Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 822 Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Faillissementswet en de Bankwet 1998 in verband met aanpassingen van het crisisraamwerk voor banken en beleggingsondernemingen ter aanvulling op de implementatie van Richtlijn 2014/59/EU en Richtlijn (EU) 2019/879 betreffende het kader voor herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen (Wet nadere uitvoering BRRD-implementatie)
Nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 28 januari 2026
Inleiding
De regering is de vaste commissie voor Financiën erkentelijk voor de aandacht die
zij aan het onderhavige wetsvoorstel heeft geschonken en voor de door haar daarover
gestelde vragen. De vragen worden zo veel mogelijk beantwoord in de volgorde van het
door de commissie uitgebrachte verslag. Voor zover vragen, vanwege overeenkomst in
onderwerp, gezamenlijk beantwoord zijn, is dit vermeld.
Algemeen
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel.
Deze leden steunen de verbetering omtrent eventuele faillissementen van banken gezien
het belang hiervan voor de financiële stabiliteit. Op dit moment hebben deze leden
geen verdere vragen over het wetsvoorstel.
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel.
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de Wet nadere uitvoering BRRD-implementatie.
Deze leden hebben hierover nog een aantal vragen en opmerkingen.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel.
§ 1. Inleiding
De leden van de PVV-fractie lezen in de memorie van toelichting dat «op Europees niveau
wordt onderhandeld door de Raad en het Europees Parlement over de in april 2023 gepubliceerde
voorstellen tot aanpassing van de BRRD, SRMR en de richtlijn depositogarantiestelsels».
Deze leden vragen de regering wanneer duidelijkheid wordt verwacht over de uitkomsten
van deze onderhandelingen en waarom wordt gekozen voor wetswijziging, terwijl Europese
kaders mogelijk op korte termijn zullen veranderen.
Op 25 juni 2025 is een triloogakkoord bereikt tussen het Europees Parlement en de
Raad. Dit triloogakkoord is tussen juni en november 2025 technisch uitgewerkt. Op
5 november 2025 heeft het Europees Parlement ingestemd met de technische uitwerking
van de triloog en op 12 november 2025 is de Raad akkoord gegaan met de technische
uitwerking. Op dit moment wordt de tekst vertaald in alle officiële talen en gecontroleerd
door de juristen-linguïsten. Na finale afstemming zal de definitieve tekst nog voorgelegd
worden aan het Europees Parlement en de Raad voor finale goedkeuring. Publicatie van
de officiële teksten wordt verwacht eind maart/begin april 2026. De implementatietermijn
betreft 24 maanden waarmee implementatie van de aanpassingen in de Nederlandse wetgeving
op zijn vroegst begin 2028 afgerond zullen zijn.
Dit wetsvoorstel bevat voornamelijk herstel van de implementatie van de eerdere wijziging
van de Richtlijn 2014/59/EU betreffende herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen
(BRRD I) en Richtlijn (EU) 2019/879 betreffende verliesabsorptie en herkapitalisatiecapaciteit
van banken en beleggingsondernemingen (BRRD II).1 Gezien de lange duur van de onderhandelingen rondom de aankomende wijzigingen en
de daarmee gepaard gaande implementatietermijn is ervoor gekozen de aanpassingen naar
aanleiding van de opmerkingen van DNB en de vragen van de Europese Commissie nu al
met een wetsvoorstel te adresseren. De verwachting is ook dat dit wetsvoorstel het
makkelijker maakt om de nieuwe wijzigingen die in 2026 worden verwacht door te voeren.
De leden van de PVV-fractie willen van de regering verduidelijking over hoe de Stichting
Administratiekantoor Afwikkeling (SAA) eruit zal zien met betrekking tot personeel
en bezetting, in hoeverre de stichting op afstand staat van DNB, wat de kosten zullen
zijn en wie die gaan betalen.
