Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Kostic´, Vellinga-Beemsterboer, Huidekooper en Zalinyan over zorgen over PFAS-lozingen
Vragen van de leden Kostić (PvdD), Vellinga-Beemsterboer, Huidekooper (beiden D66) en Zalinyan (GroenLinks-PvdA) aan de Staatssecretaris en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat over zorgen over PFAS-lozingen. (ingezonden 8 december 2025).
Antwoord van Minister Tieman (Infrastructuur en Waterstaat), mede namens de Staatssecretaris
van Infrastructuur en Waterstaat (ontvangen 27 januari 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met de artikelen «Ernstige zorgen over PFAS-lozingen Limburgs afvalbedrijf,
maar tóch vergunning»1 en «Te veel PFAS gevonden bij Metaalrecycling Sneek: «Wij zijn hier het afvoerputje
van de maatschappij»»?2
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Bent u het met de aangehaalde experts eens dat PFAS-lozingen een gevaar vormen voor
de gezondheid van mens en dier en dat PFAS niet meer in het milieu moet worden gebracht?
Zo nee, op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich dan?
Antwoord 2
We weten de laatste jaren steeds meer over de schadelijkheid van PFAS. Ook weten we
dat PFAS wijdverspreid is. Daarom werkt het kabinet op meerdere manieren aan de vermindering
van PFAS. PFAS behoren tot de groep van zeer zorgwekkende stoffen (ZZS). Daarbij is
het uitgangspunt dat emissies zoveel mogelijk worden voorkomen en, waar dit niet mogelijk
is, tot een minimum worden beperkt. Dit uitgangspunt is vastgelegd in de zogenoemde
minimalisatieverplichting binnen het bestaande vergunningen- en toezichtkader.
In algemene zin kan niet worden gesteld dat iedere PFAS-emissie per definitie leidt
tot onaanvaardbare risico’s voor mens en milieu. Dit is afhankelijk van factoren zoals
de schadelijkheid van een stof, de omvang van de emissie, de ontvangende omgeving
en de cumulatie met andere lozingen of bovenstroomse aanvoer. Daarom zal het bevoegd
gezag elke vergunningaanvraag individueel beoordelen.
Vraag 3
Op basis van welke concrete overwegingen wordt voorgesorteerd om – ondanks eerdere
illegale lozingen, onvolledige of onbetrouwbare data, en waarschuwingen van o.a. het
waterschap en drinkwaterbedrijven – een vergunning te verlenen aan CFS voor het lozen
van 5 kg PFAS per jaar?
Antwoord 3
Het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg is bevoegd gezag voor
de beoordeling van de vergunningaanvraag van CFS. Bij deze beoordeling wordt getoetst
aan de geldende wet- en regelgeving voor zeer zorgwekkende stoffen, waaronder de verplichting
tot minimalisatie van emissies en de toepassing van de beste beschikbare technieken.
Daarnaast wordt beoordeeld of de voorgenomen lozing binnen de wettelijke kaders kan
plaatsvinden, waarbij onder meer gebruik wordt gemaakt van de resultaten van de immissietoets.
Op basis van deze toetsing is door de provincie Limburg in het ontwerpbesluit geoordeeld
dat binnen de huidige wettelijke kaders een vergunning niet kan worden geweigerd.
Vraag 4
Hoe beoordeelt u het gevaar voor de gezondheid van milieu, mens en dier als het bedrijf
CFS straks zeker 5 kg PFAS per jaar mag lozen, wetende dat water uit de Maas wordt
gebruikt voor drinkwatervoorziening van huishoudens en uit recent onderzoek van het
RIVM al is gebleken dat bijna iedereen in Nederland ongezond hoge waardes van PFAS
in het bloed heeft?
Antwoord 4
De provincie Limburg beoordeelt als bevoegd gezag het risico van een lozing voor de
functies van het oppervlaktewater (zoals drinkwater) via de immissietoets. Daarbij
wordt getoetst of de verwachte PFAS-concentraties in het oppervlaktewater, binnen
de geldende gezondheids- en milieugrenswaarden blijven en of rekening is gehouden
met cumulatieve achtergrondbelasting. Deze toets geldt ook voor de drinkwaterinnamepunten,
zoals deze bijvoorbeeld aanwezig zijn in het stroomgebied van de Maas.
