Brief commissie : Rapportage van de voorbereidende groep uitvoering motie Wijen-Nass c.s.
36 221 Instellen van een extern onderzoek naar aanleiding van twee anonieme brieven
Nr. 25 BRIEF VAN DE VOORBEREIDENDE GROEP UITVOERING MOTIE WIJEN-NASS C.S.
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 20 januari 2026
De Voorbereidende groep uitvoering motie Wijen-Nass c.s. biedt u hierbij de rapportage
aan naar aanleiding van de motie Wijen-Nass c.s. (Kamerstuk 36 221, nr. 22) die op 9 september 2025 door Tweede Kamer is aanvaard.
De voorzitter van de Voorbereidende groep, Van der Plas
De griffier van de Voorbereidende groep, Van Luijk
Rapportage
Voorbereidende groep uitvoering motie Wijen-Nass c.s.
Inhoudsopgave
Samenvatting
3
Paragraaf I
Inleiding
5
Paragraaf II
Tijdlijn
9
Paragraaf III
Advies over het al dan niet starten van een traject tot het vervolgen van Kamerleden
voor het lekken
13
Paragraaf IV
Advies over lessen voor de toekomst over de sociale veiligheid tussen de ambtelijke
organisatie en politieke ambtsdragers
19
Bijlagen
Bijlage 1
Motie Wijen-Nass c.s. (Kamerstuk 36 221, nr. 22).
26
Bijlage 2
Brief d.d. 4 september 2025 met het verzoek tot het in overweging nemen van een aanklacht
van het lid Markuszower c.s. (Kamerstuk 36 803, 1).
27
Bijlage 3
Notitie t.b.v. advies over het al dan niet starten van een traject tot het vervolgen
van Kamerleden voor het lekken.
29
Bijlage 4
Overzicht geraadpleegde documenten.
64
Samenvatting
Met deze rapportage heeft de Voorbereidende groep uitvoering motie Wijen-Nass c.s. uitvoering gegeven aan de motie Wijen-Nass c.s. (Kamerstuk 36 221, nr. 22).
De Tweede Kamer nam de motie op 9 september 2025 met algemene stemmen aan naar aanleiding
van het debat op 4 september 2025 over de totstandkoming van het onderzoek naar voormalig
Kamervoorzitter Arib.
De motie vroeg om een openbare rapportage over de hele gang van zaken, feiten en omstandigheden
rondom het onderzoek naar voormalig Kamervoorzitter Arib op basis van alle beschikbare
documenten met als doel advies uit te brengen over:
– het al dan niet starten van een traject tot het vervolgen van Kamerleden voor het
lekken, en
– lessen voor de toekomst over de sociale veiligheid tussen de ambtelijke organisatie
en de politieke ambtsdragers.
Advies over het al dan niet starten van een traject tot het vervolgen van Kamerleden
voor het lekken
Wat betreft het al dan niet starten van een traject tot het vervolgen van Kamerleden
voor het lekken, adviseert de Voorbereidende groep de Kamer unaniem om geen nieuwe aanklacht wegens schending van geheimhouding (opzettelijk lekken) op 28 september
2022 tegen één of meer (oud-)Kamerleden in overweging te nemen.
De summiere feiten die in de beschikbare stukken over (oud-)Kamerleden zijn aangetroffen,
bieden geen andere duidelijke aanknopingspunten dan dat de leden van het Presidium
of hun aanwezige plaatsvervangers beschikten over de kennis die naar de pers is gelekt.
De Voorbereidende groep adviseert daarnaast in meerderheid primair aan de Kamer op basis van de nu beschikbare gegevens om de aanhangige aanklacht van
Markuszower c.s. tegen oud-Voorzitter Bergkamp niet in overweging te nemen.
In het geval de Kamer, ondanks het advies van de Voorbereidende groep, toch besluit
de aanklacht van Markuszower c.s. in overweging te nemen, adviseert de Voorbereidende
groep in meerderheid subsidiair tot het starten van een strafrechtelijk traject dat zich uitstrekt tot alle (oud-)Kamerleden
die tot het moment van lekken beschikten over de kennis die naar de pers is gelekt.
De leden Jansen (PVV) en Van Meijeren (FvD) stellen zich op het standpunt dat de Kamer
de aanklacht van Markuszower c.s. wel in overweging zou moeten nemen. Er zijn naar hun inzicht voldoende aanknopingspunten
voor verder onderzoek naar voormalig Kamervoorzitter Bergkamp.
Verder wijst de Voorbereidende groep op de beperkingen die de huidige Wet ministeriële verantwoordelijkheid (nog steeds) bevat met het oog op een praktisch werkbare en faire regeling van de
vervolging van bewindspersonen en Kamerleden wegens het begaan van ambtsdelicten.
Zij beveelt de wetgever dan ook aan met spoed de beoogde herziening ter hand te nemen.
Advies over lessen voor de toekomst over de sociale veiligheid tussen de ambtelijke
organisatie en de politieke ambtsdragers.
De Voorbereidende groep stelt dat het oppakken van signalen over sociale (on)veiligheid,
zoals eerder beschreven in de Presidiumbrief van november 2023, in eerdere perioden
onvoldoende adequaat heeft kunnen plaatsvinden.
De Voorbereidende groep constateert dat de Kamerorganisatie de afgelopen jaren veel
inzet heeft gepleegd om de sociale veiligheid te versterken. Zij adviseert de Kamer
om het Actieprogramma sociale veiligheid zo spoedig mogelijk te implementeren. Zij doet daarbij een aantal concrete aanbevelingen
aan de Kamer, het Presidium en de ambtelijke organisatie om te borgen dat er meerjarig
voldoende actie en capaciteit voor sociale veiligheid wordt ingezet. Dat is wat haar
betreft een harde randvoorwaarde om de Kamerorganisatie verder te laten groeien als
organisatie waar hard wordt gewerkt in een prettige en sociaal veilige omgeving.
Paragraaf I
Inleiding
De Tweede Kamer heeft op 9 september 2025 de motie Wijen-Nass c.s. (Kamerstuk 36 221, nr. 22) met algemene stemmen aangenomen. De motie was ingediend tijdens het debat op 4 september
2025 over de totstandkoming van het onderzoek naar voormalig Kamervoorzitter Arib.1
Op het moment van aanbieden van deze rapportage loopt in dit dossier nog een civiele
juridische procedure in hoger beroep waar de Tweede Kamer partij is (formeel Staat
der Nederlanden). Om die reden zal deze rapportage, als uitvoering van de motie Wijen-Nass
c.s., nog niet direct leiden tot een afronding van dit dossier. De Voorbereidende
groep spreekt desondanks haar vertrouwen uit dat deze rapportage bijdraagt aan twee
zaken.
– Allereerst biedt de rapportage een basis voor een eventueel Kamerbesluit over het
al dan niet het starten van een strafrechtelijk traject met het oog op mogelijke vervolging
van (oud-) leden wegens lekken.
– Ten tweede benadrukt de rapportage het belang van het consequent en meerjarig doorzetten van reeds ingezette acties met betrekking tot de sociale veiligheid, om
toekomstige conflicten in de samenwerking tussen de ambtelijke organisatie en politiek
ambtsdragers – waar de motie Wijen-Nass c.s. in de kern om draait – te helpen voorkomen.
Samenstelling en werkwijze
Samenstelling
In verband met het verkiezingsreces en de Kamerwisseling op 11/12 november 2025 is
de Voorbereidende groep definitief samengesteld direct na de installatie van de nieuwe
Kamer.
Kort daarna vond op 19 november 2025 de constituerende vergadering plaats waarbij
het lid Van der Plas is benoemd tot voorzitter en het lid Bevers tot ondervoorzitter
van de Voorbereidende groep.
Bij de regeling van werkzaamheden op dinsdag 25 november 2025 is vervolgens aan de
Kamer gemeld dat de uitvoering conform de motie is belegd bij een Voorbereidende groep
van Kamerleden, bestaande uit:
– Sneller (D66)
– Jansen (PVV)
– Bevers (VVD)
– Mohandis (GroenLinks-PvdA)
– Van Dijk (CDA)2
– Van Meijeren (FvD)
– Van der Plas (BBB)
Staf
De Voorbereidende groep werd bijgestaan door een staf vanuit de ambtelijke organisatie
van de Tweede Kamer en twee externen:
– de heer Van Luijk (1e plv. griffier bij de Eerste Kamer) als griffier van de Voorbereidende groep, en
– de heer Silvis (oud-PG bij de Hoge Raad) als extern adviseur.
Activiteiten Voorbereidende groep
De Kamer heeft zich in de motie Wijen-Nass c.s. uitgesproken om een Voorbereidende groep in te stellen en geen werkgroep, tijdelijke commissie of een commissie van onderzoek
op basis van de Wet ministeriële verantwoordelijkheid (Wmv). De indiener van de motie
beoogde hiermee een tussenstap in te bouwen en ruimte te creëren om zorgvuldig kennis
te kunnen nemen van alle beschikbare stukken – waaronder ook de vertrouwelijke stukken.3
Dat bracht met zich dat de Voorbereidende groep geen bijzondere bevoegdheden had bij
de uitvoering van haar taak. De Voorbereidende groep heeft bij haar werkzaamheden
zoveel als mogelijk aansluiting gezocht bij de bepalingen uit het RvO ten aanzien
van commissies.
De Voorbereidende groep is tussen 19 november 2025 en 14 januari 2026 in totaal acht
keer bijeengekomen.
Vertrouwelijkheid
Gelet op de aard van het dossier, waaronder het strafdossier, het feitenonderzoek,
alsmede de persoonlijke betrokkenheid van Kamerleden en medewerkers, heeft de vertrouwelijkheid
nadrukkelijk de aandacht gekregen. In de constituerende vergadering hebben de leden
expliciet afspraken gemaakt over de vertrouwelijkheid van de stukken, documenten en
overleggen, in goed overleg met de Beveiligingsautoriteit van de Tweede Kamer en de
Programmamanager sociale veiligheid.
In de motie is gevraagd om een openbare rapportage. De Voorbereidende groep heeft
hier zoveel als mogelijk invulling aan gegeven waarbij zij steeds eventuele afspraken
over vertrouwelijkheid nadrukkelijk heeft afgewogen tegen het dictum van de motie.
Aanpak van de uitvoering motie Wijen-Nass c.s.
De Voorbereidende groep heeft in haar brief van 27 november 2025 aan de Kamer gemeld
dat het dictum van de motie Wijen-Nass c.s. leidend is bij haar werkzaamheden. Om
die reden heeft de Voorbereidende groep bij de uitvoering van de motie geen andere
moties meegenomen die zijn ingediend in het kader van dit dossier.
Om de motie op een zorgvuldige manier uit te kunnen voeren en tot een afgewogen rapportage
te komen, heeft de Voorbereidende groep het Presidium bij brief d.d. 21 november 2025
verzocht om:
– de leden van de Voorbereidende groep vertrouwelijke inzage te geven in het strafdossier
in lijn met de Presidiumbrief d.d. 1 september 2025 aan de Kamer (Kamerstuk 36 221, nr. 19), waarin leden van de commissies BiZa en J&V onder strikte voorwaarden inzage (hadden)
kunnen krijgen in het strafdossier bij Bureau Beveiligingsautoriteit van de Tweede
Kamer;
– een afschrift aan de Voorbereidende groep te sturen van het rapport van de Arbeidsinspectie,
waar op 18 november 2025 naar werd verwezen tijdens het debat over de Verkiezingen
van de Kamervoorzitter.4
– de Voorbereidende groep vertrouwelijk inzage te geven in het rapport Hoffman. De Voorbereidende
groep heeft daarbij aangegeven dat zij zich bewust is van het feit dat het Presidium
eerdere verzoeken vanuit de Kamer had afgewezen en dat uitgebreid heeft beargumenteerd.
De Voorbereidende groep heeft begrip voor het grote belang dat wordt gehecht aan de
gemaakte afspraken rondom de vertrouwelijkheid maar meende evenwel, mede gelet op
het plenaire debat d.d. 4 september 2025 en de unaniem aangenomen motie Wijen-Nass
c.s., dat het noodzakelijk is inzage te krijgen in «alle beschikbare stukken».
Het Presidium heeft bij brief van 10 december 2025 ingestemd met het verzoek. Daarbij
zijn tussen Voorzitter en de voorzitter van de Voorbereidende groep afspraken gemaakt
over het borgen van de vertrouwelijkheid van het strafdossier en in het bijzonder
het Hoffmann-rapport. Deze afspraken zijn door de Voorbereidende groep geaccordeerd.
Zo hebben de leden een aanvullende verklaring ondertekend in lijn met het onderzoeksprotocol
dat met betrokkenen van het feitenonderzoek, uitgevoerd door bureau Hoffmann, is afgesproken.
De Voorbereidende groep heeft vervolgens bij de uitvoering van de motie drie onderdelen
uit het dictum onderscheiden waar per onderdeel in een aparte paragraaf op wordt ingegaan.
Het betreft:
1) Openbare rapportage van de hele gang van zaken.
Paragraaf II gaat in op dit onderdeel van de motie. De Voorbereidende groep heeft
hiertoe een geannoteerde tijdlijn opgesteld over de gang van zaken op basis van alle
beschikbare documenten.
In de tijdlijn is alle correspondentie tussen Presidium en Kamer opgenomen inclusief
bijlagen, alsmede de handelingen/verslagen van alle plenaire en commissiedebatten.
Er is één mediabericht in de tijdlijn opgenomen omdat dit de aanleiding was voor het
Presidium om aangifte te doen wegens lekken.
2) Advies over het al dan niet starten van een traject tot het vervolgen van Kamerleden
voor het lekken.
Paragraaf III gaat in op dit onderdeel van de motie. Voor dit onderdeel hebben de
leden van de Voorbereidende groep inzage gehad in het strafdossier. Voor de goede
orde heeft de Voorbereidende groep onder «leden» waar de motie over spreekt, tevens
«oud-leden» verstaan.
In deze paragraaf wordt ook ingegaan op de samenloop van de motie Wijen-Nass c.s.
en de brief d.d. 4 september 2025 met het verzoek tot het in overweging nemen van
een aanklacht van het lid Markuszower c.s. (Kamerstuk 36 803, 1), mede in het kader van de Presidiumbrief d.d. 10 september 2025 over dit punt (Kamerstuk
36 803, nr. 3).
De Voorbereidende groep heeft in dit kader in een brief d.d. 27 november 2025 aan
de Kamervoorzitter laten weten dat zij heeft geconstateerd dat de brief met het verzoek
om een aanklacht in overweging te nemen op gespannen voet staat met een duidelijk
tijdpad voor de uitvoering van de motie Wijen-Nass c.s. De Voorbereidende groep gaf
in haar brief de Kamer drie scenario’s mee die elk hun effect hebben op haar werkzaamheden.5 Naar aanleiding van deze brief heeft het lid Markuszower op 2 december 2025 de Kamer
voorgesteld om te stemmen over zijn aanklacht. Het verzoek om dit op de stemmingslijst
te plaatsen wordt door de Kamer afgewezen.
De Kamer heeft diezelfde dag wel ingestemd met verlenging van de termijn op grond
van de Wet ministeriële verantwoordelijkheid tot 4 februari 2026.
3) Advies over lessen voor de toekomst over de sociale veiligheid tussen de ambtelijke
organisatie en de politieke ambtsdragers.
Paragraaf IV gaat in op dit onderdeel van de motie.
Paragraaf II
Tijdlijn Motie-Wijen-Nass
In deze paragraaf zijn de gebeurtenissen opgenomen die relevant zijn voor een beschrijving
van de gang van zaken, zoals verwoord in de motie, op basis van alle beschikbare documenten.6
In de tijdlijn is alle correspondentie tussen Presidium en Kamer opgenomen inclusief
bijlagen alsmede de handelingen/verslagen van alle plenaire en commissiedebatten.
Er is één mediabericht in de tijdlijn opgenomen omdat dit de aanleiding was voor het
Presidium om aangifte te doen wegens lekken.
De Voorbereidende groep heeft als startpunt voor de rapportage de eerste klachtmelding
uit februari 2022 genomen aangezien deze klacht expliciet onderdeel was van de besluitvorming
in het Presidium over het instellen van een feitenonderzoek, en als eindpunt de dag
dat de Voorbereidende groep de rapportage heeft vastgesteld (19 januari 2025). Binnen
deze periode hebben zich de belangrijkste ontwikkelingen voorgedaan waar de motie
Wijen-Nass c.s. op toeziet.7
Datum
Bron
Gebeurtenis
2022
10-02-2022
Kamerstuk 36 221, nr. 20
(bijlage)
Bij het lid Ploumen (fractievoorzitter PvdA) komt een anonieme brief binnen. In deze
brief wordt verwezen naar het werkbelevingsonderzoek dat in 2018 plaatsvond en wordt
gesproken over het vertrek van drie oud MT-leden in relatie tot de organisatiecultuur.
21-02-2022
Kamerstuk 36 221, nr. 20
(bijlage)
Het lid Ploumen heeft de brief doen toekomen aan de Griffier met het verzoek deze
ter kennis te brengen aan de Kamervoorzitter, het lid Bergkamp.
09-03-2022
De Kamervoorzitter deelt het Presidium tijdens de vergadering mee dat er een anonieme
brief is binnengekomen. Het Presidium vraagt de Griffier advies hoe hiermee om te
gaan. De Griffier vraagt advies bij Capra Advocaten.
22-04-2022
Capra Advocaten brengt advies uit over hoe om te gaan met de anonieme brief.
27-07-2022
Anonieme brief nummer 2 over sociaal onveilige werksfeer als gevolg van de opstelling
en het optreden van het lid Arib tijdens haar periode als Kamervoorzitter (2016–2021).
Aanleiding is de benoeming van het lid Arib tot voorzitter van de Tijdelijke commissie
corona.
14-09-2022
Het Presidium vergadert over de tweede binnengekomen anonieme brief. Het MT bevestigt
de voorvallen die in de brief beschreven staan. Het MT geeft aan zelf ook een sociaal
onveilige werksfeer te hebben ervaren. De Kamervoorzitter vraagt namens het Presidium
en de Griffier, Pels Rijcken advies uit te brengen over de vraag of de brief vanuit
juridisch oogpunt aanleiding moet geven voor nadere stappen en zo ja, hoe die eruit
zouden kunnen zien.
19-09-2022
Het Presidium overlegt nogmaals over de binnengekomen anonieme brief.
26-09-2022
Pels Rijcken (landsadvocaat) brengt advies uit over hoe om te gaan met de anonieme brief.
Het Presidium overlegt over het uitgebrachte advies.
28-09-2022
Het Presidium besluit tot het laten verrichten van een extern onafhankelijk onderzoek
naar aanleiding van de twee anonieme brieven.
Het Presidium besluit tevens dat de Voorzitter samen met twee ondervoorzitters de
oud-Kamervoorzitter zo spoedig mogelijk zal informeren.
Nog voordat het gesprek heeft kunnen plaatsvinden, publiceert NRC op 28 september
2022 over het besluit van het Presidium («Onderzoek naar mogelijk grensoverschrijdend
gedrag oud-Kamervoorzitter Arib», L. Aharouay, H. Logtenberg).
01-10-2022
Het Presidium besluit aangifte te doen van het lekken van informatie naar de pers
vanuit het Presidium bij de hoofdofficier van justitie van het arrondissement Den
Haag. De Kamervoorzitter doet aangifte op 3 oktober 2022.
Het lid Arib stelt haar Kamerzetel ter beschikking.
03-10-2022
Kamerstuk 36 221, nr. 1
Het Presidium stuurt een brief naar de Kamer met daarin alle hierboven genoemde gebeurtenissen.
Twee bijlagen:
– Advies Pels Rijcken (d.d. 26 september 2022);
– Besluitvormingsproces.
12-10-2022
Kamerstuk 36 221, nr. 5
Het Presidium stelt de opdracht voor het feitenonderzoek vast.
19-10-2022
Kamerstuk 36 221, nr. 2
Het Presidium besluit het bureau Hoffmann de opdracht te verlenen voor het feitenonderzoek.
01-11-2022
Besluitenlijst
De commissie voor de Werkwijze houdt een procedurevergadering, waar twee brieven van
het Presidium over het feitenonderzoek op de agenda staan (Kamerstuk 36 221, nrs. 1 en 2).
09-11-2022
Kamerstuk 36 221, nr. 5
Het Presidium en de Griffier besluiten het gedelegeerd opdrachtgeverschap voor het
feitenonderzoek te beleggen bij twee onafhankelijke derden.
11-11-2022
Kamerstuk 36 221, nr. 5
De Griffier (mw. Roos) en het MT leggen per direct hun taken neer.
Pels Rijcken brengt advies uit over het doorzetten van het feitenonderzoek na het vertrek van mw. Arib uit de
Kamer.
14-11-2022
Kamerstuk 36 221, nr. 5
Kamerstuk 36 221, nr. 6
Het Presidium stuurt naar aanleiding van de vergadering van de commissie voor de Werkwijze
van 1 november 2022, conform toezegging, een brief aan de commissie en aan de Kamer
waarin wordt ingegaan op de gestelde vragen over het feitenonderzoek. Twee bijlagen:
– Offerte Hoffmann (d.d. 19 oktober 2022);
– Advies Pels Rijcken over doorzetten feitenonderzoek (d.d. 11 november 2022).
16-11-2022
Besluitenlijst
De commissie voor de Werkwijze houdt een procedurevergadering, waar de brief van het
Presidium van 14 november 2022 op de agenda staat (Kamerstuk 36 221, nr. 5).
08-12-2022
Kamerstuk 36 221, nr. 7
Dhr. Hamilton wordt waarnemend Griffier van de Tweede Kamer.
21-12-2022
Kamerstuk 36 221, nr. 7
De volgende personen nemen het gedelegeerd opdrachtgeverschap voor het feitenonderzoek
op zich:
– prof. mr. W.H.A.C.M. Bouwens, hoogleraar arbeidsrecht;
– prof. dr. A. Nauta, bijzonder hoogleraar organisatiepsychologie;
– prof. dr. M. Noordegraaf, hoogleraar bestuurskunde.
2023
17-04-2023
Het onderzoeksrapport «Kracht zonder Tegenkracht. Sociale Veiligheid in de Tweede Kamer der Staten-Generaal» verschijnt, uitgevoerd door onderzoekers van de Universiteit Utrecht (L. Heres, M.
Naezer, M. Swinkels, I. Bertram, K. van den Bos, B. Sprokholt). Dit onderzoek kondigde
de Kamervoorzitter aan tijdens het Ramingsdebat op 21 juni 2021 naar aanleiding van
signalen over ongewenst gedrag (Kamerstuk 35 752, nr. 12).
08-06-2023
Kamerstuk 36 359, nr. 2
Het Presidium stuurt een schriftelijke reactie naar de Kamer op het onderzoeksrapport
van de Universiteit Utrecht «Kracht zonder Tegenkracht. Sociale Veiligheid in de Tweede Kamer der Staten-Generaal» van april 2023.
19-06-2023
Kamerstuk 36 328, nr. 15
Het wetgevingsoverleg over de Raming Tweede Kamer 2024 vindt plaats, waarbij er veel
discussie is tussen leden en de Kamervoorzitter over (de transparantie van) het feitenonderzoek
en de hiervoor genoemde gebeurtenissen.
Juli 2023
Kamerstuk 36 221, nr. 10
Prof. mr. W.H.A.C.M. Bouwens legt vanwege persoonlijke redenen zijn functie als gedelegeerd
opdrachtgever voor het feitenonderzoek neer. Prof. dr. M. Noordegraaf en prof. dr.
