Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad van 26 januari 2026 (Kamerstuk 21501-32-1747)
2026D01994 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Binnen de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur hebben
de onderstaande fracties de behoefte vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Minister
van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over de geannoteerde agenda Landbouw-
en Visserijraad 26 januari 2026 (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1747).
De fungerend voorzitter van de commissie,
Podt
De griffier van de commissie,
Jansma
Inhoudsopgave
I
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
II
Antwoord / Reactie van de Minister voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
III
Volledige agenda
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de Geannoteerde
agenda Landbouw- en Visserijraad 26 januari 2026 en Verslag Landbouw- en Visserijraad
11–12 december 2025 en rectificatie beantwoording vragen met betrekking tot het CITES-verdrag.
De leden van de D66-fractie vragen ten aanzien van de wijziging van de verordening
biologische landbouw hoe de Minister de voorgestelde wijzigingen beoordeelt in het
licht van de recent gepresenteerde Europese Unie (EU)-strategie voor generatievernieuwing
in de agrarische sector. Kan de Minister toelichten of zij biologische landbouw ziet
als een kansrijk instap- en verdienmodel voor jonge en nieuwe boeren en op welke wijze
dit wordt weerspiegeld in de voorgestelde vereenvoudigingen? In hoeverre dragen deze
vereenvoudigingen naar de mening van de Minister daadwerkelijk bij aan het verlagen
van drempels voor jonge boeren en zij-instromers die willen starten of omschakelen?
Deze leden vragen de Minister tevens of zij het risico ziet dat vereenvoudiging vooral
bestaande bedrijven helpt, terwijl structurele knelpunten voor jonge boeren, zoals
toegang tot grond, kapitaal en afzet, blijven bestaan. Hoe waarborgt de Minister dat
aanpassingen van biologische productieregels niet leiden tot extra onzekerheid voor
jonge boeren die recent hebben geïnvesteerd in omschakeling? Voorts vragen deze leden
hoe de Minister ervoor wil zorgen dat de herziening van de biologische verordening
goed aansluit op de verplichting voor lidstaten om vanaf 2028 een geïntegreerde nationale
strategie voor generatievernieuwing op te stellen binnen het Gemeenchappelijk Landbouwbeleid
(GLB). Ten slotte vragen deze leden hoe de Minister in dit licht kijkt naar de recente
bevindingen in het Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)-rapport «Iedere boer
telt» (RVO, februari 2025, «Iedere boer telt» (https://www.rvo.nl/sites/default/files/2025-12/Rapport%20Iedere%20boer%…)) ten aanzien van Europese regelingen en regels.
De leden van de D66-fractie vragen met betrekking tot de Ontbossingsverordening (EUDR)
hoe de Minister het besluit beoordeelt om de toepassing van deze verordening opnieuw
met een jaar uit te stellen in het licht van de urgentie van mondiale ontbossing en
klimaatverandering. Welke gevolgen heeft dit uitstel volgens de Minister voor de geloofwaardigheid
van de EU als mondiale koploper op het gebied van duurzaam handels- en klimaatbeleid?
Op welke wijze borgt het kabinet tot slot dat de verdere vereenvoudiging en mogelijke
aanpassingen van de EUDR niet leiden tot een afzwakking van de doelstellingen van
de verordening?
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het bereikte akkoord over de
vangstmogelijkheden voor 2026. Deze leden vragen de Minister hoe zij de uitkomsten
van de Landbouw- en Visserijraad van december jongstleden beoordeelt in het licht
van de wetenschappelijke adviezen van de International Council for the Exploration
of the Sea (ICES). Kan de Minister nader toelichten op welke wijze bij de vaststelling
van de quota voor pelagische bestanden, zoals makreel en blauwe wijting, de langetermijnduurzaamheid
is gewaarborgd, gezien de geconstateerde zorgelijke dalingen in deze bestanden? Voorts
vragen deze leden naar de impact van de forse verlaging van het quotum voor Noordzeekabeljauw
met 44 procent. Op welke wijze zal de aangescherpte regeling voor tijdelijke gebiedssluitingen
(real time closures) worden gehandhaafd om de bescherming van ondermaatse vis te garanderen?
De leden van de D66-fractie hebben met grote belangstelling kennisgenomen van het
«Vereenvoudigingspakket» (Omnibus-verordening) op het gebied van voedsel- en diervoederveiligheid.
Deze leden steunen de ambitie om onnodige administratieve lasten te verminderen, mits
dit niet ten koste gaat van de bescherming van mens, dier en milieu.
De leden van de D66-fractie maken zich ten aanzien van de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
echter grote zorgen over het voorstel om de goedkeuring van actieve stoffen voor onbepaalde
tijd te verlenen en de verplichte periodieke herbeoordelingen (om de 10–15 jaar) af
te schaffen. Hoe rijmt de Minister dit voorstel met het voorzorgsbeginsel en de noodzaak
om stoffen continu te toetsen aan de meest recente wetenschappelijke inzichten, bijvoorbeeld
met betrekking tot de risico’s op neurodegeneratieve ziekten zoals Parkinson? Kan
de Minister garanderen dat het schrappen van deze herbeoordelingsplicht niet leidt
tot het langdurig op de markt blijven van risicovolle stoffen die onder het huidige
regime zouden worden verboden?
De leden van de D66-fractie verwelkomen tegelijkertijd de voorgestelde versnelling
van de markttoegang voor biologische en groene middelen (biocontrol). Kan de Minister
toelichten welke concrete termijnen worden nagestreefd voor deze versnelde procedures
en op welke wijze dit «fast-track» systeem zich verhoudt tot de reguliere toelating?
Hoe gaat het kabinet bevorderen dat boeren hiermee daadwerkelijk sneller de beschikking
krijgen over een duurzaam alternatief voor chemische middelen en op welke wijze wordt
geborgd dat «groene» middelen ook aan strenge veiligheidseisen blijven voldoen?
