Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over de stand van zaken onderzoek naar de opvattingen van jongeren over lhbtiq+ personen (Kamerstuk 30420-419)
30 420 Emancipatiebeleid
Nr. 438 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 21 januari 2026
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft een aantal vragen en
opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
over de brief van 16 juni 2025 over de stand van zaken onderzoek naar de opvattingen
van jongeren over lhbtiq+ personen (Kamerstuk 30 420, nr. 419).
De vragen en opmerkingen zijn op 2 september 2025 aan de Staatssecretaris van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap voorgelegd. Bij brief van 21 januari 2026 zijn de vragen beantwoord.
De fungerend voorzitter van de commissie, Bromet
Adjunct-griffier van de commissie, Bosnjakovic
Inhoud
blz.
I
Vragen en opmerkingen uit de fracties
2
•
Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
2
•
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
4
•
Inbreng van de leden van de BBB-fractie
5
II
Reactie van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
6
I Vragen en opmerkingen uit de fracties
Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsbrief
over de stand van zaken van het literatuuronderzoek naar de opvattingen van jongeren
over lhbtiq+ personen. Deze leden maken zich zorgen over de dalende acceptatie van
lhbtiq+ personen en vinden het om die reden positief dat het Ministerie van OCW dit
onderzoek is gestart. Ook vinden ze de zaken die specifiek worden onderzocht relevant,
zoals de opvattingen van jongeren over lhbtiq+ personen en verklarende factoren. Deze
leden vinden het terecht dat conservatieve denkbeelden en sociale media (de manosphere)
prominent zijn meegenomen in dit onderzoek. Zij hebben nog een aantal vragen over
de opzet en de consequenties voor toekomstig beleid.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in het rapport dat het Ministerie van
OCW in het bijzonder is «geïnteresseerd in lesbische, homoseksuele, bi+-, transgender-,
intersekse en non-binaire personen». Waarom de specifieke focus op deze groepen? Ook
andere groepen, bijvoorbeeld personen die aseksueel zijn, merken dat ze te maken hebben
met vooroordelen, onveiligheid en uitsluiting. Deze leden lezen ook dat in de literatuurstudie
verwezen wordt naar onderzoek daarover en weten dat er nog veel onbekendheid is. Waarom
wordt deze groep, maar ook andere groepen niet verder onderzocht? Graag ontvangen
deze leden een nadere toelichting.
Tevens lezen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat er landelijke trenddata ontbreken
over opvattingen over bi+-, transgender-, intersekse- en non-binaire personen. Is
de Staatssecretaris bereid hier eventueel nader onderzoek naar te laten verrichten
en/of het mee te nemen in een periodieke of jaarlijkse monitor? Is de Staatssecretaris
bereid nader onderzoek te laten verrichten naar verklaringen voor veranderingen in
geconstateerde ontwikkelingen? Daarnaast lezen deze leden dat er in nationale rapporten
een toename in acceptatie van homoseksualiteit zichtbaar is, terwijl er in regionale
rapporten een afname zichtbaar is. Zou deze discrepantie nader toegelicht kunnen worden?
Ziet de Staatssecretaris mogelijkheden om de acceptatie in elke regio te monitoren?
Kan de Staatssecretaris nader toelichten waarom sommige regio’s de acceptatie wel
monitoren en sommige regio’s niet?
Ook horen de leden van GroenLinks-PvdA-fractie graag in hoeverre het onderzoek representatief
is en hoe de representativiteit wordt geborgd in de onderzoeken die de literatuurstudie
aanhaalt, maar ook in vervolgonderzoek. In hoeverre is het aannemelijk dat jongeren
die in (zeer) conservatieve gemeenschappen opgroeien bereid gevonden worden om mee
te doen aan onderzoek? Wordt hier bij toekomstig onderzoek of in het tweede deel nadrukkelijk
op ingezet, bijvoorbeeld in samenspraak met conservatieve geloofsgemeenschappen zoals
conservatieve kerken en moskeeën? Wanneer «na de zomer» wordt precies het tweede deel
van het onderzoek verwacht?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in de literatuurstudie dat één van de
deelvragen als volgt luidt: welke demografische en sociale factoren hangen hiermee
samen? Deze leden vragen of voorafgaand aan het onderzoek geselecteerd is naar welke
factoren er gekeken zou worden. Zo ja, welke kenmerken zijn uiteindelijk geselecteerd?
In welke mate ziet de Staatssecretaris een samenhang tussen de patriarchale cultuur
en de discrepantie tussen meisjes en jongens met betrekking tot hun opvattingen over
lhbtiq+ personen? Hoe reflecteert de Staatssecretaris op de mogelijke rol die de klassensamenstelling
binnen school speelt in de vorming van opvattingen over lhbtiq+ personen? Hoe reflecteert
de Staatssecretaris, gelet hierop, op het feit dat veel jongeren en docenten die zich
identificeren als lhbtiq+ zich onveilig voelen in de klas? Welke concrete maatregelen
neemt de Staatssecretaris om dit tegen te gaan? Hoe reflecteert de Staatssecretaris
op de constatering dat onderzoek laat zien dat interventies het meest effectief zijn
wanneer zij educatieve componenten combineren met intergroepscontact, zoals gastlessen
van lhbtiq+ personen, waarbij een veilig pedagogisch klimaat cruciaal is? Hoe kunnen
docenten hierin ondersteund worden?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in het literatuuronderzoek dat jongeren
in de adolescentie en vroege volwassenheid het meest ontvankelijk zijn voor attitudeverandering.
De onderzoekers geven aan dat interventies op deze leeftijd kansrijk zijn. Welke conclusies
en concrete maatregelen verbindt het kabinet daaraan? Is het kabinet het ook met deze
leden eens dat uit deze bevinding de aanname gedaan kan worden dat de problemen waar
meeroudergezinnen tegenaan lopen een remmende werking kunnen hebben op de acceptatie
van lhbtiq+ personen? Jonge en opgroeiende kinderen kunnen immers het beeld krijgen
dat gezinnen met meerdere ouders niet tot de norm behoren. Wat gaat het kabinet hieraan
doen? Is dit een onderwerp dat meegenomen kan worden in de vervolgstudie?
De leden van GroenLinks-PvdA-fractie horen graag een reflectie op de bevindingen van
de onderzoekers en de rol die het kabinet ziet. Kan het kabinet ingaan op de actoren
die de onderzoekers noemen? Wat kan het kabinet bijvoorbeeld nog meer doen om te bevorderen
dat jongeren uit verschillende groepen elkaar tegenkomen? Deze leden denken specifiek
aan plekken waar mensen elkaar ontmoeten, zoals buurthuizen, culturele organisaties
en sportorganisaties. Voert het kabinet gesprekken met de vertegenwoordigers van deze
organisaties?