A. Nauta hebben gezamenlijk besloten dat het terugtreden van dhr. Bouwens niet in
de weg staat aan afronding van het feitenonderzoek.
28-08-2023
Kamerstuk 36 221, nr. 10
Het Presidium meldt dat het feitenonderzoek een langere doorlooptijd kent vanwege
juridische procedures van mw. Arib. Twee bijlagen:
– Reactie op e-mail van een aantal leden d.d. 18 augustus 2023 over het feitenonderzoek
n.a.v. twee anonieme brieven;
– Reactie GO op e-mail van de Commissie voor de Werkwijze d.d. 18 augustus 2023 over
extern onafhankelijk feitenonderzoek.
26-10-2023
Kamerstuk 36 221, nr. 12
Het Presidium en de waarnemend Griffier berichten de Kamer over de juridische bodemprocedure
die verband houdt met het feitenonderzoek. Twee bijlagen:
– Mail Leden aan Voorzitter en Griffier (d.d. 23 oktober 2023);
– Beslissing van de rechtbank inzake het treffen van een voorlopige voorziening (d.d.
25 oktober 2023).
31-10-2023
Kamerstuk 36 221, nr. 13
De gedelegeerd opdrachtgevers bieden het feitenonderzoek, uitgevoerd door Hoffmann,
aan het Presidium en de waarnemend Griffier aan. De samenvatting en het onderzoeksprotocol
worden naar de Kamer gestuurd. Drie bijlagen:
– Samenvatting Feitenonderzoek Tweede Kamer der Staten-Generaal;
– Onderzoeksprotocol Feitenonderzoek Tweede Kamer (Bureau Hoffmann);
– Begeleidend schrijven bij (rapport en samenvatting) feitenonderzoek Tweede Kamer.
17-11-2023
Kamerstuk 36 221, nr. 14
Het Presidium en de waarnemend Griffier informeren de Kamer over de wijze waarop opvolging
kan worden gegeven aan de bevindingen uit het feitenonderzoek.
22-11-2023
De verkiezing voor de Tweede Kamer vindt plaats.
05-12-2023
Het lid Bergkamp neemt afscheid van de Tweede Kamer.
06-12-2023
Installatie nieuwe Tweede Kamer.
Het lid Kamminga wordt tijdelijk Voorzitter van de Tweede Kamer.
14-12-2023
Het lid Bosma wordt Voorzitter van de Tweede Kamer.
19-12-2023
Dhr. Oskam wordt Griffier van de Tweede Kamer.
2024
Maart 2024
Kamerstuk 36 221, nr. 19
Het Openbaar Ministerie (OM) laat aan de Kamervoorzitter en de Griffier weten dat
het onderzoek van de Rijksrecherche naar het lekken uit het Presidium vastloopt. De
Voorzitter en de Griffier verzoeken dringend na te gaan of er toch geen aanknopingspunten
voor nader onderzoek aanwezig zijn. Kort daarna krijgt het OM nieuwe informatie en
is opnieuw naar de zaak gekeken. Dit leidt tot een doorstart van het opsporingsonderzoek.
04-03-2024
Kamerstuk 36 714, nr. 5
Aanstelling van de programmamanager sociale veiligheid in vervolg op het onderzoeksrapport
van de Universiteit Utrecht «Kracht zonder Tegenkracht».
17-06-2024
Kamerstuk 36 528, nr. 20
Het wetgevingsoverleg over de Raming Tweede Kamer 2025 vindt plaats, waarbij er onder
meer wordt gesproken over de kosten van het feitenonderzoek.
2025
05-02-2025
Kamerstuk 36 221, nr. 15
ECLI:NL:RBDHA:2025:1113
ECLI:NL:RBDHA:2025:1138
De rechtbank Den Haag doet uitspraak in de procedures van mw. Arib tegen de Tweede
Kamer, de gedelegeerd opdrachtgevers en Hoffmann. De rechtbank wijst de vorderingen
af en oordeelt dat het feitenonderzoek rechtmatig was en voldoende zorgvuldig is ingericht
en uitgevoerd.
12-06-2025
Kamerstuk 36 221, nr. 17
ECLI:NL:RBDHA:2025:10223
De rechtbank Den Haag doet uitspraak in de zaak rond het lekken van vertrouwelijke
informatie uit het Presidium. De rechtbank geeft aan dat vaststaat dat vertrouwelijke
informatie is gelekt uit de vergadering van het Presidium, maar het overtuigende bewijs
voor betrokkenheid van de verdachte – de voormalige woordvoerder van de toenmalige
Voorzitter – ontbreekt. De verdachte is vrijgesproken en er wordt geen hoger beroep
ingesteld.
27-06-2025
Kamerstuk 36 221, nr. 18
Het Presidium geeft een reactie op de uitspraak van 12 juni 2025, waarbij het onder
andere ingaat op andere bevindingen van de Rijksrecherche en de (on)wenselijkheid
van nader onderzoek.
30-06-2025
Kamerstuk 36 714, nr. 17
Kamerstuk 36 714, nr. 6
Kamerstuk 36 714, nr. 13
Het wetgevingsoverleg over de Raming Tweede Kamer 2026 vindt plaats, waarin ook wordt
gesproken over de kwestie-Arib. Het wetgevingsoverleg leidt tot twee in dit kader
relevante, aangenomen moties:
– Motie van het lid Wijen-Nass c.s. over nader onderzoek naar de gang van zaken bij
het onderzoek naar Arib en het trekken van lessen voor de toekomst;
– Motie van het lid Kathmann c.s. over het gesprek aangaan met oud-Kamervoorzitter
Arib.
Juli 2025
Kamerstuk 36 221, nr. 19
Mw. Arib stelt in de civiele procedure hoger beroep in.
01-09-2025
Kamerstuk 36 221, nr. 19
Het Presidium gaat in een brief aan de Kamer in op informatieverzoeken met betrekking
tot het feitenonderzoek en op de mogelijkheden voor nader onderzoek naar aanleiding
van de hiervoor genoemde motie-Wijen-Nass c.s. (Kamerstuk 36 714, nr. 6). Het Presidium meldt onder meer dat het strafdossier tijdelijk vertrouwelijk ter
inzage wordt gelegd voor leden van de commissie Binnenlandse Zaken en/of de commissie
Justitie en Veiligheid. Bijlage:
– Rapport feitenonderzoek Hoffmann (Hoofdstuk 1).
03-09-2025
Kamerstuk 36 221, nr. 20
Het Presidium verstrekt op uitdrukkelijk verzoek van de Kamer en bij uitzondering
het Capra-advies van 22 april 2022, dat naar aanleiding van de eerste anonieme brief
is uitgebracht. Het Hoffmann-rapport wordt niet verstrekt, omdat in het onderzoeksprotocol
strikte vertrouwelijkheid is opgenomen (wel zijn de samenvatting, het onderzoeksprotocol
en het eerste hoofdstuk van het rapport al aan de Kamer gestuurd). Bijlage:
– Advies Capra-advocaten (d.d. 22 april 2022).
04-09-2025
Kamerstuk 36 803, nr. 1
Kamerstuk 36 221, nr. 22
De leden Markuszower, Deen, Emiel van Dijk, Aardema en Van Meetelen sturen een brief
met het verzoek tot het in overweging nemen van een onderzoek naar een aanklacht tegen
oud-Kamervoorzitter Bergkamp.
Er vindt een plenair debat plaats over de totstandkoming van het onderzoek naar voormalig Kamervoorzitter Arib.
Dit debat leidt tot een aangenomen motie van het lid Wijen-Nass c.s. over het opstellen
van een openbare rapportage aan de Kamer door een voorbereidende groep van Kamerleden
over de feiten en omstandigheden rondom het onderzoek naar mw. Arib.
10-09-2025
Kamerstuk 36 803, nr. 3
Het Presidium stuurt een brief over de samenloop tussen de aangenomen motie van het
lid Wijen-Nass c.s. (Kamerstuk 36 221, nr. 22) en de aanklacht van het lid Markuszower c.s. op grond van Artikel 7 van Wmv (Kamerstuk
36 803, nr. 1). Het Presidium legt aan de Kamer de mogelijkheden voor, nu de opdracht aan de Voorbereidende
groep (VG) en de aanklacht van Markuszower c.s. een samenloop hebben.
12-09-2025
Kamerstuk 36 221, nr. 23
De Kamervoorzitter bezoekt opnieuw de oud-Kamervoorzitter, mw. Arib. Ook dit gesprek
leidt niet tot een oplossing zoals gevraagd in de motie van het lid Kathmann c.s.
over het gesprek aangaan met oud-Kamervoorzitter Arib (Kamerstuk 36 714, nr. 13).
23-09-2025
RvW
2025D45809
In de plenaire vergadering besluit de Kamer tijdens de Regeling van Werkzaamheden
op voorstel van het lid Mulder (PVV) om de stemming over de brief van de leden Markuszower,
Deen, Emiel van Dijk, Aardema en Van Meetelen (Kamerstuk 36 803, nr. 1) met het verzoek tot het in overweging nemen van een onderzoek naar een aanklacht
tegen oud-Kamervoorzitter Bergkamp, uit te stellen.
29-10-2025
De verkiezing voor de Tweede Kamer vindt plaats.
12-11-2025
Installatie nieuwe Tweede Kamer.
18-11-2025
Het lid Van Campen wordt Voorzitter van de Tweede Kamer.
19-11-2025
Kamerstuk 36 221, nr. 24
De constituerende vergadering van de VG vindt plaats, waarbij het lid Van der Plas
is benoemd tot voorzitter en het lid Bevers tot ondervoorzitter van de VG. De VG bestaat
uit de leden Sneller (D66), Jansen (PVV), Bevers (VVD), Mohandis (Groenlinks-PvdA),
Van Dijk (CDA), Van Meijeren (FvD) en Van der Plas (BBB).
25-11-2025
Kamerstuk 36 221, nr. 24
De VG laat in een brief aan de Kamervoorzitter weten dat zij in haar vergadering van
25 november 2025 heeft geconstateerd dat de brief met het verzoek om een aanklacht
in overweging te nemen (Kamerstuk 36 803, nr. 1) op gespannen voet staat met een duidelijk tijdpad voor de uitvoering van de motie
Wijen-Nass c.s. De VG geeft de Kamer drie scenario’s mee die elk hun effect hebben
op haar werkzaamheden.
02-12-2025
RvW
2026D00502.
Tijdens de plenaire Regeling van Werkzaamheden stelt het lid Markuszower voor te stemmen
over zijn aanklacht. Het verzoek om dit op de stemmingslijst te plaatsen wordt door
de Kamer afgewezen. De Kamer stemt wel in met verlenging van de termijn op grond van
de Wet ministeriële verantwoordelijkheid tot 4 februari 2026.
Paragraaf III
Advies over het al dan niet starten van een traject tot het vervolgen van Kamerleden
voor het lekken
De Voorbereidende groep heeft kennisgenomen van de beschikbare stukken die gaan over
het lekken van vertrouwelijke informatie uit het Presidium, na de besluitvorming op
28 september 2022 tot het instellen van een feitenonderzoek naar sociale veiligheid
van medewerkers in de Tweede Kamer organisatie. Deze kennisneming is verwerkt tot
een openbare rapportage, mede gevat in bijlagen, om op basis daarvan de Kamer te adviseren
over het al dan niet starten van een traject tot het vervolgen van (één of meer) (oud-)Kamerleden
voor het lekken van vertrouwelijke informatie uit het Presidium, zoals in het dictum
van de motie Wijen-Nass c.s. aan de Voorbereidende groep is opgedragen. Ter voorbereiding
van het advies is een notitie van de externe adviseur betrokken die als bijlage bij
deze rapportage is opgenomen.
De Voorbereidende groep heeft gestreefd naar een unaniem gedragen advies, maar dat
is uiteindelijk niet haalbaar gebleken.
Wettelijk kader vervolging wegens een politiek ambtsdelict
De vervolging wegens ambtsdelicten door leden van de Staten-Generaal, de Ministers
en de staatssecretarissen is uitgezonderd van het vervolgingsmonopolie van het Openbaar
Ministerie. De vervolgingsbeslissing wordt in die gevallen immers genomen door de
regering of bij een besluit van de Tweede Kamer (art. 119 Grondwet), terwijl de vervolging
plaatsvindt door de procureur-generaal bij de Hoge Raad (art. 111 lid 2, onder a,
Wet RO). De procedure voor een vervolgingsbeslissing van deze aard is, ook voor een
besluit van de Tweede Kamer, omschreven in de Wet ministeriële verantwoordelijkheid.
Er is in een vervolging wegens een politiek ambtsdelict dus een belangrijk verschil
met de procedure in gewone strafzaken. Gelet op het vervolgingsmonopolie en het opportuniteitsbeginsel,
bepaalt het Openbaar Ministerie doorgaans welke zaken wel en niet aan de rechter worden
voorgelegd. Het Openbaar Ministerie heeft in gewone strafzaken de vrijheid om te beslissen
om een strafzaak, hoewel bewijsbaar, niet te vervolgen op gronden aan het algemeen
belang ontleend. De met een vervolgingsopdracht van de Tweede Kamer belaste autoriteit,
de procureur-generaal bij de Hoge Raad, heeft volgens de bestaande wetgeving geen
marge om zelf de opportuniteit van een vervolging te wegen. Een vervolgingsopdracht
hoort daarom niet dan na een zorgvuldige voorbereiding en afweging te worden gegeven.
Van een dergelijke opdracht bestaat geen precedent.
De Voorbereidende groep acht het raadzaam om vooraf de aandacht te richten op de kenmerken
van een geschikt afwegingskader om in de verschillende fasen tot besluitvorming te
komen over het inslaan en verder begaan van een strafrechtelijk traject gericht op
mogelijke vervolging van een politicus op verdenking van een ambtsdelict.
De (nog) toepasselijke Wet ministeriële verantwoordelijkheid benoemt als eerste fase
in het strafrechtelijk traject het al of niet in overweging nemen van een aanklacht
van tenminste vijf leden over een ambtsdelict van een (al of niet gewezen) bewindspersoon
of Kamerlid. Als de Tweede Kamer een dergelijke aanklacht in overweging neemt, wordt
een commissie van onderzoek ingesteld die is belast met het opsporen en verzamelen
van alle bescheiden, inlichtingen en bewijzen, die tot opheldering van de feiten,
in de aanklacht vermeld, kunnen leiden. Zodra de commissie van onderzoek de aanklacht
genoegzaam toegelicht acht, brengt zij over de daarbij aangevoerde feiten verslag
uit aan de Tweede Kamer. De Tweede Kamer toetst de aangeklaagde feiten aan het recht,
de billijkheid, de zedelijkheid en het staatsbelang en neemt de eindbeslissing. Als
de Tweede Kamer genoegzame gronden tot vervolging aanwezig acht, geeft zij opdracht
aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad om de vervolging in te stellen.
Strafrechtelijk traject inslaan?
De Voorbereidende groep heeft een opdracht die aan de wettelijk omschreven procedure
voor vervolging van politieke ambtsdelicten voorafgaat. Het ligt niettemin voor de
hand dat ook in een voorbereidende fase proactief rekening wordt gehouden met de eventueel
volgende toetsing aan het recht, de billijkheid, de zedelijkheid en het staatsbelang.
Het gaat in deze voorbereidende fase, kort gezegd, over de vraag op grond waarvan
het inslaan van strafrechtelijk traject met het oog op opsporing ter mogelijke vervolging
al of niet zou moet worden geadviseerd. De volgende wegingsfactoren kunnen bij de
besluitvorming in deze fase in acht worden genomen.
Wegingsfactoren
1. Artikel 7, Wet ministeriële verantwoordelijkheid, stelt dat een aanklacht van ten
minste vijf leden van de Tweede Kamer met redenen omkleed moet zijn. Het is daarom
redelijk voldoende aanknopingspunten voor mogelijke verdenking van het begaan van
een ambtsdelict vast te stellen voordat tot het inslaan van een strafrechtelijk traject
wordt geadviseerd. Zonder duidelijke aanknopingspunten is een opsporingsonderzoek
niet aan te bevelen.
2. Het is redelijk, van belang te achten dat een mogelijke veroordeling na het in overweging
nemen van een aanklacht wegens het begaan van het ambtsdelict in kwestie, niet bij
voorbaat illusoir is. In dit verband kan worden gedacht aan de (korte) wettelijke
termijnen die staan voor het nemen van een eindbeslissing tot vervolging.
3. Het gewicht van een strafvervolging bij de Hoge Raad brengt redelijkerwijs mee dat
de vermoedelijk overtreden strafrechtelijke norm niet een bagatel betreft, maar een
voldoende serieuze aangelegenheid.
Ad 1) Op het moment van het indienen van een aanklacht hoeft nog niet voldaan te zijn
aan het vereiste van een redelijk vermoeden van schuld. Maar zonder duidelijke aanknopingspunten
voor een mogelijke verdenking, ligt het niet voor de hand een aanklacht in overweging
te nemen. Wanneer een aanklacht in overweging wordt genomen zal een commissie van
onderzoek uiteindelijk moeten adviseren of er genoegzame gronden voor een vervolging
zijn.
Ad 2) Wanneer het in overweging nemen van een aanklacht bij voorbaat niet tot een
veroordeling kan leiden, is zij een «mission impossible». De korte termijnen die voor
het nemen van een eindbeslissing die in het kader van de Wet ministeriële verantwoordelijkheid
zijn gesteld, kunnen in de weg staan aan een grondig onderzoek voorafgaand aan een
vervolgingsopdracht, zoals in het verleden bij onderzoek naar lekincidenten meermalen
is geconstateerd (Commissie De Wijckerslooth (2010); Commissie Schouten (2016). De
termijn voor het nemen van een eindbeslissing over een opdracht tot vervolging naar
aanleiding van de aanklacht van Markuszower c.s. verstrijkt op 4 februari 2026. Het
lijkt niet realistisch te veronderstellen dat de Tweede Kamer, gezien de daarvoor
vereiste tussenstappen, voor die datum na beraadslaging tot een eindbeslissing over
een advies van een commissie van onderzoek kan komen. Het in die context overhaast
inslaan van een strafrechtelijk traject, kan ertoe leiden dat betrokkene(n) ten onrechte
blijven lijden onder een verdachtmaking/beschuldiging die om formele redenen niet
zal worden opgehelderd.
Ad 3) Het in acht nemen van tevoren afgesproken geheimhouding is belangrijk is voor
het vertrouwen in de politiek. Bij handelen in strijd met deze norm is geen sprake
van een bagatel.
Motie Wijen-Nass c.s. en de aanklacht van Markuszower c.s.
De Voorbereidende groep constateert dat er door de indiening van de aanklacht van
Markuszower c.s. tegen (voormalig) Kamervoorzitter Bergkamp al een begin van een mogelijk
strafrechtelijk traject is gestart, voordat de motie Wijen-Nass c.s. werd aangenomen.
De Voorbereidende groep heeft daarom ook beraadslaagd over advisering van de Kamer
om deze aanklacht wel of niet «in overweging te nemen». Als de Kamer besluit de aanklacht
wel in overweging te nemen, wordt een commissie van onderzoek ingesteld die na te
verrichten opsporingsonderzoek, op basis van bevoegdheden ontleend aan de Wet op de
Parlementaire Enquête, tot taak heeft de Kamer te adviseren al of niet strafrechtelijke
vervolging te gelasten van de aangeklaagde.
Anders dan de hiervoor aangehaalde aanklacht tegen (voormalig) Kamervoorzitter Bergkamp,
is de motie Wijen-Nass c.s. breder gericht op waarheidsvinding ten aanzien van al
die (oud-)Kamerleden die voor het lekincident strafrechtelijk verantwoordelijk zouden
kunnen zijn. De Voorbereidende groep maakt daarom een onderscheid tussen advisering
over:
– het indienen en in overweging nemen van een nieuwe aanklacht tegen een of meer (oud-)Kamerleden en
– de advisering over de bestaande aanklacht.
Zijn er voldoende aanknopingspunten voor het in overweging nemen van een aanklacht?
Feitelijk kan op grond van de beschikbare stukken worden aangenomen dat er op 28 september
2022 naar de pers is gelekt. De motie Wijen-Nass c.s. gaat daar ook vanuit. Om opzettelijk
te kunnen lekken is in ieder geval de kennis van of de beschikking over hetgeen wordt
gelekt vereist. De (oud-)Kamerleden die op 28 september 2022 de vergadering van het
Presidium hebben bijgewoond behoren tot de kleine kring eerste kennisdragers van de
besluitvorming in het Presidium. Maar in de vroege fase na de aangifte van het lekincident
heeft het Openbaar Ministerie daarin geen reden gezien voor verdenking van deze Kamerleden.
Daarom is de zaak toen niet bij de procureur-generaal bij de Hoge Raad beland voor
een oriënterend onderzoek, maar is het strafrechtelijk onderzoek gericht op niet-Kamerleden
waartoe het Openbaar Ministerie en de rijksrecherche wel bevoegd zijn. Het strafrechtelijk
onderzoek dat werd ingesteld heeft geleid tot de vervolging van een verdachte die
door de rechtbank werd vrijgesproken. Het Openbaar Ministerie heeft daartegen geen
hoger beroep ingesteld, zodat de vrijspraak onherroepelijk is. Niet alleen initieel,
kort na de aangifte namens het Presidium, maar ook na voltooiing van het onderzoek
heeft het Openbaar Ministerie geen duidelijke aanwijzing gezien voor verdenking van
een (oud-)Kamerlid. Als uit een bij het Openbaar Ministerie binnengekomen aangifte
niet nadrukkelijk naar voren komt dat er (mogelijk) sprake is van een ambtsdelict
van een Kamerlid en (volgens de toelichting op het Protocol) bovendien uit het feitencomplex
niet het nadrukkelijk vermoeden rijst dat er sprake is van een ambtsdelict begaan
door een Kamerlid, is het Openbaar Ministerie niet gehouden de aangifte door te geleiden
met het oog op een oriënterend onderzoek door de procureur-generaal bij de Hoge Raad.8
De rechtbank heeft in de strafzaak over het lekincident vooropgesteld dat het onderzoek
van de rijksrecherche en het daaruit voortgevloeide dossier een aantal belangrijke
beperkingen kennen. Eén van deze beperkingen is dat het onderzoek zich, hoe begrijpelijk
wellicht ook, niet heeft gefocust op alle personen die in het kader van een lek vanuit
het Presidium van belang zouden kunnen zijn. In het vrijsprekend vonnis van de rechtbank
in deze zaak tegen de vervolgde ex-woordvoerder is verder uiteengezet dat de kennis
over de besluitvorming in het Presidium van de Tweede Kamer langs vele verschillende
wegen bij de pers kan zijn beland. In korte tijd na die besluitvorming waarover is
gelekt, waren hoogstwaarschijnlijk al een flink aantal mensen binnen de griffie en
de Tweede Kamer op de hoogte van het genomen besluit. Dat gegeven bemoeilijkt de bewijsvoering
tegen verdachten van lekken. Een selectief onderzoek gericht op een paar personen
kon volgens de rechtbank andere denkbare scenario’s niet overtuigend uitsluiten en
bood overigens ook geen wettig en overtuigend bewijs dat de berechte verdachte had
gelekt.
Het strafdossier dat de basis vormde voor de vervolging van de uiteindelijk vrijgesproken
verdachte was (alleen al omdat de bevoegdheid daartoe ontbrak) niet gericht op waarheidsvinding
naar de mogelijke betrokkenheid van Kamerleden. Twee voormalig Kamervoorzitters zijn
gehoord, de een vanwege de aangifte die zij namens het Presidium had gedaan en tevens
als getuige, de ander eveneens als getuige terwijl met haar ook een slachtoffergesprek
is gevoerd door de officier van justitie. Andere Kamerleden zijn niet gehoord in dat
onderzoek. In het strafdossier zijn dan ook niet veel gegevens te vinden over de rol
die Kamerleden mogelijk hebben gespeeld bij het lekincident.
