Nota van wijziging : Nota van wijziging
36 822 Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Faillissementswet en de Bankwet 1998 in verband met aanpassingen van het crisisraamwerk voor banken en beleggingsondernemingen ter aanvulling op de implementatie van Richtlijn 2014/59/EU en Richtlijn (EU) 2019/879 betreffende het kader voor herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen (Wet nadere uitvoering BRRD-implementatie)
Nr. 7
NOTA VAN WIJZIGING
Ontvangen 28 januari 2026
Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel I, onderdeel M, komt te luiden:
M
Artikel 3A:6 wordt gewijzigd als volgt:
1. In het eerste lid wordt «dit hoofdstuk, met uitzondering van afdeling 3A.1.2» vervangen
door «de afdelingen 3A.1.3, 3A.1.4 en 3A.1.5 of de artikelen 16, 18 en 21 van de verordening
gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme».
2. In het tweede lid wordt «dit hoofdstuk alsmede de voorbereiding en uitvoering ervan,
met uitzondering van afdeling 3A.1.2» vervangen door «de afdelingen 3A.1.3, 3A.1.4
en 3A.1.5 of de artikelen 16, 18 en 21 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme,
alsmede de voorbereiding en uitvoering ervan».
3. In het derde lid wordt na «kapitaalinstrumenten» ingevoegd «en de in artikel 3A:21,
tweede lid, bedoelde in aanmerking komende passiva».
B
In artikel I, onderdeel O, wordt het voorgestelde vierde lid vervangen door drie leden,
luidende:
4. De Nederlandsche Bank kan met inachtneming van artikel 4, eerste en tweede lid,
van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen besluiten
dat het eerste en tweede lid op vereenvoudigde wijze worden toegepast als bedoeld
in artikel 4, eerste lid, van die richtlijn, indien het falen van de entiteit of groep
waarschijnlijk niet gepaard zal gaan met significante nadelige gevolgen voor de financiële
markten, op andere instellingen, op de financieringsvoorwaarden of op de economie
in ruimere zin.
5. De Nederlandsche Bank kan op grond van artikel 4, achtste en negende lid, van de
richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen besluiten dat
vaststelling van een herstel- of afwikkelingsplan niet noodzakelijk is.
6. Indien er vereenvoudigde verplichtingen worden toegepast kan de Nederlandsche Bank
te allen tijde de bevoegdheden bedoeld in artikel 4, derde en vierde lid, van de richtlijn
herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen uitoefenen.
C
Artikel I, onderdeel X, komt te luiden:
X
Artikel 3A:17 wordt gewijzigd als volgt:
1. Het eerste en tweede lid komen te luiden:
1. De Nederlandsche Bank besluit onverwijld tot afschrijving en omzetting van relevante
kapitaalinstrumenten en de in het zesde lid bedoelde in aanmerking komende passiva
van een entiteit als bedoeld in artikel 3A:2 die niet valt onder de werking van de
verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, indien wordt voldaan aan een
van de omstandigheden, bedoeld in artikel 59, derde lid, van de richtlijn herstel
en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, met inachtneming van artikel
59, eerste lid, laatste alinea, eerste lid bis, en vierde tot en met zesde lid, van
die richtlijn.
2. De bevoegdheid om relevante kapitaalinstrumenten en in het zesde lid bedoelde in
aanmerking komende passiva af te schrijven of om te zetten kan als volgt worden uitgeoefend:
a. zonder dat er een afwikkelingsmaatregel genomen wordt; of
b. onmiddellijk voorafgaand aan of tegelijk met een afwikkelingsmaatregel, indien
wordt voldaan aan de voorwaarden voor afwikkeling, bedoeld in artikel 32, 32 bis of
33 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen en
deze afwikkelingsmaatregel tot gevolg zou hebben dat schuldeisers verliezen lijden
of dat hun vorderingen zouden worden omgezet.
2. Het vierde lid vervalt, onder vernummering van het vijfde tot en met zevende lid
tot vierde tot en met zesde lid.
3. In het vierde lid (nieuw) wordt «zevende» vervangen door «zesde».
4. Het vijfde lid (nieuw) komt te luiden:
5. Ter voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid, wordt een waardering
verricht, overeenkomstig artikel 36, eerste tot en met dertiende lid, van de richtlijn
herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, van de activa en passiva
waarop de voorgenomen maatregelen bedoeld in het eerste lid zien.
D
Artikel I, onderdeel EEE, komt te luiden:
EEE
Aan paragraaf 3A.1.5.5 wordt een artikel toegevoegd, luidende:
Artikel 3A:56a Verzoek opschorting gerechtelijke procedures
Onverminderd artikel 3A:53, kan de Nederlandsche Bank indien nodig voor de doeltreffendheid
van een of meer afwikkelingsmaatregelen een bevoegd gerecht verzoeken elke gerechtelijke
maatregel of procedure waaraan een entiteit in afwikkeling onderworpen is, op te schorten
gedurende een in het licht van de nagestreefde doelstelling passende termijn.
E
Na artikel I, onderdeel GGG, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
GGGa
In de artikelen 3A:65 en 3A:66 wordt «dit hoofdstuk, met uitzondering van afdeling
3A.1.2, of ingevolge» telkens vervangen door «de afdelingen 3A.1.3, 3A.1.4 en 3A.1.5
of».
Toelichting
A
Artikel 3A:6, tweede lid, Wft bevat een bepaling die regelt welke besluiten niet onderworpen
zijn aan kennisgevingsvereisten of procedurele voorschriften. De formulering die gebruikt
werd «ingevolge dit hoofdstuk, met uitzondering van afdeling 3A.1.2» strookt niet
met de reikwijdte die gebruikt wordt in artikel 3A:64 Wft met betrekking tot de rechtsbescherming.