De leden van de D66-fractie verzoeken de Minister om voorafgaand aan de Landbouw-
en Visserijraad van 26 januari aanstaande, waar de Food and feed Omnibus mogelijk
aan de orde komt, en de Coreper II-vergadering van 4 februari aanstaande, de Kamer
nader te informeren over het Nederlandse standpunt. Deze leden vragen de Minister
inzicht te geven in de positie die in beginsel door Nederland zal worden uitgedragen
en verzoeken daarbij expliciet aan te geven op welke wijze uitvoering is gegeven aan
de motie van de leden Podt en Bromet (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1744) binnen dit standpunt.
De leden van de D66-fractie hebben ten slotte kennisgenomen van de brief van Eurocommissaris
Roswall van 22 december 2025 betreffende het Nederlandse verzoek om een nieuwe derogatie
onder de Nitraatrichtlijn (2025D54012). Deze leden erkennen dat het besluit van de Europese Commissie (EC) om geen ruimte
te zien voor een nieuwe uitzonderingspositie een ingrijpende boodschap is voor de
Nederlandse boeren die hiermee worden geconfronteerd. Deze leden vragen de Minister
te reflecteren op de fundamentele argumenten die Eurocommissaris Roswall aanvoert,
in het bijzonder de constatering dat de waterkwaliteit in grote delen van Nederland
nog altijd niet voldoet aan de Europese normen en dat de nitraatconcentraties in het
grondwater op veel meetpunten zelfs een stijgende trend laten zien. Hoe beoordeelt
de Minister de conclusie van de EC dat de huidige nationale maatregelen onvoldoende
effect sorteren om de doelstellingen van de Nitraatrichtlijn tijdig te behalen? Voorts
vragen deze leden op welke wijze de Minister van plan is invulling te geven aan de
noodzakelijke verbetering van de waterkwaliteit nu de EC expliciet wijst op de juridische
verplichtingen van Nederland en de beperkte ruimte voor politieke onderhandeling zolang
de ecologische randvoorwaarden niet worden gehaald. Kan de Minister daarbij specifiek
ingaan op de waarschuwing van de EC dat het niet vaststellen van een adequaat Achtste
Actieprogramma Nitraat de geloofwaardigheid van het Nederlandse beleid in Brussel
verder onder druk zet?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de stukken
ter voorbereiding op de Landbouw- en Visserijraad. Deze leden wensen in dit kader
enkele specifieke aandachtspunten te benadrukken en vragen hierover nadere toelichting
van het kabinet.
De leden van de VVD-fractie constateren dat tijdens de Raad van december 2025 een
politiek akkoord is bereikt over de vangstquota voor 2026 en hechten eraan enkele
aandachtspunten onder de aandacht van het kabinet te brengen. Deze leden erkennen
het belang van wetenschappelijk onderbouwd visserijbeheer, maar vragen tevens aandacht
voor de economische gevolgen van aanzienlijke quotaverlagingen voor vissersgemeenschappen.
Hoe weegt het kabinet de balans tussen ecologische duurzaamheid en het behoud van
een economisch levensvatbare visserijsector? Op welke wijze zet het kabinet zich in
om Nederlandse vissers binnen deze afspraken een gelijk speelveld en toekomstperspectief
te bieden?
De leden van de VVD-fractie nemen met betrekking tot het aantreden van Cyprus als
EU-voorzitter kennis van de nadruk op strategische autonomie en voedselzekerheid.
Deze leden onderschrijven het belang van een concurrerende en toekomstbestendige Europese
landbouwsector. Zij zien kansen in de aangekondigde inzet op vereenvoudiging van het
GLB en versterking van crisisinstrumenten. Tegelijkertijd vragen deze leden het kabinet
hoe wordt voorkomen dat nieuwe beleidsdoelstellingen leiden tot extra administratieve
lasten voor boeren. Hoe zal Nederland zich positioneren in de discussies over het
GLB 2028–2034 om ruimte te houden voor ondernemerschap, innovatie en een sterke marktoriëntatie?
De leden van de VVD-fractie hebben daarnaast kennisgenomen van de voorstellen van
de EC inzake biologische landbouw. Deze leden constateren dat de nadruk ligt op vereenvoudiging
en verduidelijking van regelgeving, hetgeen zij in beginsel positief achten. Wel vragen
deze leden aandacht voor het risico van marktverstoring en onnodig protectionisme,
met name waar het gaat om aanvullende eisen aan biologische producten uit derde landen.
Hoe beoordeelt het kabinet deze voorstellen in het licht van het belang van open markten
en eerlijke concurrentie? Deelt het kabinet de observatie dat het eerder vastgestelde
doel van 25 procent biologische landbouw in 2030 in deze voorstellen nauwelijks terugkomt?
De leden van de VVD-fractie erkennen ten aanzien van de evaluatie van de richtlijn
oneerlijke handelspraktijken de eerste positieve effecten voor de positie van boeren
en kleinere leveranciers in de keten. Deze leden benadrukken echter dat verschillen
in nationale uitvoering en handhaving kunnen leiden tot ongelijkheid binnen de interne
markt. Is het kabinet bereid zich in te zetten voor meer harmonisatie en betere samenwerking
tussen handhavingsautoriteiten, zonder daarbij het subsidiariteitsbeginsel uit het
oog te verliezen?
De leden van de VVD-fractie hebben tot slot kennisgenomen van recente Europese voorstellen
gericht op versnelde vergunningverlening voor energie-infrastructuur en de mogelijke
gevolgen daarvan voor natuur- en milieubescherming, alsmede van de ontwikkelingen
rond de Nitraatrichtlijn en derogaties. Deze leden onderstrepen het belang van voortgang
in de energietransitie en rechtszekerheid voor ondernemers, maar achten het essentieel
dat tijdelijke uitzonderingen juridisch houdbaar zijn. Hoe beoordeelt het kabinet
de risico’s van deze voorstellen, mede in het licht van eerdere ervaringen zoals het
Programma Aanpak Stikstof (PAS)? Op welke wijze zet het kabinet zich in om tot werkbare,
proportionele en uitvoerbare Europese regels te komen die zowel economische ontwikkeling
als milieubescherming dienen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda
en de onderliggende stukken. Deze leden hebben vragen en opmerkingen. Zij zullen hun
vragen en opmerkingen hieronder uiteenzetten.