Na de terechtzitting in de strafzaak tegen de woordvoerder medio mei 2025 wordt in
de pers aandacht besteed aan een mogelijke betrokkenheid van oud-Kamervoorzitter Bergkamp
daarbij. Als bron daarvoor wordt het verhandelde ter terechtzitting gebruikt, maar
ook het strafdossier. In deze publicaties komen elementen terug die ook als redenen
zijn opgegeven in de omkleding van de aanklacht van Markuszower c.s.
De Voorbereidende groep heeft het bovenstaande uitgebreid besproken op basis van de
beschikbare documenten en de notitie van de externe adviseur die als bijlage bij deze
rapportage is bijgevoegd. Zij heeft na ampel beraad geconstateerd dat de informatie
die uit de beschikbare documenten naar voren komt, door de leden van de Voorbereidende
groep verschillend wordt gewogen – in relatie tot de hierboven genoemde wegingsfactoren:
– zijn er voldoende aanknopingspunten om een mogelijke verdenking van het begaan van
een ambtsdelict vast te stellen?
– is een mogelijke veroordeling na het in overweging nemen van een aanklacht wegens
het begaan van het ambtsdelict in kwestie, niet bij voorbaat illusoir, waarbij kan
worden gedacht aan de wettelijke termijnen die staan voor het nemen van een eindbeslissing
tot vervolging?
– betreft de vermoedelijk overtreden strafrechtelijke norm geen bagatel, maar een voldoende
serieuze aangelegenheid?
Advies
De Voorbereidende groep komt in het licht van deze overwegingen, bezien in samenhang
met de gehele openbare rapportage, tot het volgende advies:
a. De Voorbereidende groep adviseert unaniem om geen nieuwe aanklacht wegens schending van geheimhouding (opzettelijk lekken) op 28 september
2022 tegen één of meer (oud-)Kamerleden in overweging te nemen. De summiere feiten
die in de beschikbare stukken over (oud-)Kamerleden zijn aangetroffen, bieden geen
andere duidelijke aanknopingspunten dan dat de leden van het Presidium of hun aanwezige
plaatsvervangers beschikten over de kennis die naar de pers is gelekt.
b. De Voorbereidende groep adviseert in meerderheid primair aan de Kamer op basis van de nu beschikbare gegevens om de aanhangige aanklacht van
Markuszower c.s. tegen oud-Voorzitter Bergkamp niet in overweging te nemen.
In het geval de Kamer ondanks het advies van de Voorbereidende groep toch besluit
de aanklacht van Markuszower c.s. in overweging te nemen, adviseert de Voorbereidende
groep in meerderheid subsidiair tot het starten van een strafrechtelijk traject dat zich uitstrekt tot alle (oud-)Kamerleden
die tot het moment van lekken beschikten over de kennis die naar de pers is gelekt.
De leden Jansen (PVV) en Van Meijeren (FvD) stellen zich op het standpunt dat de Kamer
de aanklacht van Markuszower c.s. wél in overweging zou moeten nemen. Er zijn naar
hun inzicht voldoende aanknopingspunten voor verder onderzoek, die onder meer zijn
aangegeven in de opgaaf van redenen voor de aanklacht.9
Aanbeveling met betrekking tot de Herzieningswet ambtsmisdrijven Kamerleden en bewindspersonen
Ten slotte brengt de Voorbereidende groep twee procedurele zaken onder de aandacht
van de Kamer.
– Allereerst adviseert de Voorbereidende groep om de wetgever aan te sporen om de breed
gedragen voorgenomen wetswijzigingen (Kamerstukken 34 340 en 34 871) met het oog op een praktisch werkbare en faire regeling van de vervolging van bewindspersonen
en Kamerleden wegens het begaan van ambtsdelicten, voortvarend ter hand te nemen.
De Voorbereidende groep heeft daarbij kennisgenomen van het recente advies van de
Raad van State d.d. 17 december 2025 jl. inzake de Herzieningswet ambtsmisdrijven
Kamerleden en bewindspersonen.
– Verder is bekend dat de regering voor de uitoefening van haar bevoegdheid vervolging
op te dragen van een bewindspersoon of Kamerlid wegens ambtsdelicten, een Protocol
heeft opgesteld dat tijdelijk (in afwachting van nieuwe wetgeving) voorziet in een praktische oplossing voor knelpunten
en/of onduidelijkheden in het voortraject van een dergelijke opdracht. De Tweede Kamer
kan overwegen aan het Presidium te vragen in overleg te treden met de Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad om te bezien of een op de bevoegdheid van de Tweede Kamer toegesneden
vergelijkbaar tijdelijk Protocol een oplossing zou kunnen bieden voor gesignaleerde
problemen in de voorfase van het overwegen van een opdracht tot het vervolgen van
Kamerleden of bewindspersonen. Uiteraard mag daarbij geen afbreuk worden gedaan aan
bevoegdheden van individuele Kamerleden en de Tweede Kamer op grond van de bestaande
wetgeving.
Paragraaf IV
Advies over lessen voor de toekomst over de sociale veiligheid tussen de ambtelijke
organisatie en politieke ambtsdragers
Vooraf
In de kern is het voor een goed functioneren van de Tweede Kamer een harde randvoorwaarde
dat iedere Kamerbewoner – ongeacht de ambtelijke of politieke functie die hij/zij
bekleedt – op respectvolle manier wordt bejegend door de andere Kamerbewoners.
Achtergrond
Het tweede deel van de motie Wijen-Nass is gericht op het trekken van lessen voor
de toekomst over de sociale veiligheid tussen de ambtelijke organisatie en politieke
ambtsdragers. In diverse brieven van het Presidium is de afgelopen periode uitvoerig
ingegaan op het duurzaam en systematisch verbeteren van de sociale veiligheid in de
Tweede Kamer.
Een belangrijk ijkpunt was het onderzoek van het onderzoeks- en adviesbureau verbonden
aan het departement Bestuurs- en Organisatiewetenschap (USBO) van de Universiteit
Utrecht dat op verzoek van de Voorzitter en de Griffier van de Tweede Kamer in 2022/2023
is uitgevoerd. Doel van het onderzoek was het geven van concrete inzichten die bijdragen
aan het duurzaam en systematisch verbeteren van de sociale veiligheid in de Kamer.
Het onderzoek kwam mede voort uit twee werkbelevingsonderzoeken in 2018 en 2021 onder
medewerkers van de ambtelijke organisatie.
Het rapport «Kracht zonder tegenkracht» werd in april 2023 aangeboden aan de Tweede
Kamer. Strekking van het rapport was dat ondanks dat een meerderheid van de Kamerbewoners
tevreden is over de sociale veiligheid op de werkvloer, een grote minderheid sociaal
onveilige situaties ervoer. Het rapport bevatte twintig aanbevelingen met betrekking
tot alle Kamerbewoners, zowel politiek en ambtelijk als in de dynamiek tussen beide
groepen Kamerbewoners.
In reactie op het rapport schreef het Presidium op 8 juni 2023 aan de Kamer:10
«Het Presidium is zich ervan bewust dat het verbeteren van de sociale veiligheid binnen
de Tweede Kamer een proces is dat inspanning, tijd en geduld zal vergen. De volgordelijkheid,
timing en samenhang in de uitvoering van de aanbevelingen uit het rapport zullen zorgvuldig
moeten worden gepland en afgestemd. Ook bij de uitwerking dient zorgvuldigheid voorop
te staan en is draagvlak essentieel.
Zoals in het rapport wordt gesteld, ontstaat een effectieve aanpak alleen als gelijktijdig,
doorlopend en op samenhangende wijze aan structuren, systemen én cultuur wordt gewerkt.
Structuren, systemen én cultuur die, omdat zij onder één dak (samen)werken, de politieke
en ambtelijke organisaties raken en die weer meer in balans moeten komen.
Uit het rapport blijkt dat het sociaal veiligheidsbeleid voor alle Kamerbewoners verbetering
behoeft. Dat dit een ingewikkelde opgave is, blijkt uit de eerder beschreven structuur
van verschillende werkgevers. Op dit moment is het beleid gefragmenteerd. De onderzoekers
benadrukken het belang dat álle Kamerbewoners voldoende kennis en inzicht moeten hebben
om sociaal onveilige situaties te herkennen en erkennen, en daarmee om weten te gaan.»
De brief kondigde ook de aanstelling aan van een externe programmamanager om te komen
tot een samenhangende aanpak van de twintig aanbevelingen voor de korte, midden- en
lange termijn. De programmamanager, met een ruime kennis van, en ervaring op sociale
veiligheid, is in maart 2024 gestart en valt direct onder de Griffier, waarmee een
onafhankelijke positie binnen de ambtelijke organisatie is geborgd. Zij heeft inmiddels
meer dan 500 Kamerbewoners gesproken en een conceptprogramma en actieplan opgeleverd
dat in het eerste kwartaal van 2026 met de Ondernemingsraad (OR) zal worden besproken
en daarna in het Presidium.
Het programma is een kwestie van lange adem en vraagt regie vanuit de top en programmamanager,
en commitment van alle Kamerbewoners. De tijdspanne van het programma is om die reden
bewust geraamd op zeven tot tien jaar voor een duurzame organisatieverandering. Het
programma bestaat daarom uit drie fasen:
Fase 1) opstart en bewustwording (deze fase is grotendeels uitgevoerd);
Fase 2) actief verankeren in handelen;
Fase 3) verankering in alle ambtelijke en politieke werkprocessen.
Uitvoering motie Wijen-Nass c.s.
Gelet op het dictum van de motie, heeft de Voorbereidende groep het accent gelegd
op de sociale veiligheid binnen de samenwerking tussen ambtelijke organisatie en politieke
ambtsdragers. Uiteraard gebeurt die samenwerking in een bredere context waar ook de ambtelijke
organisatie en de politieke organisatie (i.c. fracties) een wezenlijke rol spelen,
maar de achtergrond van de motie ligt primair in de relatie ambtelijke organisatie
en politieke ambtsdragers. Daarnaast worden in de recent aangenomen motie-Grinwis,
die het Presidium vraagt om een Gedragscode inzake omgangsvormen tussen Kamerleden
onderling en met ambtenaren en fractiemedewerkers, deze groepen al expliciet benoemd.11
Na een korte beschrijving van de betekenis van het onderzoek «Kracht zonder tegenkracht»
voor de ambtelijke organisatie, zoomt deze paragraaf dan verder in op het samenspel
tussen politieke en ambtelijke top.
Betekenis «Kracht zonder tegenkracht» voor de ambtelijke organisatie
De kern van de (vele, getrokken) lessen uit het onderzoek en het programma ligt in
een diepgaande cultuurverandering als belangrijkste component. Deze verandering vraagt
om voorbeeldgedrag van alle leidinggevenden in het bijzonder, oftewel het «tonen van
de top.»
Leiderschap is cruciaal om sociale veiligheid te bevorderen, omdat leidinggevenden
door hun gedrag medewerkers inspireren en verder brengen. Het gaat erom dat leidinggevenden
samen met alle medewerkers zichtbaar maken wat sociale veiligheid concreet betekent
in de praktijk en een omgeving creëren waarin medewerkers zich vrij voelen om zich
uit te spreken, elkaar aan te spreken en dilemma’s te bespreken.
Binnen het programma sociale veiligheid wordt nadruk gelegd op een positieve benadering
van sociale veiligheid. Dit betekent dat de focus ligt op werkplezier, vitaliteit
en veerkracht, waarbij fouten maken en daarvan leren worden gewaardeerd. Daarnaast
ligt het accent op helderheid en duidelijkheid, waaronder het trekken van een grens
en het durven «nee-zeggen» tegen onwenselijk gedrag. Het programma staat nadrukkelijk
ten dienste voor de gehele Kamerorganisatie. Leiderschapsontwikkeling, teaminterventies
en terugkerende bewustwordingssessies helpen medewerkers en leidinggevenden om patronen
te doorbreken en sociale veiligheid te versterken. Te allen tijde worden humor, ontspanning
en informele netwerken gestimuleerd om een gezonde werkcultuur te bevorderen.
De organisatorische structuur speelt daarnaast een cruciale rol in het programma.
De Tweede Kamer is een complexe organisatie waarin hiërarchische verhoudingen en afhankelijkheden
soms sociale veiligheid onder druk zetten. Om die reden worden leiderschapsontwikkelingsprogramma’s
opgezet die zowel huidige als toekomstige leidinggevenden ondersteunen. Vertrouwenspersonen,
de ondernemingsraad, personeelsraadgever, bedrijfsmaatschappelijk werk en mediators
krijgen een sterkere rol in de preventieve structuur, zodat signalen van onveiligheid
vroegtijdig kunnen worden opgevangen. Sinds 1 april jl. is er één advieslijn en op
termijn komt er één meldpunt voor alle Kamerbewoners onder het programma sociale veiligheid.
Ook mediation maakt onderdeel uit van het sociale veiligheidsbeleid. In november jl. zijn alle
interne vertrouwenspersonen vernieuwd en is het team van externe vertrouwenspersonen
uitgebreid met twee fte. Fractiemedewerkers en ambtenaren vormen nu gezamenlijk één
team van vertrouwenspersonen, en fracties kunnen op elk moment een beroep doen op
de (groep van) vertrouwenspersonen.
Een centraal meldpunt moet het tot slot makkelijker maken voor medewerkers om vragen
ideeën, signalen, klachten en meldingen te delen, terwijl transparante protocollen
duidelijkheid bieden over de afhandeling daarvan. Daarnaast wordt sociale veiligheid
opgenomen in jaarplannen, interne communicatie en feedbackprocessen, zodat het thema
voortdurend onder de aandacht blijft.
Tot slot heeft de Voorbereidende groep kennis kunnen nemen van de brief d.d. 4 juni
2024 die de Arbeidsinspectie schreef aan de directie van de Tweede Kamer naar aanleiding
van een inspectie naar intern ongewenst gedrag (IOG). De inspectie schrijft in de
brief dat: «Uit de gevoerde gesprekken en de bestudeerde documenten is gebleken dat de Tweede
Kamer belangrijke stappen heeft ondernomen en maatregelen heeft genomen om het risico
op IOG aan te pakken. Allereerst willen we benadrukken dat wij het grote aantal goede
initiatieven rondom het thema ongewenst gedrag bij de Tweede Kamer toejuichen, alsmede
het benoemen van een programmamanager IOG».12
De inspectie stelde in de brief één zgn. eis tot naleving, te weten een risicoinventarisatie-
en evaluatie (RI&E) met bijbehorend plan van aanpak. Deze RI&E is op 1 december jl.
vastgesteld en aan de Arbeidsinspectie toegestuurd, en wordt binnenkort op verzoek
van de directie tussentijds besproken met de Arbeidsinspectie.
Sociale veiligheid binnen het samenspel tussen ambtelijke organisatie en politieke
ambtsdragers
Over het samenspel tussen ambtelijke organisatie en politiek schreef het Presidium
het volgende in de brief d.d. 17 november 2023 aan de Kamer.13
Governance
«Het is voor het functioneren van de ambtelijke organisatie en een goede samenwerking
tussen ambtelijke organisatie en politiek van belang dat helderheid bestaat over rollen
en verantwoordelijkheden ten aanzien van de aansturing van de ambtelijke organisatie.
(...) Het uitgangspunt daarbij is dat de Griffier verantwoordelijk is voor de aansturing
van de ambtelijke organisatie (conform het Reglement van Orde). Het Presidium oefent
hierop toezicht uit.
Het Presidium en de Voorzitter respecteren de formele aansturingslijnen binnen de
ambtelijke organisatie. De Voorzitter geeft, uitgaande van de in de Raming vastgestelde
kaders en door de Kamer genomen besluiten, aan welke grote taken prioriteit in de
uitvoering hebben. De Griffier en de ambtelijke leiding bepalen hoe de taken met inachtneming
van de beschikbare mensen en middelen worden uitgevoerd. De Griffier informeert het
Presidium proactief over belangrijke ontwikkelingen die zich in de ambtelijke organisatie
voordoen en periodiek over de voortgang en de uitvoering van beleid waarvan bij de
behandeling van de Raming door de Kamer is gekozen.
De Voorzitter informeert de Griffier over wensen en verlangens die binnen de Kamer
leven ten aanzien van de dienstverlening door de ambtelijke organisatie en verzoekt
daarop te acteren. Een goede dagelijkse samenwerking tussen Voorzitter en Griffier,
op basis van ieders eigen verantwoordelijkheid, voorkomt dat er binnen de ambtelijke
organisatie en tussen de ambtelijke organisatie en de politiek onduidelijkheid bestaat
over rollen en rolverdeling.
Leiderschap
In dit kader spelen leidinggevenden een belangrijke rol bij het zorgen voor een veilige
werkomgeving en het zo nodig opvolgen van signalen in geval medewerkers geen veilige
werkomgeving ervaren. Daarom is het van belang dat leidinggevenden voldoende inzicht
hebben welke specifieke kenmerken van het werken in de Tweede Kamer kunnen leiden
tot een gevoel van onveiligheid bij medewerkers.
Wanneer leidinggevenden van de ambtelijke organisatie weten waar mogelijke risico’s
bestaan, zullen zij die eerder herkennen en kunnen bespreken. Dan kan hen ook specifieke
ondersteuning worden aangeboden, bijvoorbeeld in de vorm van reguliere intervisie
over dit thema of het ontwikkelen van vaardigheden die nodig zijn voor het voeren
van gesprekken of voor het herkennen van signalen.
Het bevorderen van sociale veiligheid is ook opgenomen in het concept functieprofiel
van de Voorzitter van de Tweede Kamer. Wij geven de fracties in overweging om bij
het selecteren van leden voor het Presidium eveneens rekening te houden met het vermogen
van kandidaten om toe te zien op de aansturing van de ambtelijke organisatie door
de Griffier en in het bijzonder op het borgen van een veilig werkklimaat.
Oppakken signalen
Het zorgen voor een veilig werkklimaat voor ambtenaren van de Kamer vraagt verder
dat ervaringen en signalen van (ervaren) onveiligheid in de politiek-ambtelijke werkverhoudingen
tijdig het Presidium en de Griffier bereiken en zo bespreekbaar kunnen worden gemaakt.
Op basis daarvan kunnen patronen worden herkend en acties worden ondernomen om een
veilig werkklimaat te verbeteren en herhaling van ongewenst gedrag te voorkomen.
Door het ontbreken van een overzicht van signalen en door mogelijke terughoudendheid
om zaken rechtstreeks bespreekbaar te maken, kan het voorkomen dat bij de Voorzitter,
de Griffier en het Presidium verschillende beelden bestaan over wat er onder ambtenaren
leeft waar het gaat om de politiek-ambtelijke samenwerking.
Een meer gestructureerde aanpak voor het bespreekbaar maken van signalen en ervaringen
met betrekking tot (mogelijk) ongewenst gedrag in de politiek-ambtelijke samenwerking
is wenselijk. Dit kan bijdragen aan een beter beeld van het werkklimaat in de politiek-ambtelijke
verhoudingen.
Het is helder dat daarbij randvoorwaardelijk is dat vertrouwen en veiligheid voor
alle betrokkenen moet zijn geborgd. Als het Presidium en Griffier goed in kaart hebben
wat er speelt binnen de organisatie kunnen zij de dialoog aan gaan met de organisatie
en met de medewerkers over gewenste samenwerking en omgangsvormen. Het stelt het Presidium
en de Griffier in staat om kwetsbaarheden in de politiek ambtelijke samenwerking beter
te begrijpen en zo nodig initiatieven en maatregelen te nemen om het veilige werkklimaat
verder te versterken.
Ten behoeve daarvan is het ook wenselijk dat het Presidium en de Griffier gezamenlijk
een jaarlijks gesprek hebben met de ondernemingsraad over de sociale veiligheid van
ambtenaren die werkzaam zijn bij de Tweede Kamer.»
Dit samenstel van governance, leiderschap en het oppakken van signalen vormen naar de mening van de Voorbereidende groep de kern van een effectief samenspel
voor een veilig werkklimaat. Zij bieden een goede basis om óók in de gevallen dat
het wringt, er met elkaar uit te kunnen komen. Daarbij geeft de Voorbereidende groep
de Kamer, en het Presidium in het bijzonder, het volgende mee.
– Binnen de beschreven rolverdeling tussen ambtelijke een politieke top is het noodzakelijk
dat de ambtelijke organisatie – en hun leidinggevenden en ambtelijke top in het bijzonder
– het vermogen en de ambitie hebben om «moedig mee te denken» – Speaking truth to power. Dat vraagt gelijktijdig vanuit de politiek het vermogen om tegengesproken te wíllen
worden.14
– Ook acht de Voorbereidende groep het wenselijk als er (meer) uniformiteit komt in
de regels en procedures t.a.v. sociale veiligheid en integriteit voor de ambtelijke
en politieke organisatie, en dat men over en weer op de hoogte is van elkaars regels.
Dit kan desgewenst worden ondersteund door een adequaat trainingsaanbod vanuit het
programma sociale veiligheid. Daarbij merkt de Voorbereidende groep op dat fracties
– en uiteindelijk individuele leden – zelf gaan over de inrichting van hun eigen ondersteuning.
– Maak (nieuwe) Kamerleden bewust van het feit dat je als Kamerlid te maken hebt met
een ambtelijke en politieke organisatie die elk hun eigen rechtspositie kennen, én
daardoor verschillende formele en informele machtsverhoudingenverhoudingen met zich
brengen. Deze – voor het parlement specifieke – verhoudingen zijn van invloed op de
samenwerking tussen de verschillende groepen Kamerbewoners. Het is van belang, óók
voor de sociale veiligheid, dat Kamerleden hierover worden geïnformeerd – in ieder
geval als vast onderdeel in het inwerkprogramma voor nieuwe Kamerleden en in fractiebijeenkomsten.
– De Voorbereidende groep meent verder dat met name het «oppakken van signalen», zoals
beschreven in de Presidiumbrief van november 2023, in eerdere perioden onvoldoende
adequaat heeft kunnen plaatsvinden. In de genoemde Presidiumbrieven en in diverse
debatten is hier aandacht aan besteed. De Voorbereidende groep geeft het Presidium
in overweging om halfjaarlijks over dit thema te reflecteren met de Griffier, de directie/programmamanager
sociale veiligheid, en jaarlijks aandacht aan dit thema te besteden in de Raming.
– De Kamer zelf kan bij de keuze voor haar Voorzitter en ondervoorzitters, die gezamenlijk
het Presidium vormen, voldoende aandacht (blijven) schenken aan de bestuurlijk ervaring
van kandidaten, en zo bij te dragen aan een effectieve rolneming tussen politieke
en ambtelijke top. Zij vormen immers met elkaar de toezichthouder op de wijze waarop
de Griffier leidinggeeft aan de ambtelijke organisatie van ca. 750 medewerkers. De
Voorbereidende groep stelt dat ervaringen in eerdere perioden duidelijk maken dat
structurele aandacht gewenst blijft voor het in de Presidiumbrief genoemde uitgangspunt
dat de Griffier verantwoordelijk is voor de aansturing van de ambtelijke organisatie
en het Presidium daar toezicht op uitoefent.
