Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Diederik van Dijk over het bericht 'Marijns zoon nam middelen van funcaps en overleed: 'Er is geen drempel om deze shit te gebruiken''
Vragen van het lid Diederik van Dijk (SGP) aan de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Justitie en Veiligheid over het bericht «Marijns zoon nam middelen van funcaps en overleed: «Er is geen drempel om deze shit te gebruiken»» (ingezonden 18 november 2025).
Antwoord van Minister Bruijn (Volksgezondheid, Welzijn en Sport), mede namens de Minister
van Justitie en Veiligheid (ontvangen 28 januari 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen,
vergaderjaar 2025–2026, nr. 614.
Vraag 1
Wat is uw reactie op het bericht in de Volkskrant waarin wordt beschreven hoe Marijns zoon is overleden na het gebruik van middelen
die via zogenaamde «funcaps»-websites konden worden besteld?1
Antwoord 1
Wij vinden deze berichtgeving uitermate schokkend en willen dan ook ons medeleven
betuigen met de familie en andere nabestaanden van de slachtoffers.
Over de individuele strafzaak kunnen wij geen uitspraken doen; het is uiteindelijk
aan de rechter om in deze strafzaak recht te spreken.
Wel zijn wij, samen met alle betrokken operationele partijen, in kaart aan het brengen
met welke problemen we hier te maken hebben en welke interventies daarbij passen.
Wij zullen uw Kamer daar zo snel als mogelijk over informeren.
Vraag 2
Klopt het dat dergelijke websites op grond van de per 1 juli 2025 in werking getreden
wetgeving geen synthetische drugs of nieuwe psychoactieve stoffen (NPS) meer mogen
aanbieden en leveren?
Antwoord 2
Het klopt dat er geen NPS meer mogen worden aangeboden of geleverd die vallen onder
lijst IA van de Opiumwet welke op 1 juli 2025 van kracht is gegaan. Het betreft een
drietal veel voorkomende stofgroepen die zijn afgeleid van harddrugs. Sinds het verbod
op 1 juli 2025 mogen deze middelen uit deze stofgroepen niet meer verhandeld worden.
Er blijven echter NPS op de markt die buiten de Opiumwet vallen. Dit kunnen middelen
zijn waarbij sprake is van overtreding van de Geneesmiddelenwet of van de Warenwet.
Wanneer bij de aangeboden middelen sprake is van een bewezen gevaar voor de gezondheid,
kan dit worden aangemerkt als een overtreding van art. 174, Wetboek van Strafrecht.
Andere synthetische drugs zoals bijvoorbeeld MDMA of methamfetamine zijn al sinds
de jaren 80 strafbaar onder lijst I, behorende bij de Opiumwet.
Vraag 3
Op welke wijze wordt in de praktijk gehandhaafd op dit verbod? Kunt u toelichten hoeveel
websites sinds de inwerkingtreding van de wet zijn gesloten, beboet of anderszins
aangepakt wegens het aanbieden van middelen die onder de nieuwe Opiumwet vallen?
Antwoord 3
Er is een aantal mogelijkheden om onderzoek te doen naar online illegale activiteiten.
Zo zijn er bij de politie digitale rechercheurs die OSINT (open source intelligence)
-onderzoeken kunnen doen op het openbare internet; zij verzamelen en analyseren informatie
die vrij beschikbaar is voor het publiek. Indien gegevensdragers zoals telefoons of
computers in beslag zijn genomen, kunnen na toestemming van het Openbaar Ministerie
(OM), data-specialisten deze ook onderzoeken en de gevonden gegevens analyseren.
Indien sprake is van betalingen in virtuele valuta kan ook financieel onderzoek worden
gedaan naar de mogelijke criminele geldstromen die gepaard gaan met onlinehandel.
Sinds de inwerkingtreding van de lijst IA van de Opiumwet op 1 juli is een aantal
acties uitgevoerd, waarbij inbeslagnames hebben plaatsgevonden en gemeenten zijn ingeschakeld
voor bestuurlijke handhaving.
