Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Ceder en Diederik van Dijk over het beëindigen van een kerkdienst en de arrestatie van voorganger Tom de Wal in Tilburg
Vragen van de leden Ceder (ChristenUnie) en Diederik van Dijk (SGP) aan de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie en Veiligheid over het beëindigen van een kerkdienst en de arrestatie van voorganger Tom de Wal in Tilburg (ingezonden 14 januari 2026).
Antwoord van Minister Rijkaart (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), mede namens
de Minister van Justitie en Veiligheid (ontvangen 21 januari 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met de beelden en berichtgeving over het beëindigen van een kerkdienst
en de arrestatie van voorganger Tom de Wal in Tilburg?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Kunt u uiteenzetten op basis van welke wettelijke bevoegdheden het voor lokale autoriteiten
mogelijk is om lopende kerkdiensten te beëindigen en de voorganger te arresteren?
Kunt u toelichten of deze wettelijke bevoegdheden afgelopen vrijdag, 9 januari 2026,
juist zijn toegepast?
Antwoord 2
Het is aan de bevoegde autoriteiten, in het bijzonder de burgemeester, en niet aan
mij als Minister om te beoordelen wanneer zij hun bevoegdheden correct kunnen toepassen.
De burgemeester legt voor zijn handelen verantwoording af aan de gemeenteraad. Het
college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg geeft in zijn raadsbrief2 van 13 januari 2026 aan dat op grond van de evenementenregeling in de Algemene Plaatselijke
Verordening (APV) Tilburg is gehandeld. Op grond van de APV is aan de organisator
medegedeeld dat er volgens het oordeel van de burgemeester sprake is van een onvergund
evenement, en dat deze daarom op grond van de APV niet is toegestaan.
Hierna richt ik mij in de antwoorden op de gestelde vragen op de uitleg van de relevante
wet- en regelgeving als zodanig en zal ik niet ingaan op de casuïstiek in de gemeente
Tilburg.
Op grond van artikel 12 van de Algemene wet op het binnentreden mag de politie tijdens
godsdienstoefeningen of levensbeschouwelijke samenkomsten slechts bij een ontdekking
op heterdaad of na toestemming een ruimte bestemd voor dergelijke bijeenkomsten binnentreden.
Voor de toepasselijkheid van deze norm is het dus van belang dat de eredienst bezig
is en dat de ruimte bestemd is godsdienstoefeningen of levensbeschouwelijke samenkomsten.
Binnen een gebouw of besloten ruimte kan het belijden van een godsdienst op grond
van artikel 6, eerste lid, Grondwet alleen in specifieke gevallen worden beperkt,
die in een wet in formele zin worden bepaald. Denk daarbij aan bepalingen in het Wetboek
van Strafrecht, die op grond van de hiervoor genoemde Algemene wet op het binnentreden
in uiterste gevallen ook tijdens een godsdienstoefening kunnen worden gehandhaafd.
Ook moeten kerken zich houden aan bepaalde algemene regels niet specifiek gericht
zijn op het beperken van de vrijheid van godsdienst, zoals brandveiligheidsnormen
of regels uit het omgevingsplan, ook als die in lagere regelgeving zijn vastgelegd.
De Wet openbare manifestaties (Wom) geeft het lokale bestuur in lijn met artikel 6,
tweede lid, Grondwet, bevoegdheden om religieuze manifestaties en betogingen buiten
gebouwen of besloten plaatsen te reguleren, op een wijze die in overeenstemming is
met de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en de vrijheid van vereniging
en vergadering. Van belang is dat de inhoudelijke (religieuze) boodschap van een manifestatie
nooit reden kan zijn om over te gaan tot regulering (enkel ter bescherming van de
gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden).
In het uiterste geval kan een eredienst buiten een gebouw of besloten ruimte worden
beëindigd, indien een van bovengenoemde gronden daar aanleiding toe geeft.
Vraag 3
Deelt u de opvatting dat er sprake was van een kerkdienst, in plaats van van een evenement,
die niet als vergunningsplichtig kan worden aangemerkt onder het evenementenbeleid
van gemeenten? Zo nee, op welke wettelijke basis baseert u dat oordeel? Hoe wordt
voorkomen dat via het evenementenbeleid de grondwettelijke vrijheid van godsdienst
wordt uitgehold?
Antwoord 3
Het is aan een gemeente en niet aan mij als Minister om in een concreet geval te bepalen,
in overeenstemming met toepasselijke regelgeving, of een bijeenkomst binnen een gebouw
als te vergunnen evenement moet worden beschouwd of het karakter heeft van een eredienst.
