Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Dassen over het NOS-artikel 'Brandbrief media: techgiganten bedreigen democratie in Nederland'
Vragen van het lid Dassen (Volt) aan de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over het NOS-artikel «Brandbrief media: techgiganten bedreigen democratie in Nederland» (ingezonden 26 november 2025).
Antwoord van Minister Moes (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap), mede namens de Staatssecretaris
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (ontvangen 23 januari 2026). Zie ook
Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 645.
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht dat Nederlandse nieuwsmedia alarm slaan over de invloed
van grote internationale techbedrijven?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Hoe duidt u de in de brandbrief geschetste risico’s voor de democratische rechtsorde,
de kwaliteit van de publieke informatievoorziening en de positie van onafhankelijke
journalistiek?
Antwoord 2
De zorgen worden door het kabinet geadresseerd in de beleidsreactie op het WRR-rapport
Aandacht voor Media.2 De aanbevelingen worden momenteel nader uitgewerkt in samenwerking met andere departementen
en sectorpartijen.
Zo is het voor het kabinet cruciaal om in te blijven zetten op het daadkrachtig uitvoeren
en handhaven van (bestaande) Europese wet- en regelgeving (zie het antwoord op vraag
9). Ook maakt het kabinet zich hard voor het weerbaar maken van de gebruiker tegen
de gevolgen van desinformatie, bijvoorbeeld door het blijvend investeren in mediawijsheid.
Daarnaast werkt het kabinet aan een sterkere journalistieke functie van de publieke
omroepen, zowel door het versterken en professionaliseren van de lokale publieke omroepen,
als door het hervormen van de landelijke publieke omroep. De Kamer is over de laatste
stand van zaken geïnformeerd bij de Mediabegrotingsbrief.3
Vraag 3
Hoe beoordeelt u de in de brandbrief genoemde problematiek van scraping en hergebruik van journalistieke content door aanbieders van kunstmatige intelligentie
(AI)?
Antwoord 3
Artikel 15o van de Auteurswet bevat een op artikel 4 van de Europese richtlijn auteursrecht
in de digitale eengemaakte markt gebaseerde uitzondering op het auteursrecht op grond
waarvan het trainen van generatieve artificiële intelligentie met werken van letterkunde,
wetenschap of kunst uit een legale bron voor niet-wetenschappelijke doeleinden is
toegestaan. Voor het maken van de daarvoor benodigde kopieën van werken is dus geen
voorafgaande toestemming van makers of hun rechtverkrijgenden vereist. Dit is anders
als de rechthebbenden op uitdrukkelijke en passende wijze een voorbehoud hebben gemaakt
dat hun werken niet mogen worden gekopieerd om generatieve artificiële intelligentie
te trainen. In de brandbrief wordt aandacht gevraagd voor het probleem van illegale
«scraping». Daarvan is sprake als de werken niet uit een legale bron, maar uit een
illegale bron van het internet worden gekopieerd. Daarvan is ook sprake als door rechthebbenden
gemaakte voorbehouden dat hun werken en andere materialen niet mogen worden gebruikt
om generatieve artificiële intelligentie te trainen, niet worden gerespecteerd.
Op grond van artikel 53 van de AI-verordening zullen de ontwikkelaars van generatieve
artificiële intelligentie een voldoende gedetailleerde samenvatting moeten maken van
de werken waarmee hun algoritme is getraind. Geheel in lijn met de AI-verordening
heeft de Europese Commissie daarvoor inmiddels ook een sjabloon ontwikkeld. De transparantie
die daarvan het gevolg zal zijn, moet rechthebbenden beter in staat stellen te controleren
of de voorwaarden die aan de inroepbaarheid van voornoemde uitzondering op het auteursrecht
correct zijn nageleefd. In de brief wordt daarom terecht gepleit voor een snelle en
strikte uitvoering van de AI-verordening zodat de mediasector kan optreden tegen illegale
«scraping».
Vraag 4
Welke stappen worden gezet om het auteursrecht en eerlijke vergoedingsmechanismen
te waarborgen? Bent u bijvoorbeeld voornemens wetgeving te introduceren ten aanzien
van auteursrecht en AI?
Antwoord 4
Als makers of hun rechtverkrijgenden voorbehouden hebben gemaakt dat hun werken niet
mogen worden gebruikt om generatieve artificiële intelligentie te trainen, is voor
het gebruik van die werken voorafgaande toestemming van de rechthebbenden vereist.
Aan het verlenen van toestemming kunnen voorwaarden worden verbonden, zoals het betalen
van een vergoeding. De Europese richtlijn auteursrecht in de digitale eengemaakte
markt, waarop die regeling is gebaseerd, wordt in 2026 door de Europese Unie geëvalueerd.
Uit het antwoord op de vorige vraag kan worden afgeleid dat er al wetgeving bestaat
op het gebied van het auteursrecht en artificiële intelligentie. Die wetgeving is
gebaseerd op Europese regelgeving. Het beleidsvoortouw is daarmee ook verschoven naar
de Europese Unie. Het demissionaire kabinet is niet voornemens om op zuiver nationale
leest geschoeide wetgeving te introduceren op de doorsnede van het auteursrecht en
artificiële intelligentie (los van de vraag of daarvoor nog ruimte bestaat).