Toezichthouders als de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de Nederlandse Voedsel-
en Warenautoriteit (NVWA) en de Politie kunnen bij daadwerkelijke online illegale
inhoud of illegale activiteit gebruik maken van de zogenaamde Notice and Take Down
procedure (NTD-procedure). Dit is een vrijwillige gedragscode in de internetbranche
voor omgang met onrechtmatige en strafbare content op websites. In principe kunnen
burgers ook gebruik maken van deze procedure.
Hostingbedrijven dienen zich te houden aan de Nederlandse wetgeving; zoals de regels
voor hostingdiensten die zijn vastgelegd in de DSA. Zodra ze weet hebben van illegale
inhoud of activiteit die zich op hun dienst bevindt, dienen zij prompt te handelen
om de inhoud te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken. Doen zij dat
niet, dan kunnen ze mogelijk aansprakelijk worden gesteld (artikel 6 DSA).
Vraag 4
Kunt u bevestigen dat het nog steeds mogelijk is om via eenvoudige zoekopdrachten
online toegang te krijgen tot websites die partydrugs of designerdrugs aanbieden?
Acht u dit, gezien de nieuwe wetgeving, een wenselijke situatie?
Antwoord 4
Het klopt dat er nog steeds toegang is tot websites die designerdrugs aanbieden. Er
is ook nog steeds aanbod van middelen die (nog) buiten de Opiumwet vallen. Zoals toegelicht
in het antwoord op vraag 2, kunnen het middelen zijn waarbij sprake is van overtreding
van de Geneesmiddelenwet of van de Warenwet. Wanneer bij de aangeboden middelen sprake
is van een bewezen gevaar voor de gezondheid, kan dit worden aangemerkt als een overtreding
van art. 174, Wetboek van Strafrecht.
Laten we hier helder in zijn, in alle gevallen vinden wij het onwenselijk als deze
middelen illegaal worden verhandeld op het internet.
Vraag 5
Waarom zijn deze websites nog actief, ondanks het generieke verbod op NPS? Ligt dit
aan te beperkte handhavingscapaciteit, aan lacunes in de wetgeving, of aan andere
factoren?
Antwoord 5
Ondanks de uitbreiding van de Opiumwet met stofgroepen van NPS zijn er nog steeds
veel schadelijke middelen die niet onder de Opiumwet vallen. Vooral voor de zogenaamde
grensvlakproducten is de handhaving complex, omdat op voorhand niet altijd duidelijk
is onder welke wetgeving ze vallen.
Wat ook meespeelt is dat pas door het strafrechtelijk onderzoek de omvang van de problematiek
dermate goed zichtbaar is geworden. Wij zijn nu in gesprek met alle betrokken partijen
om te kijken naar een effectieve aanpak. Hierbij zullen we bijvoorbeeld kijken naar
de huidige wet- en regelgeving, de handhavingscapaciteit en de samenwerking tussen
alle partijen. Wij zullen uw Kamer daar zo snel als mogelijk over informeren in een
brief.
Vraag 6
Bestaat het risico dat buitenlandse webshops misbruik maken van mazen in de Nederlandse
of internationale regelgeving om alsnog aan Nederlandse klanten te leveren? Zo ja,
welke maatregelen neemt u om dit tegen te gaan?
Antwoord 6
Risico op misbruik van mazen in de regelgeving bestaat altijd. Daarom zetten wij ons
in om de lacunes in de regelgeving te vinden en weg te nemen. Een goed voorbeeld hiervan
is de nieuwe lijst IA van de Opiumwet. Door dit stofgroepenverbod kunnen we de handel
in gevaarlijke designerdrugs tegengaan. Verder werken uitvoeringsorganisaties samen
in meerdere samenwerkingsverbanden. De opsporingsdiensten staan middels verschillende
samenwerkingsverbanden in contact met andere landen. Voorbeelden hiervan zijn het
Europol analysis project (AP) en het European Multidisciplinary Platform Against Criminal
Threats (EMPACT). Ook worden er in samenwerking met Europol’s European Cybercrime
Centre (EC3) en nationale cybercrime units darkwebmarkten, encrypted communicatieplatforms
en hostingsites gemonitord.