De leden van GroenLinks-PvdA-fractie vragen of het kabinet het met deze leden eens
is dat representatie in de media van verschillende groepen belangrijk is en politici
daar op geen enkele manier over gaan, maar het wel belangrijk is om te blijven benadrukken.
Welke rol neemt dit kabinet als het gaat om de invloed van sociale media? Juist omdat
de onderzoekers wijzen op de belangrijke rol van beïnvloeding online vragen deze leden
of het kabinet aanknopingspunten ziet in het rapport om duidelijkere afspraken te
maken met sociale media-organisaties. Welke mogelijkheden ziet de Staatssecretaris
om op dit thema samen te werken met collega’s van andere ministeries? Hoe zou de samenwerking
op dit thema en andere thema’s aangaande de emancipatie van lhbtiq+ personen bevorderd
kunnen worden?
De leden van GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de onderzoekers nadrukkelijk wijzen
op de rol van het onderwijs en die urgentie begrijpen deze leden maar al te goed.
Zij horen graag een uitgebreide reflectie van het kabinet, zeker in het licht van
het kabinetsbeleid van de afgelopen jaren, waaronder toekomstige bezuinigingen op
organisaties die opkomen voor lhbtiq+ personen. Kan dat een rol spelen in de dalende
acceptatie de komende jaren? Nemen de onderzoekers het kabinetsbeleid mee in het tweede
deel of in een vervolgstudie? Kunnen de onderzoekers in het vervolgonderzoek specifiek
kijken naar de rol van het onderwijs en het wegvallen van subsidie voor organisaties
zoals het Regenboogloket dat zich juist bezighoudt met de veiligheid van alle leerlingen
en het onderwijspersoneel? In hoeverre speelt de verspreiding van desinformatie over
de Week van de Lentekriebels en de teruggang in deelname van scholen aan deze week
een rol? Wordt ook onderzocht wat de rol is van uitspraken van (toekomstige) bewindslieden
zoals de voorgedragen nieuwe Minister van OCW, die in het verleden schokkende, schadelijke
uitspraken heeft gedaan over de lhbtiq+ gemeenschap? In hoeverre rijmt het aanstellen
van een Minister die dergelijke uitspraken heeft gedaan met het voornemen van het
ministerie om zich hard te maken voor de rechten en veiligheid van de lhbtiq+ gemeenschap?
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het eerste
deel van het onderzoek door de Universiteit van Amsterdam naar de opvattingen van
jongeren over lhbtiq+ personen. Deze leden willen in dit kader enkele punten onderstrepen
en het kabinet verzoeken om een nadere toelichting.
De leden van de VVD-fractie nemen kennis van de observatie uit het eerste deel van
het onderzoek dat jongeren in Nederland over het algemeen positieve houdingen vertonen
ten opzichte van homoseksuele en lesbische personen. Tegelijkertijd signaleren deze
leden met zorg dat recente gegevens uit de GGD Gezondheidsmonitor Jeugd wijzen op
een mogelijke afname in acceptatie in enkele regio’s tussen 2019 en 2023. Hoewel dit
volgens de onderzoekers nog geen landelijke trend vormt, onderstrepen deze leden het
belang van preventie om te voorkomen dat conservatieve invloeden, zoals die uit de
online manosphere én vanuit niet-westerse conservatieve christelijke en islamitische
organisaties, voet aan de grond krijgen onder jongeren. Is de Staatssecretaris bereid
om, in samenwerking met platforms en onderwijsinstellingen, gerichte maatregelen te
ontwikkelen om jongeren weerbaar te maken tegen dergelijke extremistische invloeden,
bijvoorbeeld via de richtlijn over veilig internetgebruik? Welk type maatregelen zou
hierbij effectief kunnen zijn? Kan de Staatssecretaris hier enkele voorbeelden van
geven? Is het kabinet bereid om, samen met maatschappelijke organisaties en gelijkgezinde
lidstaten in Europa, te verkennen hoe weerbaarheid tegen dergelijke beïnvloeding kan
worden vergroot? Welke landen zijn aangaande dit thema gelijkgezind en welke landen
zijn dat niet?
De leden van de VVD-fractie constateren tevens dat de literatuurstudie weinig aandacht
besteedt aan opvattingen over bi+, transgender, non-binaire en intersekse personen,
evenals de rol van sociale media en conservatieve denkbeelden. Deze leden kijken uit
naar het tweede, empirische deel van het onderzoek dat hier dieper op ingaat. In hoeverre
is de Staatssecretaris van plan om deze bevindingen te integreren in beleid, bijvoorbeeld
door het versterken van bewustwordingscampagnes in gesloten gemeenschappen waar het
risico op wegkijken bij misstanden groter is?
Tot slot benadrukken de leden van de VVD-fractie dat de kern van het Nederlandse emancipatiebeleid
moet zijn dat iedereen in vrijheid zichzelf kan zijn, zonder angst voor discriminatie
of geweld. Deze leden vernemen daarom graag hoe het kabinet de resultaten van het
lopende onderzoek zal vertalen in concrete en doelgerichte maatregelen die bijdragen
aan die vrijheid, met bijzondere aandacht voor jongeren in de vormende fase van hun
leven.
Inbreng van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de stand van zaken van het onderzoek
naar de opvattingen van jongeren over lhbtiq+ personen. Deze leden hebben de volgende
vragen aan de Staatssecretaris.
De leden van de BBB-fractie willen de Staatssecretaris met klem wijzen op een fragment
van Nieuws van de Dag deze zomer waarin te zien was dat jongeren met een migratieachtergrond
in Amsterdam homoseksualiteit niet accepteren.1 Opvoeding, cultuur en groepsdruk spelen daarin een grote rol. Hoe kijkt de Staatssecretaris
naar dit fragment?
Daarnaast merken de leden van de BBB-fractie op dat in de Kamerbrief de volgende zin
staat: «Sinds 2009 wijst bestaand onderzoek uit dat er sprake is van een duidelijk
stijgende acceptatie». Maar uit de GGD Gezondheidsmonitor blijkt dat in Amsterdam
nog maar 43 procent van de jongeren homoseksualiteit normaal vindt. Hoe verklaart
de Staatssecretaris deze regionale daling? Waarom wordt deze daling niet serieus genomen?
