Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Vermeer over de verhoogde kans op energiearmoede van kinderen in krimp- en grensregio’s
Vragen van het lid Vermeer (BBB) aan de Ministers van Klimaat en Groene Groei en van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening over de verhoogde kans op energiearmoede van kinderen in krimp- en grensregio’s (ingezonden 2 december 2025).
Antwoord van Minister Hermans (Klimaat en Groene Groei), mede namens de Minister van
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en de Staatssecretaris van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid (ontvangen 26 januari 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar
2025–2026, nr. 681
Vraag 1
Bent u bekend met het feit dat kinderen in krimp- en grensregio’s een bovengemiddelde
kans hebben om in energiearmoede op te groeien?1
Antwoord 1
Ja het kabinet is bekend met het onderzoek van TNO over kinderen in energiearmoede.
TNO heeft becijferd dat in 2024 naar schatting 510.000 huishoudens (circa 6% van het
totaal aantal huishoudens) en 293.000 kinderen in energiearmoede leven. TNO laat daarbij
zien dat kinderen die in energiearmoede opgroeien zich in een kwetsbaardere sociaaleconomische
situatie bevinden. Zo is het huishoudinkomen vaak aanzienlijk lager. Energiearmoede
komt het vaakst voor in de Randstad (frequentie), maar de diepte van energiearmoede
is in de grensregio’s gemiddeld groter, doordat het gemiddelde inkomen lager ligt
en de gemiddelde woonoppervlakte groter is2. In de overige regio’s zien we gemiddeld een lager percentage huishoudens in energiearmoede.
Vraag 2
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat kinderen in krimp- en grensregio’s een
grotere kans hebben om in energiearmoede op te groeien?
Antwoord 2
Het kabinet vindt het belangrijk dat alle huishoudens in Nederland kunnen meekomen
in de energietransitie en een betaalbare energierekening hebben, ongeacht waar iemand
woont. Daarnaast zet het kabinet zich ook breed in om (de gevolgen) van kinderarmoede
tegen te gaan3. Geen kind zou in armoede moeten opgroeien. Daarom blijft dit kabinet zich er sterk
voor maken om kinderarmoede aan ta pakken, waar dan ook in Nederland. Zoals in de
beantwoording van vraag 1 is aangegeven, komt energiearmoede (onder kinderen) het
vaakst voor in de Randstad en in grensregio’s. Om huishoudens in energiearmoede te
ondersteunen heeft dit kabinet diverse maatregelen verlengd of verder uitgebreid,
zoals de inzet van de Specifieke uitkering Energiearmoede aan gemeenten met in totaal
€ 550 miljoen, het Tijdelijk Noodfonds Energie en het verder uitfaseren van huurwoningen
met een EFG-label. Zie hiervoor ook de Kamerbrief uit augustus vorig jaar: Monitor Energiearmoede 20244. De gevolgen die energiearmoede kan hebben op kinderen zijn daarbij belangrijk om
mee te wegen in het te nemen beleid.
Vraag 3
Hoe bent u van plan te waarborgen dat gezinnen met kinderen in krimp- en grensregio’s
toegang houden tot betaalbare energie?
Antwoord 3
Zoals in de beantwoording van vraag 2 is benoemd, hecht het kabinet eraan dat huishoudens
in Nederland een betaalbare energierekening hebben. Hiertoe zijn diverse maatregelen
genomen en nog steeds van kracht. Op dit moment werkt het kabinet ook aan de uitwerking
van een publiek energiefonds5, waarmee aan huishoudens in energiearmoede tijdelijke financiële steun wordt geboden
en huishoudens actief worden doorverwezen naar hulp bij het verduurzamen van de woning.
TNO heeft in opdracht van het Rijk naar aanleiding van een motie van het voormalig
Kamerlid Postma6 een onderzoek uitgevoerd naar de effecten van beleidsopties om energiearmoede verder
tegen te gaan tijdens de energietransitie. De uitkomsten hiervan zijn recent met de
Kamer gedeeld7.
Vraag 4
Deelt u het inzicht dat krimpregio’s zoals Zuid-Limburg en Noord-Groningen te maken
hebben met een dubbele kwetsbaarheid, namelijk (1) slechtere energetische kwaliteit
van de woningvoorraad en (2) demografische achteruitgang?
Antwoord 4
Uit cijfers van het CBS en een prognose van ABF Research8 blijkt dat elke regio zijn eigen demografische uitdagingen kent. Het kabinet deelt
dat het aandeel energiearme huishoudens en de demografische ontwikkeling in de genoemde
regio’s onze aandacht verdienen. In de genoemde regio’s is sprake van vergrijzing
en het wegtrekken van jongeren, waardoor lokale faciliteiten onder druk komen te staan.
