Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Boomsma over de nieuwe bekladdingen van gebouwen van de Universiteit Utrecht door pro-Palestijnse extremisten
Vragen van het lid Boomsma (JA21) aan de Ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en van Justitie en Veiligheid over de nieuwe bekladdingen van gebouwen van de Universiteit Utrecht door pro-Palestijnse extremisten (ingezonden 15 december 2025).
Antwoord van Minister Moes (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap), mede namens de Minister
van Justitie en Veiligheid (ontvangen 26 januari 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen,
vergaderjaar 2025–2026, nr. 866
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van de berichten dat in de nacht van vrijdag 12 tot zaterdag
13 december vernielingen zijn aangebracht aan drie monumentale panden van de Universiteit
van Utrecht, die met rode verf zijn besmeurd?
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Heeft u kennis genomen van het feit dat extremisten deze actie op instagram hebben
opgeëist door «Palestine Action» en daarbij hebben gedreigd dat de universiteit banden
met Israëlische universiteiten moet verbreken of de daders nog veel meer schade gaan
veroorzaken («or we will be back and double the damage»)?1
Antwoord 2
Ja.
Vraag 3
Hoe beoordeelt u het feit dat de universiteit Utrecht op deze manier wordt gechanteerd
en wat gaat u doen om Nederlandse universiteiten beter te vrijwaren van dergelijke
antidemocratische, extremistische en antisemitische agressie?
Antwoord 3
Het spreekt voor zich dat de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: JenV) en
ik iedere vorm van agressie en geweld of dreiging daarmee van de hand wijzen. Instellingsbesturen
van universiteiten en hogescholen hebben de belangrijke maar ook ingewikkelde taak
om zowel de academische vrijheid, de vrijheid van meningsuiting als de veiligheid
op de campus te waarborgen. Daarnaast hebben zij in hun Richtlijn protesten universiteiten
en hogescholen2 aangegeven het recht om te demonstreren te ondersteunen. Ik zie dat zij zich hier
dagelijks voor inspannen.
Er worden verschillende acties ondernomen om de veiligheid op universiteiten en hogescholen
te verbeteren. Ik heb uw Kamer onlangs per brief uitgebreid geïnformeerd over de sociale
en fysieke veiligheid op universiteiten en hogescholen en de maatregelen die in dit
kader worden ingezet.3 Zo spreken de managers Integrale Veiligheid van universiteiten elkaar wekelijks om
een dreigingsbeeld te maken door actuele situaties te bespreken en ervaringen, kennis
en good practiceste delen. Ook werkt de Taskforce Antisemitismebestrijding momenteel aan gerichte voorstellen
om de veiligheid van Joodse studenten te verbeteren. De Taskforce zal dit advies in
februari publiceren. Naar aanleiding van dit advies ga ik na of er extra maatregelen
nodig zijn om de veiligheid van Joodse studenten te borgen.
Indien sprake is van strafbare feiten zijn de politie en het Openbaar Ministerie (OM)
verantwoordelijk voor de opsporing en vervolging daarvan.
Vraag 4
Bent u het eens met de stelling dat universiteiten of andere organisaties onder geen
enkele voorwaarde mogen buigen of toegeven aan dergelijke dreigementen?
Antwoord 4
Het is van groot belang dat instellingen altijd de vrijheid voelen om zelfstandig
en weloverwogen de afweging te maken met welke instellingen of organisaties, zowel
nationaal als internationaal, zij willen samenwerken of zij de samenwerking willen
beëindigen. Dit kan zijn om verschillende redenen en gebaseerd op verschillende criteria,
maar altijd in lijn met wet- en regelgeving.
Vraag 5
Vindt u het acceptabel dat op sociale media dergelijke dreigementen worden geuit in
een poging om de universiteit te chanteren en vindt u dat deze oproepen dienen te
worden verwijderd? Graag een toelichting.
Antwoord 5
Indien er sprake is van bedreiging is dat nooit acceptabel. Als het gaat om strafbare
bedreiging (artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht) kan dat gemeld worden bij
het betreffende online platform om deze te laten verwijderen. Online platformen, zoals
social media kanalen, dienen zich te houden aan de Digitaledienstenverordening (DSA).
Zo verduidelijkt deze verordening in artikel 16, derde lid, dat een melding van illegale
inhoud conform de vereisten van dat artikel leidt tot zogenaamde «daadwerkelijke kennis
of bekendheid» van die illegale inhoud bij een hostingbedrijf of online platform.
