Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Heutink over het artikel dat stelt dat de tolheffing op de A24, bij de Blankenburgtunnel, een ‘boetemachine’ wordt
Vragen van het lid Heutink (PVV) aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat over het artikel dat stelt dat de tolheffing op de A24, bij de Blankenburgtunnel, een «boetemachine» wordt (ingezonden 12 december 2025).
Antwoord van Minister Tieman (Infrastructuur en Waterstaat) (ontvangen 19 januari
2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 870.
Vraag 1
Bent u het eens met de stelling dat € 9,– voor een herinnering niets meer is dan geldklopperij
van de automobilist, dat deze verhoging compleet onaanvaardbaar is en dat we hier
zo snel als mogelijk mee moeten stoppen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Waarom is er ervoor gekozen om bij de eerste herinnering direct een verhoging van
€ 9,– toe te passen en is er niet voor gekozen om nietsvermoedende automobilisten
eerst kosteloos te herinneren aan hun tolplicht?
Antwoord 2
Het Ministerie van VRO is geen partij in deze wijziging. De beleidskeuzes zijn aan
DUWO.
Vraag 3
Gelet op het feit dat een dienstverlener conform de wetgeving verplicht is een factuur
te sturen aan de automobilist bij tolverplichting, en een ministerie dat niet is:
waarom is er gekozen voor dit onderscheid en bent u het eens met de stelling dat dit
onderscheid er actief voor zorgt dat automobilisten onduidelijkheid ervaren rondom
het tolsysteem en zodoende de fout ingaan?
Antwoord 3
Het is niet aan mij om uitspraken te doen over de wijze van verdelen van woningen
met gedeelde voorzieningen. In het land worden daarvoor verschillende systemen gebruikt.
Dit varieert van vormen waarbij de zittende huurders met verschillende maten van vrijheid
zelf kunnen kiezen, tot vormen waarbij de kamerzoekende zelf kan kiezen wanneer die
volgens objectieve criteria aan de beurt is.
Vraag 4
Bent u het eens met de stelling dat de onduidelijkheid rondom het betalen van elektronische
tol bewust in stand gehouden wordt, mede gelet op het feit dat de ontvangen boetegelden
voor de komende jaren al zijn vastgelegd in de begroting, teneinde het beoogde boetebedrag
binnen te halen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 4
DUWO heeft als sociale woningcorporatie de verantwoordelijkheid om voor studenten
die op achterstand staan zorg te dragen voor gelijke kansen. Zij wijst daarbij onder
andere op de student van ver die een kamer nodig heeft om te kúnnen studeren, de eerste-generatie
student die de weg niet voldoende weet en nog geen groot netwerk heeft of een MBO-student.
Dat sluit direct aan bij haar taakstelling die zij heeft als Toegelaten Instelling
die in het belang van de volkshuisvesting werkt. DUWO is daarbij onderworpen aan de
regels van de Woningwet, de overlegwet huurders-verhuurders en heeft ook te maken
met de bepalingen van de Wet Goed Verhuurderschap.
Verhuurders kunnen zich hierbij niet ontdoen van de plicht om de woningtoewijzing
(gedeeltelijk) elders onder te brengen. In het kader van de Wet goed verhuurderschap
acht ik het voor sociale studentenhuisvesters noodzakelijk om een heldere en transparante
manier van toewijzing te hanteren, waar objectieve selectiecriteria een rol spelen.
Coöptatie met een vorm van voorselectie voldoet aan deze voorwaarden.
Vraag 5
In hoeverre en op welke wijze worden mensen die niet of minder digitaal vaardig zijn
geholpen als het gaat om het voldoen van hun elektronische tol en hoe gaat u hen in
de toekomst nog beter helpen?
Antwoord 5
Het Ministerie van VRO is geen partij in deze wijzigingen.
Vraag 6
Kunt u aan het einde van beide rijrichtingen alsnog tolhuisjes, dan wel betaalautomaten,
plaatsen om automobilisten een eerlijk alternatief te bieden? Zo nee, waarom niet?
Zo ja, wanneer start u hiermee?
Antwoord 6
De vraag of en in welke mate bestaande voorrangsregelingen bijdragen aan het bredere
beleidsdoel zie ik als onderdeel van het goede gesprek tussen DUWO en haar stakeholders
en is niet aan mij ter beoordeling.
Vraag 7
Deelt u de analyse dat het structurele tekort aan studentenkamers het werkelijke kernprobleem
is binnen de studentenhuisvesting, en dat aanpassing van het hospiteerbeleid niet
bijdraagt aan het vergroten van de capaciteit? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 7
Het aanpassen van het hospiteerbeleid staat los van het verkleinen van het structurele
tekort. Ik onderschrijf de noodzaak van meer studentenhuisvesting. Als ministerie
zetten wij ons in voor de realisatie van 60.000 nieuwe studentenwoningen en zijn daarbij
voorstander van meer woningen met gedeelde voorzieningen. DUWO levert daar een bijdrage
aan.