Dat vraagt daarmee ook om een regionale aanpak die juist ook rekening houdt met de
lokale gevolgen van demografische ontwikkelingen. Het kabinet en de regio’s werken
samen om de kwaliteit van leven, wonen en werken van inwoners en ondernemers te verhogen,
onder meer via de regiodeals.
Vraag 5 en 6
Bent u bereid concrete maatregelen te nemen om in aansluiting op het rapport «Elke
regio telt!» deze regionale ongelijkheden te verkleinen, zo ja welke en zo nee waarom
niet?
Op welke wijze wordt met betrekking tot de verhoogde kans op energiearmoede van kinderen
in krimp- en grensregio’s de regiotoets uitgevoerd, zodat de gevolgen voor regio’s
en plattelandsgebieden expliciet worden meegewogen, in lijn met de aangenomen motie
van het lid Van der Plas over onderzoeken hoe een plattelandstoets nader uitgewerkt
kan worden en een rol kan spelen bij overheidsbeleid en wet- en regelgeving (Kamerstuk
36 410, nr. 121)?
Antwoord 5 en 6
Het kabinet onderzoekt, in lijn met motie-Van der Plas, hoe een plattelandstoets kan
worden vormgegeven over de breedte van het nationale beleid. Belangrijke input hiervoor
volgt uit de Rural Policy Review die in september 2025 van start is gegaan en loopt
tot begin 2027. Dit onderzoek, dat wordt uitgevoerd door de OESO, heeft als doel om
meer inzicht te krijgen in de (sociaaleconomische) staat van het landelijk gebied
en de mogelijke beleidsinzet hierop, waar een plattelandstoets onderdeel van kan zijn.
Het kabinet heeft daarnaast, in aansluiting op het rapport «Elke regio telt» en het
daaruit voortgekomen Nationaal Programma Vitale Regio’s, oog voor regionale en lokale
ontwikkelingen, bijvoorbeeld bij de aanpak van energiearmoede. De Monitor Energiearmoede
geeft een inschatting van energiearmoede op nationaal en lokaal niveau. De verdeling
van de Specifieke uitkering aanpak energiearmoede is gebaseerd op het percentage huishoudens
met energiearmoede in de verschillende gemeenten. Verder is de aanpak van energiearmoede
onderdeel geweest van regio- en wijkgerichte programma’s. Zo was de bespaarcoach één
van de projecten van de Regio Deal Oost-Groningen I om woningeigenaren met een laag
inkomen te ondersteunen bij het verduurzamen van hun woning en het besparen van energie.
Door de City Deal Energieke Wijken zijn huishoudens in de gebieden van het Nationaal
Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) geholpen bij het verduurzamen van hun
woning. Specifiek voor de regio’s Groningen en Noord-Drenthe is voor toekomstbestendige
woningen van goede energetische kwaliteit ook maatregel 29 van Nij Begun van belang.
Tenslotte dragen het Nationaal isolatieprogramma, de Nationale prestatieafspraken
met woningcorporaties, de wijkaanpak met een regierol voor gemeenten en andere subsidies
en ondersteuning ook in deze regio’s bij aan de aanpak van energiearmoede. Besluitvorming
over verdere maatregelen om regio’s en wijken te versterken en mogelijke verschillen
terug te dringen is aan een nieuw kabinet.
Vraag 7
Kunt u een actuele uitsplitsing geven van energiearmoede naar regio, inclusief het
aantal huishoudens dat te maken heeft met onderconsumptie (het structureel uitzetten
of laag houden van verwarming)?
Antwoord 7
Het aantal energiearme huishoudens dat te maken heeft met onderconsumptie was in 2023
naar schatting circa 124 duizend. Dit is in kaart gebracht in de jaarlijkse Monitor
Energiearmoede die met de Tweede Kamer is gedeeld9. TNO schat dat voor 2024 deze groep licht zal dalen in absolute aantallen, naar ongeveer
119 duizend huishoudens. De regionale verdeling van onderconsumptie is niet in kaart
gebracht.
Figuur 1 presenteert de energiearmoedekaart van Nederland voor 2024 op gemeenteniveau10. De gemeenten waarbij het aandeel huishoudens met energiearmoede naar schatting boven
10% uit komt in 2024 zijn: Heerlen, Vaals, Enschede, Rotterdam, Almelo, Pekela, Oldambt,
Maastricht, Arnhem en Kerkrade.