Een Stichting Administratiekantoor Afwikkeling (SAA) kan worden opgericht door DNB
ten behoeve van het uitvoeren van afwikkeling. DNB richt de stichting op, en kan de
stichting aanwijzingen geven betreffende de taakuitoefening. Het is mogelijk dat er
medewerkers van DNB plaatsnemen in het bestuur van de stichting. Nadere invulling
voor de inrichting van de SAA zal worden opgenomen in het Besluit bijzondere prudentiële
maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft. In dit besluit zijn al
organisatorische regels opgenomen voor het (doen) oprichten door DNB van een overbruggingsinstelling,
overbruggingsonderneming en entiteit voor activa- en passivabeheer.
De kosten van afwikkeling worden door de financiële sector zelf gedragen door de bijdrage
aan de ZBO-begroting van DNB.2 Op grond van artikel 3A:62 van de Wet op het financieel toezicht (Wft) kunnen kosten
van afwikkeling van een specifieke instelling worden verhaald op de daarin genoemde
wijze.
§ 4.1 Praktische uitvoering afwikkeling
De leden van de PVV-fractie lezen in de memorie van toelichting «De SAA gaat de aandelen
of certificaten tijdelijk houden ten behoeve van de houders van de claimrechten. Op
het moment dat de definitieve waardering en de conversiekoers bepaald is, zullen de
claimrechten worden omgewisseld in de aandelen of certificaten». Deze leden vragen
de regering of er een wettelijke termijn wordt vastgelegd waarbinnen de afwikkelingsmaatregelen
moeten worden uitgevoerd.
Het nemen van de afwikkelingsmaatregelen zelf zal vrij spoedig na de constatering
dat een entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen moeten gebeuren. De BRRD schrijft
geen termijnen voor waarin de praktische uitvoering van de inzet van een afwikkelingsinstrument
of het nemen van een afwikkelingsmaatregel voltooid moet zijn. Dat is ook lastig te
voorspellen, en afhankelijk van het type instrument of maatregel dat zal worden ingezet
indien er sprake is van afwikkeling van een entiteit. Een wettelijke termijn opnemen
waarbinnen een afwikkelingsmaatregel uitgevoerd moet zijn kan de goede werking van
het afwikkelingsraamwerk verstoren.
De leden van de VVD-fractie constateren dat het wetsvoorstel een oplossing biedt voor
het geval bestaande (of nieuw uitgegeven) aandelen of certificaten op het moment van
afwikkeling van een instelling nog niet kunnen worden toegekend aan de houders van
de claimrechten. Het voorliggende wetsvoorstel wil dat doen door te regelen dat DNB
in dat geval een instructie afgeeft aan de instelling in afwikkeling om de aandelen
of certificaten uit te (doen) geven aan een door DNB opgerichte SAA of door DNB deze
bestaande aandelen te doen laten overgaan aan de SAA. De SAA gaat de aandelen of certificaten
dan tijdelijk houden ten behoeve van de houders van de claimrechten. Op het moment
dat de definitieve waardering en de conversiekoers bepaald is, zullen de claimrechten
dan worden omgewisseld in de aandelen of certificaten. Graag ontvangen deze leden
een uitgebreide toelichting op de volgens de regering te verwachten gevolgen van deze
wetswijziging voor de claimhouders.
Er zijn geen gevolgen voor claimrechthouders van deze wetswijziging ten opzichte van
het reeds bestaande wettelijke kader voor afwikkeling. De in de memorie van toelichting
beschreven gang van zaken zou ook zonder dit wetsvoorstel reeds kunnen plaatsvinden,
in de zin dat al voorzien was dat een indirecte omzetting plaats zou moeten vinden
omdat niet altijd de conversiekoers bepaald kan worden bij gebrek aan een definitieve
waardering. DNB zou ook zonder dit wetsvoorstel bevoegd zijn om ter uitvoering van
haar taken als afwikkelingsautoriteit een stichting op te richten teneinde de indirecte
conversie te bewerkstelligen. Dit wetsvoorstel verduidelijkt dat DNB de expliciete
bevoegdheid heeft om een SAA op te richten teneinde deze indirecte omzetting bij de
uitoefening van de afschrijving en omzetting van kapitaalinstrumenten-bevoegdheden
en de uitvoering van het afwikkelingsinstrument van bail-in te faciliteren.
