Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Van Lanschot over het CPB-rapport 'Macro-economische effecten van hogere defensie-uitgaven'
Vragen van het lid Van Lanschot (CDA) aan de Minister en Staatssecretaris van Defensie en de Minister van Economische Zaken over het CPB-rapport «Macro-economische effecten van hogere defensie-uitgaven» (ingezonden 24 november 2025).
Antwoord van Minister Brekelmans (Defensie) en de Staatssecretaris van Defensie en
de Minister van Economische Zaken (ontvangen 20 januari 2026). Zie ook Aanhangsel
Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 654
Vraag 1
Onderschrijft u de stelling van het CPB dat op een termijn van 1–4 jaar «de hogere defensie-uitgaven volledig ten koste gaan van andere economische activiteiten
en geen extra toename van het bbp bewerkstelligen.»?1
Antwoord 1
Investeren in Defensie is in eerste instantie een investering in de veiligheid van
Nederland en Europa. Veiligheid is een cruciale voorwaarde voor het goed functioneren
van een economie. De baten van veiligheid zijn echter niet altijd makkelijk uit te
drukken in economische waarden.
Het kabinet onderschrijft niet de stelling dat hogere defensie-uitgaven volledig ten
koste gaan van andere economische activiteiten. Tegelijkertijd erkent het kabinet
wel de door het CPB geschetste beperkingen voor extra economische groei op de korte
termijn (1–4 jaar) in de Nederlandse context. Deze beperkingen hangen samen met structurele
knelpunten, zoals de krapte op de arbeidsmarkt, ruimtelijke beperkingen en het risico
op verdringing van bestaande economische activiteiten. Het CPB wijst er bovendien
op dat de macro-economische effecten mede afhangen van de wijze van financiering (schulden,
ombuigingen of belastingen), waarover besluitvorming aan een volgend kabinet is.
Defensie zet momenteel stappen op verschillende punten die het CPB benoemt. Met de
Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII) 2025–20292 wordt ingezet op industrieversterkend inkopen in Nederland en Europa en op de gerichte
opschaling van deze industrieën. Daarnaast kunnen defensie-investeringen bijdragen
aan regionale economische activiteit, bijvoorbeeld rond defensielocaties en innovatieve
ecosystemen. Het CPB geeft aan dat dergelijke investeringen kunnen leiden tot positieve
economische spill-overeffecten, onder meer voor lokale ondernemers. Tegen deze achtergrond
is de Nederlandse defensie-industrie tussen 2022 en 2023 gegroeid van circa € 5,7
mld. naar € 7,7 mld.
Daarbij merkt het kabinet op dat een belangrijk deel van de economische effecten van
defensie-investeringen zich vooral op de middellange en lange termijn zal voordoen.
Positieve economische effecten ontstaan vooral wanneer deze inzet gepaard gaat met
gerichte investeringen in R&D, het realiseren van schaalvoordelen en het benutten
van Nederlandse comparatieve voordelen, zoals uitgewerkt in de beantwoording van vraag
4.
Vraag 2
Kunt u, indien dat niet het geval is, aangeven waar u verschillen ziet? Bijvoorbeeld
ten aanzien van de onderliggende methodologie (literatuuronderzoek), de gebruikte
data of de daaruit volgende conclusie.
Antwoord 2
Zie het antwoord op vraag 1.
Vraag 3
Deelt u de mening dat we een «once in a generation» kans hebben om toe te groeien
naar de afgesproken NAVO-norm van 3,5% én tegelijkertijd onze Nederlandse en Europese
(defensie-)industrie te versterken?
Antwoord 3
Wij delen de opvatting dat de huidige situatie een bijzondere gelegenheid biedt om
zowel de NAVO-norm van 3,5% defensie-uitgaven te realiseren als de Nederlandse en
Europese defensie-industrie te versterken. Het is een kans om op een strategische
manier te investeren in nationale veiligheid, noodzakelijke capaciteiten en technologische
vernieuwing. Defensie en EZ werken samen met de Nederlandse industrie en onze NAVO-bondgenoten
aan het benutten van de kansen voor de industrie.
Vraag 4
Kunt u een overzicht geven van de knoppen waaraan uw ministeries op de korte (1–4
jaar) en langere termijn (5–15 jaar) kunnen draaien om de «defensie-multiplier» te
verhogen?
Antwoord 4
Er zijn verschillende knoppen die benut (kunnen) worden om de economische effecten
van Defensie-uitgaven op de (midden)lange termijn zo gunstig mogelijk te maken:
1. Meer (innovatieve) productie binnen Nederland en Europa: Met de D-SII zet Defensie
in op industrieversterkend inkopen in Nederland en Europa en de opschaling van deze
industrieën. Het «weglek-effect» dat ontstaat als de defensie-uitgaven door import
uit het buitenland terechtkomen kan daarmee worden beperkt. Wanneer Defensie importeert
wordt ingezet op Industriële Participatie, wat inhoudt dat EZ en Defensie met buitenlandse
leveranciers afspreken dat de Nederlandse industrie bij orders wordt betrokken. Voorbeelden
van belangrijke projecten zijn de langlopende betrokkenheid van Nederlandse bedrijven
bij het F-35 programma en recent deelname van de industrie aan de productie van de
nieuwe onderzeeboten met een waarde van ruim € 1 miljard.3 Defensie zet bij de inkoop meer in op single-source inkoop, door toepassing van WVEU
346, wat het mogelijk maakt gericht te sturen op de herkomst van producten. Daardoor
kan snel en gericht in Nederland worden ingekocht. We kopen vaker dezelfde producten
als onze bondgenoten. Wat goed is voor hen, is ook goed voor ons (en andersom). Met
een Government-to-Government office en actieve business development werkt Defensie
ook actief aan het aansporen van export door de Nederlandse industrie.