Vraag 8
Hoe beoordeelt u het risico dat het door DUWO voorgestelde beleid de sociale samenhang,
stabiliteit en sociale veiligheid aantast in hechte studentenhuizen die momenteel
juist een belangrijke buffer vormen tegen eenzaamheid, prestatiedruk en mentale klachten
bij studenten?
Antwoord 8
Het Landelijke Actieplan Studentenhuisvesting (LAS) gaat in op het studentenwelzijn.
Het Ministerie van VRO is geen partij bij het door DUWO voorgestelde beleid.
Vraag 9
DUWO stelt dat aanscherping van het hospiteerbeleid nodig om te kunnen voldoen aan
de Wet goed verhuurderschap (Wgv). Erkent u dat deze wet ziet op verhuurders en niet
op bewoners die gezamenlijk een huisgenoot kiezen, en dat gemeenten en huurdersorganisaties
aangeven dat DUWO de Wgv te ruim interpreteert?
Antwoord 9
De Wet goed verhuurderschap (Wgv) richt zich tot verhuurders en verhuurbemiddelaars.
Zij zijn verantwoordelijk voor het voorkomen van ongerechtvaardigd onderscheid en
voor transparantie over de wijze waarop huurders worden geselecteerd wanneer sprake
is van een openbaar aanbod van woonruimte. Dat betekent onder meer dat verhuurders
en verhuurbemiddelaars verplicht zijn te werken met objectieve selectiecriteria, een
transparant selectieproces en een motiveringsplicht voor de gekozen huurder. Zij moeten
beschikken over een vastgelegde werkwijze om ongerechtvaardigd onderscheid te voorkomen,
die openbaar is gemaakt en bekend is bij alle werknemers van de verhuurder/verhuurbemiddelaar.
De Wgv sluit voor wat betreft het verbod op ongerechtvaardigd onderscheid aan bij
de normen van de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) en brengt daarin geen inhoudelijke
beperking aan ten opzichte van het reeds bestaande recht. Daarbij mag de verhuurder
bij de keuze voor een nieuwe huurder geen onderscheid maken op grond van de persoonskenmerken
die de Awgb beschermt. Het gaat daarbij om: godsdienst, levensovertuiging, politieke
gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid en burgerlijke
staat.
De Wgv schrijft geen specifieke vorm van huurderselectie voor en verbiedt daarmee
coöptatie of hospiteren niet. Ook selectie via coöptatie kan onder de Wgv plaatsvinden,
mits deze op een transparante wijze is ingericht en binnen de kaders van het verbod
op ongerechtvaardigd onderscheid blijft, zoals dat volgt uit de Awgb. Een manier waarop
verhuurders uitvoering kunnen geven aan de wettelijke verplichtingen van de Wgv en
Awgb is door schriftelijk vast te leggen en te communiceren (bijvoorbeeld via de website)
dat nieuwe huurders worden geselecteerd middels coöptatie. Daarnaast dienen verhuurders
de zittende huurders die bij de selectie betrokken zijn te instrueren dat de Wgv en
de Awgb van toepassing zijn op de verhuurder. Op grond van de Awgb mogen zittende
huurders bij coöptatie kan echter in sommige gevallen wel verdere eisen stellen aan
kandidaat-huurders op grond van de persoonskenmerken die de Awgb beschermt en bijvoorbeeld
huurders selecteren op basis van geslacht. Er mag echter nooit onderscheid worden
gemaakt op basis van afkomst of huidskleur. Ook deze instructie kan schriftelijk worden
vastgelegd als onderdeel van de werkwijze ter voorkoming van woondiscriminatie.
Hoe de verhuurder de wettelijke verplichtingen voortvloeiende uit de Wgv en Awgb concreet
vertaalt in beleid, is in beginsel aan de verhuurder zelf. In hoeverre een verhuurder
de Wgv aanleiding vindt om het eigen hospiteerbeleid aan te passen, betreft de wijze
waarop die verhuurder invulling geeft aan zijn verantwoordelijkheden onder de wet.
Vraag 10
In hoeverre kunt u bevestigen dat de Wgv studentenhuisvesters niet verplicht om hospiteren
sterk in te perken en dat dit derhalve een beleidskeuze van DUWO betreft?
Antwoord 10
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 9 stelt de Wet goed verhuurderschap (wgv)
randvoorwaarden aan verhuurpraktijken, zoals onder andere het voorkomen van ongerechtvaardigd
onderscheid middels transparantie over de selectieprocedure en het gebruik van objectieve
selectiecriteria. De Wgv laat ruimte voor verschillende vormen van huurderselectie,
zolang niet in strijd met de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) wordt gehandeld.