Vraag 5
In hoeverre deelt u de zorgen van mediabedrijven dat grote techplatforms, mede door
de inzet van AI-functionaliteiten, de zichtbaarheid, vindbaarheid en inkomstenbasis
van Nederlandse nieuwsmedia verder onder druk zetten?
Antwoord 5
Media-aanbod moet zo makkelijk mogelijk vindbaar en zichtbaar zijn. Daarmee bereikt
deze inhoud de Nederlanders en kunnen mediabedrijven inkomsten genereren. Het kabinet,
onder aanvoerderschap van de Minister van OCW, is bezig met het nader verkennen van
prominentiebeleid, op grond van de AVMD-richtlijn. Een eventuele aankomende herziening
van de richtlijn kan de reikwijdte van het prominentiebeleid mogelijk uitbreiden naar
videoplatformdiensten, het kabinet zal daarin een positieve grondhouding aannemen.
Vraag 6
Deelt u de zorgen over strategische afhankelijkheden van een beperkt aantal buitenlandse
technologieaanbieders voor de Nederlandse informatievoorziening? Welke beleidsopties
worden overwogen om deze afhankelijkheden te verkleinen?
Antwoord 6
In algemene zin herkent het kabinet de zorgen ten aanzien van de platformisering en
de afhankelijkheden. Het kabinet heeft hier in de beleidsreactie op het WRR-rapport
Aandacht voor Media ook aandacht voor.
Het kabinet zoekt samen met de sector naar manieren om de afhankelijkheden te verkleinen.
Prominentiebeleid zou zo’n middel kunnen zijn. Hiervoor kijkt het kabinet ook naar
best practices uit andere Europese landen. Daar waar mogelijk zal het kabinet het gesprek over het
verkleinen van de afhankelijkheden faciliteren.
Vraag 7
Bent u van mening dat de Nationale Digitaliseringsstrategie in voldoende mate bijdraagt
aan de bescherming van de doelen genoemd in de brandbrief?
Antwoord 7
De Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS), onder coördinatie van BZK, richt zich
primair op de digitale overheid met als doel om de digitale basis van de overheid
– en daarmee ons land – te versterken. De kracht van de NDS is om als rijksoverheid
samen op te trekken met provincies, gemeenten, waterschappen en publieke dienstverleners.
De NDS versterkt o.a. de transparantie, veiligheid en democratische controle van algoritmes
die gebruikt worden door de overheid, Onderdeel van de NDS is het samenwerken aan
de implementatie van digitale wetgeving en het wegnemen van juridische knelpunten.
De NDS richt zich echter niet op specifieke sectoren, zoals de mediasector.
Vraag 8
Hoe beoordeelt u het idee om te komen tot één coördinerend bewindspersoon voor zowel
media- als technologiebeleid? Ziet u aanleiding om de huidige bestuurlijke inrichting
op dit terrein te heroverwegen?
Antwoord 8
Het wijzigen van de departementale indeling is een politiek besluit dat aan de formatietafel
wordt genomen. De secretarissen-generaal hebben zich er in hun brief aan de informateur
wel over uitgelaten.4
Vraag 9
Wat is de stand van zaken van de implementatie van relevante Europese regelgeving,
zoals de Verordening digitale markten en de Verordening artificiële intelligentie,
voor zover deze betrekking heeft op de machtspositie van grote technologiebedrijven
en de positie van mediabedrijven?
Antwoord 9
Diverse uitvoeringswetten in het digitale acquis zijn reeds gepubliceerd in het Staatsblad
en in werking getreden. Het gaat bijvoorbeeld om de uitvoeringswetten van de platform-to-business
verordening, data governance verordening, digitale diensten verordening, digitale
markten verordening en dataverordening. De uitvoeringswet voor de Verordening Artificiële
Intelligentie is momenteel in voorbereiding. Deze zal naar verwachting in het eerste
kwartaal van 2026 in internetconsultatie gaan. Parallel daaraan zullen de diverse
(vereiste) toetsen worden uitgevoerd. Na verwerking van alle resultaten van consultaties
en toetsen, zal deze uitvoeringswet naar de Raad van State gaan voor advies en na
verwerking daarvan naar het parlement.
Vraag 10
Bent u bereid periodiek aan de Kamer te rapporteren over de staat van de Nederlandse
informatievoorziening in relatie tot de rol van grote technologiebedrijven en de effecten
van AI op mediapluriformiteit?
Antwoord 10
Het Commissariaat voor de Media betrekt deze aspecten reeds in de jaarlijkse Mediamonitor en het Digital News Report.5 Deze informatie is beschikbaar via de website van het Commissariaat en is laagdrempelig
toegankelijk. Deze rapporten worden veelvuldig aangehaald in Kamerbrieven en vormen
daarmee een belangrijke informatiebron om beleid op te baseren.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
G. Moes, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Mede namens
E. van Marum, staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.