments en reacties daarop worden op de website van de Commissie openbaar gemaakt.7 Het kabinet neemt deze documenten mee in de afweging bij de kabinetsappreciatie.
Inbreng leden van de VVD-fractie en reactie van de bewindspersoon
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geagendeerde
brieven en hebben hierover nog enkele vragen en aandachtspunten.
De leden van de VVD-fractie benadrukken het belang van handel als verdienvermogen
voor de Nederlandse samenleving. Volgens deze leden kunnen ontwikkelingssamenwerking
en handel elkaar versterken in het bereiken van de gestelde doelen. Hoe kijkt de Staatssecretaris
naar het optimaliseren van het gebruik van handel als instrument om ontwikkelingsdoelen
te bereiken?
6.
Antwoord van het kabinet:
Zoals in verschillende beleidsbrieven beschreven8 zet het kabinet zich in om hulp, handel en investeringen steviger aan elkaar te verbinden.
Nederlandse bedrijven kunnen oplossingen bieden voor lokale uitdagingen in andere
landen en dragen daarmee bij aan het bereiken van verschillende ontwikkelingsdoelen.
De Nederlandse overheid kan hen daarbij ondersteunen, door de gecombineerde inzet
van handelsinstrumentarium, economische diplomatie en instrumenten voor lokale marktontwikkeling.
Met name in de zogenoemde combitracks9 wordt deze inzet in de praktijk gebracht.
Daarnaast beschikt de EU over verschillende handelsinstrumenten die bijdragen aan
het bereiken van ontwikkelingsdoelen. Zo biedt de EU via het Algemeen Preferentieel
Stelsel (APS) bijvoorbeeld eenzijdig lagere tarieven aan ontwikkelingslanden om te
zorgen dat die landen gunstige toegang krijgen tot de Europese markt.
Op welke manier werkt de Staatssecretaris concreet aan het vooropzetten van onze welvaart
en weerbaarheid van de economie in het handelsbeleid?
7.
Antwoord van het kabinet:
Wanneer het kabinet keuzes moet maken op het gebied van buitenlandse handel zal het
kabinet in de eerste plaats kijken naar de baten op het gebied van welvaart en weerbaarheid.
Dit is een afweging die bij elke casus opnieuw wordt gemaakt.
Zo kijkt het kabinet bij wetgeving, bijvoorbeeld tijdens de Omnibusonderhandelingen,
nog nadrukkelijker naar de regeldrukeffecten en de impact op het vestigingsklimaat.
Daarnaast zoeken we actief contact met landen die bijdragen aan onze energieleveringszekerheid.
Om het concurrentievermogen van de Europese Unie te beschermen is volgens de leden
van de VVD-fractie meer Europese coherentie nodig als het gaat om het handelsbeleid.
Hoe duidt de Staatssecretaris de trend in meerdere Europese lidstaten die accepteren
dat China een grotere rol speelt in investeringen in infrastructuur, zoals bijvoorbeeld
in havens? Welke alternatief kan de Europese Unie bieden tegen deze Chinese investeringen
in kritieke infrastructuur?
8.
Antwoord van het kabinet:
Het kabinet is zich bewust van de risico’s omtrent ongewenste overnames en investeringen
in de kritieke infrastructuur. Sinds de motie Koerhuis/Van der Molen uit 202210, met als een van de voornaamste doelen de beperking van ongewenste invloeden, zet
Nederland zich bij de Europese Commissie in voor een Europese havenstrategie. Momenteel
werkt de Commissie hieraan en de strategie wordt naar verwachting medio februari 2026
gepubliceerd, waarna de Kamer middels een BNC-fiche geïnformeerd zal worden.
Daarnaast worden overnames en investeringen in de kritieke infrastructuur getoetst
middels de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (wet Vifo). Dergelijke
investeringstoetsen worden ook in de andere EU-lidstaten gedaan. Omdat het toetsingsinstrumentarium
zich primair op nationaal niveau bevindt streeft het kabinet naar het versterken van
samenhang op EU- en internationaal niveau. Met de recent overeengekomen herziening
van de FDI-verordening wordt deze samenhang versterkt.
In welke partnerschappen moet worden geïnvesteerd volgens de Staatssecretaris om buiten
de gevestigde markten handel te bevorderen?
9.