En is er een verband met het feit dat de meeste Amsterdammers (59 procent in 2023)
een migratieachtergrond hebben?2
Verder merken de leden van de BBB-fractie op dat de Staatssecretaris de opvattingen
van jongeren over lhbtiq+ personen «een complex samenspel van factoren, waarbij er
niet één factor als enige aanwijsbaar is» noemt. Maar in de literatuurstudie staat
letterlijk «jongeren met een migratieachtergrond of een etnische minderheidsstatus
rapporteren gemiddeld minder positieve opvattingen over homoseksuele personen dan
jongeren zonder deze kenmerken». Waarom wordt dit niet gewoon benoemd?
De leden van de BBB-fractie willen hierom dat het Sociaal en Cultureel Planbureau
een nieuw onderzoek doet, gericht op de groepen waar de acceptatie het hardst daalt.
Kan de Staatssecretaris toezeggen een nieuw onderzoek met oplossingen uit te laten
voeren gefocust op deze groep?
Verder willen de leden van de BBB-fractie dat er streng wordt opgetreden tegen discriminatie
van lhbtiq+ personen. In buurten en steden waar de acceptatie daalt, zoals in Amsterdam,
moeten scholen en jongerenwerkers extra hulp krijgen. Is de Staatssecretaris bereid
om dat te doen?
Daarnaast merken de leden van de BBB-fractie op dat de Staatssecretaris schrijft dat
ouders en vrienden invloed hebben op jongeren. Komt er beleid dat zich richt op die
omgeving, bijvoorbeeld via wijkgericht werken met scholen, ouders en gemeenschappen?
Tot slot vragen de leden van de BBB-fractie of de Staatssecretaris in gesprek wil
gaan met de burgemeester van Amsterdam. De acceptatie onder jongeren in die stad is
zorgwekkend laag. Wat doet de gemeente Amsterdam hieraan qua opsporing, vervolging,
integratie en educatie?
II Reactie van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Ik dank de fracties voor hun inbreng. Ik zal de vragen beantwoorden in de volgorde
van het overleg. De vragen zal ik schuingedrukt herhalen, waarna ik mijn antwoord
geef.
Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in het rapport dat het Ministerie van
OCW in het bijzonder is «geïnteresseerd in lesbische, homoseksuele, bi+-, transgender-,
intersekse en non-binaire personen». Waarom de specifieke focus op deze groepen? Ook
andere groepen, bijvoorbeeld personen die aseksueel zijn, merken dat ze te maken hebben
met vooroordelen, onveiligheid en uitsluiting. Deze leden lezen ook dat in de literatuurstudie
verwezen wordt naar onderzoek daarover en weten dat er nog veel onbekendheid is. Waarom
wordt deze groep, maar ook andere groepen niet verder onderzocht? Graag ontvangen
deze leden een nadere toelichting.
De opgave van het emancipatiebeleid betreft het realiseren van gendergelijkheid en
gelijkheid wat betreft seksuele oriëntatie, genderidentiteit en geslachtskenmerken.
Meer specifiek richt het beleid zich op lesbische, homoseksuele, bi+, transgender,
intersekse en non-binaire personen. De afbakening van deze literatuurstudie sluit
hierop aan. De lhbtiqa+-monitor, die wordt uitgevoerd onder volwassenen, heeft overigens
specifieke aandacht voor de positie van aseksuele personen sinds 2024.3
Tevens lezen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat er landelijke trenddata ontbreken
over opvattingen over bi+-, transgender-, intersekse- en non-binaire personen. Is
de Staatssecretaris bereid hier eventueel nader onderzoek naar te laten verrichten
en/of het mee te nemen in een periodieke of jaarlijkse monitor? Is de Staatssecretaris
bereid nader onderzoek te laten verrichten naar verklaringen voor veranderingen in
geconstateerde ontwikkelingen? Daarnaast lezen deze leden dat er in nationale rapporten
een toename in acceptatie van homoseksualiteit zichtbaar is, terwijl er in regionale
rapporten een afname zichtbaar is. Zou deze discrepantie nader toegelicht kunnen worden?
Ziet de Staatssecretaris mogelijkheden om de acceptatie in elke regio te monitoren?
Kan de Staatssecretaris nader toelichten waarom sommige regio’s de acceptatie wel
monitoren en sommige regio’s niet?
Opvattingen van volwassenen over specifieke doelgroepen binnen de lhbtiq+ gemeenschap
zijn onderdeel van de lhbtiqa+-monitor sinds 2024. Het ontbreken van landelijke trenddata
in deze context betreft de opvattingen van specifiek jongeren over lhbtiq+ personen.
Het is van groot belang dat, naast de opvattingen van volwassenen, ook de opvattingen
van jongeren over lhbtiq+ personen in kaart worden gebracht. Om meer inzicht in te
krijgen in de opvattingen van jongeren en de verklarende factoren voor veranderingen
hierin, heeft mijn ambtsvoorganger opdracht gegeven tot het uitvoeren van een onderzoek
zoals eerder toegezegd4. De literatuurstudie die voorligt is hiervan het eerste resultaat.
De opzet van de tweede deelstudie van de Universiteit van Amsterdam (UvA) is gewijzigd.
In plaats van het uitvoeren van nieuw empirisch onderzoek zal het onderzoeksteam een
analyse opleveren van reeds bestaande datasets. Reden voor de wijziging is dat de
initiële onderzoeksopzet vanwege de AVG-wetgeving onuitvoerbaar is gebleken. Het is
van belang dat de Rijksoverheid handelt in lijn met deze wetgeving. Ook bij toekomstig
onderzoek naar de opvattingen van jongeren en het verwerken van bijzondere persoonsgegevens
zal privacywetgeving van toepassing zijn. Hier dient een wettelijke grondslag voor
te zijn. In dit geval is er binnen de Rijksoverheid geen sprake van een wettelijke
grondslag voor het uitvragen en verwerken van bijzondere persoonsgegevens van minderjarigen.
Daarom is er naar een alternatieve onderzoeksopzet gezocht: de analyse van reeds bestaande
datasets.
Door deze wijziging kunnen de onderzoekers niet de opvattingen van subgroepen binnen
de lhbtiq+ gemeenschap onderzoeken. Deze gegevens ontbreken in de reeds bestaande
datasets die geanalyseerd worden. Ook de rol van sociale media en de manosfeer kan
niet worden onderzocht in de tweede deelstudie, omdat deze factoren niet zijn uitgevraagd
in de bestaande datasets. Dit betreur ik, want deze factoren kunnen van invloed zijn
op de opvattingen van jongeren. De alternatieve onderzoeksopzet analyseert wél de
opvattingen van jongeren over de tijd en de trend hierin, evenals uitsplitsingen naar
achtergrondkenmerken, waaronder conservatieve (culturele) denkbeelden.
