Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Synhaeve en Huizenga over de zorgwekkende toename van kinderobesitas
Vragen van de leden Synhaeve en Huizenga (beiden D66) aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over zorgwekkende toename van kinderobesitas (ingezonden 10 december 2025).
Antwoord van Staatssecretaris Tielen (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen
21 januari 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 736.
Vraag 1
Bent u bekend met het artikel uit het AD «Jong kind met ernstig overgewicht «wordt gemiddeld maar 39 jaar oud»: artsen slaan
alarm om groeiende groep» van 9 december?1 En bent u bekend met het Panteia-rapport «Monitor Kindermarketing»2, waarin wordt gesteld dat kinderen nog steeds veelvuldig worden blootgesteld aan
marketing voor ongezond eten?
Antwoord 1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Vraag 2
Herkent u de signalen van kinderartsen over de alarmerende stijging van overgewicht
en (ernstige) obesitas bij kinderen (0–18 jaar)? Erkent u de ernstige gezondheidsrisico’s
hiervan, zoals leververvetting en diabetes type 2?
Antwoord 2
Overgewicht en obesitas bij kinderen kennen inderdaad grote gezondheidsrisico’s, zoals
de kinderartsen benoemen en uit onderzoek blijkt.3
De CBS-cijfers over de afgelopen vijf jaar (2020–2024) laten zien dat, voor zowel
de groep kinderen van 4 tot en met 11 jaar als voor de groep van 12 tot en met 17
jaar, de prevalentie van overgewicht (BMI ≥ 25) en obesitas (BMI ≥ 30) niet significant
gestegen is.4
Over een langere periode (tussen 1990 en 2024) is het percentage kinderen en jongeren
met overgewicht significant gestegen. Het percentage kinderen en jongeren met obesitas
is over die periode niet significant veranderd.
De cijfers tonen nog steeds een te hoog voorkomen van overgewicht, maar de stijging
lijkt de laatste jaren minder ernstig dan voorzien.
Vraag 3
Hoe kijkt u naar de observatie dat de omgeving kinderen zo ziek maakt dat er de afgelopen
vier jaar vijf keer zo vaak is ingegrepen met gewichtsverminderende of eetlustremmende
medicatie?
Antwoord 3
Bij de behandeling van overgewicht en obesitas is het van belang om eerst de onderliggende
oorzaken van het overgewicht in kaart te brengen. Op basis daarvan bepalen artsen
samen met het kind en de ouders welke vorm van ondersteuning en interventie het meest
passend is. Dit gebeurt vanuit een ketenaanpak voor kinderen met overgewicht en obesitas
met aanbod uit zowel het medisch als sociaal domein. In de behandelrichtlijnen staat
dat (tijdelijke) inzet van medicatie bij kinderen kan worden overwogen, in aanvulling
op een Gecombineerde Leefstijl Interventie (GLI). Medicatie is echter nooit de enige
noch eerste oplossing.
De observatie van kinderartsen ten aanzien van de «omgeving» is reden tot zorg en
tot een breed beeld op alle onderliggende factoren met betrekking tot o.a. voeding
en bewegen. Het RIVM heeft hieromtrent een overzicht van determinanten die samenhangen
met ongezonde voeding en bewegen.5
Vraag 4
Hoe kijkt u naar de cijfers uit het persbericht dat van de € 1,6 miljard die voedselbedrijven
jaarlijks besteden aan reclame in totaal 80% gaat naar reclame voor ongezonde producten?
Deelt u de zorg dat kindermarketing voor ongezond voedsel toeneemt, zowel in de online
als de fysieke omgeving van kinderen?
Antwoord 4
Deze cijfers zijn ook vermeld in de Monitor Marketing voor Voedingsproducten.6 Bij het aanbieden van deze monitor aan uw Kamer was reeds aangegeven dat het gerapporteerde
bedrag van € 1,6 miljard door deskundigen als zeer plausibel werd beoordeeld.7 Daarmee ga ik ervan uit dat de bedragen een redelijk betrouwbaar beeld geven van
de werkelijke marketingbestedingen.
In de Monitor Kindermarketing van Voedingsproducten 2024 blijkt dat op onderdelen
de kindermarketing van ongezonde voedingsproducten toeneemt.8 De uitkomsten van de monitor bevestigen dat het van belang is om wettelijke beperkingen
in te voeren tegen marketing van ongezonde voeding gericht op kinderen.
Vraag 5 en 10
Wat is uw reactie op het signaal dat kinderartsen in grote steden (Amsterdam, Rotterdam
en Den Bosch) een forse toename van patiënten en een verdubbeling van de wachtlijsten
zien? Deelt u de zorg dat de zorgcapaciteit voor deze kwetsbare groep onder druk staat?