Daarbij geldt in algemene zin het uitgangspunt dat de overheid zich terughoudend opstelt
ten aanzien van het oordeel dat een bepaalde situatie geen bescherming geniet onder
de vrijheid van godsdienst. Verder geldt dat een reguliere kerkdienst in een gebouw
of besloten ruimte niet geldt als evenement in de zin van een vergunningenstelsel
uit een gemeenteverordening. Dergelijke beperkingen van de vrijheid van godsdienst
en levensovertuiging kunnen op grond van de Grondwet immers slechts bij wet in formele
zin worden gesteld.
Vraag 4
Hoe beoordeelt u de besluitvorming van de gemeente en de politie in het licht van
de scheiding van kerk en staat en de grondwettelijke vrijheden van godsdienst, meningsuiting
en vergadering? Hoe beoordeelt u de uitspraak van de gemeente dat de grondwettelijke
vrijheid van godsdienst niet meegenomen is in de afweging?3
Antwoord 4
Het is aan de bevoegde organen van een gemeente om te beoordelen of een specifieke
bijeenkomst in een gemeente bescherming geniet onder een van de genoemde grondwettelijk
vrijheidsrechten. Burgemeester en wethouders leggen over de omgang met deze belangrijke
grondrechten verantwoording af aan de gemeenteraad.
Als daar aanleiding toe is, zijn de bevoegde organen van een gemeente bij de beoordeling
van de aard van een bijeenkomst gehouden rekening te houden met mogelijke gelding
van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en de vrijheid van vergadering
en betoging. Het principe van de scheiding van kerk en staat en de vrijheid van meningsuiting
brengen met zich mee dat de (religieuze) boodschap die bij een bijeenkomst wordt uitgedragen
op zich geen reden mag zijn om een bijeenkomst te normeren.
Vraag 5
Bent u het eens met diverse rechtsgeleerden die zeer kritisch zijn op de gang van
zaken en deze «miskleun» een «unicum in de Nederlandse geschiedenis» noemen?4 Zo nee, waarom niet?
Antwoord 5
In Nederland is het recht om de godsdienst of levensovertuiging gezamenlijk te belijden
een groot goed. Dit grondrecht om te kunnen leven volgens de diepste overtuigingen
is een fundamentele pijler van de democratische rechtsstaat en wordt gewaarborgd door
de Grondwet en mensenrechtenverdragen. Gelovigen kunnen erop vertrouwen dat dit recht
wordt beschermd en dat zij hierbij kunnen rekenen op de overheid. Mocht in een concrete
situatie sprake blijken van een handelwijze door de overheid die op gespannen voet
staat met de vrijheid van godsdienst, dan zijn er verschillende manieren om dit te
adresseren of te repareren. Denk hierbij aan het stelsel van checks and balances in de lokale democratie en aan de toegang tot een onafhankelijke rechter die het
openbaar bestuur kan corrigeren.
Vraag 6
Deelt u de opvatting dat de overheid bij religieuze bijeenkomsten een bijzondere terughoudendheid
dient te betrachten en dat ingrijpen slechts gerechtvaardigd is indien dit noodzakelijk,
proportioneel en subsidiair is? Was ingrijpen in deze situatie gerechtvaardigd conform
vaste rechtsopvattingen dat binnentreding slechts bij hoge uitzondering is toegestaan?
In hoeverre was er een risico voor de handhaving van de openbare orde waardoor eventuele
stillegging van de bijeenkomst gerechtvaardigd zou kunnen zijn?
Antwoord 6
Ja, wanneer een bijeenkomst onder de bescherming van de vrijheid van godsdienst valt,
moet de overheid bijzonder terughoudend optreden. Onder andere betekent deze terughoudendheid
dat ingrijpen slechts gerechtvaardigd is indien dit noodzakelijk en evenredig is en
er geen minder verstrekkende alternatieven zijn. Het voorkomen van wanordelijkheden
kan in bepaalde gevallen een reden zijn voor een burgemeester om in te grijpen bij
een godsdienstige bijeenkomst in de openbare ruimte. Bij bijeenkomsten binnen gebouwen
geldt een nog hogere drempel voor binnentreden en eventuele interventie, zoals ik
hierboven heb aangegeven. Of deze bevoegdheid in een specifieke lokale context juist
is toegepast, en of bijvoorbeeld een juiste risico-inschatting is gemaakt, is niet
aan mij om te beoordelen.
Vraag 7
Welke richtlijnen en instructies gelden er momenteel voor politie en lokale overheden
bij handhaving rond religieuze bijeenkomsten en acht u deze richtlijnen voldoende
duidelijk om dit soort situaties te voorkomen?