De leden van de VVD-fractie begrijpen uit de memorie van toelichting hoe de omzetting
van een schuld in eigen vermogen vormgegeven kan worden. Daarbij wordt uitdrukkelijk
opgemerkt dat de regeling niet de werkwijze zoals deze in de toelichting staat beschreven,
voorschrijft. En dat het DNB derhalve vrijstaat de omzetting ook op andere wijze vorm
te geven (in het licht van de afwikkelingsdoelstellingen of de omstandigheden van
het geval). Kan de regering verduidelijken aan de hand van (praktische) voorbeelden
hoe die omzetting dan op andere wijze vorm kan worden gegeven?
De werkwijze is niet dwingend vormgegeven omdat deze aangepast moet kunnen worden
naar gelang de omstandigheden van het geval bij de specifieke entiteit die in afwikkeling
wordt genomen. Omzetting naar claimrechten was wel altijd voorzien. Hoe vervolgens
de omzetting van de claimrechten naar aandelen of andere eigendomsinstrumenten plaatsvindt,
is aan DNB. DNB kan bijvoorbeeld besluiten tot het toekennen van bestaande aandelen,
of uitgifte van nieuwe aandelen. Of besluiten dat deze aandelen eerst worden ondergebracht
bij de SAA totdat een definitieve waardering beschikbaar is.
§ 5. Financiële gevolgen en regeldruk
De leden van de PVV-fractie lezen in de memorie van toelichting dat er een nieuwe
verplichting met het voorliggende wetvoorstel wordt ingevoerd, namelijk de verplichting
dat het bestuur of de raad van commissarissen van een dergelijke entiteit (waarbij
ervan wordt uitgegaan dat hiermee een onder de BRRD vallende instelling wordt bedoeld)
melding maakt als zij van oordeel is dat de entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen.
Deze leden verzoeken de regering om toe te lichten wat de gevolgen zijn wanneer deze
melding niet wordt gedaan, welke handhavings- of toezichtsinstrumenten in dat geval
beschikbaar zijn en hoe precies wordt bepaald wanneer sprake is van de situatie waarin
een entiteit «faalt of waarschijnlijk zal falen».
Artikel 81, eerste lid, BRRD voorziet in deze verplichting, die nu ook in de Nederlandse
wet wordt geïmplementeerd. Artikel 32, vierde lid, BRRD schrijft voor wanneer een
entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen. Dit zal het geval zijn indien de onderneming
bijvoorbeeld haar vergunningvereisten overtreedt of zal overtreden, de activa van
de entiteit geringer zijn dan haar passiva, de entiteit niet in staat is om haar schulden
of andere passiva te betalen, of dat er buitengewone openbare financiële steun nodig
is.
Indien ten onrechte geen melding dat een entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen
gemaakt wordt, is het mogelijk dat DNB het handhavingsinstrumentarium uit de Wft inzet.
Dit betreft onder meer het opleggen van een last onder dwangsom (1:79 Wft) of een
bestuurlijk boete (1:80 Wft). Ook mogelijk, maar minder denkbaar in een dergelijke
situatie, is een aanwijzing (1:75 Wft), of een verbod op het uitoefenen van de functie
bij een ander type onderneming (1:87 Wft).
Op grond van artikel 46, eerste lid, onderdelen c en d, van Gedelegeerde Verordening
(EU) 2016/1075 moet de entiteit bij een melding zoals bedoeld in artikel 3A:20aa Wft
«relevante informatie en analyses die het leidinggevend orgaan in aanmerking heeft
genomen bij de beoordeling om te bepalen dat aan de voorwaarden onder artikel 32,
lid 4, van Richtlijn 2014/59/EU is voldaan» en «een kopie van het schriftelijk besluit
van het leidinggevend orgaan ter bevestiging van zijn beoordeling dat de instelling
of de entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen» meezenden met de kennisgeving aan
DNB als toezichthouder. Artikel 32, zesde lid, BRRD schrijft voor dat de Europese
Bankenautoriteit (EBA) richtsnoeren uitvaardigt met daarin objectieve elementen om
de vaststelling te ondersteunen dat een entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen.3 Een entiteit kan deze richtsnoeren gebruiken om te bepalen of zij faalt of waarschijnlijk
zal falen en hiermee de relevante informatie en analyses die zij moet aanleveren bij
een melding van haar eigen falen of waarschijnlijke falen, zoals voorgeschreven door
de Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1075, te onderbouwen.