Geannoteerde agenda
Europese Bio-economie strategie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben enkele vragen over de inzet van de
Minister met betrekking tot de Europese Bio-economie strategie. De Minister stelt
te blijven pleiten dat de primaire functie van landbouwbedrijven als voedselproducenten
voorop moet blijven staan en dat andere ambities hier geen afbreuk aan mogen doen.
Kan de Minister uiteenzetten wat zij bedoelt met «andere ambities» en hoe zij haar
zorgen onderbouwt dat aandacht voor de bio-economie boeren schaadt? Waarom heeft de
Minister vooraf al een voorkeur voor het boerenbedrijf boven het innovatieve biogebaseerde
bedrijf? Deze leden zijn benieuwd hoe de Minister het alsmaar grotere aandeel biogebaseerde
producten als onderdeel van een toekomstbestendig, duurzaam landbouwperspectief beschouwt,
aangezien zij de functie als voedselproducent belangrijk acht. Ten slotte zijn deze
leden benieuwd wat de invloed van de geopolitieke onzekerheid is in het debat over
duurzame biogrondstoffen. Hoe kijkt de Minister naar het belang van een gediversifieerde
voedselvoorziening in het licht van groeiende geopolitieke onzekerheid?
Verordening tot wijziging van de verordening inzake biologische landbouw
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben nog enkele opmerkingen over de aanpassing
van de verordening. Deze leden zijn zich ervan bewust dat de kabinetspositie nog wordt
voorbereid. Primair zijn deze leden benieuwd wat de rol gaat zijn van Nederland in
de onderhandelingen van de overeenkomsten over handel in biologische producten. Kan
de Kamer worden geïnformeerd over de aanpak en het doel van de Nederlandse inzet,
indien Nederland een actieve rol speelt?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich zorgen over versimpeling van een
aantal biologische productieregels waarmee de EC administratieve en financiële lasten
wil verminderen. Deze leden vinden dat versimpeling van biologische productieregels
nooit mag leiden tot een kwalitatieve verzwakking van biologische producten. Hoe wordt
gewaarborgd dat dergelijke aanpassingen niet leiden tot een hogere mate van «greenwashing»,
waarbij producten op voorbarige of onterechte gronden kunnen worden aangemerkt als
biologisch? Vooral voor het bieden van een solide en gebruiksvriendelijke basis lijkt
het deze leden niet bevorderend om regels te versoepelen, helemaal niet indien regels
op een later moment weer kunnen worden aangescherpt.
De leden van de GroenLinks-PvdA maken zich daarnaast zeer veel zorgen over het toelaten
van werkzame stoffen voor onbepaalde tijd op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen.
Hoe vaak kan op dergelijke stoffen een risicobeoordeling worden gemaakt? Hoe lang
duurt een mogelijke herbeoordeling door de EC? Deze leden vrezen toelating van schadelijke
stoffen tot de markt, met een tijdrovend en kostenintensief traject om toelating op
de markt terug te draaien. Hoe verhoudt deze toelating zich tot het voorzorgsbeginsel?
Kunnen bovenstaande vragen ook worden beantwoord voor de toelating van de werkzame
stoffen die niet voldoen aan de toelatingscriteria? Zijn er nog verdere vereisten
of voorschriften waar de gebruikers van dergelijke werkzame stoffen zich aan moeten
houden? Ook hier vragen deze leden hoe het voorzorgsbeginsel, zowel voor mens en milieu,
wordt gewaarborgd en hoe deze wordt afgezet tegen de plantgezondheid.
Verslag over de evaluatie van de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben een vraag over het beoogde onderzoek
met betrekking tot een minimale productieprijs. In hoeverre worden de resultaten van
het onderzoek bezien in het licht van versterking van de Europese samenwerkingen?
Deze leden vinden het erg belangrijk om bij breed gedragen evaluaties ter bevordering
van samenwerking niet enkel de (nationale) belangen te laten prevaleren, ook niet
als dit een (minimale) lastenverzwaring voor de boeren betekent.
Ministeriële lunch over de «Nieuwe Taskforce voor EU-invoercontroles»
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie kijken met interesse naar de voornemens voor
een taskforce. Wel zijn deze leden benieuwd hoe de Nederlandse inzet zich verhoudt
tot mogelijk verhoging van de uitvoeringslasten. Het instellen van een taskforce komt
immers zelden zonder verzwaring van de uitvoeringslasten. Heeft de Minister een beeld
wat zij acceptabele maatregelen acht en in hoeverre dit een verzwaring van de uitvoeringslast
mag betekenen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn daarnaast benieuwd naar de inzet van
Nederland bij de invulling van de taskforce. Hiermee doelen deze leden voornamelijk
op mogelijke flexibiliteit van de taskforce om ook producten en vereisten, die op
een later moment dan na instelling van de taskforce, schadelijk of kwetsbaar worden
geacht te controleren. Deze leden merken op dat een dergelijke flexibiliteit bij een
taskforce vraagt om structurele aanpak en financiering, vandaar dat zij benieuwd zijn
naar de inzet van Nederland op dit vlak.
Ontbossingsverordening
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie uiten zorgen over het uitstel van de inwerkingtreding
van de Ontbossingsverordening. Deze leden vrezen dat uitstel in dit geval niet leidt
tot afstel. Deze leden zijn benieuwd wat de precieze inzet is geweest van Nederland
in de afgelopen twee jaren waarin tot dit uitstel is gekomen. Daarnaast zijn deze
leden benieuwd wat de inzet van Nederland gaat zijn in het aankomende jaar om te verzekeren
dat de verordening ditmaal daadwerkelijk in werking zal treden op 30 december 2026.
De leden van de GroenLinks-PvdA zijn daarnaast zeer benieuwd naar een stand van zaken
voor implementatie van de verordening. In hoeverre was de Nederlandse overheid en
het bedrijfsleven gereed voor een mogelijke implementatie op 19 december 2025 en in
hoeverre wordt deze voorbereiding aangepast naar de definitieve inwerkingtreding op
30 december 2026?