Indien op basis van deze toetsing door het bevoegd gezag wordt vastgesteld dat aan
alle wettelijke voorwaarden wordt voldaan, is het niet mogelijk om de vergunning te
weigeren. Dit past binnen het ZZS-beleid waarin minimalisatie centraal staat, maar
waarbij vergunningverlening mogelijk blijft indien aan alle wettelijke eisen wordt
voldaan. Ik ga ervan uit dat het bevoegd gezag de beoordeling van de aanvraag op de
juiste manier uitvoert en dat daarbij de signalen van de ILT worden meegenomen.
Vraag 5
Hoe is bij de beoordeling van de vergunningaanvraag van CFS precies rekening gehouden
met de uiteindelijke gevolgen voor oppervlaktewater en grondwater, en hoe wegen de
conclusies die daaruit zijn gekomen op tegen de negatieve adviezen van het waterschap
en de waterbedrijven?
Antwoord 5
Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag wordt de invloed op oppervlaktewater
en grondwater betrokken via een uitgebreide immissietoets, conform het geldende wettelijke
kader en het Handboek Immissietoets.
In deze toets wordt beoordeeld of de verwachte concentraties van stoffen in het ontvangende
watersysteem, inclusief de Zuid-Willemsvaart en de doorwerking richting de Maas, verenigbaar
is met het belang van het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische
kwaliteit van watersystemen en het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen.
Daarbij wordt rekening gehouden met hydrologische omstandigheden, mengzones, cumulatieve
achtergrondbelasting en de mogelijke effecten op huidige en potentiële drinkwaterinnamepunten.
De immissietoets is in mei 2024 beoordeeld door Rijkswaterstaat en Waterschap Limburg.
Uit de toets volgt dat er geen sprake is van blijvende achteruitgang van de chemische
of ecologische toestand van het oppervlaktewater en dat ook grondwater- en drinkwaterbelangen
afdoende zijn beschermd.
Daarnaast zullen de adviezen het waterschap en drinkwaterbedrijf worden betrokken
bij de uiteindelijke besluitvorming. In reactie op het ontwerpbesluit hebben verschillende
partijen een zienswijze ingediend. De Provincie Limburg heeft gesprekken gevoerd met
een groot deel van deze partijen. Het laatste gesprek heeft in de tweede helft van
december 2025 plaatsgevonden. Begin januari 2026 is CFS in de gelegenheid gesteld
een reactie te geven op de ingediende zienswijzen en de toelichting daarop.
Mede aan de hand van deze informatie zal de Provincie Limburg beoordelen of aan CFS
definitief een vergunning kan worden verleend voor het innemen en bewerken van PFAS-houdende
afvalstromen en, zo ja, onder welke voorwaarden.
Tot slot heeft het bevoegd gezag aangegeven dat voorafgaand aan het nemen van het
definitieve besluit de immissietoets voor deze afweging nogmaals uitvoerig zal worden
beoordeeld.
Vraag 6
Kunt u een inschatting geven van de extra maatschappelijke kosten die de PFAS-lozingen
van CFS en bedrijven zoals Metaalrecycling Sneek veroorzaken, bijvoorbeeld voor goede
zuivering voor drinkwater? Welke extra kosten voor de maatschappij zijn te verwachten
en wie gaat daarvoor betalen? Hoe gaat u beter borgen dat bedrijven zelf gaan betalen
voor de schade die ze hebben veroorzaakt, conform de aangenomen motie-Kostic/Soepboer
(Kamerstuk 27 625, nr. 694), in plaats dat de rekening steeds bij burgers terechtkomt?
Antwoord 6
Het principe dat de vervuiler betaalt is het uitgangspunt voor zowel de Nederlandse
als de Europese wetgeving, zoals ook aangegeven in de beantwoording van de motie van
de leden Kostić en Soepboer.3
Voor waterzuivering is dit verankerd in de zuiveringsheffingen die waterschappen opleggen
bij indirecte lozingen (op een rioolwaterzuiveringsinstallatie, RWZI), en de verontreinigingsheffing
die opgelegd wordt bij directe lozingen op het oppervlaktewater. Voor zowel de verontreinigingsheffing
als de zuiveringsheffing is het beginsel «de vervuiler betaalt» leidend. De vervuiler
betaalt naar rato van de vervuilingswaarde van het afvalwater dat wordt geloosd of
afgevoerd. Op het moment dat een waterzuiveraar extra kosten moet maken voor zuivering
van het afvalwater van een bedrijf, dan kan een waterzuiveraar de extra kosten in
rekening brengen bij dat bedrijf. Los daarvan draaien bedrijven zelf op voor de kosten
die ze moeten maken om hun lozingen zoveel als mogelijk te minimaliseren, hetgeen
vereist is om voor de (rest)lozingen vergunning te kunnen verkrijgen.