Er is geen eenduidige verklaring voor de verschillende uitkomsten van nationale rapporten
ten opzichte van regionale rapporten. De literatuurstudie beschrijft dat de nationale
en regionale studies verschillen in methode en representativiteit. Dit kan van invloed
zijn op de resultaten.
Gemeenten hebben de wettelijke taak om de gezondheidstoestand van hun inwoners in
kaart te brengen (Wet Publieke Gezondheid). Dit wordt uitgevoerd door de GGD’en via
de Gezondheidsmonitors Jeugd en Volwassenen & Ouderen. Met de uitkomsten kunnen gemeenten
en GGD’en beleid maken of aanpassen.
De keuze voor de onderwerpen en vraagstellingen worden door de GGD’en bepaald in samenspraak
met de gemeenten en het RIVM. De lengte van de vragenlijst is beperkend voor het totaal
aantal uit te vragen onderwerpen. Onderwerpen die door alle GGD’en gewenst zijn worden
op dezelfde wijze uitgevraagd zo ontstaat ook een landelijk cijfer; daarnaast is er
nog vrije ruimte voor opname van regionale relevante onderwerpen. Voor de regionale
onderwerpen is geen landelijk cijfer beschikbaar. De vraag over de opvattingen van
jongeren over homoseksualiteit was in 2023 onderdeel van het regionale gedeelte van
de Gezondheidsmonitor Jeugd bij acht GGD-regio’s. Het onderwerp lhbtqia+ acceptatie
wordt meegenomen in de landelijke basisvragenlijst van de Gezondheidsmonitor Jeugd
2026. De publicatie van deze cijfers wordt verwacht in het voorjaar van 2027. Momenteel
zijn de GGD’en in gesprek over de wijze waarop lhbtqia+ acceptatie wordt uitgevraagd
in de vragenlijst. Ook het RIVM is betrokken. Hierbij bouwen de GGD’en voort op eerdere
ervaringen, kennisinstituten en literatuur.
Ook horen de leden van GroenLinks-PvdA-fractie graag in hoeverre het onderzoek representatief
is en hoe de representativiteit wordt geborgd in de onderzoeken die de literatuurstudie
aanhaalt, maar ook in vervolgonderzoek. In hoeverre is het aannemelijk dat jongeren
die in (zeer) conservatieve gemeenschappen opgroeien bereid gevonden worden om mee
te doen aan onderzoek? Wordt hier bij toekomstig onderzoek of in het tweede deel nadrukkelijk
op ingezet, bijvoorbeeld in samenspraak met conservatieve geloofsgemeenschappen zoals
conservatieve kerken en moskeeën? Wanneer «na de zomer» wordt precies het tweede deel
van het onderzoek verwacht?
Het tweede deel van het onderzoek ontvangt uw Kamer in februari 2026. De tweede deelstudie
betreft vanwege de gewijzigde opzet geen nieuw empirisch onderzoek, zoals is toegelicht
in het antwoord op een eerdere vraag van de GroenLinks-PvdA-fractie. Daarmee worden
jongeren en conservatieve geloofsgemeenschappen niet (opnieuw) geconsulteerd in de
tweede deelstudie.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in de literatuurstudie dat één van de
deelvragen als volgt luidt: welke demografische en sociale factoren hangen hiermee
samen? Deze leden vragen of voorafgaand aan het onderzoek geselecteerd is naar welke
factoren er gekeken zou worden. Zo ja, welke kenmerken zijn uiteindelijk geselecteerd?
In welke mate ziet de Staatssecretaris een samenhang tussen de patriarchale cultuur
en de discrepantie tussen meisjes en jongens met betrekking tot hun opvattingen over
lhbtiq+ personen? Hoe reflecteert de Staatssecretaris op de mogelijke rol die de klassensamenstelling
binnen school speelt in de vorming van opvattingen over lhbtiq+ personen? Hoe reflecteert
de Staatssecretaris, gelet hierop, op het feit dat veel jongeren en docenten die zich
identificeren als lhbtiq+ zich onveilig voelen in de klas? Welke concrete maatregelen
neemt de Staatssecretaris om dit tegen te gaan? Hoe reflecteert de Staatssecretaris
op de constatering dat onderzoek laat zien dat interventies het meest effectief zijn
wanneer zij educatieve componenten combineren met intergroepscontact, zoals gastlessen
van lhbtiq+ personen, waarbij een veilig pedagogisch klimaat cruciaal is? Hoe kunnen
docenten hierin ondersteund worden?
Het Ministerie van OCW heeft er bij de offerteaanvraag van deze onderzoeksopdracht
voor gekozen te vertrouwen op de kennis van de inschrijvers en hen vrijheid te geven
in het selecteren van relevante demografische en sociale factoren die van invloed
zijn op de opvattingen van jongeren. De UvA heeft de volgende factoren geselecteerd
als relevante factoren in de literatuurstudie: diverse demografische kenmerken (zoals
leeftijd, gender, opleidingsniveau, migratieachtergrond, religie, sociaaleconomische
status en seksuele oriëntatie), de rol van betrokkenheid bij de lhbtiq+-gemeenschap,
politieke ideologie en de rol van klasgenoten (houdingen van peers). Van de vooraf vastgestelde factoren conservatieve (culturele) denkbeelden, sociale
media en «manosfeer» kan alleen de eerstgenoemde onderzocht worden, zoals gemeld in
het antwoord op een eerdere vraag van de GroenLinks-PvdA-fractie.
De literatuurstudie laat zien dat meiden positievere opvattingen hebben over lhbtiq+
personen dan jongens, maar geeft hier geen verklaring voor. Ook geven de onderzoekers
aan dat groepscontact met peers een rol speelt in de opvattingen van jongeren over lhbtiq+ personen. Het contact
tussen leerlingen speelt zich ook af op school, waardoor het aannemelijk is dat deze
factor ook in het onderwijs van invloed is op de opvattingen die jongeren hebben.
Hierin hebben leraren en ander onderwijspersoneel ook een rol, namelijk het zorgen
voor een sociaal veilig schoolklimaat en het bevorderen van democratische waarden
middels de wettelijke burgerschapsopdracht en de kerndoelen in het curriculum.