– De Voorbereidende groep merkt verder op dat, in geval de samenwerking tussen politieke
en ambtelijke top toch van de rails loopt en gesprekken of andere interventies geen
soelaas hebben geboden, de vraag voorligt welk escalatiemodel de Kamer dan voor ogen
staat. De Voorbereidende groep heeft in dat kader kennisgenomen van de motie-Grinwis
c.s. (Kamerstuk 36 714, nr. 15) over het opstellen van een gedragscode inzake de omgangsvormen tussen Kamerleden
onderling en met ambtenaren en fractiemedewerkers. Een dergelijke code bestaat al
in het Verenigd Koninkrijk (Houses of Commons and Lords); bij de Eerste Kamer bevindt
deze gedragscode zich in de fase van schriftelijke voorbereiding in de commissie.
De Voorbereidende groep meent dat een gedragscode van waarde kan zijn in aanvulling op het tijdig bespreekbaar maken van signalen en ervaringen zoals geschetst in de genoemde
Presidiumbrief; het zou er echter niet voor in de plaats moeten komen.
– In aanvulling op deze gesprekken pleit de Voorbereidende groep voor (Kamerbrede/fractieoverstijgende)
activiteiten die de onderlinge (informele) verhoudingen Kamerbreed en fractieoverstijgend
ten goede kunnen komen. Die lijken de laatste Kamerperioden minder vanzelfsprekend
te worden terwijl dergelijke (informele) contacten in het Kamerwerk altijd een verbindende
rol hebben gespeeld – alle politieke verschillen ten spijt.
Resumerend komt de Voorbereidende groep tot de volgende aanbevelingen:
a) Start na de bespreking in het Presidium zo spoedig mogelijk met de implementatie van
het actieplan sociale veiligheid, en zorg voor de duur van het programma dat bij de
Raming voldoende capaciteit wordt opgenomen om de implementatie mogelijk te maken.
b) Bespreek halfjaarlijks het thema sociale veiligheid in het Presidium samen met de
directie en programmamanager, en geef jaarlijks een stand van zaken over dit thema
in de Raming.
c) Faciliteer «moedig meedenken» vanuit de ambtelijke organisatie richting de politiek,
en haal als ambtelijke organisatie gestructureerd de ervaringen op bij leden over
de verwachtingen met betrekking tot de ambtelijke ondersteuning.
d) Zet als Presidium in op meer uniformiteit in de regels en procedures met betrekking
tot sociale veiligheid en integriteit voor de ambtelijke en politieke organisatie.
e) – Maak (nieuwe) Kamerleden bewust van het feit dat je als Kamerlid te maken hebt met
een ambtelijke en politieke organisatie die elk hun eigen rechtspositie kennen, én
daardoor verschillende formele en informele machtsverhoudingenverhoudingen met zich
brengen. Besteed hier aandacht aan, in ieder geval tijdens het inwerkprogramma voor
nieuwe Kamerleden en in fractiebijeenkomsten.
f) Onderstreep bij het opstellen van een gedragscode dat deze van waarde kan zijn in aanvulling op het tijdig bespreekbaar maken van signalen en ervaringen zoals geschetst in de genoemde
Presidiumbrief; het zou er echter niet voor in de plaats moeten komen.
g) Zorg voor activiteiten die de onderlinge (informele) verhoudingen Kamerbreed en fractieoverstijgend
ten goede kunnen komen.
Tot slot
De Voorbereidende groep spreekt haar waardering uit voor alle stappen die al zijn
gezet op het gebied van sociale veiligheid en onderstreept het belang van de centrale
aanjaagrol door de programmamanager voor de volledige duur van het programma. Zij
meent dat het genoemde programma sociale veiligheid dat dit jaar (2026) in uitvoering
gaat, de Kamerorganisatie verder kan laten groeien als organisatie waar hard wordt
gewerkt in een prettige en sociaal veilige omgeving.
Bijlage 1
36 221
Instellen van een extern onderzoek naar aanleiding van twee anonieme brieven
Nr. 22
MOTIE VAN HET LID WIJEN-NASS C.S.
Voorgesteld 4 september 2025
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de Kamer eerder een motie heeft aangenomen die uitspreekt dat nader
onderzoek plaats moet vinden naar het onderzoek naar Khadija Arib en alles wat daarbij
fout is gegaan, met als doel waarheidsvinding rondom de gehele gang van zaken bij
het onderzoek naar Arib en het trekken van lessen voor de toekomst;
constaterende dat het lijvige strafdossier nu vertrouwelijk ter inzage is gelegd en
er over andere stukken nog discussie plaatsvindt over of deze vertrouwelijk of openbaar
met de rest van de Kamer gedeeld worden;
spreekt uit dat een voorbereidende groep van Kamerleden kennis gaat nemen van alle
beschikbare stukken om vervolgens te komen tot een openbare rapportage over de hele
gang van zaken, feiten en omstandigheden rondom het onderzoek naar Arib op basis van
alle beschikbare documenten met als doel om een advies aan de Kamer uit te brengen
over het al dan niet starten van een traject tot het vervolgen van Kamerleden voor
het lekken en om lessen te trekken voor de toekomst over de sociale veiligheid tussen
de ambtelijke organisatie en de politieke ambtsdragers,
en gaat over tot de orde van de dag.
Wijen-Nass
Van Nispen
Van Waveren
Kathmann
Bijlage 2
36 803
Verzoek tot het in overweging nemen van een onderzoek naar een aanklacht
Nr. 1
BRIEF VAN DE LEDEN MARKUSZOWER, DEEN, EMIEL VAN DIJK, AARDEMA EN VAN MEETELEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 4 september 2025
Ondergetekenden zijn van mening, dat uit feiten en omstandigheden het redelijke vermoeden
bestaat, dat in ieder geval oud-Kamervoorzitter Vera Bergkamp, het op haar rustende
ambtsgeheim opzettelijk heeft geschonden, door vertrouwelijke informatie over anonieme
klachten aangaande het vermeende functioneren van oud-Kamervoorzitter Khadija Arib
alsmede het instellen van een onderzoek hiernaar dan wel onderzoeksresultaten hieromtrent
heeft gedeeld dan wel heeft laten delen met in ieder geval de media, in het bijzonder
journalisten van NRC.
Deze feiten en omstandigheden betreffen onder andere en niet-uitputtend:
– de hardnekkige geruchten dat er een hetze is georganiseerd tegen Arib, die vooral
zou zijn ingegeven door persoonlijk wrok;
– eveneens de hardnekkige geruchten dat uit het onderzoek van de Rijksrecherche zou
blijken dat Bergkamp tussen 28 september 2022 en 3 oktober 2022 zelf heeft gesproken
met 2 NRC-journalisten over de anonieme meldingen aangaande Arib;
– de betrokkenheid van én het kennis hebben van het strategisch overleg tussen de ambtelijke
top, waarbij scenario’s zijn besproken om de publicatie van het onderzoeksbesluit
naar feiten zoals omschreven in twee anonieme brieven te manipuleren;
– het telefoonverkeer rondom het onderzoeksbesluit tussen Bergkamp, haar woordvoerder
Sonja K., oud-griffier Simone Roos en oud-huisvestigingsdirecteur Jaap van Rhijn alsmede
ander telefoondata in handen van de Rijksrecherche;
– het schrappen van de naam van woordvoerder Sonja K. van de lijst met namen van mensen
die toegang hadden tot de vertrouwelijke stukken en die aan de Rijksrecherche is verstrekt;
– het door de ambtelijke top (laten) verwijderen van appverkeer, onder andere met Sonja
K., en e-mailverkeer;
– de publicatie van NRC over het onderzoeksbesluit van het Presidium;
– het geheime gesprek met een journalist in de Tweede Kamer;
– de verklaring(en) van oud-Kamervoorzitter Khadija Arib in dezen;
– de verklaring van Kamervoorzitter Martin Bosma, die de beschuldiging richting Bergkamp
«verontrustend en ernstig» noemt;
– de schriftelijke verklaring van de partner van de oud-griffier Simone Roos dat: «alles
werd besproken met de toenmalig Voorzitter», in casu Bergkamp;
– het feit dat het strafrechtelijke onderzoek tot nog toe uitsluitend was gericht op
de mogelijke betrokkenheid van niet-Kamerleden bij het lek naar de pers en niet op
de betrokkenheid van Bergkamp en de andere leden van het Presidium;
– de verwijzing van het OM en de Rijksrecherche naar de procureur-generaal bij de Hoge
Raad, voor wat betreft de bevoegdheid om strafrechtelijk onderzoek te doen naar Kamerleden
en hun impliciete advies om de beslissing omtrent het vervolgen van Bergkamp over
te laten aan de Kamer.
Uit bovengenoemde feiten en omstandigheden, al dan niet in onderlinge samenhang bezien,
en niet uitputtend opgesomd rijst het redelijke vermoeden dat Bergkamp in ieder geval
mogelijk in strijd heeft gehandeld met haar wettelijke plicht en haar ambtsgeheim
heeft geschonden zoals neergelegd is in artikel 272 Wetboek van Strafrecht.
Derhalve dienen ondergetekenden op grond van artikel 272 Sr juncto artikel 7 Wet ministeriële
verantwoordelijkheid en ambtsdelicten leden Staten-Generaal, Ministers en Staatssecretarissen
een aanklacht in tegen oud-Kamervoorzitter Bergkamp ter zake van het opzettelijke
schenden van het op haar rustende ambtsgeheim en verzoeken u de Kamer in overweging
te geven deze aanklacht te onderzoeken.
Markuszower
Deen
E. van Dijk
Aardema
Van Meetelen
Bijlage 3
Notitie ten behoeve van het advies over het al dan niet starten van een traject tot
het vervolgen van Kamerleden wegens lekken van vertrouwelijke gegevens
Inhoudsopgave
Hst 1 Inleiding (dictum: strafrechtelijk deel)
Hst 2 Strafvervolging in opdracht van de Tweede Kamer: de procedure
Hst 3 Openbare rapportage en het strafdossier
Hst 4 De strafzaak tegen de woordvoerder: vrijspraak
Hst 5 Verdenking van een of meer Kamerleden?
Hst 1 Inleiding (dictum: strafrechtelijk deel)
Dictum
In het dictum van de motie Wijen-Nass c.s.15 zijn twee opdrachten geformuleerd voor de Voorbereidende groep van Kamerleden. Dit
deel van het rapport gaat over de eerste opdracht die in de motie als volgt is verwoord:
De Kamer spreekt uit dat een voorbereidende groep van Kamerleden kennis gaat nemen
van alle beschikbare stukken om vervolgens te komen tot een openbare rapportage over
de hele gang van zaken, feiten en omstandigheden rondom het onderzoek naar Arib op
basis van alle beschikbare documenten met als doel om een advies aan de Kamer uit
te brengen over het al dan niet starten van een traject tot het vervolgen van Kamerleden
voor het lekken (...).
Leeswijzer
Deze notitie ten behoeve van het strafrechtelijk deel van de rapportage is opgebouwd
uit zes onderdelen, zoals in de genummerde inhoudsopgave is weergegeven. Na de Inleiding
(1) die de opdracht voor de Voorbereidende groep voor het strafrechtelijk deel behelst,
wordt onder (2) de wettelijke procedure beschreven voor strafvervolging in opdracht
van de Tweede Kamer. Bijzondere aandacht wordt gegeven aan het korte tijdbestek waarin
de Tweede Kamer tot een eindbeslissing kan komen, nadat een aanklacht is ingediend.
Onder (3) wordt besproken of en in hoeverre gegevens uit het strafdossier waarover
de Tweede Kamer beschikt, mogen worden verwerkt voor een openbare rapportage door
de Voorbereidende groep. Onder (4) wordt de strafzaak tegen de (vroegere) woordvoerder
van de (voormalige) Kamervoorzitter en het vrijspraakvonnis beschreven. Die zaak betreft
het lekincident waarover de Voorbereidende groep zich buigt, maar dan in relatie tot
mogelijke strafrechtelijke betrokkenheid van één of meer Kamerleden. Onder (5) wordt
ingegaan op de strafbaarstelling van schenden van geheimhouding in de uitgeoefende
betrekking en op de inhoud van het strafdossier voor zover die gerelateerd is aan
Kamerleden.
Hst 2. Strafvervolging in opdracht van de Tweede Kamer: de procedure
De bevoegdheid tot het geven van een opdracht tot strafvervolging wegens ambtsdelicten
begaan in de betrekking van een Kamerlid of bewindspersoon berust bij de regering
en bij de Tweede Kamer.16
Deze bevoegdheid is grondwettelijk verankerd (artikel 119 Gw) en wettelijk verder
vormgegeven in de Wet ministeriële verantwoordelijkheid (hierna Wmv).
De Wmv bevat een tamelijk uitgebreide procedure voor de manier waarop de Tweede Kamer
kan komen tot een opdracht tot vervolging van een Kamerlid of bewindspersoon wegens
een ambtsdelict (Hoofdstuk 2, art. 7 t/m 19). Kort samengevat door de Commissie Fokkens
behelst zij het volgende:
De procedure moet worden gestart met een schriftelijke en gemotiveerde «aanklacht»
van ten minste vijf Tweede Kamerleden wegens een vermoedelijk ambtsdelict. Nadat de
Kamervoorzitter degene tegen wie de aanklacht is gericht in de gelegenheid heeft gesteld
om schriftelijk of mondeling een zienswijze naar voren te brengen, is het aan (een
meerderheid van) de Tweede Kamer om te besluiten om de aanklacht «in overweging te
nemen». Neemt de Kamer de aanklacht in overweging, dan moet zij een uit Tweede Kamerleden
bestaande «commissie van onderzoek» instellen, die «is belast met het opsporen en
verzamelen van alle bescheiden, inlichtingen en bewijzen, die tot opheldering van
de feiten, in de aanklacht vermeld, kunnen leiden» (artikel 11, eerste lid, Wmv).
De Wmv verklaart grote delen van de procedure uit de Wet op de parlementaire enquête
2008 (Wpe) op dit onderzoek van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
degene tegen wie de aanklacht is gericht niet verplicht is om de commissie van onderzoek
medewerking te verlenen en er bovendien familiaal verschoningsrecht geldt. In iedere
stand van het onderzoek is de commissie verplicht om degene tegen wie de aanklacht
is gericht, indien deze dit wenst, te horen. Na beëindiging van het onderzoek brengt
de commissie verslag uit aan de Kamer. Bij de beraadslaging moet de aangeklaagde persoon
desgevraagd worden gehoord en het laatste woord krijgen. De Kamer toetst de aangeklaagde
feiten «aan het recht, de billijkheid, de zedelijkheid en het staatsbelang».
Als de Kamer «genoegzame gronden tot vervolging aanwezig acht», geeft ze aan de Procureur-generaal
bij de Hoge Raad opdracht om de vervolging in te stellen. Het besluit van de Tweede
Kamer moet «een nauwkeurige aanduiding van het ten laste gelegde feit» bevatten. Binnen
drie dagen moeten het besluit, de aanklacht en andere relevante informatie aan de
PGHR worden toegezonden. Deze moet aan de opdracht tot vervolging onmiddellijk gevolg
geven.
Het wettelijk voorgeschreven tijdpad van besluitvorming na de aanklacht van vijf Kamerleden
In de brief van het Presidium van 10 september 2025 (Kamerstuk 36 803, nr. 3) is ingegaan op de samenloop tussen de met redenen omklede aanklacht van vijf leden
van de Tweede Kamer (Kamerstuk 36 803, nr.1 door Markuszower, Deen, Emiel van Dijk, Aardema en Van Meetelen) tegen oud-Kamervoorzitter
Bergkamp en de op 9 september 2025 kamerbreed aanvaarde motie Wijen-Nass c.s. Hier
wordt nog eens kort ingegaan op deze problematiek met het oog op beslissingen over
het te volgen tijdpad.
Het Presidium heeft erop gewezen dat het aan de Tweede Kamer is om een besluit te
nemen over het al of niet in overweging nemen van de aanklacht. Daarbij is geattendeerd
op de korte termijn waarin de Kamer tot een eindbeslissing kan komen aangaande die
aanklacht, te weten uiterlijk drie maanden na indiening17, eventueel te verlengen met twee maanden.18 De niet verlengde termijn loopt in dit geval van 4 september 2025 tot 4 december
2025. Na tijdige verlenging (bij Kamerbesluit) moet de eindbeslissing op deze aanklacht
uiterlijk op 4 februari 2026 zijn genomen.
De Wmv verbindt verschillende rechtsgevolgen aan het al of niet overweging nemen van
een aanklacht. Wanneer een aanklacht niet in overweging wordt genomen kan de Kamer
alleen bij het opkomen van nieuwe bezwaren deze aanklacht alsnog in overweging nemen
(art. 15, eerste lid Wmv). De wet voorziet voor dat geval niet in een verlenging van
de termijn voor een eindbeslissing. De beslissing tot het niet in overweging nemen
van een aanklacht door de Tweede Kamer maakt dat de regering ook slechts bij het opkomen
van nieuwe bezwaren tegen dezelfde persoon wegens dezelfde feiten alsnog een opdracht
tot vervolging kan geven.
Het ligt anders als de Kamer na onderzoek en gehouden beraadslaging de aanklacht heeft
verworpen in de zin dat geen genoegzame gronden tot vervolging aanwezig worden geacht.
In dat geval kan ten aanzien van dezelfde persoon wegens dezelfde feiten niet alsnog
een opdracht worden gegeven tot vervolging. In dat laatste geval ook niet meer door
de regering.
De Wmv voorziet ten slotte in de mogelijkheid dat na indiening van de aanklacht bij
de Tweede Kamer niet tijdig (binnen drie maanden, eventueel verlengd met twee maanden)
tot een eindbeslissing gekomen wordt (art. 16 Wmv). Bepaald is dat de aanklacht dan
geacht wordt te zijn verworpen. In die omstandigheid blijft alleen de regering bevoegd
een opdracht te geven tot vervolging van dezelfde persoon wegens dezelfde feiten als
in de aanklacht omschreven: Indien een aanklacht overeenkomstig artikel 16 wordt geacht
te zijn verworpen, blijft de regering bevoegd om bij koninklijk besluit de opdracht
te geven tot vervolging van dezelfde persoon wegens dezelfde feiten (art. 17 Wmv).
Nieuwe bezwaren
Uit het voorgaande kan opgemaakt worden dat voor wat betreft de procedure voor het
vervolgen van politieke ambtsdragers in opdracht van de Tweede Kamer alleen na de
beslissing tot het niet in overweging nemen van een aanklacht relevantie toekomt aan
het opkomen van nieuwe bezwaren. De Wmv geeft niet aan wat onder nieuwe bezwaren kan
worden verstaan, evenmin wordt een beperking aangebracht naar soort bewijsmiddel (getuigenverklaring,
geschrift e.d.). Het is initieel aan de Tweede Kamer zelf om te bepalen of er na een
beslissing tot het niet in overweging nemen van een aanklacht nieuwe bezwaren alsnog
aanleiding geven tot een andere beslissing; rechterlijke toetsing daarvan kan plaatsvinden
als het langs deze weg tot een strafvervolging is gekomen.
Bezwaren zijn nieuw als de betreffende feiten en omstandigheden niet beschikbaar waren
voor de Kamer ten tijde van de beslissing om een aanklacht niet in overweging te nemen.
Deze hervattingsmogelijkheid is vergelijkbaar met de situatie na een aan de verdachte
in een gewone strafzaak gedane kennisgeving van het openbaar ministerie om geen vervolging
in te stellen (sepot). Na een dergelijk sepot kan voor hetzelfde strafbare feit niet
opnieuw vervolging worden ingesteld, tenzij nieuwe bezwaren als bedoeld in artikel
255 Sv bekend zijn geworden. Nieuw bekend geworden feiten of omstandigheden kunnen
aanleiding geven alsnog (verder) te vervolgen.19 Aan eventueel nieuw opgekomen bezwaren is in de procedure vervolging van politiek
ambtsdragers in opdracht van de Tweede Kamer, zoals hiervoor al is aangegeven, geen
verlenging van de termijn voor een eindbeslissing verbonden.
Uitvoering van de motie Wijen-Nass c.s.
De motie Wijen-Nass c.s. heeft geleid tot het instellen van een Voorbereidende groep
van Kamerleden die aan de Kamer zal rapporteren. Eén van de opdrachten is dat de Voorbereidende
groep kennis gaat nemen van alle beschikbare stukken om vervolgens te komen tot een
openbare rapportage over de hele gang van zaken, feiten en omstandigheden rondom het
onderzoek naar Arib op basis van alle beschikbare documenten met als doel om een advies
aan de Kamer uit te brengen over het al dan niet starten van een traject tot het vervolgen
van Kamerleden voor het lekken. Onder Kamerleden wordt hier ook verstaan oud-Kamerleden.20 De motie ziet daarom mede op de oud-voorzitter van de Tweede Kamer Vera Bergkamp
waartegen de aanklacht van Markuszower c.s. specifiek is gericht. In zoverre is samenloop
van procedures van de aanklacht en het voorbereidend onderzoek immers betreffende
hetzelfde (mogelijke) verwijt tegen dezelfde persoon.
De stand van zaken naar aanleiding van de door Markuszower c.s. ingediende aanklacht
is dat, in de fase dat de Voorbereidende groep dit rapport opstelt, alleen de eerste
twee van de 10 volgende stappen21 zijn doorlopen:
1. Ontvangst aanklacht (registratie en rondzending).
2. Toezenden aanklacht aan betrokkene en vragen zienswijze.
3. Besluitvorming over aanklacht na ontvangst zienswijze (al dan niet in overweging nemen).
4. Instellen van een commissie van onderzoek (nadat bij Kamermeerderheid is besloten
tot het in overweging nemen van de aanklacht).
5. Het doen van onderzoek door de commissie van onderzoek.
6. Het schrijven van het verslag door de commissie van onderzoek.
7. Het uitbrengen van het verslag (inclusief vaststelling behandeling door Kamer).
8. Schriftelijke behandeling van het verslag (lijst van vragen en antwoorden).
9. Mondelinge behandeling van het verslag (plenair debat in twee termijnen).
10. Stemmingen naar aanleiding van het verslag.
Voor het onderdeel van de opdracht van de Voorbereidende groep dat advisering over
vervolging wegens lekken betreft, geldt dat een eventueel positief advies tot het
in overweging nemen van een aanklacht tegen de oud-Kamervoorzitter Bergkamp zou moeten
kunnen uitmonden in een eindbeslissing over de aanklacht van de Tweede Kamer vóór
4 februari 2026. De vraag is of de Voorbereidende groep een tijdpad kan volgen waarin
dit een realistische mogelijkheid is. In het rapport Publiek Geheim dat in 2010 in
opdracht van de Tweede Kamer is opgesteld werd de wettelijke procedure voor vervolging
van politieke ambtsdragers al een «mission impossible» genoemd, een kwalificatie die
door de Commissie Schouten in 2016 instemmend is aangehaald.22 Materieel is de situatie dat de beschikbare feiten en omstandigheden vooral zijn
vervat in het strafdossier dat de Tweede Kamer als slachtoffer van het lekincident
heeft ontvangen. Het openbaar ministerie heeft aangegeven dat in het strafrechtelijk
onderzoek geen aanwijzingen zijn gevonden voor betrokkenheid van Kamerleden.23 Daarop was dat onderzoek ook niet gericht, reeds omdat het openbaar ministerie niet
zelfstandig bevoegd is tot opsporing en/of vervolging van delicten begaan door politieke
ambtsdragers in hun betrekking.
Hst 3. Openbare rapportage en het strafdossier24
De Tweede Kamer beschikt over het strafdossier dat ten grondslag lag aan de vervolging
van een verdachte in zake het lekincident waarvan de voorzitter van het Presidium
in 2022 namens de Tweede Kamer aangifte heeft gedaan. De strafvervolging is geëindigd
in een vrijspraak waartegen het openbaar ministerie geen hoger beroep heeft ingesteld.25 Het strafdossier is aan de Tweede Kamer ter beschikking gesteld als slachtoffer van
het lekincident.