Indien er sprake is van een illegale lozing, en daaruit ontstaat schade, dan kan degene
bij wie de schade veroorzaakt wordt, de schade verhalen bij degene die dat veroorzaakt
of kan deze eisen dat de schade wordt opgeruimd door de veroorzaker. Gebruikmaking
van de daartoe bestaande civielrechtelijke en bestuursrechtelijke mogelijkheden is
afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Er kan nu geen inschatting gemaakt
worden of en zo ja welke extra maatschappelijke kosten aan de orde zijn in de situaties
zoals geschetst in de vraag.
Vraag 7
Welke normen gelden momenteel voor bedrijven die PFAS moeten terugdringen (waaronder
bedrijven aan het einde van de keten), wie is verantwoordelijk voor de regie en communicatie
hierover, en wanneer krijgen bedrijven helderheid over de maatregelen die van hen
worden verwacht, gezien het feit dat bedrijven aan het einde van de keten aangeven
weinig mogelijkheden te hebben om de PFAS-uitstoot terug te dringen en onduidelijkheid
ervaren over de toegestane normen (zie artikel Leeuwarder Courant)?
Antwoord 7
Het streven is om ZZS zoals PFAS uit de leefomgeving te weren. De Omgevingswet en
het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving stellen
regels aan emissies van ZZS die kunnen vrijkomen bij bedrijfsmatige activiteiten.
Bedrijven moeten emissies van PFAS zoveel mogelijk voorkomen. Als dat niet mogelijk
is, moeten zij deze emissies tot een minimum beperken. Deze verplichting geldt ook
voor bedrijven aan het einde van de keten. Het is aan het bevoegd gezag om deze regels
toe te passen in een specifieke situatie in het kader van vergunningverlening, toezicht
en handhaving. Bedrijven kunnen informatie over de algemene regels vinden via het
Informatiepunt Leefomgeving (IPLO) en hun omgevingsdienst.
Vraag 8
Hoe beoordeelt u het risico waar ILT voor waarschuwt, namelijk dat de vergunning voor
CFS een precedent schept waardoor toekomstige PFAS-lozingen moeilijker te weigeren
worden, en welke mogelijkheden heeft u om dergelijke onwenselijke precedentwerking
te voorkomen?
Antwoord 8
Vergunningverlening vindt plaats op basis van de geldende wet- en regelgeving en een
individuele beoordeling van de specifieke situatie. Een verleende vergunning schept
daarmee geen precedent voor toekomstige vergunningaanvragen. Elke aanvraag wordt afzonderlijk
getoetst aan de op dat moment geldende feitelijke situatie, zoals de toestand van
het ontvangende waterlichaam, de stoffen of de hoeveelheden.
Vraag 9
Klopt het dat de Omgevingswet het bevoegd gezag in principe meer mogelijkheden biedt
om (ook uit voorzorg) maatschappelijke belangen, zoals schoon water en gezondheid,
zwaarder te laten wegen?
Antwoord 9
De Omgevingswet biedt op zichzelf geen fundamenteel nieuw of ruimer beoordelingskader
voor vergunningverlening ten opzichte van het eerdere stelsel, maar brengt de bestaande
mogelijkheden voor het integraal afwegen van belangen samen en verduidelijkt deze.
Binnen de geldende wet- en regelgeving kan het bevoegd gezag maatschappelijke belangen,
zoals de bescherming van de waterkwaliteit en de gezondheid van mensen, betrekken
bij vergunningverlening, waaronder de toepassing van het voorzorgsbeginsel. In de
voortgangsbrief Industrie en Omwonenden van april 2025 zijn verschillende concrete
sporen benoemd om de bevoegd gezagen hierin te ondersteunen4.