Zodra dat het geval is, moeten zij onmiddellijk handelen om die illegale inhoud te
verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken. Doen ze dat niet, dan kunnen
ze geen beroep doen op de vrijwaring van aansprakelijkheid uit artikel 6 van de verordening
en zelfstandig aansprakelijk worden gesteld voor die illegale inhoud.
Daarnaast kan de officier van justitie op basis van artikel 125p van het Wetboek van
Strafvordering, na toestemming van de rechter-commissaris, een aanbieder van een communicatiedienst
bevelen om content ontoegankelijk te maken wanneer deze strafbare inhoud bevat.
Vraag 6
Dezelfde organisatie, Palestine Action, die nu dreigt met meer vernielingen, heeft
eerder vernielingen geclaimd en in het verleden opgeroepen om de terroristen en moordenaars
van 7 oktober te eren; welke stappen worden tegen deze organisatie ondernomen?
Antwoord 6
Zoals de Minister van JenV eerder aan uw Kamer communiceerde naar aanleiding van schriftelijke
vragen van het lid Diederik van Dijk (SGP)4, biedt het demonstratierecht onder geen beding een vrijbrief voor personen en organisaties
om de wet te overtreden; vernielen is nooit een acceptabele vorm van je mening uiten.
Demonstreren moet gebeuren binnen de grenzen van de wet. Het gebruik van geweld en
het opruien daartoe is strafbaar. Dit geldt ook voor acties waarbij vernieling plaatsvindt.
Het waar mogelijk faciliteren van demonstraties en de beoordeling wat wel en niet
nodig en mogelijk is aan (preventieve) maatregelen, is aan de burgemeester. Hierover
vindt afstemming plaats in de lokale driehoek. Het is een lokale aangelegenheid en
de burgemeester legt daarover verantwoording af aan de gemeenteraad. Het is dan ook
niet aan de Minister van JenV of aan mij om in deze beoordeling te treden of om daarop
vooruit te lopen. Daarnaast is het aan het OM en uiteindelijk de rechter om te bepalen
of er in een bepaald geval sprake is van een strafbaar feit.
Vraag 7 en 8
Bent u het eens met de stelling dat het dringend noodzakelijk is om alles op alles
te zetten om een einde te maken aan de vernielingen, intimidatie en chantage van pro-Palestijnse
extremisten, en dus om het volledige arsenaal van de rechtsstaat in te zetten van
politie en justitie om de daders op te sporen, te vervolgen en zwaar te bestraffen?
Graag een toelichting.
Bent u het eens met de stelling dat vervolging van de daders een zeer hoge prioriteit
verdient en op welke manier wordt deze prioriteit opgepakt door de bevoegde instanties?
Graag een toelichting.
Antwoord 7 en 8
Binnen onze democratische rechtsstaat is het een groot goed dat eenieder de vrijheid
heeft en voelt om zijn mening te laten horen, ook door middel van een demonstratie
of protest. Dit grondrecht is echter niet onbegrensd. Waar strafbare feiten worden
gepleegd, vormt het strafrecht een duidelijke grens. Het plegen van misdrijven, zoals
bedreiging, geweld en openlijke geweldpleging heeft niks te maken met het recht om
te demonstreren en hiervoor vindt in beginsel strafvervolging plaats. Opsporing en
vervolging van dit soort misdrijven vindt plaats onder het gezag van het OM. Het is
aan de opsporingsdiensten hoe in concrete gevallen middelen en capaciteit worden ingezet
– daar hebben zowel de Minister van JenV als ik zich niet in te mengen. Aangerichte
schade wordt zo mogelijk verhaald op de dader(s); hierover heeft de Minister van JenV
eerder richting uw Kamer gecommuniceerd.5
Vraag 9
Eerder werd het Paleis op de Dam eveneens door tuig met rode verf besmeurd, en op
dat gebouw staan meerdere camera’s gericht; zijn deze beelden uitgelezen? Hoe loopt
het onderzoek naar de daders? Hoe loopt het onderzoek naar de bekladding met rode
verf van het Koninklijk Instituut voor de Tropen?
Antwoord 9
Naar beide incidenten is onderzoek gedaan. Uit die onderzoeken zijn geen mogelijke
verdachten naar voren gekomen. Om die reden zijn de onderzoeken beëindigd.