Diversen – Visserij
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dragen een diversenpunt aan over de visserij.
Op 13 januari 2026 berichtte Follow The Money dat de EC een waarschuwing heeft afgegeven
aan Nederland over de bijvangst van bruinvissen (Follow the Money, 13 januari 2026,
«EU waarschuwt Nederland: krijg je visserij onder controle, anders eindigen we bij
de rechter» (https://www.ftm.nl/nieuwsbrieven/eu-waarschuwt-nederland-krijg-je-visse…)) In de antwoorden op vragen van onder andere deze leden werd eerder beterschap beloofd
met betrekking tot het tegengaan van visfraude (Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar
2023–2024, nr. 970). Hoe reageert de Minister op de waarschuwing van de EC (European Commission, 21 november
2025, November infringements package: key decisions» (https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/en/inf_25_2481))? Heeft de Minister al formeel gereageerd op de berichten van de EC? Zo ja, kan
zij de reactie in volledigheid delen met de Kamer? Welke maatregelen gaat zij nemen
om tegemoet te komen aan de zorgen over gebrekkig toezicht op visfraude? Het is een
lopende zorg dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) beschikt over te
weinig inspecteurs. Hoeveel inspecteurs denkt de Minister nodig te hebben om volwaardig
toezicht te houden op de bijvangst van bruinvissen? Deze leden benadrukken het belang
van betere monitoring van bijvangst, en wijzen ook op de mogelijk verstrekkende gevolgen
die het kan hebben voor vissers en de zeenatuur als dit niet verbetert. Zij verwachten
daarom tijdig en volledig op de hoogte te worden gesteld over de ontwikkelingen wat
dit betreft.
Verslag Landbouw- en Visserijraad van 11–12 december 2025
Vangstmogelijkheden 2026
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben nog enkele vragen en opmerkingen over
de vangstmogelijkheden voor 2026.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn ten eerste bezorgd over het uitblijven
van een akkoord over de vangst van makreel. In december 2025 volgde het nieuws dat
Noorwegen, de Faeröer-eilanden, IJsland en het Verenigd Koninkrijk zelfstandig afspraken
hebben gemaakt. Hierdoor achten deze leden de makreelbestanden onvoldoende beschermd.
Welke gevolgen hebben deze uiteenlopende afspraken op de gezondheid van de makreelpopulatie
en de diersoorten die daarvan afhankelijk zijn voor hun eten? Hoe beoordeelt de Minister
dat supermarktketens vooralsnog meer ernst zien in de ongezonde makreelbestanden dan
de lidstaten die ze vangen? Nederland moet zich volgens deze leden ten volste inzetten
om zo snel mogelijk tot gebalanceerde vangstafspraken te komen die zorgen voor feitelijk
herstel van de makreel. Zij zijn daarom benieuwd wanneer het definitieve akkoord wordt
bereikt op de Total Allowable Catch (TAC) voor makreel. Wat is momenteel de positie
en rol van Nederland in deze onderhandeling en met welke inzet gaat de Minister deze
onderhandelingen in?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich daarnaast zorgen over de onderhandelingen
over de verdeelsleutels voor blauwe wijting, makreel en Atlanto-Scandische haring.
Het betrekken van de bredere buitenlandse betrekkingen kan immers haaks staan op zowel
de milieudoelstellingen als op de sociaaleconomische doelstellingen. Kan de Staatssecretaris
toelichten wat hij precies bedoelt met het betrekken van de bredere buitenlandse betrekkingen?
Wat zijn daarvoor specifiek de gevolgen voor zowel de milieu- als de sociaaleconomische
doelstellingen? Hoe maakt de Staatssecretaris de afweging tussen deze drie componenten
van de onderhandelingen, welke volgens hem tot een gebalanceerd akkoord moeten komen?
Onderhandelingen met derde landen
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich zorgen over de verhoogde vangstmogelijkheid
voor de zeebaars. Deze leden vragen de Staatssecretaris in hoeverre gedurende het
jaar wordt gemonitord wat de effecten zijn op de populatie en wat de mogelijkheden
zijn om deze vangstpercentages bij te sturen, mochten wetenschappelijke adviezen hier
gedurende het jaar al op aandringen. Dit geldt overigens voor alle vispopulaties waarbij
momenteel een verhoogde vangsthoeveelheid is afgesproken. Deze leden zijn daarnaast
benieuwd naar de inzet van akoestische surveys voor andere vispopulaties, naast dat
van de Noordzee horsmakreel.
Uitkomsten trilaterale onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk (VK) en Noorwegen
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich zorgen over de toepassing van de
voorzorgsoverwegingen bij de vaststelling van het vangstadvies. Het bewust niet toepassen
van het voorzorgsbeginsel blijft de mogelijkheid bieden tot geitenpaadjes voor hogere
visvangst, ten koste van de vissenpopulaties. Wordt er momenteel overwogen om het
voorzorgsbeginsel toe te passen bij het vaststellen van de vangstpercentages? Zo nee,
is er een mogelijkheid dat Nederland zich hier op het Europese toneel voor in gaat
spannen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich specifiek zorgen over het vangstadvies
voor kabeljauw. Hoe verhoudt het links laten liggen van het 0-vangstadvies zich tot
het implementeren van maatregelen voor de bescherming van kabeljauw op de lange termijn?
Wat is de Nederlandse inzet in deze langetermijnbescherming, nu de economische en
maatschappelijke effecten ervoor hebben gezorgd dat het wetenschappelijke vangstadvies
niet is opgevolgd? Hoe verhoudt volgens de Staatssecretaris de maatschappelijke en
economische effecten zich tot het behoud van de makreel op lange termijn?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich zorgen over de aanpassing van het
TAC voor de Noordzeeharing. Hoe kan een aanpassing in het beheermodel leiden tot een
lagere TAC-demper?