De veiligheid voor leerlingen en docenten staat voor mij voorop. Dit is een randvoorwaarde
om tot leren en werken te komen. Voor het bevorderen van de sociale veiligheid in
het funderend onderwijs werk ik aan het wetsvoorstel Vrij en veilig onderwijs. Met
dit wetsvoorstel introduceer ik een meldplicht voor ernstige incidenten. De al bestaande
meld-, overleg- en aangifteplicht voor seksuele misdrijven wordt verduidelijkt en
uitgebreid. Het wetsvoorstel verplicht scholen in het funderend onderwijs om vertrouwenspersonen
te hebben en verbetert hun positie en professionaliteit. Daarnaast moeten scholen
zich aansluiten bij een landelijke klachtencommissie die kan adviseren over een klachtenbehandeling.
Scholen moeten ook hun veiligheidsbeleid jaarlijks gaan evalueren. Deze maatregelen
dragen ook bij aan de sociale veiligheid van specifiek lhbtiq+ leerlingen.
Daarnaast stimuleer ik initiatieven die scholen ondersteunen bij het bevorderen van
een veilig schoolklimaat voor alle leerlingen. Zo verleen ik een instellingssubsidie
aan Stichting School & Veiligheid (SSV), de landelijke expertise-organisatie voor
sociale veiligheid op school. Zij ondersteunen scholen met actuele informatie en deskundig
advies. Zo heeft SSV aanbod voor docenten voor het bespreekbaar maken van gevoelige
thema’s in de klas op een veilige manier. Ook onderhoudt SSV de website www.gendi.nl met inspiratie, (les)materialen en kennis voor docenten op het gebied van gender-
en seksuele diversiteit. Dit jaar heeft SSV een handreiking voor schoolleiders gepubliceerd
over het creëren van een veilig schoolklimaat voor lhbtiq+ leerlingen, evenals een
leidraad voor het voeren van een veilig gesprek in samenwerking met het Landelijke
Aktie Komitee Scholieren (LAKS) en een checklist voor het veilig vieren van Paarse
Vrijdag. Tot slot beschikt SSV over een adviespunt voor scholen en organiseert SSV
jaarlijks de Week tegen pesten en de conferentie Met alle respect!.
Bovendien ondersteun ik initiatieven van COC Nederland die scholen helpen bij het
bespreekbaar maken van gender- en seksuele diversiteit. Bijvoorbeeld bij het jaarlijks
organiseren van Paarse Vrijdag, waarvan het aantal deelnemende scholen blijft groeien.
Ook faciliteert COC een netwerk van Gender and Sexuality Alliances (GSA’s). Dit is een groep die scholieren kunnen oprichten om te laten zien dat zij
vinden dat iedereen op hun school de vrijheid heeft te kunnen zijn wie ze zijn, zonder
zich daarvoor te hoeven schamen of te verantwoorden. Ten slotte bouwt COC aan een
GSA-docentennetwerk, waarin docenten ideeën en goede voorbeelden kunnen uitwisselen
om de acceptatie van lhbtiq+ leerlingen en docenten op school te verbeteren.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in het literatuuronderzoek dat jongeren
in de adolescentie en vroege volwassenheid het meest ontvankelijk zijn voor attitudeverandering.
De onderzoekers geven aan dat interventies op deze leeftijd kansrijk zijn. Welke conclusies
en concrete maatregelen verbindt het kabinet daaraan? Is het kabinet het ook met deze
leden eens dat uit deze bevinding de aanname gedaan kan worden dat de problemen waar
meeroudergezinnen tegenaan lopen een remmende werking kunnen hebben op de acceptatie
van lhbtiq+ personen? Jonge en opgroeiende kinderen kunnen immers het beeld krijgen
dat gezinnen met meerdere ouders niet tot de norm behoren. Wat gaat het kabinet hieraan
doen? Is dit een onderwerp dat meegenomen kan worden in de vervolgstudie?
De leden van GroenLinks-PvdA-fractie horen graag een reflectie op de bevindingen van
de onderzoekers en de rol die het kabinet ziet. Kan het kabinet ingaan op de actoren
die de onderzoekers noemen? Wat kan het kabinet bijvoorbeeld nog meer doen om te bevorderen
dat jongeren uit verschillende groepen elkaar tegenkomen? Deze leden denken specifiek
aan plekken waar mensen elkaar ontmoeten, zoals buurthuizen, culturele organisaties
en sportorganisaties. Voert het kabinet gesprekken met de vertegenwoordigers van deze
organisaties?
De ontvankelijkheid voor attitudeverandering van jongeren in de adolescentie en vroege
volwassenheid is een relevant gegeven voor toekomstige beleidsvorming. Het is nu echter
te vroeg om uitspraken te doen over de conclusies en maatregelen op basis van dit
gegeven. Ik wacht de tweede deelstudie af en reageer vervolgens middels een beleidsreactie
op het volledige onderzoek. Op basis van de volledige studie kan ik beoordelen of
gesprekken met vertegenwoordigers van organisaties van toegevoegde waarde zijn.
De opvattingen van jongeren over meeroudergezinnen vormen geen onderdeel van het onderzoek.
Voor het bevorderen van de omgang van verschillende groepen jongeren ondersteun ik
de alliantie Jong Gelijk. Dit is een samenwerkingsverband tussen Rutgers, Colored
Qollective, Femmes for Freedom, de Nationale Jeugdraad en Stichting Plattelandsjongeren.
De alliantie werkt vóór en dóór jongeren met verschillende achtergronden, waaronder
queer jongeren van kleur, bi-culturele meiden en plattelandsjongeren.
De leden van GroenLinks-PvdA-fractie vragen of het kabinet het met deze leden eens
is dat representatie in de media van verschillende groepen belangrijk is en politici
daar op geen enkele manier over gaan, maar het wel belangrijk is om te blijven benadrukken.
Welke rol neemt dit kabinet als het gaat om de invloed van sociale media? Juist omdat
de onderzoekers wijzen op de belangrijke rol van beïnvloeding online vragen deze leden
of het kabinet aanknopingspunten ziet in het rapport om duidelijkere afspraken te
maken met sociale media-organisaties. Welke mogelijkheden ziet de Staatssecretaris
om op dit thema samen te werken met collega’s van andere ministeries? Hoe zou de samenwerking
op dit thema en andere thema’s aangaande de emancipatie van lhbtiq+ personen bevorderd
kunnen worden?