Antwoord van het kabinet:
Het kabinet zet specifiek in op partnerschappen gericht op het verminderen van afhankelijkheden
en vergroten van onze leveringszekerheid, bijvoorbeeld op gebied van kritieke grondstoffen,
halfgeleiders en energie. Door handel in deze sectoren in specifieke partnerschapslanden
te bevorderen, zoals met Zuid-Afrika, Chili en India, wordt bijgedragen aan het Nederlandse
verdienvermogen en de weerbaarheid van onze economie, ook in EU-verband.
Het kabinet stelt wederzijdse voordelen centraal en stimuleert lokale waardetoevoeging
via grondstoffenpartnerschappen, handelsakkoorden en (Europese) ontwikkelingshulp
met grondstofrijke landen. Zoals aangegeven in de beleidsbrief over ontwikkelingshulp
blijft het kabinet werken aan verduurzaming van de ketens van kritieke grondstoffen.
Dit dien ook een handelsbelang: door de omstandigheden in de keten te verbeteren draagt
het kabinet bij aan een verbeterd investeringsklimaat, transparantie in de keten en
minder disrupties in de toevoer van kritieke grondstoffen, en daarmee aan betrouwbaardere
waardeketens en een grotere leveringszekerheid.
Hoe ziet de Staatssecretaris kansen voor het Nederlandse bedrijfsleven om via het
Global Gateway-initiatief toegang te krijgen tot andere markten? Hoe kan het gebruik
van Global Gateway door Nederlandse bedrijven worden bevorderd?
10.
Antwoord van het kabinet:
Global Gateway biedt mogelijk kansen voor Nederlandse bedrijven om EU-ondersteuning
te krijgen in projecten in Sub-Sahara Afrika, het Midden-Oosten, Azië-Pacific, Latijns-Amerika
en de Caraïben, met name op het gebied van digitalisering, klimaat en energie (inclusief
water, landbouw en kritieke grondstoffen) en transport. De EU ziet een belangrijke
rol voor bedrijven in uitvoering van de Global Gateway strategie. In oktober 2025
lanceerde de Europese Commissie daarom de EU Investment Hub, bedoeld om het bedrijfsleven
beter te betrekken en betere toegang te geven tot ondersteuningsmogelijkheden. In
Nederland wordt een zogenaamd Team National opgezet. Daarin wordt nauw samengewerkt
met Invest International, RVO, Atradius, FMO en VNO-NCW om projectvoorstellen van
Nederlandse bedrijven bij deze Investment Hub te kunnen indienen.
Op welke manier ondersteunt de Staatssecretaris Invest International en Atradius Dutch
State Business (ADSB) om ondernemers te ondersteunen met financiering en exportverzekeringen?
11.
Antwoord van het kabinet:
Invest International en Atradius Dutch State Business (ADSB) zijn belangrijke parters
bij de uitvoering van het Buitenlandse Handel- en Ontwikkelingsbeleid. Samen zorgen
Invest International en ADSB met ondersteuning van de Staat ervoor dat Nederlandse
ondernemers de benodigde middelen en expertise krijgen om succesvol te opereren op
internationale markten, onder meer in ontwikkelingslanden en opkomende economieën.
De exportkredietverzekering (ekv) faciliteit verzekert betalingsrisico’s die zijn
verbonden aan Nederlandse export en investeringen in het buitenland. ADSB treedt op
als verzekeraar en ADSB voert de ekv-faciliteit uit in naam van en voor rekening en
risico van de Staat. Met het verzekeren van betalingsrisico’s wordt jaarlijks veel
Nederlandse export mogelijk gemaakt in sectoren waar Nederland sterk in is, zoals
de maritieme sector en medische- en groene technologie.
Voor transacties die niet passen onder de reguliere ekv worden aanvullende mogelijkheden
geboden. Voor Nederlandse ondernemers die willen exporteren naar ontwikkelingslanden
of opkomende markten is het soms lastig een transactie te verzekeren via de reguliere
ekv. Daarom worden deze – veelal mkb – ondernemers door het aanbieden van aanvullende
ekv-mogelijkheden ondersteund via het Dutch Good Growth Fonds (DGGF) en het Dutch
Trade and Investement Fund (DTIF). Hierdoor kan ADSB deze ondernemers toch bedienen
en handel mogelijk maken.