De vraag is in hoeverre de Voorbereidende groep die onder meer belast is met openbare
rapportage aan en advisering van de Tweede Kamer over gronden voor het eventueel strafrechtelijk
doen vervolgen van een of meer Kamerleden op verdenking van schending van geheimhouding
van vertrouwelijke informatie uit het Presidium, zich in het openbaar mag baseren
op het hiervoor genoemde strafdossier.
Bescherming persoonlijke levenssfeer art. 8 EVRM juncto art. 10, art. 8 lid 1 Handvest
van de EU
Openbaarmaking van informatie blijft in ieder geval achterwege als de eerbiediging
van de persoonlijke levenssfeer van een of meer personen zwaarder weegt dan het belang
van openbaarheid.
Bij de vraag of een openbaarmaking onrechtmatig is, zijn twee grondrechten aan de
orde: aan de ene kant het recht op vrijheid van meningsuiting van degene die de openbaarmaking
doet (artikel 7 Grondwet en artikel 10 EVRM) en aan de andere kant het recht op eerbiediging
van de persoonlijke levenssfeer, waaronder ook wordt begrepen het recht op eerbiediging
van de eer en goede naam, van degene over wie de openbaarmaking wordt gedaan (artikel
10 Grondwet en artikel 8 EVRM). Tussen die twee fundamentele rechten bestaat geen
rangorde; deze zijn in beginsel gelijkwaardig. Bij een botsing van deze rechten moet
per geval door een belangafweging aan de hand van alle specifieke omstandigheden worden
bepaald welk grondrecht in deze situatie zwaarder moet wegen. Deze toetsing moet in
één keer gebeuren, waarbij het oordeel dat één van beide rechten gelet op alle relevante
omstandigheden zwaarder weegt dan het andere recht meebrengt dat de inbreuk op het
andere recht voldoet aan het noodzakelijkheidsvereiste van artikel 10 lid 2 EVRM dan
wel van artikel 8 lid 2 EVRM (vgl. HR 18 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB3210, r.o.
3.4.1, HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9230, ECLI:NL:HR:2012:BW9230, r.o. 3.2.5.2
en HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:569, r.o. 3.5.3).
De vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden
te ontvangen of te verstrekken is neergelegd in artikel 10 EVRM, eerste lid. In het
tweede lid van artikel 10 van het EVRM is bepaald dat, de uitoefening van deze vrijheden
plichten en verantwoordelijkheden met zich meebrengt, zij kan worden onderworpen aan
bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn
voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van
de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen
van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede
zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding
van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid
van de rechterlijke macht te waarborgen.
De Hoge Raad noemt in dit verband onder meer art. 6 lid 1 EVRM en art. 121 Grondwet,
en benoemt de functie van openbaarheid van rechtspraak (publieke controle, het bevorderen
van het vertrouwen in de rechtspraak en het bijdragen aan een eerlijk proces). Tegenover
deze belangen staat het recht op bescherming van persoonsgegevens dat is vervat in
art. 8 EVRM, art. 10 Grondwet, art. 8 lid 1 Handvest van de EU, en dat nader is uitgewerkt
in de AVG.
Het strafdossier en de Wet open overheid, het Wetboek van strafvordering de Wet justitiële
en strafvorderlijke gegevens, de Wet politiegegevens
Het doel van de Wet open overheid (Woo) is een meer transparante overheid. Voor veel
gegevens in het overheidsdomein geldt daarom een plicht tot openbaarheid. De Woo brengt
tot uitdrukking dat een goede informatiehuishouding van belang is om de doelen van
de wet te bereiken. De wet bevat daarom een algemene zorgplicht om documenten in goede,
geordende en toegankelijke staat te houden, bepaalt dat in de begroting en in de jaarlijkse
verantwoording van elk bestuursorgaan een openbaarheidsparagraaf moet worden opgenomen
en schrijft voor dat er maatregelen worden getroffen ten behoeve van het duurzaam
toegankelijk maken van digitale documenten. Bestuursorganen zijn op grond van de Woo
verplicht om bepaalde informatie openbaar te maken tenzij de uitzonderingen van de
artikelen 5.1 en 5.2 Woo zich tegen openbaarmaking verzetten. Dat is geregeld in artikel
3.3, tweede lid, Woo, waarin 12 categorieën van documenten (a tot en met l) zijn genoemd
die in beginsel openbaar gemaakt moeten worden. Hoofdstuk 5 van de Woo («Uitzonderingen»)
bevat de uitzonderingen op het uitgangspunt dat informatie openbaar is. In het eerste
lid van artikel 5.1 Woo staan de absolute uitzonderingsgronden. In het tweede lid
van artikel 5.1 Woo staan de relatieve uitzonderingsgronden, waarbij de door de uitzonderingsgronden
te beschermen belangen moeten worden afgewogen tegen het belang bij openbaarmaking.
Volgens art. 5.1, tweede lid sub c. blijft openbaarmaking achterwege als die niet
opweegt tegen het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten.
De vraag kan opkomen of de Wet open overheid (Woo) richtinggevend is voor het openbaar
maken van gegevens uit het strafdossier waarover de Tweede Kamer beschikt. Dat blijkt
niet het geval.
In artikel 8.8 Woo is bepaald dat de artikelen 3.1, 3.3, 4.1, 5.1, eerste, tweede
en vijfde lid, en 5.2 Woo (kort gezegd: de bepalingen over actieve en passieve openbaarmaking
en de uitzonderingen daarop) niet van toepassing zijn op informatie waarvoor een bepaling
geldt die is opgenomen in de bijlage bij de wet. In die gevallen wijkt de Woo dus
voor de bijzondere openbaarmakingsregeling. De wetgever heeft hiermee beoogd duidelijkheid
te scheppen over de verhouding tussen de Woo en bijzondere regelingen.26 Ook de verhouding tussen de Woo en de regelingen inzake toegang tot processtukken
wordt in de (bijlage bij artikel 8.8) Woo geregeld.
In de bijlage bij artikel 8.8 Woo zijn artikel 30, 257h, tweede lid, 365, vierde en
vijfde lid, en 415 juncto 365, vierde en vijfde lid, Sv opgenomen. Op grond van artikel
365 Sv kunnen in een strafzaak alleen een vonnis, een proces-verbaal en de stukken
die aan een uitspraak zijn gehecht worden verstrekt aan een ieder ander dan de verdachte
en zijn raadsman. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder
heeft geoordeeld, bevat artikel 365 Sv een bijzondere en uitputtende regeling voor
openbaarmaking, die voorgaat aan de Wob (lees thans: Woo).27 Artikel 365 Sv geeft een exclusieve bevoegdheid aan de voorzitter van de strafkamer
om een afschrift van de in dat artikel vermelde, tot het strafdossier behorende stukken
aan derden te verstrekken. Van andere tot het strafdossier behorende stukken wordt,
gelet op die uitputtende regeling, langs deze weg geen afschrift of uittreksel verstrekt.
De strekking van artikel 365 Sv reikt niet zo ver, dat deze bepaling ook ziet op stukken
die niet aan de strafrechter zijn voorgelegd.
Ook een aantal titels uit de Wjsg en artikelen uit de Wet politiegegevens in de bijlage
bij de Woo opgenomen als een bijzondere regeling. In artikel 8.8 van de Woo is bepaald
dat de artikelen 3.1, 3.3, 4.1, 5.1, eerste, tweede en vijfde lid, en 5.2 niet van
toepassing zijn op informatie waarvoor een bepaling geldt die is opgenomen in de bijlage
bij de wet. In die bijlage zijn vervolgens, onder meer, titels 2 tot en met 3b van
de Wjsg opgenomen als ook de artikelen 3, derde lid, en 7 Wet politiegegevens. Titel
2a van de Wjsg betreft de verwerking van strafvorderlijke gegevens, gegevens verkregen
in het kader van een strafvorderlijk onderzoek. Het begrip «verkregen in het kader
van een strafvorderlijk onderzoek» ruim moet worden opgevat en wel zo dat daaronder
niet alleen informatie valt die het Openbaar Ministerie zelf heeft verzameld in het
kader van een strafrechtelijk onderzoek, maar ook documenten en informatie die het
Openbaar Ministerie in dat verband via andere instanties heeft verkregen of zelf heeft
opgesteld. In de wetsgeschiedenis is aangegeven dat strafvorderlijke gegevens kunnen
zijn opgenomen in de processtukken en verwerkt in een strafdossier, Compas of de hoger
beroepssystemen. Het begrip «processtukken» wordt in de praktijk ook ruim opgevat.
Niet alleen de processen-verbaal van de politie vallen hieronder, maar ook bijvoorbeeld
de beslissingen die de officier van justitie heeft genomen in het kader van een strafvorderlijk
onderzoek. In het strafdossier worden dus alle stukken gevoegd die redelijkerwijs
van belang kunnen zijn voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en
350 van het Wetboek van Strafvordering, dat zijn de voorvragen en hoofdvragen in een
strafproces.
Uit het voorgaande volgt dat de transparantieplicht van de Woo niet van toepassing
is op het strafdossier.28 Maar ook al dwingt de Woo niet tot openbaarheid van een strafdossier, daarvan kan
geen algemeen verbod worden afgeleid bepaalde gegevens uit dat dossier in het openbaar
te gebruiken. Voor de verdere verwerking van gegevens uit het strafdossier moeten
in ieder geval de bepalingen van de Wsjg, de Wpg en het WvSv in acht worden genomen.
Voorts geldt dat in geen geval fundamentele rechten mogen worden geschonden.
Algemene verordening gegevensbescherming
Vanaf 25 mei 2018 is de inzage en bescherming van persoonsgegevens vastgelegd in de
AVG. De AVG heeft zowel de Richtlijn bescherming persoonsgegevens als de Wet bescherming
persoonsgegevens vervangen. De AVG werkt rechtstreeks en is dus niet in nationaal
recht omgezet. De AVG vraagt wel op onderdelen om een uitwerking op nationaal niveau.
Daartoe is de Uitvoeringswet AVG (UAVG) vastgesteld.
Het doel van de AVG is de bescherming van het recht op bescherming van de persoonlijke
levenssfeer, zoals dat is neergelegd in onder meer art. 8 EVRM en art. 7 Handvest
EU. Meer specifiek beschermt de AVG het recht op bescherming van de eigen persoonsgegevens.
Dat blijkt onder meer uit art. 1 lid 2 van de AVG, waar staat dat de verordening de
grondrechten en de fundamentele vrijheden van natuurlijke personen en met name hun
recht op bescherming van persoonsgegevens beschermt.
De Verordening is niet van toepassing op verwerkingen door politie en justitie voor
zover het gaat over de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Op deze activiteiten
is de Europese richtlijn gegevensbescherming, opsporing en vervolging van toepassing
(richtlijn 2016/680/EG). In Nederland is deze Richtlijn geïmplementeerd in de Wet
politiegegevens en de Wet Justitiële en strafvorderlijke gegevens.29 Daarmee is niet uitgesloten dat een andere wettelijke basis voor verwerking van persoonsgegevens
uit een strafdossier voor de toepassing van strafrecht in overstemming kan zijn met
de AVG.
De algemene uitzonderingsgronden op het verbod om persoonsgegevens van strafrechtelijke
aard te verwerken zijn vergelijkbaar met die voor de bijzondere categorieën van persoonsgegevens.
Het gaat om30:
• de uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene;
• situaties waar de verwerking noodzakelijk is ter bescherming van de vitale belangen
van de betrokkene of een andere natuurlijke persoon (indien de betrokkene fysiek of
juridisch niet in staat is toestemming te geven);
• situaties waar de verwerking heeft betrekking op gegevens die door de betrokkene openbaar
zijn gemaakt;
• situaties waar de verwerking noodzakelijk is voor de instelling, uitoefening of onderbouwing
van een vordering;
• gerechten die handelen in het kader van hun rechtsbevoegdheid;
• situaties waar de verwerking noodzakelijk is om redenen van zwaarwegend algemeen belang;
• situaties waar de verwerking noodzakelijk is met het oog op wetenschappelijk of historisch
onderzoek of statistische doeleinden en is voldaan aan alle toepasselijke voorwaarden
uit de Verordening.
Daarnaast kent de Uitvoeringswet specifieke uitzonderingsgronden voor de verwerking
van persoonsgegevens van strafrechtelijke aard. Het gaat om de volgende situaties:
• verwerkingen door verwerkingsverantwoordelijken die zijn belast met de toepassing
van het strafrecht, of door verwerkingsverantwoordelijken die de gegevens op grond
van de Wet politiegegevens of de Wet Justitiële en strafvorderlijke gegevens hebben
gekregen.
• verwerkingen door publiekrechtelijke samenwerkingsverbanden van verwerkingsverantwoordelijken
of groepen van verwerkingsverantwoordelijken wanneer dit noodzakelijk is voor de uitvoer
van hun taken en passende waarborgen zijn getroffen.
In het rapport Niet boven maar in de wet staat31:
Verder rijst nog de vraag of de onderzoekscommissie van de Kamer gebruik mag maken
van reeds door het OM verzamelde informatie in een fase waarin nog niet duidelijk
was of sprake was van een mogelijk ambtsdelict van een Kamerlid of bewindspersoon,
hetgeen ook aan de orde kan zijn waar het medeverdachten betreft. De Wet justitiële
en strafvorderlijke gegevens bevat hiervoor in elk geval geen expliciete grondslag.
Het antwoord op deze vraag is van belang, omdat het goed voorstelbaar is dat aan de
beslissing van de Kamer om een aanklacht in overweging te nemen en daarmee een onderzoekscommissie
in te stellen, (enig) onderzoek door het OM naar het betreffende strafbare feit is
voorafgegaan, juist om te kunnen vaststellen of sprake is van een mogelijk ambtsdelict
van een Kamerlid of bewindspersoon.
Dezelfde vraag kan met nog meer klem worden gesteld aangaande de verwerking van gegevens
door de Voorbereidende groep die is gevormd op basis van de motie Wijen-Nass c.s.
Een negatieve beantwoording van de opgeworpen vraag zou de wettelijke bevoegdheid
van de Tweede Kamer, gebaseerd op de Wet ministeriële verantwoordelijkheid (Wmv),
om na een deugdelijke voorbereiding een opdracht tot vervolging aan de procureur-generaal
bij de Hoge Raad te geven op basis van een door het Openbaar ministerie verstrekte
strafdossier, kunnen dwarsbomen.
De verwerking van gegevens uit het aan de Tweede Kamer ter beschikking gesteld strafdossier
vindt evenwel plaats met het oog op de voorbereiding van besluitvorming over opsporing
en/of vervolging als bedoeld in de Wmv en dient daarom een strafvorderlijk doel. De
Tweede Kamer is in de Wmv binnen die beperkte maar belangrijke bevoegdheid een orgaan
dat als zodanig is belast met de toepassing van strafrecht in relatie tot delicten
begaan door politieke ambtsdragers in hun betrekking. Aldus begrepen is de grondslag
voor verwerking van strafrechtelijke persoonsgegevens te vinden in artikel 33, eerste
lid onder a tot de komma, UAVG («de verwerking geschiedt door organen die krachtens
de wet zijn belast met de toepassing van het strafrecht»).
Bevinding
De Voorbereidende groep zal, na afronding van een rapportage, moeten nagaan in hoeverre
de externe openbaarheid van haar rapportage verenigbaar is met de eerbiediging van
de persoonlijke levenssfeer van een of meer personen. Leden van de Tweede Kamer moeten
in beginsel wel onverkort toegang hebben tot de rapportage van de Voorbereidende groep,
in verband met de uitoefening van stemrecht over het al dan niet geven van een opdracht
tot vervolging van een politieke ambtsdrager in verband met een ambtsdelict in de
betrekking begaan.
Hst 4. De strafzaak tegen de woordvoerder: vrijspraak
De aangifte32 en de nadere concretisering
Op 3 oktober 2022 is door de Voorzitter van de Tweede Kamer bij de Hoofdofficier van
Justitie in Den Haag aangifte gedaan van het lekken van vertrouwelijke informatie
van het Presidium. De aangifte luidt als volgt:
Geachte heer,
Via deze brief wil ik, mede namens het Presidium van de Tweede Kamer, aangifte doen
van een strafbaar feit. Deze aangifte richt zich tegen (een) onbekende dader(s). Op
woensdag 28 september 2022 is een aantal berichten in de media verschenen waaruit
blijkt dat vertrouwelijke informatie van het Presidium is uitgelekt. Aangegeven is
dat journalisten inzage hebben gehad in de stukken over een onderzoek naar een voormalig
Kamervoorzitter. Daarnaast Iijkt ook vertrouwelijke informatie die mondeling is gewisseld
gelekt aan betrokkene. Het betreft in ieder geval de volgende twee feiten:
– Het lekken van informatie aan media (in ieder geval aan NRC);
– Het lekken van informatie aan de persoon betrokken in het onderzoek.
Het betreft waarschijnlijk informatie uit de volgende Presidiumbijeenkomsten:
– 14 september 2022 (formele vergadering);
– 19 september 2022 (informele vergadering zonder ambtenaren);
– 26 september 2022 (informele vergadering met ambtenaren en de Landsadvocaat);
– 28 september 2022 (formele vergadering).
Het betreft in ieder geval het lekken van de volgende documenten en informatie:
– Inzage in de ontvangen anonieme brief;
– Inzage in een advies van de Landsadvocaat;
– Mogelijk inzage in een bijbehorende ambtelijke oplegnotitie;
– Mondeling gewisselde informatie uit de voornoemde bijeenkomsten;
– Het lekken van informatie aan de betrokken persoon in het onderzoek gelet op het door
de Griffier op 28 september 2022 gemelde incident dat zich voordeed op 26 september
2022.
De stukken zijn op verschillende manieren verspreid. Hierbij kan in ieder geval gedacht
worden aan de volgende locaties:
– De Voorzitter en leden van het Presidium;
– De secretaris van het Presidium;
– Het secretariaat van de Voorzitter;
– De secretariaten van de leden van het Presidium;
– Het advocatenkantoor Pels Rijcken;
– Het secretariaat van het advocatenkantoor Pels Rijcken;
– De Griffier van de Tweede Kamer;
– Het secretariaat van de Griffier van de Tweede Kamer;
– Het hoofd van de stafdienst HR van de Tweede Kamer;
– De concernjurist van de Tweede Kamer.
Op de stukken en in begeleidende e-mails is duidelijk aangegeven dat de stukken vertrouwelijk
zijn. Er mag vanuit worden gegaan dat de personen die konden beschikken over de desbetreffende
informatie wisten (en konden weten) dat deze vertrouwelijk was. De stukken zijn op
verschillende momenten vanuit de Kamerorganisatie verspreid. Hierbij kan in ieder
geval gedacht worden aan; de anonieme brief van 27 juli 2022 is in een envelop uitgedeeld
de dag voor de vergadering van 14 september 2022 (dus 13 september 2022) en die dag
persoonlijk overhandigd aan de Presidiumleden. De eerdere anonieme brief is ter vergadering
uitgedeeld. Het rapport van het advocatenkantoor Pels Rijcken is digitaal verspreid
op 23 en 27 september 2022 aan de leden van het Presidium. Ik verzoek u de bovengenoemde
feiten te onderzoeken op strafbaarheid en zo mogelijk een vervolging in te stellen.
Uiteraard kunt u via mij en de bredere Kamerorganisatie aanvullende informatie opvragen.
Met vriendelijke groet,
Mede namens het Presidium,
Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Deze aangifte is op verzoek van het openbaar ministerie in een brief van 13 oktober
2022 als volgt nader geconcretiseerd:33
Geachte heer,
Dank voor uw brief van 7 oktober 2022 waarin u verzoekt de gedane aangifte van 3 oktober
2022- voor zover wij direct kunnen nagaan- op enkele onderdelen nader te concretiseren.
U vraagt naar de inhoud van gelekte informatie, de grond voor geheimhouding van die
stukken en de momenten en wijzen waarop de informatie is gedeeld met personen. De
door u gevraagde informatie treft u hieronder aan.
Inhoud van de gelekte informatie
Bijgevoegd bij deze brief treft u een kopie van de gelekte stukken aan.
Grond voor geheimhouding van die stukken
De gelekte stukken betreffen allemaal stukken die zijn geagendeerd op de agenda van
het Presidium. Deze Presidiumstukken worden in de regel elke twee weken verspreid
met het kenmerk «vertrouwelijk» op de stukken. In de begeleidende e mail aan de leden
van het Presidium het verzoek deze stukken vertrouwelijk te behandelen. In het algemeen
kan dus worden gesteld dat er stukken altijd als vertrouwelijk worden beschouwd en
dat het ook duidelijk is voor de ontvanger. Specifiek ten aanzien van de nu gelekte
set is ook het kenmerk «vertrouwelijk» aangebracht op de stukken en in de begeleidende
e mail.
De vergaderstukken van het Presidium zijn vertrouwelijk zodat er voor het Presidium
maximale vrijheid bestaat bij de bespreking van de stukken. Deze zijn voor andere
actoren niet inzichtelijk, dus het Presidium is vrij in het nemen van besluiten. In
het nu voorliggende geval waren de stukken om dezelfde reden vertrouwelijk: op deze
wijze kon ook het Presidium net zo makkelijk besluiten tot het niet instellen van
onderzoek als tot het wel instellen van een onderzoek.
Daarnaast waren de stukken vertrouwelijk zodat op initiatief van het Presidium naar
de oud-Kamervoorzitter gecommuniceerd kon worden mocht dat nodig zijn.
De wijze van dat delen van informatie
Bijgevoegd bij deze brief zijn de twee e mailberichten waarmee de stukken zijn verspreid
inclusief bijbehorende verzendlijst. Het betreft de volgende berichten de:
– E-mail 23 september 2022 aan de leden van het Presidium;
– E-mail 27 september 2022 aan de leden van het Presidium.
In de bijgevoegde e-mails is te lezen welke betrokkenen de stukken in eerste instantie
hebben ontvangen. De stukken zijn aangeleverd door het hoofd van de stafdienst HR
en de Concernjurist (beide in dienst van de ambtelijke organisatie van de Tweede Kamer).
Ik heb geen zicht op hoeveel personen toegang hebben tot de e-mail postbussen van
de ontvangers van de oorspronkelijke e mailberichten. Mogelijk zijn de stukken ook
opgeslagen op de interne schijf of zijn deze door de ontvangers breder gedeeld via
de e mail. Ook hierop heb ik nu geen zicht.
In aansluiting op de aangifte is op de volgende data vergaderd over de onderlinge
kwestie:
– 14 september 2022 formele vergadering
– 19 september 2022 informele vergadering (zonder ambtenaren)
– 26 september 2022 in formele vergadering met ambtenaren en de Landsadvocaat
– 28 september 2022 formele vergadering
Deze vergaderingen zijn bijgewoond door de vaste Presidiumleden of door hun plaatsvervanger,
Ambtenaren van de Tweede Kamer (de Griffier, het hoofd van de stafdienst HR, de concernjurist
en de directeur Huisvesting, secretaris Presidium), waren in wisselende samenstelling
aanwezig bij deze vergaderingen. Bij één vergadering waren geen ambtenaren aanwezig.
Desgewenst kan per vergadering worden aangegeven welke personen er zijn uitgenodigd.
Al deze vergaderingen hadden een vertrouwelijk karakter. Mogelijk is uit deze vergadering
ook mondelinge informatie gedeeld met de media. Ik ga er vanuit u met dit bericht
voldoende te hebben geïnformeerd.
Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Bijlage 1: Verzonden bericht inclusief bijlagen d. d. 23 september 2022
Bijlage 2: Verzonden bericht inclusief bijlagen d.d. 27 september 2022
Bijlage 3: Conceptverslag Presidium d.d. 28 september 2022
Het onderzoek Bremen
Het openbaar ministerie stelt naar aanleiding van deze aangifte een strafrechtelijk
onderzoek in, genaamd: Bremen.34 Dat onderzoek is verricht door de Rijksrecherche. Op grond van de perspublicaties,
in met name de NRC, wordt er door het openbaar ministerie en de Rijksrecherche aanstonds
van uitgegaan dat er is inderdaad is gelekt. De kring van mogelijke verdachten wordt
initieel bepaald door vast te stellen wie over de vertrouwelijke informatie konden
beschikken. Voor de beschikbaarheid van stukken is de bron van informatie voor de
Rijksrecherche een combinatie van de aangifte, verklaringen van gehoorde getuigen
en een analyse van het mailverkeer. De Rijksrecherche heeft ook onderzocht welke personen
op 28 september 2022 kennis dragen van de besluitvorming in het Presidium van die
dag. Dat zijn in de eerste plaats de op die dag bij de vergadering aanwezige negen
Presidiumleden, de griffier en de secretaris. Daarna is het besluit in dezelfde morgen
van de vergadering meegedeeld aan het managementteam (MT) en ook bekend geworden bij
een aantal andere medewerkers van de Tweede Kamer, zoals blijkt uit getuigenverhoren.
Het onderzoek richt zich alleen op de niet-Kamerleden in deze kring. Als reden voor
deze beperking wordt in het strafdossier aangegeven het ontbreken van verdenking:
Na ontvangst van de aangifte heeft het Openbaar Ministerie (OM) indachtig het Protocol
inzake de behandeling van aangiften tegen leden van de Staten-Generaal, Ministers
en Staatssecretarissen (11 oktober 2017, Staatscourant 2018, nr. 3803) de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad over de aangifte geïnformeerd en hem meegedeeld
dat het OM – gelet op de bredere kring van personen die volgens de aangifte toezicht
toegang hadden tot de gelekte informatie – op dat moment geen verdenking zag tegen
een of meer Kamerleden en zichzelf dus opsporingsbevoegdheid achtte.35
In het requisitoir tegen de van het lekken verdachte woordvoerder formuleert de officier
van justitie de reden een nuance anders, de nadruk ligt meer op de onbevoegdheid:
Toch ging het driekoppige onderzoeksteam aan de slag en inventariseerde als eerste
wie er op 28 september kennis van het gelekte besluit droegen.
Beperking onderzoek
Uiteraard waren dat in eerste instantie de leden van het Presidium van de Tweede Kamer
zelf. Echter, indien er (mogelijk) sprake is van een ambtsdelict – zoals het schenden
van het ambtsgeheim – gepleegd door een bewindspersoon of Kamerlid, is het OM niet
bevoegd zelfstandig onderzoek te doen naar dat strafbare feit. Volgens artikel 119
van de Grondwet staan bewindslieden en Kamerleden terecht voor de Hoge Raad. De procureur-generaal
bij de Hoge Raad is in die situatie belast met de vervolging (artikel 111, eerste
lid, onder a, Wet RO). Het onderzoek van de Rijksrecherche kon en heeft zich om die
reden enkel gericht op personen die geen bewindspersoon of Kamerlid waren. De mogelijke
betrokkenheid van leden van het Presidium is derhalve niet onderzocht.36
Hierbij kan worden opgemerkt dat in het strafdossier nog het volgende staat:37
Gegevens Presidiumleden
(...)
In het onderzoek naar het lekken van informatie uit de vergadering van 28 september
2022 heeft het OM de historische telefoongegevens van verschillende ambtenaren gevorderd.
Deze telefoongegevens zijn in het onderzoek betrokken. Naast deze ambtenaren hadden
negen Kamerleden toegang tot dezelfde informatie uit de vergadering van 28 september
2022. Rekening houdend met een bewaartermijn voor telefoongegevens van zes maanden
en de mogelijkheid dat na het ontstaan van een eventuele latere verdenking tegen een
of meer Kamerleden – de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad een onderzoek zou starten
(in de zin van artikel 4 van het Protocol) heeft het OM – ter veiligstelling van deze
gegevens voor mogelijk later onderzoek door de Procureur-Generaal – ook de telefoongegevens
van deze negen Kamerleden gevorderd.
De genoemde gegevens zijn verkregen door een niet bij dit onderzoek betrokken Rijksrechercheur,
zijn niet geraadpleegd en worden buiten de digitale omgeving van dit onderzoek bewaard,
in afwachting van een eventuele latere beslissing van de Procureur-Generaal. Bij uitblijven
van zijn beslissing zullen deze gegevens in opdracht van het OM worden vernietigd.
Hierover heeft het OM de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad geïnformeerd. Van het
vorderen van deze gegevens is een apart dossier opgemaakt.
Het in dit citaat genoemde, apart opgemaakte dossier is niet beschikbaar voor de Voorbereidende
groep.
Het strafdossier
Het strafdossier Bremen is opgebouwd uit vijf delen en een aanvullend proces-verbaal.
Het eerste Deel bevat een Relaas (verkorte weergave van het onderzoek), Ambtshandelingen,
Beslag en toegepaste Methodieken (p. 1–377). Het tweede Deel bevat Documenten (p.378–833).
Deel drie bevat Verhoren en Tapgesprekken (p. 834–1063). Deze drie delen zien op de
eerste fase van het onderzoek. In deze fase is er een op naam bekende verdachte en
een onbekende verdachte (NN-verdachte). In maart 2024 werden de Voorzitter en de Griffier
geïnformeerd over de onderzoeksresultaten. Het OM liet weten dat het onderzoek vastliep.
De Voorzitter en de Griffier hebben toen dringend verzocht goed na te gaan of er echt
geen aanknopingspunten voor nader onderzoek aanwezig waren. Kort daarna kreeg het
OM nieuwe informatie en is opnieuw naar de zaak gekeken. Dit leidde tot een doorstart
van het opsporingsonderzoek. Het vierde Deel (p.1064–1400) betreft de tweede fase
van het onderzoek Bremen. De reden voor dat aanvullende onderzoek is dat via de Beveiligingsautoriteit
(BVA) van de Tweede Kamer bij de Rijksrecherche nieuwe informatie is binnengekomen.
Die nieuwe informatie behelst dat mogelijk niet alle ambtenaren alles aan de Rijksrecherche
hadden verteld. Het signaal blijkt betrekking te hebben op een bijeenkomst op woensdag
28 september 2022 waarin denkbare plannen zijn besproken over de wijze waarop informatie
aan de media zou kunnen worden gelekt (als een van de mogelijke scenario’s) over het
onderzoek dat werd ingesteld naar de voormalig Kamervoorzitter en sociale veiligheid
van medewerkers (periode 2016–2021). Op grond hiervan wordt in het aanvullende onderzoek
de verdenking wegens schending van het ambtsgeheim (art. 272 Sr.) mede gericht op
de verdachte (een woordvoerder van de voorzitter van het Presidium) die uiteindelijk
terecht zal staan.
Het vijfde Deel (p. 1401–1448) betreft in maart en april 2025 verricht aanvullend
onderzoek. Aanleiding voor dit aanvullend onderzoek is dat een getuige op 12 maart
2025 contact opnam met het onderzoeksteam met informatie over een ontmoeting in het
Kamergebouw tussen de eerste verdachte in het onderzoek, een toenmalig MT lid, en
een NRC-journalist daags na de publicatie van 28 september 2022 in de NRC over het
vertrouwelijke Presidiumbesluit om onderzoek in te stellen naar de voormalig Kamervoorzitter.
De eerste fase van het onderzoek leverde volgens het OM onvoldoende bewijs op dat
deze verdachte het Presidiumbesluit had gelekt aan NRC-journalisten.38 Ook het later verrichte onderzoek heeft niet tot vervolging van deze verdachte geleid.
Op de hiervoor genoemde vijf delen van het dossier is nog een aanvullend proces-verbaal
opgemaakt op 13 mei 2025.39
Bij de stukken waarover de Voorbereidende groep beschikt bevinden zich niet de in
april, mei 2025 afgenomen verhoren door de rechter-commissaris. Deze verhoren vonden
plaats op verzoek van het openbaar ministerie en de verdediging. In het wel voor de
Voorbereidende groep beschikbare requisitoir wordt naar deze verhoren inhoudelijk
verwezen. Bij de stukken bevindt zich ook de ter terechtzitting uitgesproken verklaring
van de verdachte.
De strafvervolging
Op basis van het onderzoek Bremen wordt een verdachte vervolgd, die ten tijde van
de ten laste gelegde feiten als (één van de) woordvoerder(s) van de voorzitter van
het Presidium werkzaam was in de Tweede Kamer. Zij is op 4 juni 2024 als verdachte
aangemerkt. Het gemaakte verwijt is als volgt geformuleerd.
De tenlastelegging:
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat zij:
zij op of omstreeks 28 september 2022 te 's-Gravenhage en/of Amsterdam, althans in
Nederland, enig geheim, waarvan zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat zij
uit hoofde van haar ambt en/of beroep, te weten als persvoorlichter en/of woordvoerder
van de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, verplicht was het te bewaren,
opzettelijk heeft geschonden, door opzettelijk vertrouwelijke informatie, te weten
het op 28 september 2022 genomen besluit van het Presidium van de Tweede Kamer der
Staten Generaal tot het instellen van een onderzoek naar een voormalig Kamervoorzitter,
dat op dat moment slechts bekend was binnen een zeer kleine groep van personen die
daar ambtshalve van op de hoogte waren en waarvan zij, verdachte, in haar ambt en/of
beroep kennis droeg, door te geven/te verstrekken aan een of meer journalist(en) van
dagblad NRC, voordat dit besluit kenbaar was gemaakt aan betrokkenen en/of openbaar
was gemaakt.
Het requisitoir
In het requisitoir wordt door de officier van justitie een uitgebreide verantwoording
van het uitgevoerde onderzoek gegeven en worden de conclusies geformuleerd waartoe
die volgens het openbaar ministerie leiden. Het ten laste gelegde lekken heeft feitelijk
geen betrekking op het bekend worden van het vertrouwelijke advies van de Landsadvocaat
aan het Presidium, maar alleen op de besluitvorming in het Presidium over een feitenonderzoek
naar sociale veiligheid in relatie tot een voormalig Kamervoorzitter (2016–2021).
De verdachte bekleedde in de zomer en het najaar van 2022 als woordvoerder van de
voorzitter van het Presidium een vertrouwensfunctie, beschikte over de slechts in
kleine kring gekende relevante stukken en wist kort na de Presidiumvergadering van
28 september 2022 van het aldaar genomen besluit. Zij voerde op de brainstormbijeenkomst
van een aantal MT-leden na die vergadering het woord en bracht bij die gelegenheid
onder meer het scenario van lekken naar de pers ter sprake. Volgens het openbaar ministerie
wijzen de onderzochte telefonie- en locatiegegevens vervolgens op een ontmoeting van
de verdachte met een NRC-journalist in Amsterdam op 28 september 2022. Deze journalist
was (een van de) auteur(s) van het artikel over het Presidiumbesluit dat die avond
op de website van de NRC werd gepubliceerd. Ook worden aanvullende feiten en omstandigheden
door het openbaar ministerie naar voren gebracht die zouden passen bij deze toedracht.
Het openbaar ministerie concludeerde dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend
was bewezen.
Het vonnis van de rechtbank: vrijspraak van de vervolgde verdachte
De rechtbank Den Haag komt op 12 juni 2025 tot een ander oordeel. Anders dan de verdediging
primair had bepleit, wordt het openbaar ministerie wel ontvankelijk verklaard in de
vervolging, maar de wegens lekken van vertrouwelijke informatie uit het Presidium
strafrechtelijk vervolgde woordvoerder van de voorzitter Tweede Kamer wordt vervolgens
vrijgesproken.
In het vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 juni 202540 staat ter inleiding het volgende:
3. Inleiding
Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank
het volgende vast:
«Op 22 februari 2022 en 27 juli 2022 hebben het Presidium en het Management Team (MT)
van de Tweede Kamer der Staten-Generaal anonieme brieven ontvangen over een sociaal
onveilige werksfeer binnen de ambtelijke organisatie van de Tweede Kamer. Op 14 september
2022 zijn deze brieven besproken tijdens de vergadering van het Presidium. Na deze
vergadering hebben [naam 1] (hierna: [naam 1]) en [naam 2], destijds de voorzitter,
respectievelijk de griffier van de Tweede Kamer, aan de landsadvocaat gevraagd om
een advies uit te brengen over eventuele vervolgstappen. De landsadvocaat heeft op
23 september 2022 een advies uitgebracht. Op 26 september 2022 zijn de leden van het
Presidium bij elkaar gekomen om het advies samen met de landsadvocaat te bespreken.
In de ochtend van 28 september 2022 heeft opnieuw een vergadering van het Presidium
plaatsgevonden waarin, naar aanleiding van het advies van de landsadvocaat, unaniem
is besloten een feitenonderzoek naar voormalig Kamervoorzitter [naam 3] (hierna: [naam
3]) in te stellen (hierna: het besluit).
Later op de dag is een aantal leden van het MT bijeengekomen om te bespreken welke
verdere stappen dienden te worden genomen, onder meer in de communicatie naar de media,
de Tweede Kamer en [naam 3]. Hiertoe hebben zij verschillende scenario’s en strategieën
uitgedacht. De verdachte was ook bij dit scenariogesprek aanwezig. Zij was op dat
moment als zzper ingehuurd als één van de twee woordvoerders van [naam 1].
In de avond van 28 september 2022 omstreeks 20:37 uur hebben journalisten [journalist
1] (hierna: [journalist 1]) en [journalist 2] van het NRC een nieuwsbericht gepubliceerd
met de titel:
«Onderzoek naar mogelijk grensoverschrijdend gedrag oud-Kamervoorzitter [naam 3]».
Op 3 oktober 2022 heeft [naam 1] aangifte gedaan van het lekken aan de media van vertrouwelijke
informatie over het besluit en de hieraan ten grondslag liggende stukken.
In de periode daarna is de rijksrecherche een onderzoek gestart. Tot april 2024 leken
er geen concrete aanwijzingen te zijn met betrekking tot de vraag wie de informatie
aan de media heeft gelekt. Op 30 april 2024 is de verdachte concreet bij de rijksrecherche
in beeld gekomen. De secretaris van het Presidium heeft die dag tegenover de rijksrecherche
verklaard dat de verdachte tijdens het scenariogesprek van 28 september 2022 zelf
had geopperd om het besluit aan de media te lekken.
Tijdens de zitting is door de verdediging een ontvankelijkheidsverweer gevoerd dat
erop gebaseerd is, dat het openbaar ministerie niet bevoegd was vervolging tegen de
verdachte in te stellen omdat al tijdens de aanvang van het onderzoek duidelijke aanwijzingen
bestonden dat een politicus de geheime informatie zou hebben gelekt. Daarover staat
het volgende in het vonnis:
4. De ontvankelijkheid van de officier van justitie
4.1 Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk
moet worden verklaard. Er zijn duidelijke aanwijzingen dat al bij de aanvang van het
onderzoek de mogelijkheid bestond dat een politicus de informatie heeft gelekt, waar
nu de verdachte van wordt verdacht. Om deze reden had het Protocol inzake de behandeling
van aangiften bij een ministerie, het openbaar ministerie of de procureur-generaal
bij de Hoge Raad tegen leden van de Staten-Generaal, Ministers en staatssecretarissen
(hierna: het Protocol) moeten worden gevolgd. Op grond van het Protocol had het openbaar
ministerie de zaak moeten doorsturen naar de Minister van Veiligheid en Justitie en
had het openbaar ministerie niet zomaar mogen overgaan tot de vervolging van de verdachte.
4.2 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie
ontvankelijk is. Er waren geen duidelijke concrete aanwijzingen voor het lekken van
informatie door een politicus. Het openbaar ministerie mocht daarom gewoon onderzoek
doen en, naar aanleiding van dat onderzoek, overgaan tot de vervolging van de verdachte.
4.3 Het oordeel van de rechtbank
In 2017 is het Protocol door de Minister van Justitie en Veiligheid (toen Minister
van Veiligheid en Justitie) vastgesteld. In het Protocol is omschreven op welke wijze
wordt omgegaan met aangiftes betreffende ambtsdelicten van bewindspersonen en Kamerleden
die binnenkomen bij een Minister, het openbaar ministerie of de procureur-generaal
bij de Hoge Raad.
Het Protocol is vastgesteld, omdat er nog geen wettelijke regeling bestond over de
fase voorafgaand aan een last tot vervolging door de Kroon. Het Protocol voorziet
in een praktische richtlijn hoe betrokken instanties in die fase kunnen omgaan met
een aangifte tegen een Minister, Staatssecretaris of Kamerlid. Voor aangiften die
binnenkomen bij het openbaar ministerie of de politie geldt het volgende. De officier
van justitie beoordeelt of er sprake is van een aangifte, in de zin van een melding
die betrekking heeft op een concrete gedraging die een bepaald strafbaar feit oplevert.
Indien de officier van justitie oordeelt dat hier geen sprake van is, laat hij dit
weten aan de aangever. Als de aangifte niet voldoende concreet is maar de officier
van justitie wel het vermoeden heeft dat er sprake kan zijn van een aangifte, bericht
hij dit aan de aangever met het verzoek om een concretisering.
Indien er wel sprake is van een aangifte, beoordeelt de officier van justitie of er
sprake is van een ambtsdelict door een bewindspersoon of Kamerlid.
Uit de toelichting bij het Protocol – in het bijzonder de toelichting op vraag 2b
– volgt dat uit de aangifte nadrukkelijk naar voren zal moeten komen dat er (mogelijk)
sprake is van een ambtsdelict begaan door een bewindspersoon of Kamerlid. Als hiervan
geen sprake is, is het Protocol niet van toepassing en kan het openbaar ministerie
de aangifte verder behandelen. Dit is slechts anders als uit het feitencomplex het
nadrukkelijke vermoeden rijst dat sprake is van een ambtsdelict begaan door een bewindspersoon
of Kamerlid. In dat geval dient het openbaar ministerie de aangifte door te sturen
naar de Minister van Justitie en Veiligheid.
In deze zaak heeft [naam 1] op 3 oktober 2022 per brief aangifte gedaan van het lekken
van vertrouwelijke informatie over het besluit van het Presidium tot het instellen
van een onderzoek naar een voormalig Kamervoorzitter, alsmede de hieraan ten grondslag
liggende stukken, aan de media. Tevens werd aangifte gedaan van het lekken van vertrouwelijke
informatie aan de persoon betrokken in het onderzoek. De aangifte werd mede gedaan
namens het Presidium en richtte zich tegen (een) onbekende dader(s). Op verzoek van
het openbaar ministerie heeft op 13 oktober 2022 per brief een nadere concretisering
van de aangifte plaatsgevonden.
De rechtbank stelt vast dat de aangifte zich richtte tegen (een) onbekende dader(s)
en niet tegen een specifiek(e) bewindspersoon of Kamerlid. In de aangifte is toegelicht
dat de stukken op verschillende manieren zijn verspreid. Daarbij kan volgens de aangeefster
aan diverse locaties worden gedacht, waaronder de voorzitter en leden van het Presidium
en diens secretariaten, het advocatenkantoor [advocatenkantoor] en diens secretariaat,
de griffier van de Tweede Kamer en diens secretariaat, het hoofd van de stafdienst
HR van de Tweede Kamer en de concernjurist van de Tweede Kamer.
In de aangifte noch in de concretisering daarvan is enig vermoeden uitgesproken over
de exacte locatie van het lek of de persoon die dat zou hebben gedaan. Onder de genoemde
locaties waar gelekt zou kunnen zijn bevinden zich naast de leden van het Presidium
(zijnde Kamerleden) potentieel nog talloze andere personen, niet zijnde Kamerlid of
bewindspersoon, die op de hoogte waren, of zouden kunnen zijn geweest, van de vertrouwelijke
informatie. Gelet op het voorgaande was naar het oordeel van de rechtbank dan ook
geen sprake van een nadrukkelijk vermoeden van een ambtsdelict begaan door een bewindspersoon
of Kamerlid. Het enkele gegeven dat Kamerleden op de hoogte waren van de vertrouwelijke
informatie levert dit nadrukkelijke vermoeden in elk geval niet op.
Gelet op het voorgaande is het Protocol niet van toepassing en kon het openbaar ministerie
de aangifte behandelen. Het openbaar ministerie mocht naar aanleiding van deze aangifte
dus onderzoek doen en, naar aanleiding van dat onderzoek, overgaan tot de vervolging
van de verdachte.
Conclusie
Het verweer wordt verworpen. Het openbaar ministerie is ontvankelijk.
Vervolgens komt de Rechtbank tot een bewijsbeslissing:
5. De bewijsbeslissing
5.1 De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
5.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken
van het tenlastegelegde.
5.3 Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat het ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend
is bewezen en overweegt daartoe als volgt.
Het onderzoek naar aanleiding van de aangifte heeft belastende omstandigheden opgeleverd
die wijzen op mogelijke betrokkenheid van de verdachte bij het lekken van het besluit
van het Presidium op 28 september 2022 aan (een) journalist(en) van het NRC. In het
oog springen met name de volgende omstandigheden:
– De verdachte heeft de eerste versie van het advies van de landadvocaat op twee verschillende
emailadressen toegestuurd gekregen, terwijl het nieuwsbericht van het NRC op 28 september
2022 te 20.37 uur vermeldt dat dat advies is ingezien.
– De verdachte is vlak na de besluitvorming van het Presidium in de ochtend van 28 september
2022 op de hoogte gebracht van het besluit.
– De verdachte heeft hierna, op dezelfde dag, deelgenomen aan het scenario-gesprek,
waarin ook is gesproken over de optie om over het besluit te lekken aan de media.
– De verdachte is daarna naar Amsterdam afgereisd, net zoals op de dag daarvoor.
– De verdachte heeft op 26, 27 en 28 september 2022 telefonisch contact gehad met [journalist
1]. In het begin van de avond van 28 september 2022, vlak voor de plaatsing van het
nieuwsbericht, heeft de verdachte telefonisch contact gehad met [naam 4], [naam 1]
en [journalist 1], waarbij deze vier personen achtereenvolgens elkaar bellen.
De rechtbank is echter van oordeel dat deze omstandigheden, ook in onderling verband
en samenhang bezien, niet het overtuigende bewijs opleveren dat de verdachte het op
28 september 2022 genomen besluit van het Presidium heeft gelekt. Daarbij heeft de
rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Vooropgesteld wordt dat het onderzoek van de rijksrecherche en het daaruit voortgevloeide
dossier een aantal belangrijke beperkingen kennen. Eén van deze beperkingen is dat
het onderzoek zich, hoe begrijpelijk wellicht ook, niet heeft gefocust op alle personen
die in het kader van een lek vanuit het Presidium van belang zouden kunnen zijn. Bij
de bewuste vergadering van het Presidium op 28 september 2022 waren volgens het verslag
dat daarvan is opgemaakt 10 personen aanwezig. Van die personen zijn enkel de voorzitter
([naam 1]) en de griffier ([naam 2]) gehoord. Naar de andere aanwezige personen is
geen onderzoek verricht; zij zijn niet gehoord, laat staan dat opsporingsmethoden
op hen zijn toegepast. Of deze personen een rol, in wat voor zin dan ook, hebben gehad,
is dus niet komen vast te staan, maar evenmin of zij relevante informatie hebben over
het besluit en het lekken daarvan.