Antwoord 7
Het is niet aan mij als Minister om me uit te spreken over hoe lokale overheden gemeentelijke
normen handhaven. Het eventueel opstellen van richtlijnen en instructies daarbij is
een kwestie van lokale autonomie. De gemeenteraad en in het uiterste geval de rechter
controleren en beoordelen of deze bevoegdheden juist zijn toegepast.
Vraag 8, 9 en 10
Hoe beoordeelt u het standpunt van de gemeente Tilburg dat het gebruik van een pand
voor religieuze bijeenkomsten mogelijk in strijd zou zijn met het bestemmingsplan
en deelt u de opvatting dat het juridisch vergezocht is om op die grond een kerkdienst
te beëindigen?
Hoe beoordeelt u het voornemen van de gemeente Tilburg om te onderzoeken welke panden
en locaties zonder vergunning worden gebruikt voor religieuze bijeenkomsten en de
handhaving hierop te intensiveren? Ziet u hierin het risico dat een precedent wordt
geschapen voor verdere inperking van religieuze vrijheden?
Bent u het ermee eens dat de interpretatie dat maatschappelijke of onderwijsbestemmingen
religieuze bijeenkomsten uitsluiten onjuist is, zeker gezien het feit dat veel kerken
in Nederland samenkomen in dergelijke gebouwen?
Antwoord 8, 9 en 10
Het opstellen en handhaven van een omgevingsplan is aan het gemeentebestuur. Wat precies
mogelijk is onder een bestemming of functie in het omgevingsplan, is afhankelijk van
de gebruiksregels die in een specifiek omgevingsplan aan de functie zijn gekoppeld.
Functies in een omgevingsplan worden gesteld met het oog op een evenwichtige toedeling
van functies aan locaties. Wat binnen een functie wel of niet mogelijk is moet gemotiveerd
zijn door de evenwichtige functietoedeling aan locaties. Dat betekent dat wordt gekeken
naar de gevolgen voor de fysieke leefomgeving van een bepaald gebruik, zoals de toestroom
van bezoekers en de geluidsproductie. Enkel het religieuze karakter van een activiteit
kan geen reden zijn dat deze niet past binnen een bepaalde functie. Het kan wel zo
zijn dat een bepaalde functie het houden van bijeenkomsten zoals een eredienst uitsluit,
maar ook andere gebruiken met vergelijkbare gevolgen. In het algemeen geldt verder
dat met een beroep op de godsdienstvrijheid niet zomaar aanspraak kan worden gemaakt
op vrijstelling van een omgevingsplan.
Vraag 11 en 12
Hoe voorkomt u dat religieus analfabetisme bij lokale overheden leidt tot onbegrip,
escalatie en onrechtmatige inperking van grondwettelijke vrijheden? Ziet u aanleiding
om de handreiking die door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
en de Vereniging Nederlandse Gemeenten is opgesteld opnieuw onder de aandacht te brengen
bij gemeenten en bestuurders om religiestress te voorkomen en adequaat optreden van
gemeenten te realiseren?5
Welke stappen bent u bereid te zetten om de ontstane onrust onder kerken en gelovigen
weg te nemen en te waarborgen dat kerkdiensten en andere religieuze bijeenkomsten
niet onnodig of lichtvaardig worden beperkt door het lokaal bestuur of politieoptreden?
Antwoord 11 en 12
Zonder een oordeel te vellen over deze kwestie, kan ik vaststellen dat zich in Nederland
nauwelijks situaties voordoen waarbij een dienst wordt beperkt door het lokale bestuur
of politieoptreden. Zoals ik hierboven heb aangegeven is het normenkader ten aanzien
van de vrijheid van godsdienst van hoog niveau, en zijn er voldoende correctiemogelijkheden,
mocht dit in uitzonderlijke gevallen niet juist worden toegepast. Ik zie dan ook op
dit moment geen reden om, als verantwoordelijke Minister voor het stelsel van grondrechten
in de Grondwet, stappen te ondernemen. De vrijheid van godsdienst is goed gewaarborgd.
Wel kan ik wijzen op de – ook door de Kamerleden aangehaalde – handreiking Tweeluik religie en publiek domein, dat in 2019 is gepubliceerd door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG). De handreiking is onder andere beschikbaar
op de website van de VNG. In 2023 heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer door middel
van een brief uitgelegd hoe deze handreiking blijvend onder de aandacht wordt gebracht
van de gemeentebesturen.6
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
F. Rijkaart, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties -
Mede namens
F. van Oosten, minister van Justitie en Veiligheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.