Daarnaast worden via Invest International ondernemers ondersteund bij hun internationale
ambities door financiering en investeringen. Invest International biedt financieringsmogelijkheden
aan Nederlandse bedrijven die willen ondernemen in buitenlandse markten waar traditionele
(bank)financiering vaak moeilijk te verkrijgen is. Om deze ondernemers toch financieringsmogelijkheden
te bieden, is een aantal regelingen beschikbaar gesteld. Invest International voert
deze regelingen uit namens de Staat. Hierbij werkt Invest International nauw samen
met de Nederlandse overheid om strategische projecten te identificeren die zowel de
Nederlandse economie als internationale ontwikkelingsdoelen bevorderen. In de periode
2026–2028 heeft het kabinet een extra budget van 350 miljoen euro beschikbaar gesteld
voor deze activiteiten.
Wanneer volgt een evaluatie van de pilot van ADSB voor het vergroten van de toegang
van Nederlandse bedrijven tot kritieke grondstoffen? Kan de Staatssecretaris de resultaten
van deze evaluatie met de Kamer delen?
12.
Antwoord van het kabinet:
De pilot van ADSB voor het vergroten van de toegang van Nederlandse bedrijven tot
kritieke grondstoffen wordt in 2028 geëvalueerd. De resultaten zullen te zijner tijd
met uw Kamer worden gedeeld.11
Daarnaast hebben de leden van de VVD-fractie kennisgenomen van de «Voortgangsrapportage
Nationaal Actieplan bedrijfsleven en mensenrechten 2024.» De leden lezen in de reactie
van de Staatssecretaris dat in de cacao, palmolie en textiel-ketens meer strategische
samenwerking is gefaciliteerd. Op welke manier kunnen deze resultaten worden ingezet
in andere ketens die van belang zijn voor de Nederlandse economie?
13.
Antwoord van het kabinet:
Organisaties zoals Fair Wear, Initiatief Duurzame Handel (IDH), Solidaridad en het
Centrum tot Bevordering van de Import uit ontwikkelingslanden (CBI) ontwikkelen samen
met andere maatschappelijke organisaties en koploperbedrijven direct toepasbare tools
om gepaste zorgvuldigheid toe te passen binnen voor Nederland belangrijke waardeketens.
Deze tools helpen bedrijven hun waardeketen in kaart te brengen, risico’s te identificeren
en te werken aan leveringszekerheid. De geleerde lessen worden via onder andere het
instrument sectorale samenwerking en het MVO-steunpunt breder onder sectoren gedeeld,
zodat meer Nederlandse bedrijven de samenwerking met hun strategische ketenpartners
kunnen versterken.
Op welke manier worden ondernemers meegenomen in het nieuwe IMVO-beleid? Kan de Staatssecretaris
nader uitleggen wat wordt bedoeld met de «zuivere en lastenluwe omzetting van de CSDDD»?
14.
Antwoord van het kabinet:
Bedrijven worden op verschillende manieren bij het beleid betrokken. Zo is het bedrijfsleven
bij het nieuwe instrument voor sectorale samenwerking uitgebreid geconsulteerd12 en worden de ervaringen van bedrijven ook meegenomen bij het doorontwikkelen van
het MVO-steunpunt en de MVO-risicochecker.
Specifiek ten aanzien van de implementatie van de CSDDD is eind 2024 een internetconsultatie
gehouden over het conceptwetsvoorstel ter implementatie van de CSDDD, de Wet internationaal
verantwoord ondernemen (Wivo). Hierbij hebben verschillende ondernemersorganisaties
en individuele (mkb-)bedrijven hun input kunnen geven. Ook in het vervolg van het
implementatietraject worden ondernemers regelmatig betrokken en geïnformeerd, ook
over de aanpassingen aan de CSDDD op grond van het Omnibus I-wijzigingspakket. Dit
gebeurt onder meer via stakeholderbijeenkomsten en in voorlichting en ondersteuning
door het MVO-steunpunt, die met name op het mkb is gericht.
Zuivere implementatie houdt in dat bij de implementatieregeling geen andere regels
worden opgenomen dan voor de implementatie strikt noodzakelijk zijn (geen nationale
koppen). Bij lastenluwe implementatie wordt gekozen voor een implementatie die de
minst mogelijke lasten oplegt aan de door de regeling geraakte bedrijven. Het kabinet
hanteert deze uitgangspunten bij de implementatie van de CSDDD.