Hoe gaat u gehoor geven aan de dringende oproep van de Nederlandse Vereniging voor
Kindergeneeskunde (NVK) tot een «stevig preventiebeleid»? Welke concrete maatregelen
neemt u om de omgeving van het kind gezonder te maken?
Antwoord 5 en 10
Ik neem deze signalen serieus. Als kinderen op jonge leeftijd al obesitas of diabetes
mellitus type 2 hebben, hebben ze ook meer gezondheidsrisico’s op latere leeftijd.
Daarom is er een breed preventiebeleid met een pakket aan maatregelen, waarmee ingezet
wordt op het voorkomen en tegengaan van overgewicht en het stimuleren van bijvoorbeeld
gezonde (voedsel)keuzes. Dit doe ik – samen met verschillende partijen – vanuit de
samenhangende preventiestrategie, waarin ik mij richt op de verschillende leefomgevingen
van kinderen en jongeren om daar de gezonde keuze de vanzelfsprekende keuze te maken.
Daarnaast zetten we vanuit het Integraal Zorgakkoord (IZA) al enige jaren in op preventie
en op de samenwerking tussen het zorgdomein en het sociaal domein. Deze «beweging
naar de voorkant» is verder uitgewerkt in het Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA),
en vanuit het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA) versterken we deze beweging.
Hiermee kunnen we onze inzet op de ketenaanpak voor kinderen met overgewicht en obesitas
de komende jaren intensiveren. Op deze manier investeren we in een langdurig systeem
waarin altijd eerst gekeken wordt naar onderliggende oorzaken, voorkomen we onnodige
medicalisering (en bijkomende kosten) en helpen we kinderen en gezinnen door in te
zetten op een duurzame behandeling.
Vraag 6
Hoe geeft u invulling aan de zorgplicht van de overheid om de kindergezondheid te
beschermen? Welke stappen zet u om actiever in te grijpen via wetgeving, bijvoorbeeld
door gezonde voeding relatief goedkoper te maken of kindermarketing voor ongezonde
voeding en dranken te verbieden?
Antwoord 6
De overheid heeft een wettelijke taak te handelen in het belang van het kind en hun
gezondheid te beschermen.9 Daarom werk ik aan een wetsvoorstel voor het stellen van regels ten aanzien van kindermarketing
voor ongezonde voedingsmiddelen. Daarnaast heeft mijn ambtsvoorganger op basis van
de aanbevelingen van Berenschot10 het voornemen uitgesproken om via een wetsvoorstel ruimte te creëren voor het nemen
van maatregelen met betrekking tot het voedselaanbod in omgevingen waar veel kinderen
en jongeren komen, zoals rondom scholen. De aard en reikwijdte van een dergelijk voorstel
worden op dit moment verkend.
Ik vind het belangrijk om op te merken dat beide maatregelen niet op zichzelf staan
maar passen binnen een breed pakket aan maatregelen om overgewicht terug te dringen.
Daaronder valt ook de productverbetering (minder zout, suiker en vet in producten)
en belastingmaatregelen zoals een gedifferentieerde verbruiksbelasting van alcoholvrije
dranken, evenals de inzet van preventieprogramma’s als Gezonde School en Gezonde Kinderopvang
en de inzet van passende zorg en ondersteuning.
Er is geen wetgeving in de maak om gezonde voeding relatief goedkoper te maken. Wel
is er door SEO onderzoek gedaan naar het afschaffen van de BTW op groente en fruit.11 De conclusie van dat onderzoek is dat bij een dergelijke maatregel ernstige twijfel
bestaat over de juridische houdbaarheid en uitvoerbaarheid. Ook zouden de gezondheidseffecten
beperkt zijn en zou de maatregel vooral voordelig uitpakken voor hogere inkomensgroepen.
Het aanpassen van het BTW-tarief lijkt dus geen geschikt instrument om gezonde voeding
voor iedereen toegankelijker te maken. Ook worden gesprekken gevoerd met de voedingsindustrie
en supermarkten om naast of vooruitlopend op wetgeving afspraken te maken met betrekking
tot verkoop, aanbod en reclame.
Vraag 7
Bent u bereid het advies in het Panteia-rapport over te nemen om de definitie van
marketing «gericht op kinderen» in de regelgeving te verbreden? Erkent u dat de huidige
definitie te veel ontsnappingsmogelijkheden biedt, waardoor kinderen in de praktijk
alsnog worden blootgesteld aan marketing voor ongezonde voeding?
