Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Ergin over het niet naar tevredenheid beantwoorden van een vraag over de Catshuissessie met moslimjongeren
Vragen van het lid Ergin (DENK) aan de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over het niet naar tevredenheid beantwoorden van een vraag over de Catshuissessie met moslimjongeren (ingezonden 21 november 2025).
Antwoord van Staatssecretaris Nobel (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) (ontvangen
26 januari 2026)Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 686
Vraag 1
Hoeveel berichten heeft u precies ontvangen toen u stelde dat uw inbox na de Catshuissessie
«volstroomde» met reacties? Om welke inbox gaat het?
Antwoord 1
Tijdens het debat heb ik, in reactie op uw vragen over een Trouw-artikel over de Catshuissessie
met moslimjongeren, aangegeven dat ik naast de in het artikel aangehaalde reacties
ook andere reacties over het gesprek zelf heb ontvangen. Daarbij gaat het om deelnemers
die ik na afloop van het gesprek gesproken heb en om een aantal berichten die ik van
een van de deelnemers aan de Catshuissessie heb ontvangen in mijn persoonlijke LinkedIn-inbox.
Vraag 2
Kunt u specificeren binnen welke datum en tijdspanne deze vermeende stroom aan berichten
binnenkwam?
Antwoord 2
Hierbij gaat het om berichten die ik, na afloop van de Catshuissessie, op 27 augustus
en op 29 augustus heb ontvangen.
Vraag 3
Op basis van welke objectieve criteria kwam u tot de conclusie dat uw inbox «volstroomde»?
Kunt u de onderbouwing van deze kwalificatie inzichtelijk maken?
Antwoord 3
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 1 heb ik tijdens het debat verwoord dat ik van
diverse aanwezigen andere reacties over het gesprek zelf heb ontvangen, zowel na afloop
van het gesprek als later op digitale wijze.
Vraag 4
Hoe rijmt u uw publieke bewering van een «stroom aan berichten» met uw weigering om
deze correspondentie – zelfs volledig geanonimiseerd – met de Kamer te delen? Kunt
u deze tegenstrijdigheid toelichten?
Antwoord 4
In uw eerdere Kamervragen is niet gevraagd naar een geanonimiseerde opsomming, maar
naar «de volledige correspondentie, inclusief de reacties en berichten». In de beantwoording
op deze vragen is toegelicht waarom het niet wenselijk is om de correspondentie op
de gevraagde manier openbaar te maken. Ik vind het belangrijk dat burgers zich vrij
voelen om hun ervaringen rechtstreeks met een bewindspersoon te delen. Dat kan alleen
als zij erop kunnen vertrouwen dat hun persoonlijke berichten niet zonder meer openbaar
worden gemaakt. Het waarborgen van dat vertrouwen is van groot belang voor een open
en veilige uitwisseling tussen burgers en overheid, zeker bij gevoelige onderwerpen
als discriminatie en uitsluiting. Daarbij gaat het hier om enkele betrokkenen.
Ondanks deze toelichting, houdt u vast aan uw verzoek. Een goede verhouding tussen
parlement en kabinet acht ik van groot belang en vanzelfsprekend hecht ik waarde aan
het, waar mogelijk, verstrekken van gevraagde inlichtingen. Daarom heb ik betrokkene
geïnformeerd dat de correspondentie geanonimiseerd openbaar wordt gemaakt. Het gaat
om twee berichten, verzonden op 27 en 29 augustus jongstleden.
In het eerste bericht wordt geschreven: «Hoi Jurgen, ik wil je graag even bedanken
voor het gesprek van vandaag. Ik voelde dat je daar oprecht zat om te luisteren en
helpen. Dat waardeer ik enorm. Ondanks (of door) de emoties en zwaarte, denk ik dat
we de eerste «muren» hebben afgebroken en een hele mooie stap hebben gezet. Bedankt
voor je bereidwilligheid, openheid en aanwezigheid ondanks de drukte!».
De reactie hierop is: «Goedemorgen [naam], bedankt voor je bericht. Ik vond het een
constructief gesprek. Jammer van de negatieve berichtgeving over het overleg in de
media.».
In het tweede bericht wordt geschreven: «Fijn om te horen. Ja dat is inderdaad jammer,
maar ik kijk terug op een waardevol gesprek waarin we samen een mooie stap hebben
gezet.».
Vraag 5
Bent u bereid te bevestigen dat uw uitspraak over het «volstromen» van uw inbox gebaseerd
is op feitelijk verifieerbare correspondentie? Zo ja, waarom weigert u dan de mogelijkheid
tot verificatie?
Antwoord 5
Ja. Zie hiervoor verder het antwoord op vraag 1 en 4.
Vraag 6
Kunt u uitsluiten dat uw uitspraak over een «stroom aan berichten» een overdrijving
is geweest of een verkeerde indruk heeft gewekt over de werkelijke hoeveelheid reacties?