Vraag 10
Kan de provincie het feit dat gezond water van groot openbaar belang is en de stevige
adviezen van de ILT, gemeenten, waterschappen en waterbedrijven ook gebruiken om juridisch
toch hard te maken dat het afgeven van de huidige vergunning voor de PFAS-lozingen
door CFS onhoudbaar is? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 10
De beoordeling van de vergunningaanvraag vindt plaats binnen de strikte grenzen van
het geldende wettelijke kader. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4, wordt
daarbij via de wettelijke toetsingscriteria ook beoordeeld of de bescherming van functies
zoals drinkwater voldoende is geborgd. Als uit die toetsing volgt dat aan alle eisen
wordt voldaan, is het niet mogelijk om de vergunning te weigeren. Het is aan de rechter
om in het kader van een tegen de vergunning ingesteld beroep te beoordelen of deze
toetsing op juridisch juiste wijze heeft plaatsgevonden.
Vraag 11
Staat u achter de conclusie van uw eigen toezichthouder ILT dat een PFAS-vergunning
voor CFS in de praktijk neerkomt op een «blanco cheque», dat CFS niet de vereiste
beste beschikbare technieken (BBT) toepast en dat de vergunning niet afgegeven zou
moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 11
De ILT heeft als onafhankelijk toezichthouder haar bevindingen en aandachtspunten
naar voren gebracht. Deze signalen komen voort uit de terechte zorg dat er teveel
PFAS in de leefomgeving aanwezig is. Ik onderschrijf het uitgangspunt dat emissies
van PFAS zoveel als mogelijk moeten worden voorkomen en waar dat niet kan tot een
minimum moeten worden beperkt.
Het is echter niet aan het ministerie om een inhoudelijk oordeel te vellen over de
beoordeling van een individuele vergunning of om te bepalen welk advies doorslaggevend
is. De provincie Limburg is als bevoegd gezag verantwoordelijk voor de vergunningverlening
en dient daarbij te handelen binnen het geldende wettelijke kader. Op dit moment verloopt
dit proces zorgvuldig en binnen dat kader. De provincie betrekt de signalen van de
ILT, net als die van andere betrokken partijen, bij de verdere beoordeling en weegt
deze mee bij het definitieve besluit.
Vraag 12
Herkent u de signalen dat het ZZS-beleid onvoldoende werkt, doordat regelgeving voor
lagere overheden complex en onduidelijk is en doordat kennis en capaciteit bij toezichthouders
soms ontbreken, met extra risico’s voor mens, dier en milieu5? Welke stappen gaat u nemen om dit te verbeteren, en wat is de bijbehorende tijdlijn?
Antwoord 12
In de evaluatie van het ZZS-beleid die in 2021–2022 heeft plaatsgevonden, is een aantal
problemen in de uitwerking van dit beleid naar voren gekomen6. Mede in reactie hierop is het Impulsprogramma Chemische Stoffen 2023–2026 opgezet7. In dit programma wordt samen met andere overheden en het bedrijfsleven gewerkt aan
verduidelijking van bepalingen en verbetering van de uitvoering op verschillende onderwerpen.
Concreet werkt men aan de Uitvoeringstafels, waar bevoegde gezagen, Omgevingsdiensten,
brancheverenigingen en ILT gezamenlijk aan tafel zitten, en werken aan concrete oplossingen
voor knelpunten in de praktijk. Hierbij is dus niet alleen het Ministerie van IenW
aan zet, maar ook de andere betrokken partijen zetten zich in voor hun deel van de
oplossing. Er zijn onder andere Uitvoeringstafels voor de onderwerpen: «PFAS als ZZS» en de «Vermijdings- en ReductieProgramma’s (VRP’s)», De resultaten worden in 2026 opgeleverd. Sinds de start van dit programma is de
Kamer geregeld geïnformeerd over de voortgang van dit programma, meest recent in de
brief van 22 september jl.8
Vraag 13
Als de provincie in dit geval toch blijkt haar taken bij de bescherming van water,
milieu en gezondheid onvoldoende uit te voeren, welke theoretische mogelijkheden (bijvoorbeeld
met een instructie) heeft u als hogere overheid en eindverantwoordelijke voor o.a.
milieu en water om in te grijpen?