Vraag 7
Welke aanvullende stappen bent u bereid te ondernemen om ervoor te zorgen dat dergelijke
websites sneller uit de lucht worden gehaald en dat toegang via reguliere zoekmachines
onmogelijk wordt gemaakt?
Antwoord 7
Het kabinet wil al het aanbod en zeker ook het online aanbod van drugs tegengaan.
Uit gesprekken met betrokken partijen blijkt dat de handhaving van de online verkoop
van drugs niet los te zien is van de onlinehandel in andere verboden middelen. Zoals
aangekondigd op Prinsjesdag wordt extra geld geïnvesteerd in de opsporing van gedigitaliseerde
criminaliteit. Met deze investering wordt de capaciteit in de digitale opsporing uitgebreid.
Deze investering zal ook de handhaving van de online verkoop van drugs ten goede komen.
Verder is het een zeer beweeglijke markt van websites die snel weer verschijnen nadat
ze offline gehaald worden, waardoor het belangrijk is voor de politie en de NVWA-IOD
om gedegen onderzoek te doen naar de mensen en partijen achter deze websites.
Daarom gaan wij, samen met alle betrokken operationele partijen, in kaart brengen
met welke problemen we hier te maken hebben en welke interventies daarbij passen.
Wij zullen uw Kamer daar zo snel als mogelijk over informeren.
Overigens kent deze problematiek niet alleen een aanbodkant, maar ook een vraagkant.
Wij vinden het daarom ook belangrijk om te kijken hoe de vraag naar illegale geneesmiddelen
kan worden verminderd. Wij gaan onderzoeken of, en zo ja op welke wijze, publiekscampagnes
of andere vormen van voorlichting gericht op consumenten de risico’s kunnen verminderen
en de vraag naar illegale middelen kan verkleinen. Het Trimbos-instituut adviseert
voorzichtig te zijn bij publiekscampagnes gericht op het ontmoedigen van online aankoop
van geneesmiddelen of drugs, omdat zulke campagnes soms onbedoeld juist het gebruik
kunnen normaliseren of aantrekkelijker maken. Wij informeren uw Kamer hier verder
over in eerdergenoemde brief.
Vraag 8
Klopt het dat – zoals eerder door opsporingsdiensten aangegeven – niet alle instanties
over de juiste technische middelen beschikken om te bepalen of een product onder de
verboden stoffen valt? In hoeverre is deze situatie inmiddels verbeterd?
Antwoord 8
Het gaat niet alleen om technische middelen om te detecteren of een product verboden
stoffen bevat, er is ook een inhoudelijke beoordeling nodig om te bepalen onder welke
wetgeving een product valt. «Research chemicals» zijn een voorbeeld van zogenaamde
«grensvlakproducten». Van deze producten is op voorhand niet altijd duidelijk onder
welke wetgeving ze vallen.
Er zijn verschillende partijen betrokken bij de opsporing van verboden stoffen. Deze
partijen hebben verschillende technische middelen beschikbaar. Zo is de politie in
de operatie uitgerust met handheld drugstesters. Met deze drugstesters kunnen honderden
stoffen worden gedetecteerd. In de forensische labs beschikt de politie daarnaast
over geavanceerde forensische onderzoeks- en analyseapparatuur ten behoeve van de
bewijsvoering in strafzaken. Bij de meer complexe zaken wordt het Nederlands Forensisch
Instituut (NFI) betrokken. Om te bepalen of de Geneesmiddelenwet van toepassing is
moet de IGJ van geval tot geval bepalen of een product onder de definitie van geneesmiddel
valt. Dit zijn arbeidsintensieve onderzoeken. Opsporingsdiensten zoals de NVWA-IOD
en de politie zijn voor deze inhoudelijke beoordeling afhankelijk van de expertise
en capaciteit van de IGJ. In onze gesprekken met alle betrokken partijen wordt dit
punt ook meegenomen.
Vraag 9
Is de huidige handhavingscapaciteit, zowel technisch als personeelsmatig, toereikend
om de online handel in verboden NPS daadwerkelijk effectief terug te dringen? Zo nee,
welke knelpunten spelen hierbij?
