Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Van Oosterhout over het Sectorakkoord Gaswinning op Land
Vragen van het lid Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) aan Minister van Klimaat en Groene Groei over het Sectorakkoord Gaswinning op Land (ingezonden 21 januari 2026).
Antwoord van Minister Hermans (Klimaat en Groene Groei) (ontvangen 28 januari 2026).
Vraag 1
Kunt u alle ingediende zienswijzen op het Sectorakkoord en met name deze van bewoners
en lokale besturen, inclusief de provincies en waterschappen, met de Kamer delen?
Antwoord 1
In de werkwijze is gekozen voor een aanpak van gesprekken met medeoverheden. Deze
hadden een open en informeel karakter. Daarom zijn er ook geen woordelijke verslagen
van gemaakt. Die aanpak is bewust gekozen om medeoverheden de ruimte te geven om te
kunnen spreken over de «hoe-vraag» (als gaswinning nodig is, hoe kan dat zo goed mogelijk
voor de omgeving worden gedaan), terwijl veel van hen liever geen (nieuwe) gaswinning
in hun regio wensen. Naar aanleiding van de gesprekken heeft een aantal van hen een
zienswijze op schrift ingediend. Deze zijn bijgevoegd.
Vraag 2
Ziet u op basis van deze zienwijzen een breedgedragen lokaal draagvlak voor gaswinning
op land, zowel bij overheden als bij burgers in de buurt van potentiële gaswinningslocaties?
Zo ja, waaruit precies blijkt dat draagvlak? Zo nee, hoe zult u met het gebrek aan
draagvlak omgaan?
Antwoord 2
Het kabinet heeft voor het programma Duurzaam Gebruik Diepe Ondergrond in het voorjaar
van 2025 onder inwoners een online raadpleging over toekomstig gebruik van de diepe
ondergrond laten uitvoeren1. Die raadpleging ging onder andere over aardgas- en zoutwinning, aardwarmte- en energieopslag.
Meer dan 5.000 Nederlanders deden mee en gaven suggesties over waar de overheid rekening
mee moet houden bij het gebruik van de diepe ondergrond en locatiekeuzes hiervoor.
Uit de raadpleging blijkt onder meer dat 60–70% van de respondenten het gebruik van
de diepe ondergrond in de toekomst in brede zin steunt, vooral om energie betaalbaar
te houden en minder afhankelijk te worden van het buitenland, mits dit gebruik veilig
gebeurt. Dit sluit aan bij de uitgangspunten van het «Sectorakkoord gaswinning in
de energietransitie». Bij het afwegen van locaties is bijvoorbeeld het beschermen
van natuurgebieden voor veel deelnemers een belangrijk aandachtspunt. Mensen die eerder
schade hebben ervaren door ondergrondse activiteiten – zoals door gaswinning uit het
Groningenveld – geven andere prioriteiten aan. Zij zijn over het algemeen terughoudender
over toekomstig gebruik, vooral als het gaat om aardgas- of oliewinning. Deze groep
vindt dat eerst bestaande schade goed moet worden opgelost en dat er geen nieuwe schade
mag ontstaan. De inzichten uit de raadpleging worden meegenomen in de verdere uitwerking
van het programma Duurzaam Gebruik Diepe Ondergrond. Op 22 januari 2026 is de Tweede
Kamer over de voortgang van het programma geïnformeerd2.
Met de gemaakte aanvullende afspraken voor gaswinning op land beoogt het kabinet bij
te dragen aan het maatschappelijk draagvlak voor gaswinning op land. Deze afspraken
voor gaswinning op land zijn een aanvulling op het bestaande kader en dragen onder
meer bij aan meer transparantie over gaswinning in de transitieperiode, het versterken
van de betrokkenheid van de omgeving en batendeling voor de omgeving. Veilige en verantwoorde
winning blijft daarbij centraal staan. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Vraag 3
Hoe onderbouwt u de stelling van EBN dat het sectorakkoord conform het klimaatakkoord
van Parijs zou zijn, in het licht van de vaststellingen van het Internationaal Energie
Agentschap en andere wetenschappelijke bronnen dat er geen ruimte is voor nieuwe velden
als we de 1,5 °C willen halen, en is scope 3 van in Nederland op te pompen gas in
die overweging meegenomen?