Deze reikwijdtes zijn nu gelijk getrokken, waarbij wordt aangesloten bij de formulering
als gebruikt in artikel 3A:64 Wft.
B
In het voorgestelde vierde lid van artikel 3A:9 Wft, over de toepassing van vereenvoudigde
verplichtingen bij het opstellen van afwikkelingsplannen wordt voor de duidelijkheid
een aantal dynamische verwijzingen naar de BRRD uitgeschreven. Inhoudelijk verandert
er niets. Het vierde lid bevat nu nog steeds de bevoegdheid om afwikkelingsplannen
bedoeld in het eerste en tweede lid van het voorgestelde artikel 3A:9 op vereenvoudigde
wijze vast te stellen. Ook wordt bij nader inzien ervoor gekozen twee bevoegdheden
voor DNB uit te schrijven in twee nieuwe leden. Voorheen waren deze bevoegdheden impliciet
opgenomen in een dynamische verwijzing in het vierde lid. In het nieuw vijfde lid
(ter implementatie van artikel 4, achtste en negende lid, van de richtlijn herstel
en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen) is de bevoegdheid voor DNB uitgeschreven
om te besluiten dat vaststellen van een herstel- of afwikkelingsplan in bepaalde gevallen
niet noodzakelijk is. Het zesde lid regelt dat DNB de bevoegdheid heeft om, op grond
van artikel 4, derde en vierde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken
en beleggingsondernemingen, bepaalde maatregelen toch te nemen, ook als er vereenvoudigde
verplichtingen gelden.
C
In artikel 3A:17 Wft zijn enkele wijzigingen aangebracht.
In het gewijzigde tweede lid is aan onderdeel b de zinsnede «en deze afwikkelingsmaatregel
tot gevolg zou hebben dat schuldeisers verliezen lijden of dat hun vorderingen zouden
worden omgezet» toegevoegd. Deze zinsnede volgt uit artikel 37, tweede lid, van de
richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen1 maar was voorheen niet opgenomen in de implementatie van dit artikel. Voor beleggingsondernemingen
is het noodzakelijk om dit toe te voegen aan artikel 3A:17 Wft. Voor banken volgt
dit al uit artikel 22, eerste lid, van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme.2 Hierbij moet opgemerkt worden dat de toevoeging van de zinsnede aan artikel 3A:17,
tweede lid, onderdeel b, Wft niet betekent dat wanneer schuldeisers wél verliezen
zouden lijden dan wel dat hun vorderingen zouden worden omgezet, dat de bevoegdheden
van artikel 3A:17 Wft altijd onmiddellijk voorafgaand of tegelijk met een afwikkelingsmaatregel
moeten worden ingezet. De bevoegdheden worden niet ingezet indien de afwikkelingsmaatregel
(de overgang van onderneming uit artikel 3A:28 Wft of de overbruggingsinstelling uit
artikel 3A:37 Wft) ziet op overgang van activa en passiva van de entiteit in resolutie
aan een koper, respectievelijk, de overbruggingsinstelling, en vervolgens de achterblijvende
entiteit in faillissement moet worden afgewikkeld uit hoofde van artikel 3A:30, respectievelijk,
artikel 3A:39, eerste lid, Wft. In die laatste twee genoemde artikelen is artikel
37, zesde lid, BRRD geïmplementeerd. In dat geval zullen de verliezen van de aandeelhouders
of houders van andere eigendomsinstrumenten en de achterblijvende crediteuren (van
relevante kapitaalinstrumenten) en overige passiva in faillissement worden genomen.
Deze lijn is ook af te leiden uit de beantwoording van de Europese Commissie van een
tweetal EBA Q&A’s3 over de reikwijdte en toepassing van artikel 37 BRRD. Deze uitzondering geldt ook
voor de toepassing van artikel 22 SRMR door DNB ingeval het entiteiten betreft die
vallen onder de SRMR, of in het geval van niet-significante banken waarop DNB toezicht
houdt.
Daarnaast is in het tweede lid en het nieuwe vierde lid een verwijzing naar het zevende
lid aangepast naar het zesde lid.
D
In artikel 3A:56a Wft, dat ziet op de bevoegdheid van DNB om opschorting van gerechtelijke
procedures op een entiteit in afwikkeling te vragen, worden enkele tekstuele onvolkomenheden
hersteld en wordt qua formulering aangesloten bij een gelijkluidend artikel ter implementatie
van de richtlijn herstel en afwikkeling van verzekeraars. Er wordt verwezen naar gerecht,
in plaats van rechtbank, aangezien de verzoeken van DNB tot aanhouding op meer gerechtelijke
instanties dan rechtbanken kunnen zien. Daarnaast is de verwijzing naar afwikkelingsdoelstellingen
vervangen door een verwijzing naar afwikkelingsmaatregelen en is verduidelijkt dat
de aanvraag gedaan kan worden voor een entiteit in afwikkeling.
E
De artikelen 3A:65 en 3A:66 Wft met betrekking tot het rechtsvermoeden bij een voorlopige
voorziening en het in stand laten van de rechtsgevolgen bij een beroep tegen een besluit
van DNB bevatten beiden de formulering «ingevolge dit hoofdstuk, met uitzondering
van afdeling 3A.1.2» om aan te duiden welke besluiten uit hoofdstuk 3A.1 Wft hieronder
vallen. Deze reikwijdte strookt niet met de reikwijdte die gebruikt wordt in artikel
3A:64 Wft met betrekking tot de rechtsbescherming. Deze reikwijdtes zijn nu gelijk
getrokken, waarbij is aangesloten bij de formulering als gebruikt in artikel 3A:64
Wft.
De Minister van Financiën,
E. Heinen
Ondertekenaars
E. Heinen, minister van Financiën
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.