Van 19 personen staat vast dat zij direct op de hoogte waren dan wel indirect op de
hoogte zijn geraakt van het besluit van het Presidium van 28 september 2022. Over
een vergelijkbaar aantal is geconcludeerd dat zij mogelijk op de hoogte waren van
het besluit. In de praktijk kan dit aantal nog vele malen hoger liggen, gelet op onder
meer het in het dossier genoemde buddy-systeem (waarbij fracties die niet zijn vertegenwoordigd
in het Presidium via een buddy in het Presidium op de hoogte worden gehouden van lopende
zaken), alsmede gelet op de autorisaties en toegang tot e-mailboxen van voornoemde
19 personen.
Voorts is van belang dat van de personen die zijn gehoord een groot deel terughoudend
leek te zijn met het afleggen van een verklaring, in die zin dat zij vermoedelijk
niet het achterste van hun tong hebben laten zien. Meerdere personen die zijn gehoord
hebben voorts verklaard dat het (veel) vaker is voorgekomen dat vertrouwelijke informatie
vanuit de Tweede Kamer is gelekt. Uit deze verhoren komt een beeld naar voren van
een organisatie waarin maar weinig informatie daadwerkelijk vertrouwelijk behandeld
wordt en blijft. De manier van communiceren zou onderling bekend staan als binnen
is buiten en zo lek als een mandje.
Al het voorgaande geeft naar het oordeel van de rechtbank aanleiding om behoedzaam
om te gaan met de verkregen onderzoeksresultaten zoals deze zich in het dossier bevinden.
Ten aanzien van het onderzoek overweegt de rechtbank voorts als volgt. Het onderzoek
bestaat uit twee delen. Het eerste deel van het onderzoek heeft gelopen vanaf (grofweg)
de aangifte van [naam 1] op 3 oktober 2022 tot 30 oktober 2023 en heeft bestaan uit
het horen van diverse personen, met name (top)ambtenaren die werkzaam zijn bij de
Tweede Kamer, en onderzoek naar telefoon- en mailgedrag. De rijksrecherche concludeert
aan het einde van het eerste deel van het onderzoek dat uit de verklaringen een diffuus
beeld naar voren komt, dat concrete onderzoeksgegevens (zoals historische verkeersgegevens
van telefoons) gedeeltelijk ontbreken en dat er naast de personen die in het onderzoek
zijn betrokken een onbekend aantal («dark number») personen is van wie, om uiteenlopende
redenen, niet kan worden vastgesteld in hoeverre zij beschikten over informatie en
met wie zij contact hebben gehad.
De verdachte is na dit deel van het onderzoek niet als verdachte aangemerkt, waarbij
kennelijk ook in aanmerking is aangenomen dat zij als woordvoerder (van [naam 1],
maar ook van andere personen) geregeld contact met journalisten had en dat haar contacten
met [journalist 1] op 26, 27 en 28 september 2022 ook hierdoor kunnen worden verklaard.
Het onderzoek is vanaf maart 2024 opnieuw opgestart, omdat uit nieuwe informatie bleek
dat niet alle ambtenaren alles aan de rijksrecherche hadden verteld, met name over
het scenario-gesprek op 28 september 2022. Uit nadere getuigenverhoren is vervolgens
naar voren gekomen dat de verdachte degene is geweest die tijdens dit gesprek de optie
zou hebben genoemd om over het besluit te lekken aan de media, als één van de scenario’s.
Naar aanleiding van het nader onderzoek is ook de verdachte als verdachte aangemerkt.
Het is echter de vraag of aan het deelnemen aan zo’n scenario-gesprek dan wel het
opperen van het scenario om over het besluit te lekken aan de media een doorslaggevende
waarde kan worden gehecht, zeker gelet op de functie van de verdachte en het feit
dat verschillende deelnemers aan dit gesprek hebben verklaard dat een dergelijk overleg
niet ongebruikelijk was.
Ook tussen de twee zittingen in februari en mei 2025 bij de rechtbank is nog nader
onderzoek door de rijksrecherche verricht. Zo gaf nieuwe informatie aanleiding te
onderzoeken of [naam 4], die eveneens als verdachte is aangemerkt, heeft geregeld
dat hij op 29 september 2022 in het diepste geheim een gesprek met [journalist 1]
kon voeren in het gebouw van de Tweede Kamer. Dat gesprek lijkt ook te hebben plaatsgevonden,
terwijl het tot dan toe verrichte onderzoek daarvoor geen enkele aanwijzing gaf.
Verder is van belang dat belastende verklaringen van bijvoorbeeld [naam 5] en [naam
3] veel vermoedens en aannames bevatten.
Ten slotte is er weinig bekend over de bezoeken van de verdachte aan Amsterdam op
27 en 28 september 2022. Of zij op 27 september 2022 naar het gebouw van het NRC is
gegaan, staat allerminst vast. Verder heeft geen enkele betrokkene verklaard over
de inhoud van de hiervoor genoemde telefonische contacten op 26, 27 en 28 september
2022.
Al met al staat vast dat informatie uit de vergadering van het Presidium is gelekt
op 28 september 2022 tussen ongeveer 11.00 uur en 20.37 uur. Dit kan op verschillende
manieren en/of plaatsen zijn gebeurd: in persoon, in de wandelgangen, telefonisch,
via de e-mail, in Den Haag, in Amsterdam of elders.
De rechtbank is, gelet op al het voorgaande, van oordeel dat het overtuigende bewijs
voor betrokkenheid van de verdachte bij het lekken van de informatie ontbreekt en
zal de verdachte dan ook vrijspreken van het tenlastegelegde.
Op grond van deze overwegingen komt de rechtbank tot een vrijspraak:
7. De beslissing
De rechtbank: verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde
heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
De vrijspraak en de werking van de onschuldspresumptie41
Voor de openbare rapportage van de Voorbereidende groep, ten minste voor zover die
betreft eventuele bespreking van mogelijke scenario's van het lekincident, is het
volgende van belang. De strafzaak tegen de vervolgde verdachte in het lekincident
is geëindigd in een vrijspraak. Tegen het vrijsprekend vonnis van de rechtbank is
geen hoger beroep ingesteld waardoor het onherroepelijk is geworden. Uit rechtspraak
van het Europees hof voor de rechten van de mens volgt dat het beginsel van de onschuldspresumptie,
zoals is neergelegd in art. 6, tweede lid EVRM, sterke werking heeft voor een vrijgesprokene.
De relevante kernoverwegingen, in de zaak Allen tegen het Verenigd Koninkrijk42, luiden als volgt:
94. Om ervoor te zorgen dat het recht gegarandeerd door artikel 6, lid 2, praktisch
en doeltreffend is, heeft het vermoeden van onschuld echter ook een ander aspect.
Het algemene doel ervan, in dit tweede aspect, is om personen die zijn vrijgesproken
van een strafbaar feit, of tegen wie de strafprocedure is gestaakt, te beschermen
tegen behandeling door overheidsfunctionarissen en autoriteiten alsof zij daadwerkelijk
schuldig zijn aan het ten laste gelegde feit. In deze gevallen is het vermoeden van
onschuld al van kracht, door de toepassing tijdens het proces van de verschillende
vereisten die inherent zijn aan de procedurele waarborg die het biedt, om te voorkomen
dat een onterechte strafrechtelijke veroordeling wordt opgelegd. Zonder bescherming
om de eerbiediging van de vrijspraak of de beslissing tot staking in andere procedures
te waarborgen, zouden de waarborgen voor een eerlijk proces van artikel 6, lid 2,
theoretisch en illusoir kunnen worden. Wat ook op het spel staat nadat de strafprocedure
is afgerond, is de reputatie van de persoon en de manier waarop die persoon door het
publiek wordt waargenomen.
(...)
102. Meer recentelijk heeft het Hof zich op het standpunt gesteld dat na het staken
van de strafprocedure het vermoeden van onschuld vereist dat het ontbreken van een
strafrechtelijke veroordeling na vervolging van een persoon in elke andere procedure
van welke aard dan ook gehandhaafd blijft (zie Vanjak, reeds aangehaald, § 41, en
Šikić, reeds aangehaald, § 47). Het Hof heeft ook aangegeven dat het dictum van een
vrijspraakvonnis moet worden gerespecteerd door elke autoriteit die direct of indirect
verwijst naar de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de belanghebbende (zie Vassilios
Stavropoulos, reeds aangehaald, § 39; Tendam, reeds aangehaald, § 37; en Lorenzetti,
al aangehaald, § 46).
In de rapportage van de Voorbereidende groep moet dit uitgangspunt in acht moeten
worden genomen.
Hst 5. Verdenking van één of meer Kamerleden?
Het strafrechtelijk onderzoek naar het lekincident van 28 september 2022 was nadrukkelijk
niet gericht op mogelijk daderschap van Kamerleden. Toch vormt de informatie in het
strafdossier, het requisitoir, de ter terechtzitting uitgesproken verklaring van de
vervolgde verdachte en het vrijspraakvonnis, primair de feitelijke basis waarop door
de Voorbereidende groep een advies moet worden geformuleerd aan de Tweede Kamer om
al of niet een traject in te gaan dat kan leiden tot strafrechtelijke vervolging van
een of meer Kamerleden. Daarbij moet wel bedacht worden dat de Voorbereidende groep
geen commissie van onderzoek is in de zin van de Wet ministeriële verantwoordelijkheid,
zoals die gevormd zou moeten worden als de Kamer een aanklacht van vijf Kamerleden
tegen een Kamerlid of bewindspersoon wegens een in de uitgeoefende betrekking begaan
ambtsdelict in overweging neemt. Alleen een dergelijke commissie van onderzoek is
wettelijk bevoegd na onderzoek de Tweede Kamer te adviseren, al of niet over te gaan
tot het doen vervolgen van een Kamerlid wegens een ambtsdelict.43
De opdracht van de Voorbereidende groep heeft betrekking op mogelijke strafrechtelijke
betrokkenheid van één of meer (voormalige) Kamerleden bij een lekincident. Het gaat
daarbij om schending van het ambtsgeheim betreffende informatie over juridische advisering
van en besluitvorming in het Presidium van de Tweede Kamer op 28 september 2022. Onderwerp
van de advisering aan en besluitvorming in het Presidium is het instellen van een
feitenonderzoek naar sociale onveiligheid van medewerkers van de griffie in de periode
van een oud-Voorzitter van de Tweede Kamer (2016–2021).
De strafbaarstelling (art. 272 Sr)
Het schenden van geheimhouding is een strafbaar feit op grond van artikel 272, eerste
lid, Wetboek van Strafrecht.
De bepaling luidt als volgt:
«Hij die enig geheim waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit
hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep
verplicht is het te bewaren, opzettelijk schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie.»
De geschiedenis van de totstandkoming van het Wetboek van Strafrecht biedt geen duidelijke
aanknopingspunten voor de uitleg van het begrip «geheim» in art. 272 Sr.44
Onder enig geheim in de zin van deze bepaling wordt in de juridische literatuur algemeen
begrepen «informatie die is bestemd om niet bekend te worden, behalve voor zover deze
door daartoe bevoegde personen bekend wordt gemaakt».45 Bij de beoordeling of van geheime gegevens sprake is, dient volgens de rechtspraak
acht te worden geslagen op onder meer de aard van de informatie en het moment waarop
en de hoedanigheid waarin de tot geheimhouding plichtige hiervan kennis kreeg.46 Of een geheimhoudingsplicht al of niet terecht is opgelegd staat in de eerste plaats
ter beoordeling aan degene (of de instantie) die de geheimhouding oplegt. De taak
van de strafrechter is beperkt tot een onderzoek van de vraag of de aan de verdachte
opgelegde geheimhoudingsplicht formeel in overeenstemming is met de wettelijke regeling
waarop de geheimhoudingsplicht is gebaseerd.47 Het komt niet aan op de juistheid van de informatie, zodat ook onjuiste, gefingeerde
of verzonnen informatie onder een geheimhoudingsplicht kan vallen.48
De ratio van de strafbaarstelling van art. 272 Sr ligt in de schending van het vertrouwen,
gepaard gaande met de openbaarmaking van geheim te houden informatie. Niet vereist
is dat die openbaarmaking daadwerkelijk meer schade heeft aangericht dan de schending
van het vertrouwen.
Onder uitzonderlijke omstandigheden is denkbaar dat een openbaarmaking plaats vindt
in een situatie van overmacht. Daarbij kan worden gedacht aan een gedraging die voortvloeit
uit actuele nood, bestaande uit een conflict van belangen en die geëigend is om daaraan
een einde te maken. Daarbij geldt dan wel dat het gedrag aan de eisen van proportionaliteit
en subsidiariteit dient te voldoen. Het ligt in beginsel op de weg van degene die
wordt verdacht van schending van geheimhouding aan te voeren waarom die schending
eventueel gerechtvaardigd was op grond van een conflict van plichten.
Op grond van het voorgaande kan de Voorbereidende groep, naast de vraag of er voldoende
aanwijzingen zijn dat geheime informatie door een Kamerlid is gelekt, aandacht besteden
aan de volgende aspecten:
– Wat was de aard van de informatie die is gelekt?
– Wanneer is de informatie gelekt?
– Viel de gelekte informatie onder een geheimhoudingsplicht?
– Bestond de geheimhoudingsplicht uit hoofde van een door betrokkene bekleed ambt?
– Wist, of moest betrokkene redelijkerwijs vermoeden, dat geheimhouding in het door
deze uitgeoefende ambt in deze situatie verplicht was?
– Is de informatie opzettelijk gelekt?49
Waren de Presidiumleden tot geheimhouding verplicht?
Voor beantwoording van de hiervoor geformuleerde vragen die de geheimhoudingsplicht
betreffen, is in het bijzonder van belang zijn welke afspraken in het Presidium zijn
gemaakt. Relevant zijn daarom enkele passages uit het verslag van de Presidiumvergadering
van 28 september 2022.50
1. Melding sociaal onveilige werkomgeving
Het Presidium bespreekt het aangepaste advies van de Landsadvocaat over de binnengekomen
brieven d.d. 22 februari 2022 en 27 juli 2022. In eerdere overleggen d.d. 14 september
2022, 19 september 2022 en 26 september 2022 (in aanwezigheid van landsadvocaat) is
de brief over sociale veilig onveiligheid van 27 juli uitgebreid aan de orde geweest
inclusief de vraag of nadere stappen gezet moeten worden en hoe die er dan uit zouden
kunnen zien.
(...)
De griffier stelt het Presidium in kennis van een incident eerder deze week dat de
sociale veiligheid van haar en medewerkers raakt. Dit maakt de noodzaak voor bescherming
van ambtenaren duidelijk, zegt de griffier. Vanuit haar rol van werkgever is de staf
van de werkgroep corona extra hulp aangeboden. Zij vraagt begrip hiervoor en verwacht
discretie over alles wat de Griffier met het Presidium heeft gedeeld De Griffier verwacht
het ook van de oud-Voorzitter als zij op enig moment wordt ingelicht, vanuit het oogpunt
van politiek ambtelijke verhoudingen en het feit dat ambtenaren zich niet in de media
kunnen verweren. De Presidiumleden zijn van mening dat Kamerleden vrij zijn zich uit
te spreken, ook over ambtenaren. Hun positie is niet vergelijkbaar met die van een
bewindspersoon ten opzichte van de ambtenaren. (...)
Voordat het onderzoek van start gaat wordt de opdrachtformulering van het onderzoek
aan het Presidium voorgelegd evenals de naam van een bureau dat mogelijk de opdracht
uitvoert. De Presidiumleden geven aan dat zo spoedig mogelijk de voormalig Kamervoorzitter
op de hoogte moet worden gebracht van dit besluit. Indien mogelijk vandaag nog. Besloten
wordt dat de Voorzitter samen met de leden Bosma en Peeters dit gesprek zullen voeren.
De Presidiumleden vinden het belangrijk om meer openheid van zaken te geven aan de
oud-Voorzitter over de melding dan in het advies van de LA wordt gegeven. Er moet
zorgvuldig worden omgegaan met de positie van de voormalig Voorzitter. Als er rechtsbijstand
nodig is zal deze waar mogelijk ook geboden moeten worden. Dit wordt nader uitgezocht
zodat het besproken kan worden met de voormalig voorzitter. Het Presidium besluit
niet actief naar buiten te treden met het genomen besluit tot een feitenonderzoek.
Gekozen wordt voor een passieve en terughoudende woordvoeringslijn, waarbij steeds
gewezen wordt op het feit dat het om persoonsvertrouwelijke informatie gaat.
In het op 29 november 2022 afgenomen eerste politieverhoor van de voorzitter van het
Presidium, als aangeefster en getuige, is over de vertrouwelijkheid van bespreking
in het Presidium, zakelijk weergegeven, nog het volgende naar voren gebracht:51
Stukken voor de vergadering en verslagen van het Presidium worden, in de hier relevante
periode, gemaild naar de Presidiumleden, gemaild of doorgeleid hun plaatsvervangers
en/of naar buddy’s (op basis van een werkafspraak van Presidiumleden met Kamerleden
uit partijen die formeel niet in de Presidium vertegenwoordigd zijn). Er is een algemeen
beleid (een policy) van vertrouwelijkheid in het Presidium, stukken zijn vaak aangemerkt
als «vertrouwelijk», maar niet is vastgelegd welke stukken al of niet worden doorgeleid
naar andere Kamerleden. Evenmin is er een glashelder kader voor het al of niet overleg
voeren over in het Presidium besproken onderwerpen met andere Kamerleden.
Op basis van dit verslag is er in beginsel voldoende grond aan te nemen dat er voor
de Presidiumleden op 28 september 2022 een afspraak bestond tot het niet actief naar
buiten treden met de advisering over en het besluit tot een feitenonderzoek naar aanleiding
van de anonieme brieven, met dien verstande dat de toenmalige Voorzitter samen met
de leden Bosma en Peeters zo spoedig mogelijk wel openheid zouden geven aan de in
het onderzoek betrokken oud-Voorzitter over dat genomen besluit. Dat is ook verwoord
in de aangifte (en de nadere concretisering daarvan) die namens het Presidium is gedaan.
Opzettelijk (direct of indirect) lekken naar de pers door Presidiumleden of hun vervanger(s)
zou, gezien het vorenstaande, in strijd komen met de op hen rustende geheimhoudingsplicht.
Is er in de genoemde stukken een grond te vinden voor ernstige verdenking van een
Kamerlid in relatie tot het lekincident?
In ieder geval behoorden de leden van het Presidium van de Tweede Kamer tot de kring
van personen die beschikten over de informatie die op 28 september 2022 bekend werd
bij de NRC. Maar dat enkele gegeven is onvoldoende om een verdenking op te baseren,
zo wordt overwogen door het openbaar ministerie. Ook in de loop van het onderzoek
en na afsluiting ervan vindt het openbaar ministerie geen aanwijzingen voor betrokkenheid
van Kamerleden bij het lekincident.
Het openbaar ministerie is niet zelfstandig bevoegd strafrechtelijk onderzoek te verrichten
op verdenking van in hun betrekking gepleegde ambtsdelicten door Kamerleden. Maar
wanneer het OM op grond van een aangifte of uit feiten en omstandigheden afleidt dat
er reden is voor verdenking van Kamerleden (of van een bewindspersoon) wegens een
ambtsdelict, dan licht het OM de Minister van Justitie en Veiligheid in en kan de
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad gevraagd worden om een oriënterend onderzoek te
doen. Die situatie heeft zich niet voorgedaan.
Opvallend is dat in het strafrechtelijk onderzoek slechts twee (voormalig) Kamerleden
zijn gehoord als getuige. Dat zijn toenmalig Kamervoorzitter Bergkamp (eerst gehoord
als aangeefster en nadien als getuige) en haar voorganger Arib. Beiden zijn als getuige
gehoord onder cautie, dat wil zeggen na de waarschuwing dat zij niet verplicht waren
te antwoorden als zij meenden daardoor zichzelf te kunnen belasten. Geen van beiden
heeft zich daarop beroepen.
Beschuldiging
Het strafrechtelijk onderzoek Bremen is niet gericht op waarheidsvinding naar mogelijke
strafbare betrokkenheid van (voormalige) Kamerleden bij het lekincident van 28 september
2022. Er is niet veel informatie in te vinden over mogelijke betrokkenheid bij lekken
van (voormalig) Kamerleden. Toch staat er wel een beschuldiging in het dossier die
is gericht tegen het (toenmalig) Presidium. Die is vervat in een schriftelijke verklaring
van Arib, gedateerd 8 mei 2023, die op dezelfde dag per mail aan de officier van justitie
is verzonden via haar advocaat Knoops, waarin gesteld wordt dat een medewerker van
de Tweede Kamer haar had meegedeeld dat een (met naam genoemde) medewerker haar had
verteld dat «in opdracht» was gelekt naar de media. Zij stelt:
Gelet op de informatie die mij onlangs heeft bereikt en die in deze verklaring is
neergelegd is het evident dat men vanuit het Presidium heeft getracht mijn goede naam
en eer opzettelijk in diskrediet te brengen en hieraan ook ruchtbaarheid te geven
door opzettelijk te lekken.
Voorts wordt door Arib aangegeven dat de desbetreffende medewerker met wie zij sprak
op dat moment nog anoniem wil blijven, maar wel op de hoogte is van haar brief.
Op 16 mei 2023 is de met naam genoemde medewerker door de Rijksrecherche gehoord als
getuige. Ondanks gerichte vragen gaf deze medewerker geen blijk van enige wetenschap
over het lekincident. Omdat ondanks een verzoek van de officier van justitie aan Arib
tot nadere concretisering van haar brief, die concretisering was uitgebleven, besloot
de Rijksrecherche de medewerker toen niet te confronteren met de bewering van Arib.
Op 25 april 2025 kreeg Arib de beschikking over het strafdossier omdat zij was aangemerkt
als slachtoffer.52 Op 12 mei 2025 is daarop door de officier van justitie een zogeheten slachtoffergesprek
gevoerd met Arib. Door de officier van justitie werd aan het onderzoeksteam teruggekoppeld
dat Arib het volledige dossier had gelezen en dat zij tijdens dit gesprek had gezegd
dat zij (direct) van (naam medewerker, dezelfde persoon die ook in haar brief is genoemd)
had gehoord dat (andere naam medewerker53) aan haar had verteld dat ze in opdracht gelekt zou hebben. (Eerstgenoemde medewerker)
had dit niet durven vertellen aan de Rijksrecherche en zou volgens Arib een kwetsbaar
persoon zijn.
De Rijksrecherche heeft daarop contact opgenomen met de medewerker die door Arib (opnieuw)
als haar informant werd opgevoerd, maar deze ontkende met klem ooit met Arib te hebben
gesproken over het lekincident. Evenmin was haar iets dergelijks verteld door de andere
genoemde medewerker of door iemand anders, stelde zij.54 Verder onderzoek is naar aanleiding van deze beschuldiging niet verricht.
Ondersteuning voor de beschuldiging?
Na de terechtzitting in de strafzaak tegen de woordvoerder medio mei 2025 wordt in
de pers aandacht besteed aan een mogelijke betrokkenheid van Bergkamp daarbij.55 Als bron daarvoor wordt het verhandelde ter terechtzitting gebruikt, maar ook het
strafdossier. In deze publicaties komen elementen terug die ook als redenen zijn opgegeven
in de omkleding van de aanklacht van Markuszower c.s. Op enkele saillante punten wordt
hierna ingegaan.