Antwoord 3
In de overgang naar een klimaatneutraal energiesysteem blijft aardgas voorlopig nog
nodig. Hierbij heeft het kabinet een voorkeur voor aardgas met zo min mogelijk klimaatimpact
en zo min mogelijk afhankelijkheid van andere landen. Met het «Sectorakkoord Gaswinning
in de Energietransitie» en de «aanvullende afspraken voor gaswinning op land» zet
het kabinet in op opschaling van gaswinning uit gasvelden op de Noordzee en een verantwoorde
afbouw van gaswinning op land. Het wettelijk vastgelegde klimaatdoel voor 2030 is
55% CO2-reductie (ten opzichte van de emissies in 1990). Voor het nastreven van de klimaatdoelen
stuurt het kabinet op het verminderen van het gebruik van fossiele brandstoffen en
is de binnenlandse winning daaraan volgend. Dit is ook in lijn met de afspraak in
het Noordzeeakkoord dat de Nederlandse gaswinning op de Noordzee in ieder geval onder
het niveau van de binnenlandse aardgasvraag blijft. Daarmee dient de winning in Nederland
enkel om import van nog meer buitenlands gas zoveel mogelijk te beperken.
Volgens de jaarlijkse prognose van TNO in het «Jaarverslag Delfstoffen en Aardwarmte»3 past een opschaling van de gaswinning op de Noordzee en verantwoorde afbouw van gaswinning
op land binnen het meest progressieve aardgasvraagreductiescenario. Ook met een tijdelijk
hogere gasproductie op de Noordzee en tijdelijke stabilisatie van gaswinning op land
blijft dit volume ruim onder wat er binnen Nederland wordt gebruikt aan aardgas.
Ten aanzien van de mondiale CO2-emissies is het beter voor het klimaat om het benodigde gas in Nederland te winnen
in plaats van dat aardgas te importeren zolang aardgas nog noodzakelijk is in onze
energietransitie. Zie ook het antwoord op vraag 4. Daarnaast draagt binnenlandse gasproductie
bij aan de gasleveringszekerheid en biedt het ook economische voordelen zoals werkgelegenheid,
gasbaten en behoud van kennis en infrastructuur die ingezet kan worden ten behoeve
van de energietransitie.
Voor scope 3 emissies maakt het niet uit waar dit gas vandaan komt. Over de uitspraak
van het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) inzake scope 3 ontvangt de
Kamer in Q1 2026 een nadere analyse.
Vraag 4
Kunt u de Kamer een vergelijking doen toekomen van de uitstoot van broeikasgassen
over de gehele levenscyclus (dus inbegrepen scope 1, 2 en 3) van in Nederland gewonnen
gas met gas gewonnen in de vijf belangrijkste aan Nederland gas leverende landen,
gezien u schrijft dat gas uit eigen bodem klimaatvriendelijker is dan ander gas?
Antwoord 4
De klimaatafdruk (CO2-equivalenten) van winning en transport (scope 1 en 2) van Nederlands aardgas is vergelijkbaar
met het Noorse aardgas dat via pijpleidingen geïmporteerd wordt. Dit is veel lager
dan de klimaatafdruk van import uit overige landen zoals LNG (vloeibaar gas) uit de
VS (36% lager). Scope 3 emissies (die het gevolg zijn van het verbruik van aardgas)
zijn voor elk gas hetzelfde, ongeacht waar het vandaan komt. Zie voor een verdere
specificatie (scope 1, 2 en 3) de infographic 2023 van Energie Beheer Nederland4.