Inbreng leden van de CDA-fractie en reactie van de bewindspersoon
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de Beleidsagenda Buitenlandse
Handel. Deze leden hebben hier enkele vragen over.
De leden van de CDA-fractie vragen de Staatssecretaris wat haar inschatting is of
de Mercosur-handelsovereenkomst voorlopig in werking zal kunnen treden, zoals verzocht
in de aangenomen motie Erkens c.s. (Kamerstuk 21 501-20, nr. 2374). Wat de leden van de CDA-fractie betreft kan Europa zich stilstand niet veroorloven
in een wereld waarin handelsblokken verschuiven en zekerheden wegvallen.
15.
Antwoord van het kabinet:
Voor de voorlopige toepassing van afspraken in het EU-Mercosur akkoord is het nodig
dat zowel de EU als één of meer van de Mercosur-landen hun interne procedures voor
voorlopige toepassing hebben doorlopen. Aan EU-zijde is het besluit over voorlopige
toepassing Europeesrechtelijk aan de Raad, die hier reeds positief over heeft besloten.
Aan Mercosur-zijde is naar verwachting meer tijd nodig om interne procedures te doorlopen.
De uiteindelijke timing van de voorlopige toepassing is aan de Europese Commissie
in overleg met de Mercosur-landen. Het kabinet zet zich conform motie Van der Burg
c.s.13 in voor de spoedige totstandkoming en inwerkingtreding van het akkoord. Ook heeft
het kabinet in de informele Europese Raad van 22 januari jl. steun uitgesproken voor
voorlopige toepassing, conform de motie Erkens c.s.14
Nederland werkt aan strategische partnerschappen voor kritieke grondstoffen en halfgeleiders
met landen als Vietnam, Zuid-Korea, Canada en India. De aan het woord zijnde leden
vinden dit verstandig, maar vragen wel naar welke landen we nu nog meer kijken. Is
het in kaart gebracht waar we wel en niet de banden aanscherpen?
16.
Antwoord van het kabinet:
Naast samenwerking met partners binnen de EU, wordt er gewerkt aan verbreding en versterking
van strategische partnerschappen voor halfgeleiders buiten de EU. Deze samenwerkingen
vinden plaats op basis van concrete criteria zoals: mogelijkheden voor versterken
van de innovatiekracht van de Nederlandse economie, het vergroten van onze talentbasis,
het versterken van het verdienvermogen en mogelijkheden voor directe investeringen
in Nederland. In nauwe samenwerking met een deel van het ambassadenetwerk, het Ministerie
van Economische Zaken, de industrie, kennisinstellingen en regionale ontwikkelingsmaatschappijen
wordt ingezet op versterking van strategische partnerschappen met landen op het Westelijk
halfrond en in Zuid- en Oost-Azië en de Golfregio.
Op gebied van kritieke grondstoffen gaat de voorkeur uit naar samenwerking in EU verband,
omdat we als EU gezamenlijk meer slagkracht hebben. Daarnaast importeert Nederland
zelf vrijwel geen ruwe grondstoffen en heeft Nederland geen grote mijnbouwbedrijven.
De EU heeft vijftien grondstoffenpartnerschappen, met Zuid-Afrika, Servië, Australië,
Oezbekistan, Noorwegen, Rwanda, Groenland, DRC, Zambia, Chili, Argentinië, Namibië,
Kazachstan, Oekraïne, en Canada. In een aantal van deze landen draagt het kabinet
ook bilateraal via ontwikkelingshulp, handelsbevordering, kennissamenwerking of capaciteitsopbouw
bij aan betrouwbare grondstoffenwaardeketens. Daarnaast worden in handelsakkoorden
doorgaans afspraken gemaakt over kritieke grondstoffen, zoals in het handelsakkoord
met Chili.
Kan de Staatssecretaris daarnaast aangeven wat de status is van de innovatie attaches
op de ambassades? Klopt het dat op sommige ambassades deze attaches geheel verdwijnen?
Brengt dit onze ambities niet in gevaar?
17.
Antwoord van het kabinet:
Het Innovatie Attaché Netwerk (IAN) valt onder de verantwoordelijkheid van de Minister
van Economische Zaken en stimuleert internationale samenwerking tussen bedrijven,
kennisinstellingen en overheden op het gebied van innovatie, technologie en wetenschap.