Representatie van verschillende groepen in de samenleving is erg belangrijk. Het kabinet
staat daarom voor een pluriform medialandschap waarin de diverse stemmen worden gehoord
en verschillende perspectieven worden gezien. Het is, zoals deze leden terecht opmerken,
niet aan de overheid om te oordelen hoe de media daaraan invulling geven. Daarnaast
staat het kabinet voor een online wereld die inclusief, veilig, open en eerlijk is.
Het publieke debat online moet ook worden beschermd. Dat houdt ook in dat de grondrechten
van burgers online moeten worden gewaarborgd. Het kabinet heeft daarom in juli van
dit jaar een Plan van aanpak tegen online discriminatie voorgelegd aan uw Kamer, waarin
ook maatregelen staan om online haat jegens lhbtiq+ personen te bestrijden.5 Daarin wordt de rol van sociale media expliciet meegenomen. Eén van de beleidslijnen
uit het Plan van aanpak tegen online discriminatie is het versterken van de samenwerking
en coördinatie. Daaraan wordt onder meer uitvoering gegeven door een interdepartementale
werkgroep en het actief betrekken van het maatschappelijk middenveld om gezamenlijk
te werken aan de emancipatie van lhbtiq+ personen online.
Grote sociale mediaplatforms hebben een grote rol in het creëren van een veilige online
wereld. Om die reden is de Europese Digitale dienstenverordening (DSA) in het leven
geroepen, waarbij de Europese Commissie en de Autoriteit Consument en Markt (ACM)
toezien op de naleving van de wet. Op grond van die wetgeving moeten grote online
platforms maatregelen treffen om systeemrisico’s, zoals discriminatie, tegen te gaan.
Ik werk nauw samen met mijn ambtsgenoot bij OCW, EZ en BZK om de uitvoering en naleving
van de DSA te monitoren. Daarnaast werken de toezichthouders aan de handhaving en
naleving van de DSA. Daarbij vertrouw ik op de toezichthouders in hun roluitoefening
en ondersteun ik hen waar mogelijk.
De leden van GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de onderzoekers nadrukkelijk wijzen
op de rol van het onderwijs en die urgentie begrijpen deze leden maar al te goed.
Zij horen graag een uitgebreide reflectie van het kabinet, zeker in het licht van
het kabinetsbeleid van de afgelopen jaren, waaronder toekomstige bezuinigingen op
organisaties die opkomen voor lhbtiq+ personen. Kan dat een rol spelen in de dalende
acceptatie de komende jaren? Nemen de onderzoekers het kabinetsbeleid mee in het tweede
deel of in een vervolgstudie? Kunnen de onderzoekers in het vervolgonderzoek specifiek
kijken naar de rol van het onderwijs en het wegvallen van subsidie voor organisaties
zoals het Regenboogloket dat zich juist bezighoudt met de veiligheid van alle leerlingen
en het onderwijspersoneel? In hoeverre speelt de verspreiding van desinformatie over
de Week van de Lentekriebels en de teruggang in deelname van scholen aan deze week
een rol? Wordt ook onderzocht wat de rol is van uitspraken van (toekomstige) bewindslieden
zoals de voorgedragen nieuwe Minister van OCW, die in het verleden schokkende, schadelijke
uitspraken heeft gedaan over de lhbtiq+ gemeenschap? In hoeverre rijmt het aanstellen
van een Minister die dergelijke uitspraken heeft gedaan met het voornemen van het
ministerie om zich hard te maken voor de rechten en veiligheid van de lhbtiq+ gemeenschap?
Het kabinet heeft keuzes gemaakt in het regeerprogramma voor investeringen in grote
maatschappelijke opgaven, met het oog voor gezonde overheidsfinanciën. Ik blijf me
echter onverminderd inzetten voor de prioriteiten van het emancipatiebeleid: iedereen
moet veilig kunnen zijn en iedereen moet volwaardig kunnen meedoen. Dit is in lijn
met de brief die mijn ambtsgenoot, de Minister van OCW, naar uw Kamer heeft gestuurd
en waarin hij reflecteert op eerdere uitlatingen die hij heeft gedaan.6
De UvA voert een studie uit naar de verklarende factoren voor de opvattingen van jongeren
over lhbtiq+ personen. Het onderzoeksteam heeft vrijheid gekregen in de keuze voor
relevante factoren die deze opvattingen verklaren. Het recente kabinetsbeleid en de
rol van uitspraken door bewindspersonen vormen geen onderdeel van deze factoren en
zullen daarmee niet in de vervolgstudie als verklarende factor worden aangeduid.
Overigens heeft het Regenboogloket in de afgelopen jaren een tijdelijke projectsubsidie
ontvangen voor het professionaliseren van de ondersteuning in het onderwijs. Deze
subsidie is destijds eenmalig verlengd om deze professionalisering te borgen er is
hier dus geen sprake van bezuiniging.
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie nemen kennis van de observatie uit het eerste deel van
het onderzoek dat jongeren in Nederland over het algemeen positieve houdingen vertonen
ten opzichte van homoseksuele en lesbische personen. Tegelijkertijd signaleren deze
leden met zorg dat recente gegevens uit de GGD Gezondheidsmonitor Jeugd wijzen op
een mogelijke afname in acceptatie in enkele regio’s tussen 2019 en 2023. Hoewel dit
volgens de onderzoekers nog geen landelijke trend vormt, onderstrepen deze leden het
belang van preventie om te voorkomen dat conservatieve invloeden, zoals die uit de
online manosphere én vanuit niet-westerse conservatieve christelijke en islamitische
organisaties, voet aan de grond krijgen onder jongeren. Is de Staatssecretaris bereid
om, in samenwerking met platforms en onderwijsinstellingen, gerichte maatregelen te
ontwikkelen om jongeren weerbaar te maken tegen dergelijke extremistische invloeden,
bijvoorbeeld via de richtlijn over veilig internetgebruik? Welk type maatregelen zou
hierbij effectief kunnen zijn? Kan de Staatssecretaris hier enkele voorbeelden van
geven? Is het kabinet bereid om, samen met maatschappelijke organisaties en gelijkgezinde
lidstaten in Europa, te verkennen hoe weerbaarheid tegen dergelijke beïnvloeding kan
worden vergroot? Welke landen zijn aangaande dit thema gelijkgezind en welke landen
zijn dat niet?
De tweede deelstudie van de UvA zal de rol van sociale media op de opvattingen van
jongeren niet onderzoeken vanwege de gewijzigde onderzoeksopzet, zoals toegelicht
in het antwoord op de tweede vraag van de GroenLinks-PvdA-fractie.
