Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op Vragen van het lid El Abassi over de aanhouding van de moeder van Jalal Oba
Vragen van het lid El Abassi (DENK) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over de aanhouding van de moeder van Jalal Oba (ingezonden 11 december 2025).
Antwoord van Minister Van Oosten (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 26 januari 2026).
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 779
Vraag 1 t/m 4, 6 t/m 8 en 10 t/m 12
Bent u bekend met de berichten dat de moeder van Jalal Oba, een oudere vrouw, door
de politie is aangehouden onder omstandigheden die volgens haar familie onnodig hard
en disproportioneel waren?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Klopt het dat de moeder van Jalal Oba door de politie is aangehouden? Zo ja, kunt
u bevestigen wanneer, waar, en onder welke omstandigheden deze aanhouding heeft plaatsgevonden?
Klopt het dat deze aanhouding heeft plaatsgevonden zonder duidelijke aanleiding en
dat er sprake lijkt te zijn geweest van een buitenproportionele inzet van politiecapaciteit?
Zo ja, hoe verklaart u dit?
Wat was de concrete aanleiding tot de aanhouding? Kunt u aangeven of er sprake was
van een verdenking? Zo ja, op grond van welk wetsartikel?
Zie ommezijde voor vraag 5
Klopt het dat de aanhouding op indringende wijze heeft plaatsgevonden? Zo ja, kunt
u toelichten waarom dat noodzakelijk werd geacht?
Op basis van welke informatie of verdenking meende de politie te moeten overgaan tot
arrestatie van een oudere vrouw? Kunt u de exacte juridische grondslag van het optreden
toelichten?
Klopt het dat de moeder van Jalal Oba bij de aanhouding in een situatie terechtkwam
die mogelijk een gevaar opleverde voor haar gezondheid en veiligheid? Zo ja, hoe heeft
dit kunnen gebeuren en hoe wordt dit onderzocht?
Zie ommezijde voor vraag 9
Is de moeder van Jalal Oba na de aanhouding gehoord en/of heengezonden zonder verdere
maatregelen? Kunt u toelichten wat de uitkomst van de procedure was?
Zijn er klachten ingediend over de wijze van optreden van de politie in deze zaak?
Zo ja, hoe worden deze momenteel onderzocht?
Bent u bereid een onafhankelijk extern onderzoek te laten verrichten naar de rechtmatigheid
én de proportionaliteit van het politieoptreden in deze zaak? Zo nee, waarom weigert
u onafhankelijk toezicht?
Antwoord 2 t/m 4, 6 t/m 8 en 10 t/m 12
In verband met lopend onderzoek doe ik geen uitspraak over individuele casussen.
Vraag 5
Kunt u uitsluiten dat bij deze aanhouding sprake was van etnisch profileren, bewuste
targeting of een vooringenomen houding tegenover mensen met een migratieachtergrond?
Antwoord 5
Ik kan niet ingaan op deze individuele casus. Ik heb vertrouwen in de manier waarop
politiemedewerkers hun taken uitvoeren. Zij doen hun werk op zorgvuldige en professionele
wijze zonder daarbij onderscheid te maken tussen iemands afkomst, geloof of levensovertuiging.
De Grondwet geldt hierbij als uitgangspunt en vormt het fundament voor de beroepsidentiteit
van alle medewerkers. Ik zie geen reden om hieraan te twijfelen.
Vraag 9
Is de politie bij deze aanhouding afgeweken van de beginselen van proportionaliteit
en subsidiariteit zoals voorgeschreven in de Ambtsinstructie? Zo ja, welke consequenties
verbindt u hieraan?
Antwoord 9
Ik kan niet ingaan op deze individuele casus. De politie is bevoegd om geweld te gebruiken
als dat nodig is om haar doel te bereiken. Geweld is het ultimum remedium en wordt,
indien mogelijk, pas aangewend als de-escalatie en waarschuwen niet afdoende zijn
voor het bereiken van het beoogde doel. Daarbij is de politie gehouden aan de geweldsinstructie,
vastgelegd in de Politiewet en de Ambtsinstructie, waarin ook de verplichting is opgenomen
om iedere geweldsaanwending ter toetsing te melden. Bij elk optreden is het uitgangspunt
dat de politie probeert een situatie zonder gebruik van geweld tot een goed einde
te brengen (de-escalatie). De politie past alleen geweld toe in situaties waarin zij
daartoe genoodzaakt is, als laatste redmiddel. Er gelden strenge regels voor het gebruik
van geweld. Zo mag de politie bij het aanwenden van geweld niet verder gaan dan noodzakelijk
is voor de uitvoering van haar taken.
De wet- en regelgeving voorziet in verschillende procedures voor een onafhankelijk
en onpartijdige beoordeling van een concrete geweldsaanwending door de politie. In
de afgelopen maanden zijn deze procedures meermaals onder de parlementaire aandacht
gebracht, met name in een aantal sets Kamervragen. Voor een uitgebreider overzicht
van de in Nederland geldende procedures na politiegeweld, de specifieke kenmerken
ervan en de kwaliteitswaarborgen die daarvoor gelden, verwijs ik u naar de beantwoording
van betreffende Kamervragen.2
Vraag 13
Wat doet u om te voorkomen dat mensen, en zeker ouderen, opnieuw slachtoffer worden
van mogelijk onrechtmatig politiegeweld of discriminerend politieoptreden?
Antwoord 13
De regels waaraan de politie zich op grond van de Nederlandse wet- en regelgeving
moet houden, in het bijzonder met betrekking tot de geweldsbevoegdheid, bieden reeds
diverse waarborgen om onrechtmatig of onwenselijk handelen door de politie zoveel
mogelijk te voorkomen.
Zo geldt op grond van de geweldsinstructie dat de politie gehouden is om bij iedere
aanwending van geweld de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit, redelijkheid
en gematigdheid in acht te nemen alsmede de inzetcriteria die de Ambtsinstructie verbindt
aan de geweldmiddelen waarmee de politie is uitgerust. Daarbij wordt niet alleen gekeken
naar de rechtsregels, maar ook de omstandigheden van het geval. In de afweging of
het toe te passen geweld zal voldoen aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit
houdt een politieambtenaar met alle feiten en omstandigheden rekening. Daaronder hoort
ook de mate van kwetsbaarheid van een persoon. Daarmee wordt zoveel mogelijk rekening
gehouden, passend binnen de eis dat geweld redelijk en gematigd is.
Tot slot geldt in het algemeen dat er in de politieorganisatie en bij politieambtenaren
continu aandacht is voor het leren van het gebruik van geweld. Dit hoort bij het verantwoord
omgaan met de bij wet toegekende geweldsbevoegdheid. De uitwerking hiervan is onder
meer vastgelegd in de Stelselherziening Geweldsaanwending Opsporingsambtenaar.
Ondertekenaars
F. van Oosten, minister van Justitie en Veiligheid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.