§ 7. Consultatie
Naar aanleiding van het advies van de Raad van State over de afbakening van bevoegdheden
van de bijzonder bestuurder vragen de leden van de ChristenUnie-fractie de regering
om precies aan te geven wat de regering heeft gedaan om tegemoet te komen aan het
advies van de Raad van State en hierbij ook aan te geven of, en indien van toepassing
ook hoe, de gewijzigde tekst nog afwijkt van het Raad van State-advies.
Naar aanleiding van het advies van de Raad van State is aan artikel 3A:49, vijfde
lid, Wft de zin «Indien van toepassing stelt de Nederlandsche Bank de bevoegdheidsverdeling
tussen de bijzonder bestuurder en de organen van de entiteit in afwikkeling vast.»
toegevoegd. Hiermee is juridisch vastgelegd op wetsniveau dat DNB in haar besluit
waarmee zij de bijzonder bestuurder aanstelt de bevoegdheidsverdeling tussen een eventueel
zittenblijvend (deel van het) bestuur en de bijzonder bestuurder moet vaststellen
zodat duidelijk is voor zowel het zittenblijvend bestuur als de bijzonder bestuurder
hoe ver hun bevoegdheden strekken en wie waarvoor verantwoordelijk is. Hiermee is
voldaan aan het advies van de Raad van State.
1.1:75/1:75a Wft
De leden van de VVD-fractie lezen het volgende: «Op dit moment wordt onderhandeld
door het Europees Parlement en de Raad over aanpassing van de BRRD, SRMR en DGSD.
Niettemin is er nog geen definitief triloogakkoord bereikt». In hoeverre is het de
verwachting van de regering dat de uitkomst van dit triloogakkoord, de wetswijzigingen
van het voorliggende wetsvoorstel overhoopgooien?
Zoals eerder opgemerkt bij de vraag van de PVV-fractie over de samenloop met onderhandelingen
over aanpassing van de BRRD, SRMR4 en DGSD5, zal dit wetsvoorstel die onderhandelingen en uitkomsten niet doorkruisen. Het triloogakkoord
op de onderhandelingen wordt nu gecontroleerd door de juristen-linguisten en zal vermoedelijk
eind maart/begin april 2026 gepubliceerd worden in het Publicatieblad van de Europese
Unie, na finale goedkeuring door het Europees Parlement en de Raad. De wetswijzigingen
in dit wetsvoorstel zien voornamelijk op het herstel van onvolkomenheden uit de vorige
implementaties waardoor dit wetsvoorstel en een implementatievoorstel wat volgt uit
de nog te publiceren wijzigingen elkaar niet zullen kruisen. Bovendien zal dit wetsvoorstel
een nieuwe implementatie van wijzigingen aan de BRRD vergemakkelijken doordat onvolkomenheden
uit de vorige implementaties reeds hersteld zijn.
2.3A:20aa Wft
De leden van de VVD-fractie lezen dat de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) heeft
verzocht om overtreding van artikel 3A:20aa Wft, wat ziet op de melding door het bestuur
of de raad van commissarissen bij DNB of de ECB dat de onderneming FOLTF (failing
or likely to fail) is, niet handhaafbaar te stellen. De regering stelt daar tegenover
dat de verplichting om het doen van een FOLTF-melding expliciet voortkomt uit de BRRD,
zodat ook Nederland daaraan moet voldoen. Graag vernemen deze leden expliciet en onomwonden
van de regering dat er op dit punt dus geen sprake is van strengere implementatie
ten opzichte van andere EU-lidstaten (dat wil zeggen, een nationale kop).