Zo ja, waarop baseert u dat uitgesloten kan worden?
Antwoord 6
Zie hiervoor het antwoord op vraag 1 en 4.
Vraag 7
Waarom heeft u niet gekozen voor een geanonimiseerde opsomming van de ontvangen berichten
bijvoorbeeld het aantal reacties, de globale aard van de inhoud, de verhouding tussen
positieve en negatieve signalen zodat de Kamer kan toetsen of uw uitspraak feitelijk
juist was?
Antwoord 7
Zie hiervoor het antwoord op vraag 4.
Vraag 8
Vindt u het verantwoord om in een parlementair debat een beroep te doen op de hoeveelheid
ontvangen reacties, terwijl u vervolgens geen enkele vorm van onderbouwing of verificatie
verstrekt aan de Kamer?
Antwoord 8
Zie hiervoor het antwoord op vraag 4.
Vraag 9
Erkent u dat uw weigering om enige onderbouwing te geven bij uw claim van een «stroom
aan berichten» de indruk kan wekken dat deze stroom niet (in die omvang) heeft plaatsgevonden?
Waarom wel of niet?
Antwoord 9
Zie hiervoor het antwoord op vraag 1 en 4.
Vraag 10
Waarom duurde het 69 dagen voordat u met een antwoord kwam dat geen aantallen noemt,
geen categorisering bevat en geen enkele onderbouwing geeft van uw publieke uitspraak?
Antwoord 10
Het verzoek om de correspondentie ziet toe op mondelinge gesprekken en ontvangen berichten
in mijn persoonlijke LinkedIn-inbox. Het beoordelen van de wijze waarop deze informatie
openbaar gemaakt kan worden, kostte meer tijd dan op voorhand voorzienbaar was.
Vraag 11
Kunt u toelichten op basis van welke concrete uitzonderingsgrond uit de Wet open overheid
(Woo) u heeft besloten om geen enkel onderdeel van de door u genoemde berichten te
verstrekken, ook niet in geanonimiseerde of samengevatte vorm, terwijl de Woo nadrukkelijk
mogelijkheden biedt voor gedeeltelijke openbaarmaking en anonimisering? Welke Woo-grond
past u precies toe, en waarom?
Antwoord 11
Voor de goede orde merk ik op dat voor de informatievoorziening aan de Kamer niet
de Woo, maar artikel 68 van de Grondwet het wettelijk kader vormt. Zoals ik in het
antwoord in vraag 4 heb toegelicht is de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen
aan de orde. Daarbij vind ik het belangrijk dat burgers zich vrij voelen om hun ervaringen
rechtstreeks met een bewindspersoon te delen, zonder dat zij bang hoeven te zijn dat
deze berichten openbaar worden gemaakt. Deze uitleg heeft u niet op andere gedachten
gebracht. Nu ik een goede verhouding tussen parlement en kabinet van groot belang
achten waarde te hecht aan het, waar mogelijk, verstrekken van gevraagde inlichtingen,
heb ik betrokkene geïnformeerd dat de correspondentie openbaar wordt gemaakt.
Ik kom aan uw verzoek tegemoet door bij vraag 4 de geanonimiseerde versie van berichten
te verstrekken.
Vraag 12
Kunt u aan de Kamer geanonimiseerd doen toekomen de volledige correspondentie, inclusief
de reacties en berichten die u naar eigen zeggen na de Catshuissessie over moslimdiscriminatie
in uw inbox heeft ontvangen, en deze openbaar maken zodat de Kamer inzicht krijgt
in de zorgen, pijnlijke ervaringen en kritische signalen die daaruit naar voren zijn
gekomen, mede in het licht van de uitlatingen van deelnemers die aangeven met «buikpijn»
uit het gesprek te zijn gekomen en die politici die bij dit gesprek aanwezig waren
ervoeren als faciliterend aan moslimhaat? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 12
Zie hiervoor het antwoord op vraag 4.
Vraag 13
Ziet u in dat uw weigering om de door u zelf aangehaalde correspondentie met de Kamer
te delen de situatie creëert waarin Kamerleden zich genoodzaakt kunnen voelen om via
de Woo toegang tot informatie te vragen, en acht u dat wenselijk in het licht van
de verhouding tussen parlement en kabinet?
Antwoord 13
Zoals aangegeven is voor de informatievoorziening aan de Kamer niet de Woo, maar artikel
68 van de Grondwet het wettelijk kader. Het recht op inlichtingen van een Kamerlid
op grond van artikel 68 van de Grondwet is minimaal even sterk als het recht op openbaarheid
onder de Woo. Kamerleden hoeven zich dan ook niet op de Woo te beroepen om toegang
tot informatie te krijgen.
Vraag 14
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden en binnen de gestelde termijn
beantwoorden?
Antwoord 14
Op 16 december 2025 heeft u hieromtrent een uitstelbrief ontvangen.
Ondertekenaars
J.N.J. Nobel, staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.