In zowel de Emancipatienota: veilig meedoen!7 van het kabinet, als in de recent verschenen LGBTIQ+ equality strategy 2026–20308 van de Europese Commissie is aandacht voor het tegengaan van schadelijke narratieven
en desinformatie die online worden verspreid over vrouwen en lhbtiq+ personen. Om
weerbaarheid rondom desinformatie over vrouwen en lhbtiq+ personen op nationaal niveau
te bevorderen, ben ik aangesloten bij de interdepartementale werkgroep van de Rijksbrede strategie effectieve aanpak desinformatie. Binnen deze aanpak wordt versterkt ingezet op het bevorderen van mediawijsheid,
zodat jong en oud de betrouwbaarheid van informatie goed kunnen inschatten. In het
nieuwe leergebied digitale geletterdheid voor het funderend onderwijs is er ook aandacht
voor veiligheid en kritisch omgaan met online content. Daarnaast tref ik een aantal
extra maatregelen om organisaties die opkomen voor vrouwen- en lhbtiq+- rechten te
ondersteunen in het versterken van hun weerbaarheid, zodat zij hun belangrijke werk
kunnen blijven doen. Zo wordt de handreiking Omgaan met misinformatie voor medeoverheden9 vertaald naar een handreiking die maatschappelijke organisaties in het emancipatiedomein
helpt in het bijtijds en effectief reageren op des- en misinformatie. Ook is recentelijk
de toolkit Veiligheid en Weerbaarheid voor een sterk en weerbaar maatschappelijk middenveld gepubliceerd.10 Om kennisuitwisseling en samenwerking te bevorderen, is een bijeenkomst georganiseerd
met de emancipatieallianties over omgaan met weerstand en desinformatie. Tevens kunnen
maatschappelijke organisaties gebruikmaken van de subsidieregeling gender- en lhbtiq+-gelijkheid 2022–2027. Deze regeling kan worden benut om de positie en daarbij de inzet van organisaties
die zich hard maken voor de rechten van vrouwen en lhbtiq+ personen te versterken.
Samen met de Minister van Buitenlandse Zaken zet ik mij structureel in om fundamentele
rechten en vrijheden in de Europese Unie (EU) te beschermen en blijven we met gelijkstemde
lidstaten en internationale partners aandacht vragen voor deze problematiek. Uw Kamer
heeft de verslagen van de afgelopen Raden ontvangen, waarin vermeld staat dat mijn
ambtsvoorganger en ik bilaterale gesprekken hebben gevoerd met de Ministers van België,
Frankrijk, Denemarken en Zweden, waarin ook deze zaken aan bod kwamen.11 Over de individuele posities van lidstaten doe ik, zoals gebruikelijk, geen uitspraken.
De Minister van Buitenlandse zaken inventariseert momenteel samenwerkingsmogelijkheden
gericht tegen de anti-rechtenbeweging in Europees verband en met gelijkgezinden buiten
de EU. Zo bracht Nederland dit in november op tijdens de bijeenkomst van de Equal
Rights Coalition (ERC) Executive Committee over het strategisch plan van de ERC.
De NCTV werkt middels de Versterkte Aanpak Online aan een gecoördineerde aanpak van specifiek online terrorisme en extremisme. Daarin
wordt intensief samengewerkt met partners binnen het veiligheidsdomein, maar ook in
het jeugddomein en met de online platformen. Over de voortgang van deze aanpak heb
ik uw Kamer recentelijk geïnformeerd, met daarbij speciale aandacht voor het voorkomen
van online radicalisering onder jongeren.12 Daartoe wordt onder meer in samenwerking met gemeenten ingezet op het verhogen van
de digitale weerbaarheid van jongeren.
De leden van de VVD-fractie constateren tevens dat de literatuurstudie weinig aandacht
besteedt aan opvattingen over bi+, transgender, non-binaire en intersekse personen,
evenals de rol van sociale media en conservatieve denkbeelden. Deze leden kijken uit
naar het tweede, empirische deel van het onderzoek dat hier dieper op ingaat. In hoeverre
is de Staatssecretaris van plan om deze bevindingen te integreren in beleid, bijvoorbeeld
door het versterken van bewustwordingscampagnes in gesloten gemeenschappen waar het
risico op wegkijken bij misstanden groter is?
Tot slot benadrukken de leden van de VVD-fractie dat de kern van het Nederlandse emancipatiebeleid
moet zijn dat iedereen in vrijheid zichzelf kan zijn, zonder angst voor discriminatie
of geweld. Deze leden vernemen daarom graag hoe het kabinet de resultaten van het
lopende onderzoek zal vertalen in concrete en doelgerichte maatregelen die bijdragen
aan die vrijheid, met bijzondere aandacht voor jongeren in de vormende fase van hun
leven.
Ik ben het met de leden van de VVD-fractie eens dat iedereen in Nederland de vrijheid
moet hebben veilig zichzelf te zijn, zonder angst voor geweld en discriminatie. Daarom
is de veiligheid van vrouwen en lhbtiq+ personen één van de speerpunten van het emancipatiebeleid
van dit kabinet. Het is echter te vroeg nu uitspraken te doen over de implementatie
van de bevindingen van dit onderzoek in beleid. Ik wil de uitkomsten van het tweede
deelonderzoek afwachten en zal vervolgens op basis van de volledige studie reageren
middels een beleidsreactie.
Verder wil ik de leden erop wijzen dat ik reeds de alliantie Verandering van binnenuit 2.0 ondersteun. Deze alliantie is een samenwerkingsverband tussen het Consortium Zelfbeschikking,
LCC+ en Movisie. De alliantie draagt bij aan de veiligheid, gelijkheid en acceptatie
van vrouwen en lhbtiq+ personen in gesloten gemeenschappen.
Inbreng van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie willen de Staatssecretaris met klem wijzen op een fragment
van Nieuws van de Dag deze zomer waarin te zien was dat jongeren met een migratieachtergrond
in Amsterdam homoseksualiteit niet accepteren.13 Opvoeding, cultuur en groepsdruk spelen daarin een grote rol. Hoe kijkt de Staatssecretaris
naar dit fragment?
Ik ben bekend met dit fragment. Ik vind het schokkend dat nog maar 43% van de scholieren
in klas 2 en 4 in Amsterdam homoseksualiteit normaal vindt. Om meer inzicht in te
krijgen in de opvattingen van jongeren en de verklarende factoren voor veranderingen
hierin, heeft mijn ambtsvoorganger opdracht gegeven tot het uitvoeren van dit onderzoek.14 De literatuurstudie die voorligt is hiervan het eerste resultaat. In het vervolgonderzoek
zou het onderzoeksteam specifiek naar de verklarende factoren conservatieve (culturele)
denkbeelden, sociale media en manosfeer kijken. Echter, in het tweede deelonderzoek
kan alleen de eerstgenoemde factor onderzocht worden vanwege een gebrek aan wettelijke
grondslag. Dit is toegelicht in het tweede antwoord op vragen van de GroenLinks-PvdA-fractie.