Antwoord 9
Juist omdat deze handel vaak een veelheid aan producten betreft op het grensvlak van
verschillende wetgeving met verschillende bevoegdheden voor de toezichthouder (Opiumwet,
Geneesmiddelenwet, Wetboek van strafrecht en Warenwet) is samenwerking met betrokken
diensten erg belangrijk. Voor alle toezichthoudende en handhavende partijen geldt
dat zij te maken hebben met beperkte capaciteit, wat hierop van invloed is. Zoals
reeds toegelicht, zijn wij in gesprek met alle betrokken partijen om te kijken naar
een effectieve aanpak, waarbij ook de mogelijkheid van aanpassing van wet- en regelgeving
wordt meegenomen.
Vraag 10
In hoeverre vormen buitenlandse websites een probleem bij de handhaving? Welke mogelijkheden
heeft Nederland om aanbieders die vanuit het buitenland leveren te blokkeren of anderszins
aan te pakken?
Antwoord 10
Het klopt dat de online handhaving lastiger wordt als een aanbieder van een bepaalde
website zich in het buitenland bevindt. Nederlandse toezichthouders hebben geen bevoegdheid
om websites van aanbieders die gevestigd zijn in het buitenland te blokkeren. Wel
kunnen toezichthouders als de IGJ, de NVWA en de Politie bij daadwerkelijke online
illegale inhoud of illegale activiteit gebruik maken van de zogenaamde Notice and
Take Down procedure (NTD-procedure). Dit is een vrijwillige gedragscode in de internetbranche
voor omgang met onrechtmatige en strafbare content op websites. In principe kunnen
burgers ook gebruik maken van deze gedragscode en zelf een melding maken van een verdenking
van illegale inhoud of illegale activiteit van een website.
De digitaledienstenverordening (DSA) is in 2024 in werking getreden en bepaalt waar
tussenhandeldiensten zoals websites aan moeten voldoen en welke acties zij moeten
ondernemen als het gaat om illegale inhoud. De Autoriteit Consument en Markt ziet
op de naleving van deze regels toe. Hostingbedrijven dienen zich te houden aan de
Nederlandse wetgeving; zoals de regels voor hostingdiensten die zijn vastgelegd in
de DSA. Zodra ze weet hebben van illegale inhoud of activiteit die zich op hun dienst
bevindt, dienen zij prompt te handelen om de inhoud te verwijderen of de toegang daartoe
onmogelijk te maken. Doen zij dat niet, dan kunnen ze mogelijk aansprakelijk worden
gesteld (artikel 6 DSA).
Vraag 11
Hoe beoordeelt u de huidige samenwerking met andere EU-lidstaten en internationale
opsporingsinstanties bij het aanpakken van grensoverschrijdende online verkoop van
NPS? Zijn hier verbeteringen noodzakelijk?
Antwoord 11
Nederland werkt op verschillende manieren samen met buurlanden. Met België, Frankrijk
en Luxemburg (Hazeldonksamenwerking) worden gezamenlijk drugscontroles uitgevoerd
langs de hoofdinfrastructuur en wordt constant gewerkt aan een gezamenlijk intel-beeld
bij grensoverschrijdende drugsnetwerken. Andere voorbeelden zijn het Europol analysis
project (AP) en het European Multidisciplinary Platform Against Criminal Threats (EMPACT).
Ook worden er in samenwerking met Europol’s European Cybercrime Centre (EC3) en nationale
cybercrime units darkwebmarkten, encrypted communicatieplatforms en hostingsites gemonitord.
Door het op 1 juli jl. van kracht zijnde stofgroepenverbod is een groot deel van de
meest gebruikte stoffen in Nederland strafbaar geworden, maar niet alle stoffen zijn
afgedekt. Internationale samenwerking, zoals hierboven beschreven, kan dus goed via
de internationale samenwerkingsverbanden plaatsvinden zolang de strafbaarstelling
van middelen internationaal hetzelfde is.
Vraag 12
Op welke manier wordt in uw beleid geborgd dat het publiek – en met name jongeren
en jongvolwassenen – actief wordt geïnformeerd over de risico’s van NPS en zogenaamde
«funcaps»? Kun u hierbij ingaan op de relatie tot festivals?