Artikel 111, eerste lid, onderdeel d, BRRD bevat de expliciete opdracht voor lidstaten
«dat hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen voorzien in sancties en maatregelen»
bij «het nalaten in overtreding van artikel 81, lid 1, van het leidinggevend orgaan
van een instelling (...) om de bevoegde autoriteit in kennis te stellen wanneer die
instelling (...) faalt of waarschijnlijk gaat falen». Als sanctie en maatregel zijn
op grond van artikel 111, tweede lid, BRRD in ieder geval voorgeschreven dat het mogelijk
moet zijn om a) een publieke verklaring uit te doen gaan waarin de entiteit en de
overtreding wordt genoemd, b) een bevel te geven tot staking van de inbreuk, c) een
voorlopig verbod te doen uitgaan voor een lid van het leidinggevend orgaan om een
dergelijke functie bij andere entiteiten te bekleden, en d) geldboetes op te leggen.
Opname van artikel 3A:20aa Wft en het handhaafbaar stellen hiervan zodat het instrumentarium
van de Wft hierop toegepast kan worden is een aan lidstaten opgelegde verplichting
in artikel 111 BRRD en is derhalve geen nationale kop.
3.3A:21–3A:23/3A:44 Wft met betrekking tot directe conversie
De leden van de VVD-fractie lezen: «Met deze wijze van omzetting bevindt Nederland
zich, anders dan de NVB stelt, niet in een uitzonderingspositie. Ook Portugal, België,
Frankrijk, Ierland en Zweden maken bij hun omzetting naar aandelen gebruik van een
vorm van een «interim-»recht op een aandeel.» Hoe is dit geregeld in de Verenigde
Staten?
Waar het Europese afwikkelingsraamwerk in de BRRD heeft gekozen voor de zogenaamde
«open-bank bail-in» benadering, heeft de Verenigde Staten gekozen voor een «closed-bank bail-in» kader.6 Beide bail-in kaders geven de afwikkelingsautoriteit de bevoegdheden om de instelling
te stabiliseren en een ordentelijke reorganisatie van de instelling gefinancierd door
haar schuldeisers te faciliteren. Beide benaderingen worden ook erkend in de Key Attributes of Effective Resolution Regimes for Financial Institutions7 van de Financial Stability Board (FSB).8 Het economische effect van beide bail-in benaderingen is grotendeels hetzelfde. De
wijze waarop de bail-in wordt uitgevoerd (juridisch en operationeel) kent echter verschillen.
In een open-bank bail-in wordt het bail-in instrument toegepast op de bestaande juridische
structuur van de instelling waarbij de aan bail-in onderworpen schulden worden omgezet
in aandelen of andere eigendomsinstrumenten van de bestaande instelling. Daarbij kan
een open-bank bail-in ook plaatsvinden door gebruik van interim-instrumenten.9 In een open-bank bail-in blijft de bank operationeel en wordt niet in een staat van
faillissement verklaard.
Onder de closed-bank bail-in benadering in de Verenigde Staten, brengt de afwikkelingsautoriteit
(de Federal Deposit Insurance Company, FDIC) activa en passiva van de entiteit in
afwikkeling (doorgaans de holding van de bank) onder in een nieuw opgerichte entiteit
(de bruginstelling). De entiteit in afwikkeling wordt afgewikkeld in receivership (vergelijkbaar met het Nederlandse faillissement) waarbij binnen een bepaalde tijd
de achterblijvende aandeelhouders en crediteuren hun claims tegen de boedel van de
gefaalde instelling bij de FDIC kunnen indienen. De FDIC beoordeelt deze claims en
voor erkende claims, voor zover er geldmiddelen aanwezig zijn, worden de crediteuren
voldaan conform de crediteurenhiërarchie. De uitkering die de afwikkelingsautoriteit
doet aan de erkende claimhouders kan ook bestaan uit effecten (meestal aandelen) die
de (opvolger van) de bruginstelling na reorganisatie, uitgeeft. De «securities for claims» conversie is een optie die de FDIC hiertoe heeft ontwikkeld ter implementatie van
haar bail-in benadering.10
Deze leden lezen ook: «... dat het onder de huidige regelgeving al mogelijk is om
de claimrechten op aandelen direct na totstandkoming om te zetten in aandelen, zodat
de geconverteerde crediteuren de facto direct aandelen verkrijgen». Kan de regering
nader onderbouwen hoe realistisch deze directe omzetting is? Mede in het licht van
het gegeven dat enige tijd gemoeid zal zijn met het definitief worden van de waardering
van de activa en passiva van de entiteit in afwikkeling, respectievelijk de omzettingskoers
van het claimrecht in een aandeel. Is de regering het met deze leden eens dat in de
praktijk vrijwel altijd sprake zal zijn van een «indirecte» omzetting?