Vergelijkbare uitkomsten volgen uit het onderzoek «Ketenemissies aardgasmix 2022–2023»
dat Royal HaskoningDHV in opdracht van Rijkswaterstaat heeft uitgevoerd5. In dat onderzoek zijn de broeikasemissies in de toeleveringsketen geactualiseerd
voor in Nederland geconsumeerd aardgas van G-gas en van H-gas kwaliteit. Het onderzoek
concludeert onder meer dat geschat wordt dat de emissies per eenheid Nederlands gas
uit kleine velden en Noors gas vergelijkbaar zijn, terwijl emissies per eenheid LNG
uit de VS en uit Qatar en andere landen respectievelijk 6–7 (VS) en circa 4 (Qatar
e.a.) maal groter zijn. In dit onderzoek zijn Noorwegen en de Verenigde Staten de
belangrijkste landen van waaruit gas wordt geïmporteerd aan Nederland. Het onderzoek
beperkt zich voor de uitgevoerde analyse daarna tot de ketenemissies in onder andere
Nederland, Noorwegen en de Verenigde Staten. Dat betreft niet de gevraagde vergelijking
met de gehele levenscyclus emissies in de 5 belangrijkste landen waar marktpartijen
gas vandaan importeren naar Nederland voor de Noordwest Europese markt, maar wel een
vergelijking met de twee belangrijkste landen van waaruit gas geïmporteerd wordt.
Voor een uitgebreidere onderbouwing van de milieu-impact op aardgas verwijst het kabinet
naar de Kamerbrief van 14 februari 20256. Hierin is onder meer aangegeven dat in de afgelopen jaren LNG (vloeibaar aardgas)
steeds belangrijker is geworden voor de Europese en Nederlandse gasvoorziening, vooral
na het wegvallen van Russische gas via pijpleidingen en de afname van eigen productie.
In die Kamerbrief is verder genoemd dat onderzoek aantoont dat LNG, vooral uit de
VS, een hogere klimaatimpact heeft dan binnenlandse gaswinning of Noors aardgas via
pijpleidingen evenals dat het gas dat voorheen via pijpleidingen uit de Russische
federatie kwam ook hoge emissiewaarden kende. Over de milieu-impact van de Nederlandse
gasaanvoer heeft Energie Beheer Nederland (EBN) in 2025 ook een infografic gepubliceerd7.
Vraag 5
Indien de volgens artikel 2 van het Sectorakkoord betrokken omgeving, waaronder bewoners,
in grote meerderheid negatief reageert op een voorstel tot gaswinning, is de vergunninghouder
dan verplicht haar plannen op basis daarvan aan te passen of zelfs schrappen, of kan
de vergunninghouder de inbreng van de omgeving gewoon naast zich neerleggen?
Antwoord 5
De inbreng vanuit de omgeving – zowel van bewoners als medeoverheden – is van grote
meerwaarde. Hier is een belangrijke rol weggelegd voor de vergunninghouders die een
activiteit willen uitvoeren. Om deze reden zijn in het akkoord aanvullende afspraken
gemaakt onder meer over het betrekken van de omgeving. Zoals de afspraak dat een vergunninghouder
ongeveer 3 maanden voorafgaand aan de indiening van een aanvraag voor gaswinning in
gesprek gaat met de omgeving over voorgenomen plannen en de wijze waarop de omgeving
betrokken wil worden. De vergunninghouder verwerkt de inbreng van de omgeving in een
«betrokkenheidsplan» dat de vergunninghouder tegelijkertijd met de indiening van de
vergunningaanvraag bij het Ministerie van Klimaat en Groene Groei overlegt.
Echter, het «voor-of-tegen» gaswinning zijn (de «of-vraag») is niet de vraag die voorligt
bij bewoners en of medeoverheden. De beslissing of gaswinning mag plaatsvinden – mits
veilig en verantwoord – betreft een nationale aangelegenheid. Als bevoegd gezag is
het kabinet gebonden aan juridische kaders bij de beoordeling van individuele aanvragen
om gas te winnen. Een aanvraag voor gaswinning wordt getoetst aan de Mijnbouwwet.
Daarin staat op welke gronden een aanvraag kan worden afgewezen. Aanvragen voor vergunningen
kunnen niet rechtmatig worden geweigerd om redenen die geen grondslag hebben in de
wet.