Zoals gemeld in de beantwoording op Kamervragen van voormalig lid Wijen-Nass, concluderen
de onderzoekers in deze literatuurstudie dat verschillen in opvattingen van jongeren
over homoseksualiteit samenhangen met een complex samenspel van factoren.15 Migratieachtergrond speelt hierin een rol, maar het is niet de enige relevante factor.
Zo spelen ook gender, leeftijd, leerweg, religie en de sociale omgeving van jongeren
een rol. De onderzoekers stellen dat jongeren met een migratieachtergrond of etnische
minderheidsstatus gemiddeld minder positieve opvattingen hebben over homoseksuele
personen, dan jongeren zonder deze kenmerken. Tegelijkertijd geven de onderzoekers
aan dat terughoudendheid is geboden met het trekken van conclusies op basis hiervan,
omdat dit tot nu toe slechts uit één studie is gebleken.
Daarnaast merken de leden van de BBB-fractie op dat in de Kamerbrief de volgende zin
staat: «Sinds 2009 wijst bestaand onderzoek uit dat er sprake is van een duidelijk
stijgende acceptatie». Maar uit de GGD Gezondheidsmonitor blijkt dat in Amsterdam
nog maar 43 procent van de jongeren homoseksualiteit normaal vindt. Hoe verklaart
de Staatssecretaris deze regionale daling? Waarom wordt deze daling niet serieus genomen?
En is er een verband met het feit dat de meeste Amsterdammers (59 procent in 2023)
een migratieachtergrond hebben?16
Verder merken de leden van de BBB-fractie op dat de Staatssecretaris de opvattingen
van jongeren over lhbtiq+ personen «een complex samenspel van factoren, waarbij er
niet één factor als enige aanwijsbaar is» noemt. Maar in de literatuurstudie staat
letterlijk «jongeren met een migratieachtergrond of een etnische minderheidsstatus
rapporteren gemiddeld minder positieve opvattingen over homoseksuele personen dan
jongeren zonder deze kenmerken». Waarom wordt dit niet gewoon benoemd?
De uitkomsten van de Gezondheidsmonitor Jeugd 2023 worden uiterst serieus genomen.
Ik vind het zeer ernstig dat het percentage scholieren in klas 2 en 4 dat homoseksualiteit
normaal vindt in Amsterdam is gedaald. Dat geldt overigens ook voor de andere GGD-regio’s
waar deze daling te zien was. De resultaten van de monitor hebben aanleiding gegeven
voor nader onderzoek naar de verklarende factoren voor deze cijfers. Dit onderzoek
wordt momenteel uitgevoerd door de UvA in opdracht van het Ministerie van OCW. Ik
wacht de publicatie van het volledige onderzoek af voordat ik uitspraken doe over
de verklaring van deze daling.
In de literatuurstudie stellen de onderzoekers dat migratieachtergrond een rol speelt
in de opvattingen van jongeren over lhbtiq+ personen. Dit is echter niet de enige
factor die hier bepalend voor is, zoals hierboven toegelicht. Tevens dienen deze indicaties
«met de nodige voorzichtigheid te worden geïnterpreteerd, gezien het beperkte aantal
studies en het ontbreken van bredere empirische onderbouwing».
De leden van de BBB-fractie willen hierom dat het Sociaal en Cultureel Planbureau
een nieuw onderzoek doet, gericht op de groepen waar de acceptatie het hardst daalt.
Kan de Staatssecretaris toezeggen een nieuw onderzoek met oplossingen uit te laten
voeren gefocust op deze groep?
Nee. Ik wil eerst de uitkomsten van het volledige onderzoek van de UvA afwachten.
De resultaten van de tweede deelstudie verwacht ik in februari 2026. Na de publicatie
van het volledige onderzoek zal ik hierop reageren middels een beleidsreactie en kijken
naar eventuele opvolging.
Verder willen de leden van de BBB-fractie dat er streng wordt opgetreden tegen discriminatie
van lhbtiq+ personen. In buurten en steden waar de acceptatie daalt, zoals in Amsterdam,
moeten scholen en jongerenwerkers extra hulp krijgen. Is de Staatssecretaris bereid
om dat te doen?
Daarnaast merken de leden van de BBB-fractie op dat de Staatssecretaris schrijft dat
ouders en vrienden invloed hebben op jongeren. Komt er beleid dat zich richt op die
omgeving, bijvoorbeeld via wijkgericht werken met scholen, ouders en gemeenschappen?
Ik ben het met de BBB-fractie eens dat er streng moet worden opgetreden tegen de discriminatie
van lhbtiq+ personen. Het kabinetsbeleid richt zich echter primair op landelijk beleid.
Het is aan regionale en lokale overheden en instanties, waaronder gemeenten, om beleid
te ontwikkelen op stads- en wijkniveau zodat lhbtiq+ personen veilig zichzelf kunnen
zijn. Ik ondersteun dit via de alliantie Verandering van binnenuit 2.0, een samenwerkingsverband tussen het Consortium Zelfbeschikking, LCC+ en Movisie.
De alliantie draagt bij aan de veiligheid, gelijkheid en acceptatie van vrouwen en
lhbtiq+ personen in gesloten gemeenschappen. Daarnaast werkt het Ministerie van OCW
samen met de 56 Regenboogsteden en provincies aan de sociale acceptatie en veiligheid
van lhbtiq+ personen.
Tot slot vragen de leden van de BBB-fractie of de Staatssecretaris in gesprek wil
gaan met de burgemeester van Amsterdam. De acceptatie onder jongeren in die stad is
zorgwekkend laag. Wat doet de gemeente Amsterdam hieraan qua opsporing, vervolging,
integratie en educatie?
Ik ben reeds in gesprek met de gemeente Amsterdam over de stappen die de gemeente
zet om ervoor te zorgen dat jongeren een respectvolle houding jegens lhbtiq+- personen
ontwikkelen en dat leerlingen zich veilig en vrij voelen op school. Dit gesprek vindt
plaats op ambtelijk niveau.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
L. Bromet, voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Mede ondertekenaar
C.H. Bosnjakovic , adjunct-griffier