Indien het huidige hospiteerbeleid van een verhuurder echter niet voldoet aan de wettelijke
randvoorwaarden voor verhuurpraktijken, dient een verhuurder het hospiteerbeleid aan
te passen.
Vraag 11
Kunt u uiteenzetten welke mogelijkheden u ziet binnen de Woningwet en de Wgv om het
hospiteren als verworven praktijk in studentenhuizen te beschermen, mede gezien het
belang van sterke woongemeenschappen voor studentencultuur, welzijn en sociale veiligheid?
Antwoord 11
De Wet goed verhuurderschap (Wgv) alsook de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb)
laten ruimte voor het voortbestaan van coöptatie of hospiteren als huurdersselectie.
De Wgv en de Awgb maken geen einde aan het recht van zittende bewoners om betrokken
te zijn bij de keuze van een nieuwe huisgenoot, maar stellen randvoorwaarden om ongerechtvaardigd
onderscheid te voorkomen. Binnen dit wettelijke kader kunnen verhuurders coöptatie
blijven toepassen door transparant vast te leggen dat via coöptatie wordt geselecteerd,
objectieve en kenbare selectiecriteria te hanteren, te beschikken over een vastgelegde
en openbaar gemaakte werkwijze ter voorkoming van woondiscriminatie en door bewoners
te instrueren dat de Wgv (en daarmee tevens de Awgb) op de verhuurder van toepassing
is. Waarbij de zittende huurders, wanneer zij via een openbaar aanbod een huurder
zoeken middels coöptatie, nimmer mogen selecteren op de verboden discriminatiegronden
afkomst of huidskleur en daarbij een duidelijke werkwijze te hanteren.
Binnen het bestaande wettelijke kader kunnen verhuurders dus beleid voeren dat ruimte
laat voor bewonersbetrokkenheid bij huurderselectie door middel van coöptatie, zolang
dit zorgvuldig en non-discriminatoir wordt ingericht. Het is aan verhuurders zelf
om binnen de wettelijke kaders keuzes te maken ten aanzien van zijn verantwoordelijkheden
en de wijze waarop zij selectieprocedures inrichten.
Vraag 12
Welke beleidsinstrumenten staan de Rijksoverheid hierbij ter beschikking?
Antwoord 12
Zie antwoord op vraag 11.
Vraag 13
Heeft u zicht op de vraag of ook andere studentenhuisvesters voornemens zijn hun hospiteerbeleid
aan te scherpen of te beperken, en kunt u aangeven in hoeverre hiervan sprake is van
een bredere ontwikkeling binnen de studentenhuisvesting?
Antwoord 13
Kences is de brancheorganisatie voor sociale studentenhuisvesters. De Kences-corporaties
willen gelijke kansen voor alle woningzoekenden, zoals ook mbo-studenten en studenten
met een beperking of extra ondersteuningsvraag. Vorig jaar hebben de leden van Kences
de toegankelijkheid van hun huisvesting en hun toewijzingsbeleid met elkaar besproken.
Daaruit kwam naar voren dat zij de toegankelijkheid van hun huisvesting willen vergroten
met meer gelijke huisvestingskansen voor iedereen. Bij de keuze van de toewijzingsmethode
wordt een goede sociale cohesie binnen studentenhuizen meegewogen. Hospiteren op basis
van inschrijftijd is een voorbeeld van een toewijzingsmethode waarmee studentenhuisvesting
voor álle studenten toegankelijker wordt.
Daarnaast heeft het Landelijk Platform Studentenhuisvesting afgelopen augustus een
oplegger voor het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting ondertekend. Daarin hebben
het Ministerie van VRO, het Ministerie van OCW, studentenhuisvesters en studenthuurders
zich uitgesproken voor een toegankelijke woningmarkt voor álle studenten.
Vraag 14
Bent u bereid in gesprek te gaan met studentenhuisvesters, gemeenten, huurdersorganisaties
en studentenorganisaties over zowel de juridische interpretatie van de Wgv als de
maatschappelijke gevolgen van het beperken van het hospiteerbeleid?
Antwoord 14
Ik zie geen reden om een gesprek aan te gaan over het hospiteerbeleid van studentenhuisvesters.
De studentenhuisvesters blijven met hun voorstellen binnen de kaders van de wet.
Vraag 15
Als het antwoord «ja» is op vraag 14: bent u bereid de Kamer te informeren over de
uitkomsten van dit overleg, inclusief een beoordeling van mogelijke maatregelen om
het hospiteren te behouden als norm binnen de studentenhuisvesting en om identiteitsgebonden
studentenhuizen te beschermen?
Antwoord 15
Zie antwoord op vraag 14.
Vraag 16
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Antwoord 16
Ja.
Ondertekenaars
R. Tieman, minister van Infrastructuur en Waterstaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.