Diversenpunten
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn benieuwd hoe de Staatssecretaris kijkt
naar de invulling van definities binnen het voorstel inzake de sectorale verordening
voor steun aan visserij, aquacultuur en het Oceaanpact voor de periode 2028–2034 van
de EC. Over welke definities bestaat precies onenigheid en wat is de inzet van Nederland
in de invulling van deze definities?
GLB na 2027
De leden van de GroenLinks-PvdA fractie zijn benieuwd hoe het pleidooi van de Staatssecretaris
over doelsturing is ontvangen.
Fiche Strategie voor generatievernieuwing in de agrarische sector
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben nog enkele opmerkingen bij het Fiche:
Strategie voor generatievernieuwing in de agrarische sector. Voornamelijk maken deze
leden zich zorgen over het onzekere nationale landbouwbeleid, met mogelijke financiële
dan wel mentale nadelen tot gevolg. In hoeverre wordt toekomstperspectief op nationaal
niveau meegenomen in het investeren in generatievernieuwing op (inter)nationaal niveau?
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben de geannoteerde agenda met interesse gelezen en
hebben met name over de Europese Bio-economie strategie en het onderwerp Verordening
tot wijziging van de verordening inzake biologische landbouw nog een aantal vragen.
De leden van de BBB-fractie hebben het rapport «Europese Bio-economie strategie» van
onderzoeksbureau Thuenen uit 2013 gelezen, dat in opdracht van de EU werd gedaan (Thünen,
22 november 2013, «Evaluation of the EU legislation on organic farming» (https://orgprints.org/id/eprint/28713/1/Final_StudyReport_(BlackWhite)…)). Daarin wordt benadrukt dat er grote verschillen zijn in de manier waarop de regels
voor biologische productie worden uitgelegd in verschillende landen. Bovendien zijn
er uitzonderingen op de regels mogelijk voor landen, waardoor «biologisch» in het
ene land iets totaal anders kan betekenen dan in het ander land. Deze leden willen
de Minister dan ook op het hart drukken om te vragen om opheldering rondom die verschillen,
zodat de oneerlijke concurrentie door soepelere regels voor biologische productie
in andere EU-lidstaten niet langer een risico vormt voor de Nederlandse boeren.
De leden van de BBB-fractie zijn blij om te lezen dat de Minister in het bovenstaande
kader aangeeft dat «andere ambities» geen afbreuk mogen doen aan de primaire functie
van landbouwbedrijven als voedselproducenten, zeker in de huidige tijd van geopolitieke
onzekerheid. De biologische productie van voedsel kost meer ruimte en land dan de
gangbare productie. Op dit moment produceert de Nederlandse landbouwsector voor veel
voedingsstoffen maar net genoeg voor de Nederlandse bevolking, hoewel Nederland als
vruchtbare delta met een hoogontwikkelde landbouwsector een grote verantwoordelijkheid
zou moeten dragen in de wereldwijde voedselvoorziening. De overgang naar 25 procent
biologisch areaal landbouw zou dus ofwel de productie van voedsel doen dalen, danwel
de claim op grond voor de totale landbouw vergroten. Er is in Nederland geen extra
grond beschikbaar voor de productie van voedsel, tenzij daarvoor bijvoorbeeld natuurgebieden
zouden worden opgegeven. Deze leden vragen de Minister daarom om onderzoek te doen
naar de gevolgen van nog meer biologisch areaal voor de voedselvoorziening in Nederland.
Kan de Minister bovendien aangeven in hoeverre het uitbreiden van biologische productie
in overeenstemming is met het programma van Cyprus waarin autonomie centraal staat
en voor de landbouw een specifieke focus op voedselzekerheid? Zou de Minister daarbij
ook willen betrekken dat voedselproducent HAK bijvoorbeeld heeft aangegeven dat afgelopen
jaar de volledige biologische oogst van tuinbonen is mislukt (Nieuwe Oogst, 20 december
2025, «HAK laat droom 100 procent biologisch varen: «Financieel niet langer haalbaar'»
(https://www.nieuweoogst.nl/nieuws/2025/12/20/hak-laat-droom-100-procent…))? Ziet de Minister een risico voor de voedselzekerheid als het biologisch areaal
nog groter wordt? Is er risico op het mislukken van nog meer oogsten als de inzet
op een groter biologisch areaal in Nederland wordt doorgezet? Hoe kijkt de Minister
daarnaast aan tegen de vereenvoudigingsvoorstellen van EC voor de biologische landbouw?
Hoe kijkt de Minister in het bijzonder naar de voorgestelde regels voor het gebruik
van het EU-logo voor biologische producten uit derde landen, waarbij deze producten
aan strengere eisen moeten voldoen dan de EU-producten? Wat zijn de gevolgen van een
dergelijke maatregel met een protectionistisch karakter voor de Europese en internationale
biologische markt?
De leden van de BBB-fractie maken zich zorgen over het gepresenteerde pakket Europese
netwerken. Deze leden zien daarin een mogelijk risico voor de landbouw, als daardoor
een grotere stikstofreductie-opgave bij de landbouw komt te liggen. Welke risico’s
ziet de Minister voor een hogere stikstofreductie-opgave voor de landbouw bij het
European grids package van de EC waarbij er uitzonderingen komen op de passende beoordeling
onder de Habitatrichtlijn? Is duidelijk hoeveel groter de opgave zou kunnen worden?
De leden van de BBB-fractie zijn tevreden over de onderhandelingen over de vangstmogelijkheden
voor 2026. Ondanks de moeizame gesprekken met derde landen en de overschrijdingen
door met name die landen van de makreelquota, zijn deze leden positief over het resultaat
dat door de Staatssecretaris is bereikt. Daarbij is zorgvuldig gekeken naar de vangstadviezen
van ICES, met oog voor zowel de ecologische uitgangspunten als de sociale en maatschappelijke
impact.