Figuur 1. percentage energiearme huishoudens per gemeenten in 2024 (voorlopige schatting)
Vraag 8 en 9
Klopt het dat beleid rondom energiearmoede momenteel versnipperd is over meerdere
ministeries (Klimaat en Groene Groei, Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, Sociale
Zaken en Werkgelegenheid) en dat hierdoor een overkoepelende visie ontbreekt?
Bent u bereid een langetermijnstrategie energiearmoede op te stellen met duidelijke
doelen, indicatoren en interdepartementale coördinatie?
Antwoord 8 en 9
De ministeries van KGG, VRO en SZW werken samen aan de aanpak van energiearmoede.
Huishoudens met energiearmoede hebben een laag inkomen, hoge kosten voor gas en elektriciteit
en/of een woning van lage energetisch kwaliteit. Dit vraagt om een aanpak op verschillende
fronten. De Minister van VRO heeft het voortouw bij beleid dat gericht is op het verbeteren
van de energetische kwaliteit van woningen. De Minister van SZW is verantwoordelijk
voor het behoud van koopkracht en gerichte financiële ondersteuning. De Minister van
KGG is stelselverantwoordelijk voor het energiesysteem, waaronder de betaalbaarheid
van de energierekening.
In 2022 zijn de ministeries van KGG, VRO en SZW onder leiding van TNO het Landelijk
Onderzoeksprogramma Energiearmoede gestart. Dit programma is september 2025 afgelopen,
maar het vraagstuk blijft actueel. Structurele monitoring en meerjarige kennisontwikkeling
blijft nodig om nationale en lokale besluitvorming over energiearmoede te ondersteunen.
De ministeries van KGG, VRO en SZW hebben daarom in samenwerking met TNO en RVO het
Nationaal Energiearmoede Observatorium (NEO) opgezet. Het NEO ontwikkelt en ontsluit
kennis via (1) monitoring, (2) onderzoek en (3) kennisnetwerkbeheer. Het vervult ook
een belangrijke signaalfunctie: het brengt zowel effectief beleid als knelpunten in
de uitvoering vroegtijdig in beeld, zodat de overheid tijdig en gericht kan worden
geïnformeerd en geadviseerd. Het observatorium is sinds 1 januari 2026 van start gegaan.
Vraag 10 en 11
Herkent u de signalen dat de private sector – zoals netbeheerders en energiebedrijven
– bereid is een grotere rol te spelen in het opsporen en oplossen van energiearmoede?
Bent u bereid deze rol te verankeren, bijvoorbeeld door afspraken over vroegsignalering,
datadeling en lokale samenwerking?
Antwoord 10 en 11
Bij de aanpak van energiearmoede hebben publieke en private partijen elk een eigenstandige
rol. Veel energiebedrijven helpen met het bestrijden van energiearmoede door informatie
te verstrekken over verduurzamen of over energiebesparing. Energiebedrijven hebben
vaak een loket opgezet waarbij ze consumenten helpen met verduurzamen via informatieverstrekking
of met het aanbieden van woningadvies op maat.
Publieke en private partijen werken samen bij het oplossen van betalingsproblemen.
Het doel is om zo vroeg mogelijk te signaleren wanneer huishoudens in de problemen
komen en tijdig een passende oplossing te bieden. Deze samenwerking is vastgelegd
in de Energieregeling en in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening en onderliggende
afspraken. De bescherming van de consument is specifiek vastgelegd in de Energieregeling
en recent uitgebreid en is vanaf 1 januari jl. van kracht. De vernieuwde regels zijn
opgesteld in samenwerking met schuldhulpverleners, de VNG, energieleveranciers en
Netbeheer Nederland.11 De regeling is erop gericht om de consument te beschermen en gezamenlijk afsluiting
van energie te voorkomen. Concreet vereist de regeling leveranciers en netbeheerders
om contact op te nemen met de consument om de betalingsachterstand op te lossen, bijvoorbeeld
door een redelijke en passende betalingsregeling te treffen. Verder zijn de mogelijkheden
tot gegevensuitwisseling tussen leveranciers en gemeente uitgebreid, zodat tijdig
hulp geboden kan worden bij schuldhulpverlening. Het kabinet monitort continu hoe
deze wijzigingen uitpakken.
Vraag 12
Bent u bereid de rol van energiecoöperaties en energiecoaches te versterken in de
aanpak van energiearmoede, gelet op hun nabijheid en het grotere vertrouwen dat zij
genieten in wijken?