Antwoord 7
In het Panteia-rapport wordt geadviseerd om voor een betere definitie van «kindgericht»
te zorgen.12 Bij wetgeving is het van belang dat de juridische afbakening duidelijk en uitvoerbaar
is. Daarom richt het nu voorbereide wetsvoorstel zich op marketingtechnieken die veelvuldig
gebruikt worden bij kinderen of waar kinderen met name gevoelig voor zijn. Er worden
enkele marketingtechnieken verboden, gelet op het effect van deze technieken op kinderen,
ongeacht of in een specifiek geval daadwerkelijk sprake is van marketing die zich
tot kinderen richt. Zodoende wordt voorkomen dat per geval discussie kan ontstaan
of sprake is van marketing gericht op kinderen.
Vraag 8
Vindt u het niet onwenselijk dat de invoering van een wettelijk verbod op kindermarketing
voor ongezonde voeding keer op keer vertraging oploopt? Zo ja, kunt u aangeven wanneer
het wetsvoorstel naar de Kamer wordt gestuurd?
Antwoord 8
Bij een wetgevingstraject is het van essentieel belang dat processen zorgvuldig worden
doorlopen opdat wetgeving zelf zorgvuldig is, effectief, uitvoerbaar en handhaafbaar.
Hiertoe zijn toetsen en consultaties van belang.
Mijn inzet is om het concept-wetsvoorstel op korte termijn klaar te maken voor de
internetconsultatie. Andere stappen in het proces bestaan uit o.a. toezicht- en handhaafbaarheidstoetsen,
een regeldruktoets, notificatie bij de Europese Commissie en advisering door de Raad
van State. Daarna wordt het wetsvoorstel behandeld in achtereenvolgens de Tweede Kamer
en Eerste Kamer.
Vraag 9
Welke inzet pleegt u om tot Europese afspraken te komen gericht op het verbieden van
kindermarketing voor ongezonde voeding en dranken, zowel in de online als de fysieke
omgeving van kinderen?
Antwoord 9
Wij volgen de Europese ontwikkelingen nauwlettend. Daarnaast nemen we via de Wereldgezondheidsorganisatie
en UNICEF ook deel aan bijeenkomsten en gesprekken over dit thema.
Vraag 11
Deelt u de mening dat naast gezond eten ook sporten en bewegen belangrijk is om overgewicht
te voorkomen en fysiek en mentaal sterker te worden? Welke aanvullende maatregelen
op het gebied van sporten en bewegen liggen voor naar aanleiding van deze zorgwekkende
berichtgeving?
Antwoord 11
Ja, bewegen en sport maken onderdeel uit van de aanpak van overgewicht. Kinderen en
jongeren die nu actief zijn, hebben de rest van hun leven baat bij de positieve fysieke,
mentale en sociale effecten van bewegen en sport. Ik vind het van belang dat kinderen
in aanraking komen met goed en divers aanbod, waarbij het uitproberen van verschillende
sport- en beweegvormen (sterk) aangemoedigd wordt. In de Kamerbrief «Toekomstig sportbeleid»
van december 202513 schets ik mijn ambitie en aanpak om de jeugd meer te laten sporten en bewegen. Deze
inzet is georganiseerd langs drie pijlers:
1. De kwaliteit van het sport- en beweegaanbod: jeugdsport en talentontwikkeling.
2. De ondersteuning van sport- en beweegaanbieders: strategie sportverenigingen.
3. De randvoorwaarden om te kunnen sporten en bewegen: een toekomstbestendige infrastructuur
en ruimte voor sport en bewegen.
Ook zijn bewegen en sport belangrijke onderdelen van de eerdergenoemde samenhangende
preventiestrategie. Zo zorgen we ervoor dat schoolbestuurders meer kennis krijgen
over hoe zij leerlingen tijdens en na de schooldag kunnen activeren. Verder investeren
we ook in gezonde schoolpleinen: met een extra impuls in 2025 voor de subsidie «Gezonde
Schoolpleinen» kunnen 100 beweegvriendelijke schoolpleinen gerealiseerd worden. Deze
pleinen nodigen uit tot buiten spelen en bewegen in een natuurlijke omgeving.
Tot slot stimuleer ik gemeenten om, via de inzet van een functionaris onder de Brede
Regeling Combinatiefuncties (zoals een buurtsportcoach of beweegcoach), specifiek
aandacht te besteden aan groepen die achterblijven met bewegen.
Vraag 12
Kunt u deze vragen voorafgaand aan een eerstvolgende debat kinderobesitas dan wel
het WGO Jeugd beantwoorden?
Antwoord 12
Ja.
Ondertekenaars
J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.