Antwoord 13
De uitvoering van vergunningverlening en toezicht en handhaving is in dit geval belegd
bij de provincie als bevoegd gezag. Dit is conform het uitgangspunt «decentraal, tenzij»
dat ten grondslag ligt aan de Omgevingswet. Het is dus niet juist dat de Rijksoverheid
als «hogere overheid» eindverantwoordelijk is. Alleen als het met het oog op een samenhangend
en doelmatig waterbeheer noodzakelijk is, kan de Minister van IenW, met inachtneming
van de grenzen van artikel 2.3, derde lid, van de Omgevingswet, in het uiterste geval
gebruik maken van de instructiebevoegdheid over de uitoefening van een taak of bevoegdheid
op het gebied van het beheer van watersystemen of het waterketenbeheer op grond van
artikel 2.34 van de Omgevingswet. Dat is echter geen instrument dat lichtvaardig wordt
ingezet.
Bij taakverwaarlozing bestaat er op grond van artikel 261 van de Provinciewet ook
de mogelijkheid om via interbestuurlijk toezicht in te grijpen door het vernietigen
of schorsen van een provinciaal besluit. Dit instrument van interbestuurlijk toezicht
is uitdrukkelijk als ultimum remedium bedoeld en kan dus eveneens niet lichtvaardig
worden ingezet. Vooralsnog is er geen enkele aanleiding om van deze theoretische wettelijke
mogelijkheden gebruik te maken. De reguliere weg om te beoordelen of de vergunning
is verleend in overeenstemming met de daaraan gestelde wettelijke vereisten is de
mogelijkheid van het instellen van beroep bij de bestuursrechter.
Vraag 14
Kunt u toezeggen dat u binnen drie maanden de verantwoordelijkheden in de PFAS-keten
expliciet vastlegt – inclusief wie op welk punt moet ingrijpen – en in de tussentijd
voorkomt dat nieuwe vergunningen of vergunningswijzigingen worden verleend die als
precedent kunnen werken, zolang er wordt toegewerkt naar een Europees en/of nationaal
lozingsverbod?
Antwoord 14
De verantwoordelijkheden in keten zijn al duidelijk belegd, zoals benoemd in het antwoord
op vraag 7. De verschillende bevoegd gezagen dienen de bestaande wettelijke kaders
toe te passen in de vergunningverlening. Het is met vergunningverlening juridisch
niet mogelijk om vooruit te lopen op wetgeving die er nu nog niet is.
Vraag 15
Bent u, gezien uw toezegging te willen werken aan een nationaal PFAS-verbod, bereid
om een nationaal (gedeeltelijk) lozingsverbod en/of productverbod met spoed naar de
Kamer te sturen, gezien de grote hoeveelheden PFAS die waarschijnlijk elke dag nog
worden geloosd en de schade die dat met zich meebrengt? Zo ja, wanneer kunnen we dit
precies verwachten?
Antwoord 15
Zoals aangegeven bij de antwoorden op de vorige vragen moet een bevoegd gezag bij
een individuele vergunningaanvraag werken binnen de huidige wettelijke kaders. Deze
zijn, zoals alle wetgeving, gebaseerd op algemene principes zoals rechtszekerheid
en proportionaliteit. De uitkomst in specifieke gevallen geeft niet altijd voor alle
partijen een bevredigend resultaat. Daarom is er de mogelijkheid tot bezwaar bij bevoegd
gezag en beroep bij de rechter.
De vraag die deze vergunningsaanvraag – en vergelijkbare andere aanvragen – oproept
is natuurlijk of het niet mogelijk is de lozing van stoffen zoals PFAS verder te beperken
of wellicht te verbieden. Dit vraagt om aanpassing van de regelgeving. Zoals aangegeven
in de brief van juni 20259 is dit niet eenvoudig omdat PFAS alomtegenwoordig in het leefmilieu aanwezig zijn.
Een verbod of drastische aanscherping van de normen leidt dan snel tot praktische
problemen met mogelijk grote maatschappelijke consequenties. Dit vraagt om zorgvuldig
handelen. Zoals toegezegd worden de mogelijkheden van een gedeeltelijk lozingsverbod
nader verkend. Hierover wordt u dit voorjaar nader geïnformeerd.
Vraag 16
Kunt u de vragen één voor één beantwoorden, het liefst nog voor het Kerstreces?
Antwoord 16
Beantwoording voor het Kerstreces is helaas niet haalbaar gebleken.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R. Tieman, minister van Infrastructuur en Waterstaat -
Mede namens
A.A. Aartsen, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.