Vraag 10
Bent u het eens met de stelling dat inmiddels een patroon is ontstaan van bekladding
en vernieling door pro-Palestina extremisten van monumentale panden? Kunt u een overzicht
geven van dergelijke vernielingen en bekladdingen door pro-Palestijnse activisten
sinds 7 oktober 2023, met een schatting van de schade?
Antwoord 10
Een dergelijk overzicht is niet te genereren. De registratie door politie en OM van
enkel strafbare feiten, maakt het niet mogelijk deze te koppelen aan specifieke acties
en/of organisaties.
Vraag 11
Hoeveel pro-Palestijnse activisten zijn opgenomen in een persoonsgerichte anti-radicaliseringsaanpak?
Antwoord 11
In de lokale persoonsgerichte aanpak tegen radicalisering worden personen besproken
die een (potentieel) gevaar vormen voor de (nationale) veiligheid, doordat zij vanuit
hun ideologische overtuigingen (indirect) geweld legitimeren of de bereidheid hebben
om activiteiten te verrichten die de democratische rechtsorde ondermijnen. Activisme
valt niet onder de reikwijdte van de persoonsgerichte aanpak radicalisering. Het besluit
over het al dan niet opnemen van een persoon in de persoonsgerichte aanpak radicalisering
ligt bij de lokale weegploeg. Deze bestaat uit de betreffende gemeente, politie en
het OM. In artikel 5, derde lid, van de Wet gegevensverwerking persoonsgerichte aanpak
radicalisering en terroristische activiteiten is opgenomen, dat de weging plaatsvindt
aan de hand van objectieve criteria, die luiden: de mate waarin betrokkene bereid
is geweld toe te passen of te propageren, de mate waarin betrokkene vasthoudt aan
extremistische denkbeelden, zijn/haar sociale relaties, de mate van identificatie
met een extremistische groep of ideologie en zijn/haar zelfredzaamheid. Aangezien
de weging lokaal wordt uitgevoerd, zijn de ideologische motieven van personen die
zijn opgenomen in de aanpak enkel op lokaal niveau bekend.
Vraag 12
Bent u van mening dat het zaak is om universiteiten extra ondersteuning te bieden
om hun gebouwen te beveiligen zolang extremistische clubs dreigen met vernieling en
deze ook ten uitvoer brengen? Welke stappen zet u om hier een einde aan te maken?
Antwoord 12
Instellingsbesturen zijn verantwoordelijk voor het borgen van de veiligheid op hun
instelling. Zij spannen zich dagelijks in om een gedegen invulling te geven aan deze
verantwoordelijkheid. Om instellingen te ondersteunen in de belangrijke verantwoordelijkheid
die zij hebben, ga ik met de instellingen aan de slag met de evaluatie van het subsidieprogramma
«Integrale Veiligheid» 2016–2023. Het onderzoek besteedt enerzijds aandacht aan de
wijze waarop instellingen hun veiligheidsbeleid hebben ingericht. Anderzijds richt
dit onderzoek zich nadrukkelijk op de coördinatie van het veiligheidsbeleid in de
sector en de rol van uniformering en samenwerking bij het versterken van de veiligheid
op de instellingen. Dit onderzoek zal inventariseren welke ervaringen, lessen en opbrengsten
dit programma in de instellingen heeft opgeleverd die in de toekomst benut kunnen
worden. Momenteel ben ik in gesprek met de instellingen over de opzet en aanpak van
dit onderzoek. Naar verwachting kan ik uw Kamer in het najaar van 2026 informeren
over de uitkomsten en uw Kamer mijn reactie daarop geven.
Ik hecht er aan om, zoals ook vermeld in mijn Kamerbrief d.d. 18 december6, ook hier te benadrukken dat ik het belangrijk vind dat de verantwoordelijkheid voor
de veiligheid, waar mogelijk, lokaal wordt genomen. Instellingen werken nauw samen
met de politie en lokale driehoek. Zij kunnen de situatie ter plekke het beste inschatten
en besluiten hoe hiermee om te gaan, waarbij het lokale gezag gaat over de inzet van
de politie. Hierover kan ik uw Kamer melden dat de hogeronderwijsinstellingen op initiatief
van Universiteiten van Nederland (UNL) met de politie momenteel procesafspraken maken
over hun onderlinge samenwerking. Deze afspraken zijn onderdeel van de inspanningen
die instellingen en politie verrichten om de demonstraties op campussen in goede banen
te leiden en om ongeregeldheden te voorkomen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
G. Moes, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Mede namens
F. van Oosten, minister van Justitie en Veiligheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.