Een directe omzetting, waarbij claimrechten direct worden omgezet in aandelen of andere
eigendomsinstrumenten, is mogelijk in een geval waar de waardering, wanneer het bail-in
instrument wordt toegepast, definitief is in de zin van artikel 20, tweede lid, van
de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme (SRMR) en de conversiekoers
van claimrechten in aandelen overeenkomstig artikel 50 BRRD (artikel 3A:21, derde
lid, en artikel 3A:44, derde lid, Wft) kan worden vastgesteld. Zoals reeds in de memorie
van toelichting is opgemerkt, zal op het moment waarop DNB besluit tot toepassing
van het bail-in instrument, de waardering van de activa en passiva van de entiteit
in afwikkeling en de groep waartoe zij behoort, gelet op de grote complexiteit, waarschijnlijk
nog niet definitief zijn. Een directe omzetting lijkt daarom inderdaad minder waarschijnlijk
dan een indirecte omzetting.
4.3A:23 Wft met betrekking tot nominale waarde van aandelen en statuten
De leden van de VVD-fractie lezen dat DNB ervoor zal zorgen dat de toekenning van
aandelen aan de houders van de claimrechten «zo spoedig mogelijk» zal plaatsvinden.
Wat zal, naar inschatting van de regering, de gemiddelde wachttijd zijn voor de houders
van claimrechten? Denkt de regering dat het soms ook veel korter of langer kan duren
dan deze gemiddelde wachttijd?
De genoemde wachttijd zal, zoals hiervoor omschreven, met name afhangen van de periode
die nodig is om te komen tot een definitieve waardering. De periode die daarvoor vereist
is, is moeilijk op voorhand te geven en zal sterk afhankelijk zijn van de complexiteit
van de betreffende entiteit. Dat gezegd zijnde, is de huidige inschatting dat het
vaststellen van de definitieve waardering en de bepaling van de juiste conversiekoers,
in elk geval 6 tot 12 maanden in beslag zal nemen. Het ligt in de lijn der verwachting
dat deze periode langer kan zijn naarmate de bankengroep waarvoor de waardering moet
worden uitgevoerd meer omvangrijk en complex is.
5.3A:49 Wft
De leden van de VVD-fractie lezen het volgende: «Het algemene afwikkelingsbeginsel
dat het leidinggevend orgaan en het hoger management worden vervangen als de entiteit
in afwikkeling gaat (in artikel 34, eerste lid, onderdeel c, van de BRRD26) bevat
echter ook een uitzondering: namelijk indien het aanblijven van het volledige leidinggevende
orgaan en het hoger management of een deel ervan, naar gelang van de omstandigheden,
voor het verwezenlijken van de afwikkelingsdoelstellingen noodzakelijk wordt geacht.»
Oordeelt DNB hier over de «noodzakelijkheid»? Zo nee, wie dan? Zo ja, hoeveel mensen
binnen DNB nemen dan dit besluit? Wat gebeurt er als het besluit over de noodzakelijkheid
binnen DNB verdeeld ligt? Voorts vernemen deze leden graag waar dit «noodzakelijkheidscriterium»
is opgenomen in de wet.