2. Meer inzet op R&D, met name voor dual-use toepassingen en fundamenteel onderzoek:
Er bestaat bewijs dat met name uitgaven aan R&D positieve economische effecten kunnen
hebben4, vooral wanneer deze gericht zijn op fundamenteel onderzoek of technologie met bredere
maatschappelijke (dual-use) toepassingen. Met de D-SII committeert Defensie zich eraan
om te investeren in R&D via de 5 focusgebieden (de zogeheten NLD-gebieden): kwantum,
slimme materialen, intelligente systemen, ruimtevaarttechnologie, sensoren. De groei
van defensie-uitgaven in deze gebieden kan een sterke bijdrage leveren aan de Nederlandse
(kennis)economie. Deze wordt verder versterkt door het opzetten van regionale ecosystemen
gericht op de NLD-gebieden. Ook wordt R&D verder versterkt door het ondersteunen van
dual-use start-ups vanuit het Secfund en de Thematische Technology Transfer-regeling.
Ten slotte, geeft Nederland stabiel 1,3% van de Defensie-begroting uit aan Research
& Technology (R&T). Ook als onderdeel van materieelprojecten worden investeringen
in innovatie gedaan. Met bijvoorbeeld de C-UAS challenge daagt Defensie bedrijven
actief uit om met oplossingen te komen voor nieuwe uitdagingen.
3. Schaalvoordelen realiseren: Door grotere aantallen materieel aan te schaffen, kunnen
bedrijven middels learning-by-doing, grote productieseries en grotere afnamezekerheid
de kosten per geproduceerde eenheid materieel drukken. Nederland zet in op vraagbundeling
en gezamenlijke inkopen met bondgenoten op basis van de capaciteitsbehoefte. Concreet
heeft Defensie dit jaar een government-2-government office ingericht dat zich specifiek
richt op kansen voor gezamenlijke (internationale) aanschaf. Bovendien zet het kabinet
in op EU defensieprogramma’s die internationale samenwerking en gezamenlijke ontwikkeling
en aanschaf bevorderen zoals, het Europees Defensie-Industrie Programma (EDIP) en
het Europees Investeringsfonds (EIF). De Industrial Reinforcement Actions (IRA) en
op Common Procurement Actions (CPA) bieden nadrukkelijk kansen voor Nederland. Het
uitgangspunt voor de gezamenlijke ontwikkeling van militaire vermogens (capabilities)
in EU-verband zijn negen prioritaire capaciteitsgebieden (PCA’s). Op de drones en
counter-drones PCA pakt Nederland een voortrekkersrol.
4. Aansluiten op comparatieve voordelen: Hogere economische baten worden bereikt door
in te zetten op de zaken waar Nederland goed in presteert. De Nederlandse kenniseconomie,
gedreven door bedrijven en onderwijs- en kennisinstellingen van hoge kwaliteit, stellen
Nederland in staat zeer effectief te zijn bij de ontwikkeling en productie van hoogwaardige
technologie. Het kabinet speelt hierop in met de 5 NLD-gebieden en de maritieme maakindustrie,
die allen aansluiten bij bestaande ecosystemen.
Tot slot geldt dat het oplossen van algemene knelpunten in de Nederlandse economie
eraan bijdragen dat de bovenstaande knoppen tot minder verdringing van andere economische
activiteiten plaatsvindt wanneer uitgaven aan defensie worden verhoogd.
Vraag 5
Kunt u aangeven welke van deze knoppen u als meest kansrijk ziet? Kunt u een inschatting
geven op hoofdlijnen aan de hand van de variabelen moeite (inclusief kosten) en impact?
Antwoord 5
Met de D-SII 2025–2029 heeft het kabinet reeds een belangrijke stap gezet om zowel
de nationale en internationale veiligheid te garanderen als de economische baten te
verhogen. Dit wordt gedaan door gecombineerde inzet op de beschreven knoppen. Dit
draagt bij aan een sterke Nederlandse Krijgsmacht die een technologische voorsprong
heeft op potentiële tegenstanders en toegang behoudt tot hoogwaardig, betaalbaar materieel
waarbij leveringszekerheid noodzakelijk is. Ook zal de Economische beleidsanalyse
(EBA) defensie-industrie in de tweede helft van 2026 een advies uitbrengen dat hier
rekenschap van zal geven.
Vraag 6
Kunt u aangeven welke initiatieven er vanuit uw ministeries ten aanzien van deze knoppen
lopen?
Antwoord 6
Zie beantwoording vraag 4.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R.P. Brekelmans, minister van Defensie -
Mede ondertekenaar
G.P. Tuinman, staatssecretaris van Defensie -
Mede ondertekenaar
V.P.G. Karremans, minister van Economische Zaken
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.