Antwoord 12
Ja. Gemeenten hebben in drie tranches in 2022 en 2023 in totaal € 550 miljoen ontvangen
voor de aanpak van energiearmoede via de SPUK Aanpak Energiearmoede. Veel gemeenten
hebben deze middelen ingezet door middel van de inzet van energiehulporganisaties,
ook veelal lokaal gewortelde organisaties. De uitvoeringstermijn van deze SPUK is
verlengd van 2025 naar 2027 zodat gemeenten meer tijd hebben voor de uitvoering. Op
7 november heeft het Ministerie van SZW nog aanvullend 30 miljoen beschikbaar gesteld
voor de lokale energiearmoedeaanpak12.
Daarnaast heeft het kabinet, naar aanleiding van amendementen Postma/Rooderkerk13, een subsidie van 7,5 miljoen euro verstrekt aan het Actienetwerk Energiehulp. Met
dit netwerk, opgericht door Fixbrigade Nederland en Energiebank Nederland, wordt gewerkt
aan het bestrijden van energiearmoede en een rechtvaardige energietransitie. Dat doet
het netwerk door lokale sociaal-maatschappelijke energiehulp-initiatieven op te zetten
of te versterken waar dat nodig is, en door te bouwen aan een landelijk netwerk van
lokaal gewortelde energiehulp-initiatieven die een bewezen effectieve energiehulp-aanpak
toepassen.
De SPUK Aanpak Energiearmoede is ingezet in reactie op de energiecrisis van 2022.
De middelen lopen nu af. De inzet voor het Europese Sociaal Klimaat Fonds en eventuele
andere besluitvorming over verdere maatregelen die kunnen bijdragen aan de aanpak
van energiearmoede nemen de lessen uit de ervaringen hiervan mee. Ook inzichten uit
het recent verschenen onderzoek van TNO over energiearmoede ter opvolging van de motie-Postma
bieden handvatten daartoe14.
Vraag 13
Hoe gaat u gemeenten ondersteunen in het benutten van bestaande buurtpunten en wijkcentra
bij het bereiken van moeilijk bereikbare groepen, waaronder bewoners met diverse culturele
achtergronden?
Antwoord 13
Bij het signaleren en aanpakken van geldzorgen is het belangrijk dat er laagdrempelige
hulproutes zijn. Er zijn ruim twintigduizend vrijwilligers die mensen met geldzorgen
begeleiden aan de keukentafel. SZW stimuleert dit middels een subsidie aan de Alliantie
Vrijwillige Schuldhulp. Ook zijn er inmiddels 170 inlooppunten waar vrijwilligers
mensen met geldzorgen helpen; ook hiervoor heeft SZW subsidie verstrekt. Deze en andere
hulproutes worden beter vindbaar gemaakt door publiekscampagnes samen met Geldfit.
Ook lopen er trajecten om huisartsen, geboortezorg, scholen, werkgevers etc. te betrekken
bij de aanpak van geldzorgen. Meer hierover staat in het Nationaal Programma Armoede
& Schulden, die de Kamer in juni 2025 heeft ontvangen15.
Tevens wordt samengewerkt met sleutelpersonen en ervaringsdeskundigen. Het is vaak
lastig voor mensen met geldzorgen om hulp te vragen en in contact te komen met maatschappelijke
en gemeentelijke organisaties. Andersom geldt dit ook. Daarvoor heb je mensen nodig
die een brug kunnen slaan tussen deze organisaties en inwoners met geldzorgen. In
een aantal gemeenten zijn ervaringswerkers en sleutelpersonen aan de slag gegaan om
verbinding te leggen met inwoners en hen actief in contact te brengen met organisaties
die hulp en ondersteuning bieden. Deze aanpak wordt nu uitgerold in andere gemeenten.
Divosa, Pharos, Stichting Expertisecentrum Sterk uit Armoede, Vereniging Humanitas,
Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, en Sociaal Werk Nederland16 versterken netwerken die het gesprek over geld stimuleren, waarin zorgen erkend worden
en hulp snel te vinden is. In dit project wordt daarom onder andere ingezet op het
trainen van ervaringswerkers en sleutelpersonen waarbij de geleerde lessen worden
meegenomen.
Vraag 14
Hoe voorkomt u dat huurders opgescheept blijven met torenhoge energierekeningen als
gevolg van slechte woningkwaliteit waar zij zelf niet in kunnen of mogen investeren?