Het kabinet vertrouwt er verder op dat een vergunninghouder zich bewust is van het
belang om de omgeving in alle fases van de gaswinning zorgvuldig te betrekken en waar
mogelijk en redelijk gehoor te geven aan de inbreng van de omgeving.
Vraag 6
Kunt u aantonen hoeveel kubieke meter gas in Nederlandse velden op land effectief
technisch en economisch winbaar is?
Antwoord 6
Uit de EBN-analyse (in bijlage II bij de aanvullende afspraken voor gaswinning op
land8) volgt dat het winningsvolume uit kleine velden op land circa 127 miljard kuub bedraagt.
Hiervan is op basis van de huidige inzichten circa 40% technisch en economisch winbaar.
Dat komt neer op circa 50 miljard kuub.
Vraag 7
Hoe lang zou die hoeveelheid gas het Nederlandse gasverbruik dekken op basis van het
verbruik van 2025?
Antwoord 7
Het Nederlandse gasverbruik in 2024 bedraagt ongeveer 30 miljard kuub op jaarbasis.
Uit de EBN-analyse (in bijlage II bij de aanvullende afspraken voor gaswinning op
land) volgt dat ongeveer 40% van het winningsvolume als technisch potentieel kan worden
bezien. Dat komt neer op ruim 1,5 jaar. Het aardgas wordt echter gewonnen over een
periode van zo’n 20 tot 25 jaar en zorgt daardoor voor zo’n 1,5 tot 2 miljard kuub
gas per jaar en draagt samen met de binnenlandse gasproductie op de Noordzee, opschaling
van duurzame energieprojecten en inspanningen tot het verder verlagen van het aardgasverbruik
tot het zoveel mogelijk beperken van de importafhankelijk van aardgas in de komende
decennia op weg naar een volledig duurzame energievoorziening.
Vraag 8
Welke stappen moeten er nog genomen worden en hoeveel tijd zal er naar verwachting
over ieder van die stappen gaan vooraleer de herziening van de Mijnbouwwet naar de
Kamer komt?
Antwoord 8
Op 22 januari 2026 heeft het kabinet de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang
en de nieuwe planning van de herziening van de Mijnbouwwet9. In die brief worden de processtappen tot en met het aanbieden van het wetsvoorstel
aan de Kamer toegelicht.
Vraag 9
Gezien in Groningen nog bijna 10.000 gezinnen wachten op versterking van hun huizen,
de kosten in Groningen ten opzichte van de eerste ramingen stevig opgelopen zijn en
Groningers lang hebben moeten wachten op duidelijkheid over hun schadevergoedingen,
welke regelingen worden in het geval van het verlenen van een vergunning voor bijkomende
gaswinning op land waar dan ook in Nederland getroffen om voldoende geld en zekerheid
te garanderen voor eventuele toekomstige materiële en niet-materiële schade ten gevolge
van aardbevingen en/of bodemdalingen?
Antwoord 9
De Commissie Mijnbouwschade neemt, behalve daar waar het IMG dat doet, meldingen van
bewoners en kleine bedrijven in behandeling over mogelijke fysieke schade aan gebouwen
door bodembeweging als gevolg van activiteiten in de diepe ondergrond. De Commissie
Mijnbouwschade (CM) ondersteunt schademelders door onafhankelijk advies te geven over
de vraag of er sprake is van materiële schade door bodembeweging als gevolg van activiteiten
in de diepe ondergrond en, zo ja, wat de hoogte van het schadebedrag is dat door het
mijnbouwbedrijf aan de schademelder moet worden vergoed. Mijnbouwbedrijven hebben
zich in een overeenkomst met de staat verplicht tot het uitvoeren van deze adviezen.
Het uitgangspunt van de schadeafhandeling bij de CM is dat deze laagdrempelig, transparant,
deskundig en onafhankelijk is.
Vraag 10
Zullen de maatregelen uit «Nij Begun» uitgebreid worden naar andere gebieden waar
mogelijks aardbevingsschade kan komen ten gevolge van gaswinning? Indien niet alle
maatregelen naar die gebieden uitgebreid worden, welke worden dan wel naar andere
gebieden uitgebreid en welke niet?