Antwoord 12
Uit monitoring blijkt dat 10% van de volwassen Nederlanders het afgelopen jaar drugs
had gebruikt (cijfers van 2024). Het overgrote deel van de Nederlanders gebruikt dus
geen drugs. Door breed voor te lichten over de risico’s van drugs, kan het beeld ontstaan
dat heel veel mensen drugs gebruiken en kan brede voorlichting of voorlichting onder
te jonge kinderen daardoor juist bijdragen aan normalisering. In de voorlichting over
drugs – waaronder NPS – richten we ons daarom op specifieke doelgroepen. Bijvoorbeeld
door het programma Helder op School, met name gericht op het voortgezet (speciaal)
onderwijs en mbo’s. Ook is er voorlichting voor ouders en wordt gebruik gemaakt van
social media om jongeren te bereiken, zoals Tik Tok. Het Trimbos-instituut heeft een
uitgebreid aanbod voor publieksinformatie, met websites en informatielijnen. Deze
kanalen worden goed bezocht door de doelgroep en zijn daarmee een effectieve manier
om actief te informeren. Ten aanzien van festivals is het aan gemeenten en evenementen
om invulling te geven aan voorlichting over de risico’s van het gebruik van drugs.
Dit gebeurt bijvoorbeeld via Unity, een project waarbij medewerkers aanwezig zijn
op festivals en bezoekers voorlichten over de risico’s van drugs. Het Trimbos-instituut
heeft in opdracht van het Ministerie van VWS een leidraad ontwikkeld met praktische
tips voor maatregelen op dit terrein.2
Vraag 13
Bent u bereid de voorlichtingscampagne over drugsgebruik uit te breiden met een waarschuwing
over NPS en «funcaps»?
Antwoord 13
Afgelopen zomer is een pilot-campagne gestart om jongeren te confronteren met de negatieve
gevolgen van drugsgebruik op de samenleving en de gezondheid. Deze pilotcampagne bestond
uit onder meer een virtual reality experience en een hieraan gelieerde social media-campagne. Deze campagne wordt op dit moment
geëvalueerd. Na een positieve evaluatie is het voornemen om deze campagne dit jaar
te continueren. Bij de verdere uitwerking zullen wij de actuele ontwikkelingen rondom
NPS en illegale medicijnen betrekken.
Vraag 14
Welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat jongeren,
zoals in het beschreven geval, via laagdrempelige websites geconfronteerd worden met
middelen die ernstige en soms fatale gezondheidsrisico’s met zich meebrengen?
Antwoord 14
Zoals toegelicht wordt door de handhavende partijen hard gewerkt aan het aanpakken
van deze malafide websites, waarbij de handhavers worden geconfronteerd met uiteenlopende
uitdagingen. Zodra een website uit de lucht is gehaald, verschijnt er vaak vrij snel
weer een nieuwe vergelijkbare website. Daarom is het ook van groot belang om ervoor
te zorgen dat jongeren, wanneer ze in aanraking komen met dergelijke websites, goed
op de hoogte zijn van de risico’s. Het Trimbos-instituut vervult hierin een belangrijke
rol door ervoor te zorgen dat betrouwbare informatie over bekende risicovolle middelen
hoog in de zoekresultaten verschijnt, zodat jongeren op een laagdrempelige wijze toegang
hebben tot juiste en evenwichtige voorlichting. Ook ouders en het onderwijs spelen
hier een belangrijke rol. Daarom is in juni 2025 de Richtlijn Gezond Schermgebruik
gelanceerd. Deze heeft als doel ouders en opvoeders op een duidelijke en eenduidige
manier te ondersteunen bij het stimuleren van gezond scherm- en sociale mediagebruik
van hun kinderen.
Wij gaan daarnaast onderzoeken of, en zo ja op welke wijze, publiekscampagnes of andere
vormen van voorlichting gericht op consumenten de risico’s kunnen verminderen en de
vraag naar illegale middelen kan verkleinen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.A. Bruijn, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede namens
F. van Oosten, minister van Justitie en Veiligheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.