Antwoord 14
In de Nationale Prestatieafspraken (NPA) is met woningcorporaties afgesproken dat
woningcorporaties zich inzetten om uiterlijk in 2028 alle E, F en G-labels uit de
sector te laten verdwijnen. Zij zijn hierin al goed op weg. Het aantal sociale huurwoningen
met een EFG-label is gedaald van 180.700 in 2023 naar 127.500 in 2025. In de NPA is
ook afgesproken meer in te zetten op reductie van de gemiddelde warmtevraag van huurwoningen
door isolatie. In 2030 wordt verwacht dat ruim 800.000 huurders bij sterk verbeterde
isolatie € 350 tot € 550 euro per jaar kunnen besparen. Het aantal corporatiewoningen
met een A-label of hoger is 47%.
Met het opnemen van minimum energieprestatie-eisen in het Besluit bouwwerken leefomgeving
(Bbl) voor huurwoningen zorgen we voor toekomstbestendige woningen voor alle huurders.
Het uitgangspunt hierbij is dat een juridische regeling moet zorgen dat een goed evenwicht
ontstaat tussen de belangen van verhuurders, huurders en het algemeen belang. Alle
eigenaren van huurwoningen met een energielabel E, F of G moeten hun pand uiterlijk
op 1 januari 2029 verduurzamen naar minimaal energielabel D. Het opnemen van de eis
draagt bij aan meer grip op de energierekening en beter wooncomfort van huurders.
De verhuurder verbetert de woning, wat zich terugvertaalt in een hogere waarde van
de woning en in de huurprijs. Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 9 januari 202617 wordt parallel aan de Bbl-wijziging bekeken hoe de huurregels in het Burgerlijk Wetboek
(BW) moeten worden aangepast, zodat investeringen in verduurzaming eenvoudiger in
de huurprijs kunnen worden verwerkt. Het voornemen is om voor de wijziging van het
BW begin 2026 een internetconsultatie te starten. Het uitgangspunt wat het kabinet
wil hanteren is dat een verhuurder hierbij een redelijke huurverhoging kan vragen
gezien de nodige investering en verbetering. Het voorstel om de eisen op te nemen
in het Besluit bouwwerken leefomgeving is in november in internetconsultatie gegaan.
Bij de invoering van de Wet betaalbare huur per 1 juli 2024 is in het woningwaarderingsstelsel
(WWS) een puntenaftrek voor energielabels E, F en G opgenomen. Daarmee worden verhuurders
nu ook al financieel geprikkeld de woningen met de laagste energielabels uit te faseren.
Met onder andere een uitbreiding en verbetering van de Subsidieregeling Verduurzaming
en Onderhoud Huurwoningen (SVOH) worden private verhuurders ondersteund in het realiseren
van de verduurzaming.
Huurders kunnen daarnaast gebruik maken van het wettelijk initiatiefrecht. Dit houdt
in dat huurders verduurzaming bij de rechter af kunnen dwingen, als zij hiertoe een
redelijk voorstel doen. Een ontwerpwetsvoorstel om het initiatiefrecht uit te breiden,
zodat huurders ook initiatief kunnen nemen voor een maatregel als een (hybride) warmtepomp,
is in internetconsultatie gebracht.
Vraag 15
Wilt u de Kamer uiterlijk eind december dit jaar informeren over wat u gaat doen met
de aanbevelingen uit het rapport van TNO?
Antwoord 15
Energiearmoede onder kinderen is onverminderd een belangrijk onderwerp. Jaarlijks
brengt de Monitor Energiearmoede de ontwikkelingen van energiearmoede in kaart. De
Kamer heeft daarnaast enkele weken geleden het TNO onderzoek ontvangen waarbij is
onderzocht hoe energiearmoede zich zal ontwikkelen gedurende de energietransitie op
basis van een factoranalyse18. Om energiearmoede te verlagen, heeft TNO acht beleidsmaatregelen onderzocht; vier
hiervan hebben een significant positief effect op het verlagen van energiearmoede.
Besluitvorming over eventuele generieke of gerichte maatregelen zoals genoemd in het
rapport, is aan een volgend kabinet omdat dergelijke maatregelen een meerjarige beleidsaanpak
vergen en ook forse budgettaire consequenties kunnen hebben. Zowel het rapport van
TNO naar energiearmoede onder kinderen als het eerder genoemde onderzoek naar de effecten
van beleidsopties op energiearmoeden bieden hier relevante overwegingen voor.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
S.T.M. Hermans, minister van Klimaat en Groene Groei -
Mede namens
M.C.G. Keijzer, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening -
Mede namens
J.N.J. Nobel, staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.