Antwoord 10
De maatregelen uit «Nij Begun» kunnen niet zonder meer allemaal worden overgenomen
in andere gebieden omdat die regio specifiek zijn en gerelateerd aan de gaswinning
uit het Groningenveld.
Dat laat onverlet dat de ervaringen met het Groningenveld voor belangrijke verbeteringen
hebben geleid die meegenomen zijn voor het gebruik van de diepe ondergrond. Die verbeteringen
reiken verder dan alleen gaswinning. Zo zijn er methodieken ontwikkeld om risico's
van activiteiten in de diepe ondergrond beter te kunnen beoordelen, de toezichthouder
(SodM) heeft meer personele capaciteit gekregen, decentrale overheden hebben een adviesrol
gekregen en de schadeafhandeling is centraal georganiseerd via de Commissie Mijnbouwschade
(CM).
Verder zijn in lijn met de maatregelen uit «Nij Begun» aanvullende verbeteringen doorgevoerd.
Zo wordt gewerkt aan een kennisprogramma voor onderzoek naar sociale effecten van
het gebruik van de diepe ondergrond, wordt data over de ondergrond beter toegankelijk
gemaakt en wordt het netwerk van KNMI om aardbevingen te meten verder uitgebreid.
Vraag 11
Gezien burgers in Friesland nu al zelf nulmetingen aan het uitvoeren zijn en gezien
burgers en lokale besturen in de noordelijke provincies met veel frustraties zitten
rond de werking van de Commissie Mijnbouwschade, zal er voor alle betrokken regio’s
omgekeerde bewijslast gelden bij schade die mogelijks aan aardbevingen en/of bodemdalingen
toe te schrijven is?
Antwoord 11
Nee, dit zal niet het geval zijn. Het toepassen van het wettelijk bewijsvermoeden
voor alle betrokken regio’s zou namelijk niet zorgen voor een verbetering van de positie
van schademelders. Ook zou de invoering hiervan onvoldoende dragend gemotiveerd kunnen
worden en daarmee niet juridisch houdbaar zijn. Voor een meer uitgebreide onderbouwing
van dit standpunt verwijst het kabinet naar de brief van 27 maart 202510 aan de Kamer.
Vraag 12
Welke criteria worden gehanteerd om voor een bepaalde regio waar gaswinning en andere
mijnbouw potentieel kan leiden tot schade door aardbevingen en aardverzakkingen, wel
of niet omgekeerde bewijslast in te voeren?
Antwoord 12
Voor de introductie van het wettelijk bewijsvermoeden is een dragende motivering nodig11. Het wettelijk bewijsvermoeden is namelijk een uitzondering op de standaardregel
in het Nederlands burgerlijk recht «wie stelt, bewijst». Om te kunnen bepalen of uitbreiding
van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden naar bodembeweging als gevolg
van mijnbouwactiviteiten in een groter gebied in Nederland juridisch houdbaar is,
heeft het vorige kabinet voorlichting gevraagd aan de Afdeling advisering van de Raad
van State12.
Voor het effectgebied van het Groningenveld en de gasopslagen Norg en Grijpskerk is
het wettelijk bewijsvermoeden dragend gemotiveerd door onder meer te wijzen op 1)
het grote aantal schadegevallen in dat gebied, 2) de gelijksoortigheid daarvan die
3) in het grootste deel van deze gevallen het gevolg is van één oorzaak, namelijk
gaswinning. Hierbij is het goed om op te merken dat naarmate de reikwijdte voor het
wettelijk bewijsvermoeden ruimer wordt, ook de motiveringseis zwaarder wordt.
Vraag 13
Kunt u deze vragen beantwoorden en gevraagde informatie delen voorafgaand aan het
commissiedebat Mijnbouw op 29 januari 2026?
Antwoord 13
Ja.
Ondertekenaars
S.T.M. Hermans, minister van Klimaat en Groene Groei
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.