Bij het nemen van afwikkelingsmaatregelen, moet het algemene afwikkelingsbeginsel
zowel door de Afwikkelingsraad (SRB)11 als DNB worden gerespecteerd (conform artikel 15, eerste lid, onderdeel c, SRMR respectievelijk
artikel 34, eerste lid, onderdeel c, BRRD). In de gevallen waarin DNB het afwikkelingsbesluit
neemt (voor niet-significante banken of beleggingsondernemingen) beoordeelt DNB of
sprake is van de uitzondering zoals weergegeven in artikel 15, eerste lid, onderdeel
c, SRMR danwel artikel 34, eerste lid, BRRD. In de gevallen waarin DNB een implementatiebesluit
neemt als gevolg van een afwikkelingsplan van de SRB na een afwikkelingsbesluit (in
geval van een significante bank), zal het van de instructie van de SRB afhangen welke
eigen afweging DNB nog dient te maken ten aanzien van de noodzakelijkheid van het
al dan niet aanblijven van (een deel van) het leidinggevend orgaan en het hoger management.
Binnen DNB worden besluiten rondom afwikkeling voorgelegd aan de directie van DNB.
De Artikelen 12b en 12c Bankwet 1998 geven invulling aan de besluitvorming omtrent
afwikkeling op het niveau van de directie van DNB. Hierbij is het zo dat de directeur
belast met de uitvoering van de afwikkelingstaak evenveel stemmen als de andere directieleden
tezamen heeft bij besluiten die zien op afwikkeling, en bij eventuele staking van
de stemming de doorslag kan geven.
De leden van de VVD-fractie lezen daarnaast: «Art. 3A:49, zesde lid, onderdeel b,
Wft bepaalt dat de (aangebleven) bestuurders en commissarissen hoofdelijk aansprakelijk
zijn tegenover de entiteit in afwikkeling als zij in strijd handelen met het besluit
tot het aanstellen van de bijzonder bestuurder of de besluiten van de bijzonder bestuurder
die daarmee verband houden en uit dat handelen schade voortkomt, tenzij het verrichten
van de betreffende handeling niet aan de (achterblijvende) bestuurder of commissaris
is te wijten en deze bestuurder of commissaris niet nalatig is geweest in het treffen
van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden.» Graag vernemen deze leden wat
de consequentie is van deze hoofdelijke aansprakelijkheid. Is dat een boete?
De hoofdelijke aansprakelijkheid betreft geen boete. Dit houdt civielrechtelijke aansprakelijkheid
in, waarbij degenen op wie de hoofdelijkheid rust tegenover degene die de schade heeft
geleden allemaal aansprakelijk zijn voor de vergoeding van deze schade (artikel 6:7,
eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Er is dan sprake van een gezamenlijke
schuld van de hoofdelijke schuldenaren waarvoor ieder van de bestuurders afzonderlijk
aansprakelijk is. Binnen het vennootschapsrecht geldt dergelijke hoofdelijke aansprakelijkheid
van individuele bestuurders in geval van onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur
(artikel 2:9 BW). Het handelen van het bestuur en Raad van Commissarissen in strijd
met het besluit tot aanstelling kan als zodanig worden beschouwd. Zoals toegelicht
bij de beantwoording van consultatiereacties van De Brauw en de Jonge Insolventierecht
Advocaten in de memorie van toelichting zouden bestuurders of commissarissen zich
echter kunnen disculperen als zij aantonen dat het verrichten van het schadeveroorzakende
handelen niet aan de betreffende bestuurder of commissaris te wijten was en deze niet
nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden.
Ten overvloede wordt erop gewezen dat met deze wijziging geen inhoudelijke wijziging
wordt beoogd ten aanzien van de regeling die was neergelegd in artikel 1:76 Wft en
waar artikel 3A:49 Wft voorheen naar terugverwees. De wijziging beoogt de relevante
bepalingen met betrekking tot de positie van de bijzonder bestuurder in 1 artikel
onder te brengen zonder kruisverwijzingen naar eerdere artikelen.
De Minister van Financiën,
E. Heinen
Ondertekenaars
E. Heinen, minister van Financiën
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.