De bezuiniging die de komende jaren op de non-ODA HGIS middelen wordt doorgevoerd
heeft ook gevolgen voor de omvang van het IAN. In een enkel geval betekent dat het
uitfaseren van de aanwezigheid van het IAN op een post. Tegelijkertijd blijft het
IAN een belangrijk instrument gericht op het versterken van onze ambities, zoals de
Nationale Technologie Strategie15. Het netwerk blijft actief in de landen waar de grootste kansen liggen op het gebied
van innovatie en technologie, die aansluiten op de prioriteiten die vanuit het Ministerie
van Economische Zaken zijn gesteld.
Internationale handel vraagt ook aandacht voor de regio. Ons handelsinstrumentarium
staat open voor alle bedrijven, maar in de praktijk zien we dat vooral de Randstad
profiteert, terwijl onze regio's achterblijven. Herkent de Staatssecretaris dit vanuit
het werkbezoek dat ze onlangs aan de provincie Fryslân bracht?
18.
Antwoord van het kabinet:
Het kabinet zet zich in om alle bedrijven te ondersteunen, ongeacht hun geografische
ligging. Tijdens het werkbezoek aan de Provincie Fryslân is gesproken over de onbenutte
potentie van Fryske ondernemers op het gebied van export. Het kabinet streeft ernaar
deze potentie verder te verkennen en de dienstverlening aan ondernemers te optimaliseren.
Zo onderzoekt het kabinet hoe het meer Fryske ondernemers kunnen laten deelnemen aan
economische missies.
De leden van de CDA-fractie vinden het een gemiste kans dat onze regio's niet evenredig
profiteren van de kansen die er liggen. Natuurlijk zit ook buiten de Randstad topkennis,
zeker op het gebied van water, voedselzekerheid en klimaat slimme landbouw. Wie de
wereld wil helpen met water gerelateerde uitdagingen, moet ook de regio’s meenemen
die daarin uitblinken. Provinciale besturen kunnen daarbij de brug slaan, bijvoorbeeld
door mkb-bedrijven actief te informeren en te betrekken bij handelsmissies. Is de
Staatssecretaris het met de voornoemde leden eens dat hier een strategische kans ligt?
19.
Antwoord van het kabinet:
Het kabinet erkent dat bedrijven in alle regio’s optimaal geïnformeerd moeten zijn
over de mogelijkheden in het buitenland. Vanuit deze beleidsdoelstelling is in 2018
het Trade & Innovate Netwerk NL (TINL) opgericht om de complementariteit van het nationaal
en regionaal instrumentarium te waarborgen en betere synergie te bereiken tussen de
nationale en regionale publieke uitvoeringsorganisaties, zoals de ROM’s, die bedrijven
ondersteunen om succesvol te zijn in het buitenland. De Noordelijke Ontwikkelingsmaatschappij
erkende onmiddellijk de strategische noodzaak en besloot zich aan te sluiten. Hierdoor
maakten zij het uitgebreide dienstenpakket van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland
(RVO), het ambassadenetwerk en andere regionale partners beschikbaar. De Noordelijke
Ontwikkelingsmaatschappij doet dit in de drie provincies via effectief partnerschap
met YnBusiness, GroBusiness en Ik Ben Drents Ondernemer met daarbij ook vanuit een
export perspectief focus op de voor Noord Nederland sterke, kansrijke clusters en
ecosystemen.
Deelt de Staatssecretaris de opvatting dat het huidige aanbod via de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen
(ROM’s) gefragmenteerd is, waardoor bedrijven in delen van het land slechts beperkt
worden ondersteund en daardoor ook minder gebruikmaken van het RVO instrumentarium?
20.
Antwoord van het kabinet:
Dankzij het Trade & Innovate NL Netwerk wordt het handelsinstrumentarium op een effectieve
manier verspreid en bekendgemaakt binnen het uitgebreide regionale netwerk. Hierdoor
kunnen bedrijven in alle delen van Nederland optimaal worden ondersteund en gestimuleerd
om het handelsinstrumentarium te benutten. Het kabinet maakt geen onderscheid tussen
bedrijven, ongeacht hun vestigingslocatie. Dankzij de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen
(ROM's) en stedenverbanden, die zorgen voor consistentie en synergie, ontstaat er
een krachtige samenwerking die bedrijven in alle regio’s in Nederland ten goede komt.