De leden van de BBB-fractie blijven, ondanks de inzet die de Staatssecretaris hier
al op pleegt, aandringen op het tot stand brengen van langjarige quota-afspraken om
de sector meer stabiliteit en voorspelbaarheid te bieden. Deze leden zijn met name
tevreden over de uitkomsten voor belangrijke bestanden, waaronder tong, zeebaars,
Noordzeeharing en horsmakreel. In het bijzonder bij tong, waar in eerdere jaren sprake
was van aanzienlijke terugval, blijkt dat het bestand zich herstelt. Dit bevestigt
het belang van langjarige quota om schokken in de sector beter te kunnen opvangen.
De leden van de BBB-fractie beschouwen de inzet van akoestische surveys, waaronder
ICES, als een positieve ontwikkeling. Deze methoden maken nauwkeurigere metingen mogelijk
en dragen bij aan betrouwbaardere wetenschappelijke inzichten in de bestandsschattingen.
De leden van de BBB-fractie zijn zeer verheugd over de bredere herziening van het
Real Time Closed Areas (RTC’s). Deze leden hebben hier al geruime tijd voor gepleit
en zijn verheugd dat de EC dit onderwerp nu in behandeling neemt.
De leden van de BBB-fractie ondersteunen de inzet van de Staatssecretaris om duidelijkheid
te verkrijgen over de financiering van wettelijke taken, de datacollectie en de controle.
Daarnaast zijn zij van mening dat bepaalde definities met betrekking tot de kleinschalige
visserij opnieuw dienen te worden bezien, aangezien deze in de praktijk onnodig beperkend
uitwerken. Kan de Staatssecretaris toezeggen daarop inzet te plegen?
De leden van de BBB-fractie benadrukken dat er voldoende financiële middelen beschikbaar
moeten blijven voor de uitvoering van wettelijke taken, voor de ondersteuning van
de energietransitie en voor vlootmodernisering. Daarbij achten deze leden het van
belang dat voldoende middelen in het GLB geoormerkt blijven voor de visserijsector,
ook al betreft dit een exclusieve bevoegdheid van de EC. Als vissers zelf controlemiddelen
moeten aanschaffen, dient dit wat betreft de leden van de BBB-fractie voor 100 procent
te worden vergoed. Kan de Staatssecretaris hierop reflecteren?
De leden van de BBB-fractie verzoeken bovendien om duidelijkheid over de vraag of
het vissen met korven op wollandkrab binnen visserijvrije zones is toegestaan en,
als dit het geval is, welke maaswijdte daarbij geldt, aangezien hierover onduidelijkheid
bestaat in de binnenvisserij en het seizoen op zeer korte termijn gaat beginnen.
De leden van de BBB-fractie willen ook van de Staatssecretaris weten of het klopt
dat het visgebied de Cocks is gesloten vanwege de aanwezigheid van zeegras. Zo ja,
dan vragen deze leden of het mogelijk is om dit hoog dynamische gebied weer open te
stellen als er geen zeegras aanwezig is.
De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris in gesprek te gaan met supermarkten
die makreel uit de schappen hebben gehaald, nu er een nieuw quota-akkoord voor makreel
is gesloten. Deze leden vragen daarbij te bezien of makreel weer in de schappen kan
worden opgenomen, aangezien het gesloten quota-akkoord zelfs onder het wetenschappelijk
vangstadvies ligt.
De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris, gelet op de recente ICES-herbeoordeling
waaruit blijkt dat de makreelstand aanzienlijk groter is dan eerder werd aangenomen
en mogelijk niet overbevist is en gezien de geuite kritiek op de onzekerheid en methodologie
van eerdere stockbeoordelingen, op welke wijze hij ervoor gaat zorgen dat het Nederlandse
en Europese visserijbeleid voortaan is gebaseerd op wetenschappelijk robuustere en
frequenter geactualiseerde bestandsevaluaties voor de vaststelling van vangstquota.
Daarnaast vragen zij de Staatssecretaris hoe de consistentie tussen internationale
afspraken over TAC’s en de ICES-adviezen wordt verbeterd en op welke manier daarbij
de positie van Nederlandse vissers wordt versterkt in internationale onderhandelingen
over gedeelde visbestanden, zoals makreel.
De leden van de BBB-fractie achten het zeer onwenselijk dat de NVWA bij de juridisering
die wordt toegepast bij de aanwijzing van loshavens niet naar de feitelijk toestand
heeft gekeken waar nu wordt gelost. Deze leden pleiten ervoor dat alle havens waar
in de afgelopen vijf jaar aantoonbaar vis is gelost, worden aangemerkt als toegestane
loshavens. Kan de Staatssecretaris hierop reflecteren? Kan de Staatssecretaris bovendien
aangeven waarom de NVWA er niet voor heeft gekozen om alle havens waar de afgelopen
vijf jaar vis is gelost aan te merken als toegestane loshavens?
De leden van de BBB-fractie achten het wenselijk om te onderzoeken of naast het Marine
Stewardship Council (MSC)-keurmerk mogelijk ook andere duurzaamheidslabels in de garnalenvisserij
kunnen worden geïntroduceerd, waaronder eventueel labels die in Vlaanderen worden
gehanteerd. Kan de Staatssecretaris toezeggen dat rekening wordt gehouden met de wensen
van de Nederlandse garnalenvissers als het gaat om de introductie van duurzaamheidslabels
voor garnalen op de Nederlandse markt?
De leden van de BBB-fractie verzoeken de Staatssecretaris om een werkbezoek te brengen
aan zijn Vlaamse collega, met als doel ervaringen uit te wisselen, ideeën op te doen
en gezamenlijke knelpunten binnen de visserijsector te bespreken, zoals de incidenten
op het kanaal met de flyshootvisserij op inktvis.
De leden van de BBB-fractie willen laten toetsen of de Rode Lijst nog actueel is,
onder andere voor soorten zoals de fint. Deze leden stellen voor hierover navraag
te doen bij Reptielen Amfibieën Vissen Onderzoek Nederland (RAVON) en de Wageningen
University & Research (WUR)/ Wageningen Marine Research (WMR). Kan de Staatssecretaris
hierover een toezegging doen?
De leden van de BBB-fractie pleiten daarnaast voor het verstrekken van langjarige
vergunningen aan ensisvissers om hun rechtszekerheid en continuïteit in de bedrijfsvoering
te versterken. Kan de Staatssecretaris hierop reflecteren?