De aangifte van het Presidium
Welke betekenis moet worden gehecht aan de stelling of bewering dat in de aangifte
opzettelijk is verzwegen dat een bepaalde persoon of personen niet zijn vermeld in
de opgave van de kring kennisdragers van vertrouwelijke stukken zoals het advies van
de Landsadvocaat? Van belang is op te merken dat in de aangifte en de nadere concretisering
daarvan niet de suggestie is gedaan van volledigheid. Open is gelaten of ook anderen dan de opgesomde
personen de beschikking kregen over de vertrouwelijke stukken.
Het is door de voorafgaande woorden – «De stukken zijn op verschillende manieren verspreid.
Hierbij kan in ieder geval gedacht worden aan de volgende locaties» – kennelijk niet
beoogd voor te spiegelen dat een uitputtende lijst van kennisdragers is opgenomen
in de aangifte. Ook wordt in de aangifte geduid op de verdere verspreiding in de Kamerorganisatie:
«De stukken zijn op verschillende momenten vanuit de Kamerorganisatie verspreid. Hierbij
kan in ieder geval gedacht worden aan...». Ook hier is nadrukkelijk geen uitputtende
beschrijving gegeven en ook niet bedoeld te geven, maar een beginpunt voor het onderzoek.
In het getuigenverhoor van Bergkamp geeft zij zelf aan, na eerst enige aarzeling te
hebben geuit over de precisie van haar herinnering op dit punt, dat het vertrouwelijke
advies van de Landsadvocaat vermoedelijk wel met haar woordvoerder (degene die later
als verdachte terecht stond) was gedeeld.56 Daarna confronteert de Rijksrecherche haar met het feit dat verzending vanuit haar
Tweede Kamer e-mail het vertrouwelijke advies (inderdaad) was toegezonden aan de woordvoerder
door tussenkomst van Bergkamps secretaresse. Nadien is het bericht door haar secretaresse
in opdracht van de Griffier (maar niet buiten Bergkamp om) verwijderd. Dit hield volgens
Bergkamp verband met het risico dat digitale verspreiding met zich bracht. Daarover
had zij met de Griffier gesproken. Bij het doorlezen van haar verklaring op 23 juni
2023 wordt door Bergkamp toegevoegd dat zij ook via haar privé e-mailaccount het advies
van de landsadvocaat aan de genoemde woordvoerder had toegezonden. Ook die toezending
had zij om dezelfde reden uit haar mailbox gewist. Dat had zij ook aan de woordvoerder
gevraagd te doen.57 Later, op 26 juni 2024, wordt dit emailverkeer door de Rijksrecherche alsnog veiliggesteld.58
Telefoonverkeer op 28 september 2022
Dat ook telefoniegegevens van Bergkamp en daarnaast incidenteel van enkele andere
(voormalige) Kamerleden in het dossier voorkomen, komt omdat het in die gevallen gaat
om geregistreerde belcontacten met niet-Kamerleden waarvoor machtigingen zijn afgegeven.
In het strafdossier is een grote hoeveelheid telefoonverkeer (wie belt met wie en
hoe lang) vastgelegd. In de fase rond 28 september 2022 wordt (nog) niet de inhoud
van gesprekken getapt (later wel). Uit de verkeersgegevens telefonie blijkt dat Bergkamp
op 28 september 2022 op verschillende momenten telefonisch contact heeft met onder
meer haar woordvoerder, met de Directeur Huisvesting en met de Griffier. In het verhoor
weet Bergkamp zich niet precies te herinneren waar die telefonische contacten over
gingen. Zij geeft aan van het lekken niet eerder op de hoogte te zijn, dan na ontvangst
van een groeps-app bericht uit het Presidium kort na de NRC-publicatie op de website.
Verwijderen van appjes
Volgens de toenmalige Griffier was de Kamervoorzitter (Bergkamp) een «verwijderaar».59 Die kwalificatie geeft zij voor de manier waarop Bergkamp met haar apps en mailverkeer
in algemene zin omgaat. Deze handelwijze was volgens haar niet specifiek in de zaak
waar het hier om gaat.60
Bergkamp heeft hierover als getuige verklaard dat op het punt van archivering en het
bewaren van appjes de lijn was dat die bewaard moesten worden als die leidden tot
een bestuurlijk besluit. Maar zij bewaarde niet één op één de appjes van en naar MT
leden. De appjes van en naar de woordvoerder (die later terechtstond) had zij niet
meer. Die waren gewist. Zij was immers vertrokken.61 Bergkamp geeft na het doorlezen van haar verklaring op 21 juni 2023 aanvullend aan,
dat nu de lijn is dat alles bewaard wordt, in die tijd (rond 28 september 2022) bewaarde
zij alles wat direct gerelateerd was aan een bestuurlijk besluit.62
Kennis van de scenario-bijeenkomst?
Nadat het onderzoek op een dood spoor was beland, kwam in maart 2024 vanuit de Tweede
Kamer organisatie het signaal van niet eerder bij de Rijksrecherche bekende informatie
over een gesprek van ambtenaren over de communicatieve risico’s op de dag (28 september
2022) van het kort tevoren genomen Presidiumbesluit over feitenonderzoek naar sociale
veiligheid van medewerkers in de periode van het Kamervoorzitterschap van Arib. Aanwezig
bij de nabespreking of scenario-gesprek waren enkele MT leden, de secretaris van het
Presidium en ook (een van) de woordvoerders van de Kamervoorzitter. De Kamervoorzitter
was niet bij het gesprek aanwezig. De woordvoerder nam bij die gelegenheid enkele
scenario’s door, waaronder (ook) die betrekking hadden op de situatie op lekken (door
anderen of door eigen handelen) aan de pers van het besluit van het Presidium. Dit
was bij de getuigenverhoren bij de Rijksrecherche nog niet naar voren gekomen. Wel
dat er een nabespreking had plaatsgevonden, maar niet deze inhoud. Via de beveiligingsautoriteit
van de Tweede Kamer die op de hoogte was geraakt van het feit dat de gehoorde getuigen
mogelijk niet alles hadden verteld, werd de officier van justitie daarover ingelicht
waarna die informatie werd teruggekoppeld naar de Rijksrecherche.
Het signaal vormt de aanleiding voor een doorstart van het onderzoek en leidt vervolgens
tot verdenking van de woordvoerder van schending van geheimhouding. Uiteindelijk mondde
het onderzoek zo uit in de vervolging en berechting die hiervoor is beschreven.
Door de woordvoerder is tijdens de terechtzitting onder meer het volgende naar voren
gebracht:
(...)
Dan het overleg van 28 september 2022. We zaten in die periode regelmatig in wisselende
samenstellingen in de kamer van de griffier of de voorzitter om te kijken waar we
stonden en wat er zou kunnen gebeuren. Ik sloot daarbij aan omdat het een zaak was
van de voorzitter en de griffier samen. Dit was ook op expliciet verzoek van de voorzitter,
die vond dat ik er wat dichter op moest zitten, omdat ik – in mijn woorden – voor
wat rust zou kunnen zorgen. Ik zou echt niet meer weten hoe vaak we zo hebben gezeten
en waar de afzonderlijke overleggen over gingen.
(...)
Ergens na de sessie heb ik de voorzitter heel even gesproken, want die moest direct
weer door of terug naar de plenaire zaal. lk weet niet meer wat we besproken hebben,
enkel dat we het in die periode in het algemeen veel hadden over hoe het met de collega's
ging. lk weet wel zeker dat ik daarbij niet iets van «nou welk scenario er nu langs
kwam» heb gezegd, want dat gewicht had het voor mij op geen enkele wijze. En er was
voor zover ik mij herinner ook geen ander specifiek advies voor haar uit gekomen,
anders dan waar we mee begonnen en dat is afwachten.
Slot
In het strafdossier is geen aanknopingspunt te vinden voor de stelling dat de Kamervoorzitter
wist dat er in ambtelijke kring over een lekscenario (in de variant van opzettelijk
zelf lekken) zou worden gesproken in relatie tot het besluit van het Presidium. Ook
is er geen aanknopingspunt gevonden in de beschikbare stukken om aan te nemen dat
de Kamervoorzitter daarover is ingelicht voordat de NRC op 28 september 2022 gelekte
informatie op de website publiceerde. Dat door of in opdracht van de Kamervoorzitter
een vertrouwelijk besluit is gelekt naar de pers, kan op basis van het voorhanden
strafdossier en de daarbij gevoegde stukken niet worden vastgesteld.
Bijlage besluitvormingsproces63
– Tijdens de Presidiumvergadering van 9 maart 2022 deelt de Voorzitter mee dat 21 februari
2022 een anonieme brief (d.d. 10 februari 2022) is binnengekomen bij de Griffier.
De brief is bij het secretariaat van de Griffier binnengekomen met het verzoek deze
door te geleiden naar de Voorzitter. De melding heeft betrekking op sociale onveiligheid
wat geleid heeft tot het vertrek van drie voormalig MT-leden.
– Het Presidium vraagt de Griffier advies hoe hier mee om te gaan.
– De Griffier vraagt advies bij Capra Advocaten.
– Op 3 mei 2022 ontvangt de Griffier het advies van Capra Advocaten.
– Op 9 mei 2022 is er overleg tussen MT en Capra Advocaten over de eerste anonieme brief
op basis van het advies van Capra.
– Tijdens de Presidiumvergadering van 8 juni 2022 bespreekt het Presidium de notitie
«Anonieme melding werkomgeving» waarin opties zijn voorgelegd hoe met een anonieme
melding kan worden omgegaan. In het belang van een zorgvuldige procedure is – in afwachting
van nadere informatie – besluitvorming uitgesteld tot de volgende vergadering.
– Tijdens de Presidiumvergadering van 22 juni 2022 besluit het Presidium een gesprek
aan te gaan met de personen die in de anonieme melding worden genoemd. Mogelijk kunnen
hieruit lessen getrokken worden of kan een ander vervolg worden bepaald.
– Op 27 juli 2022 komt een anonieme brief binnen bij het Presidium en in afschrift bij
het MT, waarin beschuldigingen worden geuit en toegelicht over de onveilige werkomgeving
en het optreden van mevrouw Arib jegens de ambtelijke organisatie in haar periode
als Kamervoorzitter. In de brief wordt aandacht gevraagd voor de ambtelijke staf van
de Tijdelijke commissie corona waar mevrouw Arib voorzitter van is geworden.
– De melding van 27 juli 2022 heeft raakvlakken met de in februari 2022 ontvangen anonieme
brief. Gezien deze raakvlakken wordt besloten vooralsnog niet in gesprek te gaan met
de voormalig MT-leden.
– Tijdens de eerste Presidiumvergadering na het reces, 14 september 2022, bespreekt
het Presidium de anonieme brief in aanwezigheid van ambtenaren. Deze brief is 13 september
2022 aan de Presidiumleden persoonlijk overhandigd. Het MT bevestigt de voorvallen
die in de brief beschreven staan. Het MT geeft aan zelf ook een sociaal onveilige
werksfeer te hebben ervaren. Het Presidium vindt de situatie dermate ernstig dat wordt
besloten op korte termijn weer bij elkaar te komen.
– De Voorzitter vraagt, namens het Presidium en de Griffier, Pels Rijcken een advies
uit te brengen over de vraag of de brief vanuit juridisch oogpunt aanleiding moet
geven voor nadere stappen en zo ja, hoe die eruit zouden kunnen zien.
– Op 19 september 2022 overlegt het Presidium over de binnengekomen anonieme brief.
Hierbij zijn geen ambtenaren aanwezig.
– Op 23 september 2022 brengt Pels Rijcken advies uit.
– Op 26 september 2022 overlegt het Presidium in aanwezigheid van ambtenaren en Pels
Rijcken over het advies van Pels Rijcken.
– Op 26 september 2022 stuurt Pels Rijcken een aangevulde versie van het advies. Dit
advies is 27 september 2022 aan de Presidiumleden verzonden.
– In de namiddag van 26 september 2022 worden twee MT-leden aangesproken door mevrouw
Arib over zaken die haar persoon aangaan. Deze ontmoeting is als intimiderend ervaren.
– Tijdens de Presidiumvergadering van 28 september 2022 besluit het Presidium een
onderzoek in te stellen naar de vermeende signalen over sociale onveiligheid die beschreven
zijn in de brieven. Tijdens dit overleg zijn ambtenaren aanwezig. 2 Het Presidium
besluit dat de Voorzitter, samen met de heren Bosma en Peters, de oud-Kamervoorzitter
zullen informeren. Dit gesprek moet zo spoedig mogelijk plaatsvinden.
– Woensdagmiddag 28 september 2022 wordt de voormalig Kamervoorzitter telefonisch uitgenodigd
voor een gesprek op donderdag 29 september 2022 om 09.15 uur. Aangezien dit tijdstip
niet past in de agenda van mevrouw Arib is per mail voorgesteld donderdagavond 29 september
2022 om 20.30 uur met elkaar te spreken.
– Woensdagavond 28 september 2022 verschijnt een artikel op de website van NRC waarin
melding wordt gemaakt van het onderzoek, gestaafd met citaten uit het advies van Pels
Rijcken en de anonieme brief.
– Woensdagavond 28 september 2022 en donderdagochtend 29 september 2022 heeft de Voorzitter
telefonisch en via de app contact gezocht met mevrouw Arib.
– Donderdagochtend 29 september 2022 meldt mevrouw Arib aan de Voorzitter het contact
via app of mail te laten verlopen.
– Donderdagochtend 29 september 2022 stuurt de Voorzitter een mail aan mevrouw Arib.
Hierop is geen reactie ontvangen.
– Zaterdagochtend 1 oktober 2022 besluit het Presidium aangifte te doen van het lekken
van vertrouwelijke stukken bij de hoofdofficier van justitie van het arrondissement
Den Haag.
– Zaterdagmiddag 1 oktober 2022 stuurt de Voorzitter nogmaals een mail aan mevrouw Arib.
Hierop is geen reactie ontvangen.
– Zaterdagavond 1 oktober 2022 deelt mevrouw Arib via de media mee haar Kamerzetel ter
beschikking te stellen.
– De Kamervoorzitter doet maandag 3 oktober 2022 namens het Presidium aangifte van lekken.
Bijlage 4
Overzicht geraadpleegde documenten
Kamerstuk 36 803 – Verzoek tot het in overweging nemen van een onderzoek naar een aanklacht
Nr. 3 Brief Presidium over samenloop tussen de aangenomen motie van het lid Wijen-Nass c.s. (Kamerstuk
36 221, nr. 22) en de aanklacht van het lid Markuszower c.s. op grond van Artikel 7 van Wmw (Kamerstuk
36 803, nr. 1) (Bosma)
10 09 2025
Nr. 2 Brief van de Voorzitter van de Tweede Kamer aan oud-Kamervoorzitter Bergkamp met daarin een overzicht van de procedure n.a.v.
de brief van het lid Markuszower c.s. (Kamerstuk 36 803, nr. 1) (Bosma)
05 09 2025
Nr. 1 Verzoek tot het in overweging nemen van een onderzoek naar een aanklacht (Markuszower)
04 09 2025
Kamerstuk 36 714 – Raming 2026
Nr. 17 Verslag van een wetgevingsoverleg, gehouden op 30 juni 2025, over raming der voor de Tweede Kamer in 2026 benodigde
uitgaven, alsmede aanwijzing en raming van de ontvangsten
21 07 2025
Nr. 13 Motie van het lid Kathmann c.s. over het gesprek aangaan met oud-Kamervoorzitter Arib (AANGENOMEN)
30 06 2025
Nr. 6 Motie van het lid Wijen-Nass c.s. over nader onderzoek naar de gang van zaken bij het onderzoek naar Arib en het trekken
van lessen voor de toekomst (AANGENOMEN)
30 06 2025
Nr. 5 Nota naar aanleiding van het verslag, met daarin onder andere aandacht voor sociale veiligheid in de Tweede Kamer
28 05 2025
Kamerstuk 36 528 – Raming 2025
Nr. 20 – Verslag van een wetgevingsoverleg, gehouden op 17 juni 2024, over Raming der voor de Tweede Kamer in 2025 benodigde
uitgaven, alsmede aanwijzing en raming van de ontvangsten
29 08 2024
Kamerstuk 36 359 – Sociale veiligheid in de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Nr. 2 Brief van het Presidium inzake een reactie op het onderzoeksrapport «Kracht zonder Tegenkracht. Sociale Veiligheid
in de Tweede Kamer der Staten-Generaal»
08 06 2023
Nr. 1 Brief van het Presidium n.a.v. vragen van het lid Omtzigt over het rapport van de Universiteit Utrecht (UU)
inzake sociale veiligheid
11 05 2023
Kamerstuk 36 328 – Raming 2024
Nr. 15 – Verslag van een wetgevingsoverleg, gehouden op 19 juni 2023, over Raming der voor de Tweede Kamer in 2024 benodigde
uitgaven, alsmede aanwijzing en raming van de ontvangsten
19 07 2023
Kamerstuk 36 221 – Instellen van een extern onderzoek naar aanleiding van twee anonieme brieven
Nr. 24 Brief van de Voorbereidende groep uitvoering motie Wijen-Nass c.s. over de mogelijke verdere uitvoering van de motie
Wijen-Nass (Kamerstuk 36 221-22)
27 11 2025
Nr. 23 Brief Presidium over de gang van zaken rond het onderzoek naar oud-Kamervoorzitter Arib (Bosma)
25 09 2025
2025D44732 Stenogram stemmingen over moties Totstandkoming van het onderzoek naar voormalig Kamervoorzitter Arib
09 09 2025
2025D44613 Stenogram plenair debat over Totstandkoming van het onderzoek naar voormalig Kamervoorzitter Arib
04 09 2025
Nr. 22 Motie van het lid Wijen-Nass c.s. over een openbare rapportage van de Kamer over de feiten en omstandigheden rondom
het onderzoek naar Khadija Arib (AANGENOMEN)
04 09 2025
Nr. 21Motie van het lid Ergin over de Kamervoorzitter nooit meer wegzetten om zijn of haar afkomst (AAANGENOMEN)
04 09 2025
Nr. 20 Brief Presidium Reactie op verzoek van het lid Markuszower, gedaan tijdens de Regeling van Werkzaamheden
van 2 september 2025, over de brief van het Presidium over openbaarmaking van het
advies van Capra Advocaten (Bosma)
Bijlage:
Advies Capra-advocaten
03 09 2025
Nr. 19 Brief Presidium over de totstandkoming van het feitenonderzoek dat verricht is naar aanleiding van
twee anonieme brieven en verstrekking van adviezen, correspondentie en andere informatie
met betrekking tot het feitenonderzoek (Bosma)
Bijlage:
Rapport feitenonderzoek Hoffmann (Hoofdstuk 1)
01 09 2025
Nr. 18 Brief Presidium met een reactie op de rechterlijke uitspraak van 12 juni 2025 over het lekken van
vertrouwelijke informatie (Bosma)
27 06 2025
Nr. 17 Brief Presidium over de uitspraak in de zaak rond het lekken van vertrouwelijke informatie uit het
Presidium (Bosma)
12 06 2025
Nr. 16 Brief Presidium over de berichtgeving over de rechtszitting van 15 mei 2025 rond het lekken van vertrouwelijke
informatie uit het Presidium in september 2022 (Bosma)
20 05 2025
Nr. 15 Brief Presidium over de uitspraak rechtszaak feitenonderzoek (Bosma)
05 02 2025
Nr. 14 Brief Presidium over het vervolg op het feitenonderzoek (Bergkamp)
17 11 2023
Nr. 13 Brief Presidium over het feitenonderzoek naar aanleiding van anonieme meldingen (Bergkamp)
Drie bijlagen:
Samenvatting Feitenonderzoek Tweede Kamer der Staten-Generaal. Dossier 22210049
Onderzoeksprotocol Feitenonderzoek Tweede Kamer (Bureau Hoffmann)
Begeleidend schrijven bij (rapport en samenvatting) feitenonderzoek Tweede Kamer
31 10 2023
Nr. 12 Brief Presidium inzake de laatste stand van zaken over een feitenonderzoek naar aanleiding van anonieme
meldingen (Bergkamp)
Twee bijlagen:
Mail Leden aan Voorzitter en Griffier
Beslissing van de rechtbank
26 10 2023
Nr. 11 Brief Presidium over de stand van zaken van het feitenonderzoek en de juridische procedures die daarmee
verband houden (Bergkamp)
Bijlage:
Brief van de gedelegeerd opdrachtgevers over een update feitenonderzoek Tweede Kamer
20 10 2023
Nr. 10 Brief Presidium naar aanleiding van vragen met betrekking tot het extern onafhankelijk feitenonderzoek
(Bergkamp)
Twee bijlagen:
Reactie op e-mail van een aantal leden over het feitenonderzoek naar aanleiding van
twee anonieme brieven
Reactie GO op e-mail van de Commissie voor de Werkwijze d.d. 18 augustus 2023 over
extern onafhankelijk feitenonderzoek
28 08 2023
Nr. 9 Brief Presidium over inzien van het advies van Capra Advocaten en openbaarmaking van de onderzoeksprotocollen
(Bergkamp)
16 06 2023
Nr. 8 Brief Kamer (Presidium) n.a.v. het verzoek van het lid Leijten over een advies van Capra Advocaten
en het verzoek van het lid Omtzigt over het protocol voor hoor- en wederhoor van het
feitenonderzoek naar aanleiding van twee anonieme brieven (Bergkamp)
14 06 2023
Nr. 7 Brief Presidium over het gedelegeerd opdrachtgeverschap naar aanleiding van het feitenonderzoek naar
de anonieme brieven (Bergkamp)
21 12 2022
Nr. 6 Brief Presidium – Begeleidende brief bij de brief aan de commissie voor de Werkwijze (Kamerstuk 36 221, nr. 5) (Bergkamp)
14 11 2022
Nr. 5 Brief Presidium over een feitenonderzoek naar aanleiding van anonieme meldingen (Bergkamp)
Twee bijlagen:
Offerte van Hoffmann en Advies van Pels Rijcken over doorzetten onderzoek
14 11 2022
Nr. 4 Brief Presidium over nadere informatie inzake het onderzoek naar de anonieme brieven (Bergkamp)
08 11 2022
Nr. 3 Brief Presidium over nadere informatie inzake het onderzoek naar de anonieme brieven (Bergkamp)
02 11 2022
Nr. 2 Brief Presidium over de opdrachtverlening voor het feitenonderzoek naar de anonieme brieven (Bergkamp)
20 10 2022
Nr. 1 Brief Presidium over het besluit tot onderzoek naar aanleiding van anonieme meldingen (Bergkamp)
Twee bijlagen:
Advies Pels Rijcken en Besluitvormingsproces
03 10 2022
Kamerstuk 35 752 – Raming 2022
Nr. 12 Verslag van een wetgevingsoverleg, gehouden op 21 juni 2021, over de Raming der voor de Tweede Kamer in 2022 benodigde
uitgaven, alsmede aanwijzing en raming van de ontvangsten
05 08 2021
34 340 – Instellen van een commissie van onderzoek
Verslag van de commissie van onderzoek (Commissie-Schouten)
20 01 2016
Regeling van Werkzaamheden (RvW)
RvW d.d. 23 september 2025, 2025D45809
RvW d.d. 2 december 2025, 2026D00502
Vertrouwelijke stukken
– Feitenonderzoek Tweede Kamer der Staten-Generaal, Dossier 22210049, Hoffmann, 31 oktober
2023
– Het strafdossier dat leidde tot de uitspraak: Rb. Den Haag, 12 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10223
– Brief van de Arbeidsinspectie d.d. 4 november 2024 (kenmerk 2403405/09)
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
Caroline van der Plas, Tweede Kamerlid