Er wordt regelmatig gesproken met ROM’s over waar zaken goed gaan of beter moeten.
Niet alle bedrijven in een provincie zijn gericht op export. Wanneer we bijvoorbeeld
de graadmeter «percentage publieke dienstverlening voor handelsbevordering» per provincie
afzetten tegen het totaal aantal bedrijven per provincie, geldt voor Friesland een
ondervertegenwoordiging van –0,8 procent. Echter, wanneer we kijken naar de dienstverlening
gerelateerd aan het aantal exporterende Friese bedrijven dan is er sprake van een
oververtegenwoordiging van 0,9 procent.
Is de Staatssecretaris bereid om samen met provincies en het bedrijfsleven te verkennen
welke knelpunten er zijn en hoe kan worden toegewerkt naar een landelijk dekkend netwerk
van regionale exportprogramma’s via de ROM’s, zodat bedrijven in alle regio’s laagdrempelig
en gelijkwaardig toegang hebben tot ondersteuning bij hun internationaliseringsstrategie?
Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke concrete stappen gaat de Staatssecretaris zetten
om deze kansen daadwerkelijk te benutten?
21.
Antwoord van het kabinet:
Ja, het kabinet blijft continu in overleg met zijn partners, zoals de RVO en het Trade
& Innovate NL Netwerk, om knelpunten te verkennen en de dienstverlening te optimaliseren.
In de IOB-evaluatie lezen de leden van de CDA-fractie dat Nederlandse bedrijven regelmatig
opdrachten binnenslepen bij internationale organisaties. Tegelijkertijd wordt geconstateerd
dat het overzicht ontbreekt: waar liggen die kansen precies, en wat levert het Nederland
concreet op? De aanbeveling is daarom om deze informatie beter en inzichtelijker te
maken, bijvoorbeeld door structureel te laten zien welke opdrachten en opbrengsten
Nederlandse bedrijven via multilaterale organisaties binnenhalen. De leden van de
CDA-fractie zouden het zeer waarderen als het ministerie deze aanbeveling overneemt.
Kan de Staatssecretaris dat toezeggen?
22.
Antwoord van het kabinet:
Aanbestedingen en opdrachten van internationale organisaties en multilaterale banken
kunnen inderdaad heel interessant zijn voor Nederlandse bedrijven. RVO ondersteunt
via het Team Internationale Organisaties bedrijven om zich daarvoor te positioneren.
Nederland heeft expertise die kansen biedt in een aantal sectoren waaronder energie,
water, maritiem, gezondheidszorg, transport, land- en tuinbouw. Dit leverde de afgelopen
vijf jaar jaarlijks naar schatting gemiddeld meer dan 700 miljoen euro aan opdrachten
op voor Nederlandse partijen. Het merendeel van de opdrachten was van respectievelijk
de VN, de EU, de Wereldbank en de Aziatische Ontwikkelingsbank. Exacte data over door
Nederlandse partijen gewonnen opdrachten is bij de meeste organisaties niet beschikbaar.
Voor de VN zijn bijvoorbeeld wel geaggregeerde data beschikbaar16. Daarnaast staat Nederland al jarenlang in de top tien van niet-lenende landen die
aanbestedingen bij de Wereldbank winnen, en meer dan 60% van de Nederlandse inschrijvingen
bij Wereldbanktenders resulteert in een gunning. Maar in de regel houden internationale
organisaties geen overzichten bij van wie onderaannemer van een opdracht wordt.
Het kabinet verwelkomt de recente hervormingen bij de Wereldbank, waaronder vroegtijdige
marktconsultatie bij internationale aanbestedingen van boven de USD 10 miljoen, verplichte
kwaliteitsweging bij alle internationale aanbestedingen (rated criteria) en het bundelen
van kleine contracten in grotere opdrachten om deze aantrekkelijker te maken voor
internationale bedrijven. Deze maatregelen zijn onder meer relevant in het licht van
zorgen over een gelijk speelveld en om meer kansen te bieden voor Europese bedrijven.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
D.G. Boswijk, voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp -
Mede ondertekenaar
E. Hoedemaker, adjunct-griffier