De leden van de BBB-fractie vragen tot slot wanneer vanuit het ministerie duidelijkheid
komt over de passieve visserij binnen windmolenparken.
De leden van de BBB-fractie maken zich grote zorgen over de gevolgen van de recent
door de Verenigde Staten opgelegde importheffingen. Deze leden vernemen daarom graag
van de Staatssecretaris hoe groot de waarde is van visserijproducten-handel tussen
Nederland en de Verenigde Staten. Kan de Staatssecretaris bovendien reflecteren op
de verwachte gevolgen van de importheffingen voor de Nederlandse visserijsector?
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van onder meer
de geannoteerde agenda. Deze leden hebben nog enkele vragen.
De leden van de SGP-fractie hebben een vraag naar aanleiding van de evaluatie van
de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken die tijdens de Raad zal worden gepresenteerd.
Nederland heeft gekozen voor een minimale implementatie van de richtlijn. Verschillende
andere lidstaten hebben ervoor gekozen andere handelspraktijken toe te voegen aan
de door Brussel vastgestelde (minimale) lijst met verboden oneerlijke handelspraktijken
of hebben strengere handhavingsnormen ingevoerd. Hoe waardeert de Minister de verschillen
tussen lidstaten? Ziet zij toegevoegde waarde in het nationaal vaststellen van aanvullende
oneerlijke handelspraktijken of strengere normen ter versterking van de positie van
primaire producenten in de voedselketen? Zo nee, waarom niet?
De leden van de SGP-fractie horen graag wat de stand van zaken is met betrekking tot
de door de EC aangekondigde studie naar de impact van intellectueel eigendom en octrooien
in de plantenveredeling (zie schriftelijke overleg Landbouw- en Visserijraad van 18 juni
2025, Kamerstuk 21 501-32, nr. 1711). Het kabinet zou aandringen op snellere oplevering van deze studie, gelet op de
toenemende spanning tussen het octrooirecht en het kwekersrecht in de plantenveredeling.
Zal de studie inderdaad sneller worden opgeleverd? Zorgt de Staatssecretaris voor
nauwe betrokkenheid van Nederland bij de uitvoering van deze studie?
De leden van de SGP-fractie hebben verder een vraag over de brief inzake de voortgang
van het Achtste Actieprogramma Nitraatrichtlijn (Kamerstuk 33 037, nr. 635). Deze leden constateren dat de Minister kiest voor het vooralsnog doorzetten van
het Zevende Actieprogramma. Zij willen er daarbij op wijzen dat wat betreft de aanwijzing
van met nutriënten verontreinigde gebieden (NV-gebieden) inmiddels geactualiseerde
data beschikbaar zijn, waardoor enkele NV-gebieden niet meer voldoen aan de criteria
waarmee ze aangewezen zijn, zoals de landbouwbijdrage van minimaal 19 procent. Gaat
de Minister ervoor zorgen dat binnen de systematiek van het Zevende Actieprogramma
en de NV-gebieden dit jaar wel die NV-gebieden van de lijst worden afgevoerd die op
basis van de geactualiseerde gegevens niet (meer) blijken te voldoen aan de criteria
op basis waarvan ze zijn aangewezen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor de Landbouw-
en Visserijraad en hebben hier nog enkele vragen over.
Diertransportverordening
De leden van de PvdD-fractie constateren dat op de afgelopen Landbouw- en Visserijraad
is gesproken over de diertransportverordening. Kan de Minister aangeven wat haar verwachting
is voor het tijdpad en inhoud van het definitieve voorstel? Kan zij aangeven hoe het
verwachte voorstel zich verhoudt tot de oproep die de Kamer al jarenlang doet om over
te gaan tot het verlagen van de maximumtemperatuur voor diertransporten (Kamerstukken
21 501-32, nr. 1716; 28 286, nr. 1346; 21 501-32, nr. 1526; 36 200 XIV, nr. 63)? Kan de Minister toezeggen dat zij ervoor gaat zorgen dat er deze zomer geen dieren
meer op snikhete dagen op transport worden gezet naar het slachthuis door het verlagen
van de maximumtemperatuur?
Biologische landbouw
De leden van de PvdD-fractie constateren dat de EC voorstellen heeft gepresenteerd
op het gebied van biologische landbouw. Kan de Minister toezeggen dat Nederland niet
akkoord zal gaan met vereenvoudiging van de regelgeving dat ten koste gaat van dierenwelzijn?
Zo nee, waarom niet?
De leden van de PvdD-fractie vragen de Minister hoe zij ervoor gaat zorgen dat Nederland
het doel van ten minste 15 procent biologisch landbouwareaal in Nederland in 2030
gaan behalen?
Vereenvoudigen van milieu- en natuurwetgeving
De leden van de PvdD-fractie vragen de Minister of zij heeft kennisgenomen van de
HandsOffNature coalitie, waarin zij zorgen uiten over het afbreken van de natuurbeschermings-
en milieumaatregelen, wat leidt tot meer milieu- en gezondheidsschade, zoals meer
uitstoot, een slechtere waterkwaliteit en achteruitgang van biodiversiteit (European
Environmental Bureau, 10 december 2025, «Green protection gutted: EU Commission jeopardises
nature and health safeguards» (https://eeb.org/en/green-protection-gutted-eu-commission-jeopardises-na…)). Wat is de reactie van de Minister op deze brief?
Bontfokkerijen
De leden van de PvdD-fractie lezen dat de EC naar verwachting dit voorjaar zal aangeven
hoe zij de toekomst van de bontindustrie in de EU voor zich ziet. Is de Minister bereid
om op korte termijn aan de EC mede te delen dat Nederland groot voorstander is van
een handels- en productieverbod voor bont in de EU? Zo nee, waarom niet?
Oceaanverdrag
De leden van de PvdD-fractie vragen de Staatssecretaris of hij ook verheugd is dat
het Oceaanverdrag eindelijk van kracht is. Kan de Staatssecretaris aangeven of Nederland
het verdrag inmiddels heeft geratificeerd? Zo nee, waarom is dit nog niet gebeurd
en wanneer gaat Nederland dat wel doen?
Landbouwgif
De leden van de PvdD-fractie vragen de Minister uiteen te zetten hoe de Omnibus Simplification
Package (agendapunt A.03) de komende Standing Committee on Plants, Animals, Food and
Feed (ScoPAFF)-vergaderingen procesmatig zal worden behandeld, inclusief in welke
vergaderingen dit onderwerp naar verwachting opnieuw zal terugkeren. Wanneer wordt
een eerste inhoudelijke bespreking voorzien en op welk moment verwacht de EC toe te
werken naar een formeel beslismoment (B-punt)?
De leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat de Minister de Kamer moet informeren
voorafgaand aan een aankomende ScoPAFF-vergadering over de voorgenomen Nederlandse
standpunten inzake de in stemming gebrachte beslispunten (B-punten). Deelt de Minister
de opvatting dat A-punten in ScoPAFF, waaronder de bespreking van European Food and
Safety Authority (EFSA)-conclusies en Artikel-21-procedures in de praktijk onderdeel
vormen van het besluitvormingsproces en richtinggevend zijn voor latere besluitvorming
over (her)goedkeuring, verlenging of intrekking van werkzame stoffen? Zo ja, waarom
wordt de Kamer hierover niet vooraf inhoudelijk geïnformeerd? Zo nee, kan de Minister
uitleggen waarom EFSA-conclusies dan wel in ScoPAFF worden besproken? Kan de Minister
tevens uiteenzetten welke inhoudelijke positie Nederland inneemt in de artikel-21-discussie
over acetamiprid (agendapunt A.11)?
De leden van de PvdD-fractie vragen of de Minister bereid is om de Kamer ook standaard
te informeren over Nederlandse bijdragen aan ScoPAFF na afloop van de vergadering,
waaronder schriftelijke appreciaties of mondelinge interventies die op uitnodiging
van de EC zijn geleverd. Zo ja, op welke termijn ontvangt de Kamer deze terugkoppeling?
Zo nee, kan de Minister toelichten op welke grond zij dit afwijst?
De leden van de PvdD-fractie vragen of de Minister bereid is in deze terugkoppeling
per stof die als A-punt wordt besproken en waarvoor EFSA «critical areas of concern»
of niet-finaliseerbare risico’s identificeert, aan de Kamer te melden of Nederland
bij een toekomstig B-punt steun, onthouding of tegenstem overweegt? Zo nee, kan de
Minister toelichten op welke grond zij dit afwijst?
De leden van de PvdD-fractie lezen in de Updated peer review of the pesticide risk
assessment of the active substance Spinosad dat «several key risk assessments could
not be finalised due to missing information, and therefore EFSA cannot conclude whether
spinosad can be expected to meet the approval criteria of Article 4 of Regulation
(EC) No 1107/2009» (EFSA, 20 januari 2025, Updated peer review of the pesticide risk
assessment of the active substance spinosad»)). Hoe weegt de Minister deze zorgwekkende
hiaten in het herbeoordelingsdossier mee in haar inzet inzake dit beslispunt?
De leden van de PvdD-fractie lezen in de «Conclusion on the peer review of the pesticide
risk assessment» van de nieuwe werkzame stof bixlozone dat EFSA meerdere kernrisicobeoordelingen
niet heeft kunnen afronden en daardoor niet kan concluderen of bij alle toepassingen
aan de goedkeuringscriteria Verordening (EG) nr. 1107/2009 wordt voldaan. Deze leden
vragen welke inhoudelijke duiding Nederland zelf geeft aan de door EFSA geconstateerde
datalacunes, gegeven dat Nederland rapporteur-lidstaat (RMS) is voor bixlozone. Kan
de Minister tevens aangeven op welke wijze deze weging doorwerkt in het Nederlandse
stemgedrag bij het betreffende ScoPAFF-beslispunt?
II Antwoord / Reactie van de Minister
III Volledige agenda
Geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad van 26 januari 2026
Kamerstuk 21 501-32, nr. 1747 – Brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
F.M. Wiersma, d.d. 14 januari 2026
Verslag Landbouw- en Visserijraad van 11–12 december 2025 en rectificatie beantwoording
vragen m.b.t. het CITES-verdrag
Kamerstuk 21 501-32, nr. 1746 – Brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
F.M. Wiersma, d.d. 19 december 2025
Fiche: Strategie voor generatievernieuwing in de agrarische sector
Kamerstuk 22 112, nr. 4214 – Brief Minister van Buitenlandse Zaken, D.M. van Weel, d.d. 28 november 2025
Ontwikkelingen rondom het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) december 2025
Kamerstuk 28 625, nr. 379 – Brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
F.M. Wiersma, d.d. 16 december 2025
Reactie op de brief van de Dierencoalitie en Bont voor dieren over bontfokkerijen
Kamerstuk 22 112, nr. 4224 – Brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
F.M. Wiersma, d.d. 16 december 2025
Reactie op het advies (MROA) over de inbreukprocedure inzake de bescherming van de
grutto onder de Vogelrichtlijn
Kamerstuk 33 576, nr. 473 – Brief Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en
Natuur, J.F. Rummenie, d.d. 17 december 2025
Reactie op verzoek commissie over afschrift brief aan Bont voor Dieren en meerdere
organisaties aan Eurocommissaris voor Milieu m.b.t. verbod op handel in zeehondenproducten
Kamerstuk 22 112, nr. 4225 – Brief Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en
Natuur, J.F. Rummenie, d.d. 17 december 2025
Voortgang 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn
Kamerstuk 33 037, nr. 635 – Brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
F.M. Wiersma, d.d. 19 december 2025
Afschrift van de brief van Eurocommissaris Roswall naar aanleiding van derogatieverzoek
Kamerstuk 33 037, nr. 637 – Brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
F.M. Wiersma, d.d. 23 december 2025
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
A. Podt, voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Mede ondertekenaar
R.P. Jansma, griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.