Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over de buitengewoon opsporingsambtenaar een professionele partner met een eigenstandige taak in de publieke ruimte (Kamerstuk 36395-22)
2026D01587 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft een aantal vragen en opmerkingen
voorgelegd over de brief «De buitengewoon opsporingsambtenaar een professionele partner
met een eigenstandige taak in de publieke ruimte» (Kamerstuk 36 395, nr. 22).
De fungerend voorzitter van de commissie,
Ellian
Adjunct-griffier van de commissie,
Van Tilburg
Inhoudsopgave
I.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
1.
Vragen en opmerkingen vanuit de D66-fractie
2.
Vragen en opmerkingen vanuit de VVD-fractie
3.
Vragen en opmerkingen vanuit de GroenLinks-PvdA-fractie
4.
Vragen en opmerkingen vanuit de CDA-fractie
5.
Vragen en opmerkingen vanuit de JA21-fractie
6.
Vragen en opmerkingen vanuit de BBB-fractie
7.
Vragen en opmerkingen vanuit de SGP-fractie
8.
Vragen en opmerkingen vanuit de SP-fractie
II.
Reactie van de Minister
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
1. Vragen en opmerkingen vanuit de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de voorstellen van het Minister
ten aanzien van het hernieuwde stelsel voor buitengewoon opsporingsambtenaren (boa).
Deze leden onderschrijven het belang van een goed functionerend, toekomstbestendig
en professioneel stelsel van boa’s, dat bijdraagt aan de veiligheid en leefbaarheid
in onze samenleving en tegelijkertijd stevig is verankerd in de rechtsstaat. Zij zien
dat boa's in de praktijk een steeds belangrijkere rol vervullen. In dit kader achten
zij een hernieuwd boa-stelsel een logische ontwikkeling. Tegelijkertijd roept de herziening
ook vragen op over de specifieke invulling van het herziene stelsel.
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de zorgen en aandachtspunten
die door onder meer de Nederlandse Spoorwegen (NS) zijn ingebracht ten aanzien van
de herziening van het stelsel. De boa's van de NS worden regelmatig geconfronteerd
met strafbare feiten zoals mishandeling, diefstal en vernieling. De NS geeft aan dat
boa’s in dergelijke situaties geacht worden de-escalerend op te treden of een situatie
te stabiliseren, terwijl zij niet altijd beschikken over toereikende bevoegdheden
om dit veilig en effectief te doen. Deze leden vragen de Minister te reflecteren op
deze zorgen van de NS en vragen hoe de Minister acht te voorkomen dat boa's in deze
onhoudbare posities komen. Ook vragen deze leden hoe in de praktijk de balans wordt
gehouden, zodat boa's voldoende bevoegdheden hebben om adequaat in te grijpen bij
strafbare situaties, maar tegelijkertijd geborgd kan worden dat boa's zich niet begeven
op het terrein van openbare-ordehandhaving.
De leden van de D66-fractie enkele vragen over de verantwoordelijkheidsverdeling bij
aanhoudingen. De NS heeft aangegeven zich zorgen te maken over mogelijke onduidelijkheid
en een verschuiving van verantwoordelijkheden als gevolg van de herziening van het
stelsel, met name rondom de afhandeling van aanhoudingen. De NS is bang dat door de
herziening van het stelsel de boa's een grotere verantwoordelijkheid krijgen in de
afhandeling van de aanhoudingen en hebben liever dat de boa's zo veel mogelijk in
de trein op of op het station aanwezig blijven. Daarom zou de NS graag bestaande samenwerkingsafspraken
tussen de NS en de politie rondom de afhandeling van aanhouding landelijk willen verankeren
en explicieter willen maken. Deze leden vragen of de Minister uiteen kan zetten hoe
in het hernieuwde boa-stelsel de verantwoordelijkheden bij aanhouding en de verdere
afhandeling daarvan precies zijn belegd tussen werkgevers van boa’s en de politie.
Daarnaast vragen deze leden hoe de Minister reflecteert op de zorgen van de NS en
of hij deze terecht acht. Ook vragen zij of de Minister het wenselijk acht om bestaande
samenwerkingsafspraken landelijk te verankeren en explicieter te maken.
De leden van de D66-fractie merken eveneens op dat er een pilot loopt waarin boa’s
in het domein openbare ruimte in enkele gemeenten de mogelijkheid krijgen om de strafbaarstelling
van seksuele intimidatie in het openbaar te handhaven (artikel 429ter Sr.). Omdat
de strafbaarstelling van seksuele intimidatie in het openbaar niet is opgenomen in
de domeinlijst van het hoofddomein, zijn boa's op dit moment niet automatisch bevoegd
tot opsporen van en het handhaven. Deze leden vragen op welke termijn de Minister
de bevoegdheid op gaat nemen in het hernieuwde boa-stelsel, binnen het hernieuwde
hoofddomein voor boa’s in de publieke ruimte?
2. Vragen en opmerkingen vanuit de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de beschouwing
op het boa-bestel (hierna: de beschouwing). Deze leden onderschrijven het belang van
een duidelijk, professioneel en toekomstbestendig boa-bestel waarin boa’s effectief
kunnen bijdragen aan de veiligheid en leefbaarheid en stellen nog enkele vragen naar
aanleiding van de beschouwing.
De leden van de VVD-fractie constateren dat de Minister vasthoudt aan een zeer strikte
lijn bij de toekenning van vuurwapens aan groene boa’s, terwijl wel wordt voorzien
in een verruiming van de mogelijkheden voor het dragen van pepperspray en de korte
wapenstok. Deze leden erkennen het belang van een terughoudende omgang met vuurwapens,
maar wijzen er tegelijkertijd op dat groene boa’s in het buitengebied steeds vaker
te maken krijgen met ondermijnende criminaliteit, afgelegen werkplekken en beperkte
directe politieback-up. Deze leden vragen de Minister hoe hij borgt dat groene boa’s
in de praktijk tijdig en adequaat worden uitgerust om hun veiligheid te waarborgen.
Daarnaast vragen zij hem toe te lichten hoe wordt voorkomen dat de huidige strikte
voorwaarden voor vuurwapenbewapening in de praktijk leiden tot langdurige procedures
of feitelijke onbeschikbaarheid, juist in situaties waarin het risico structureel
verhoogd is.
De leden van de VVD-fractie constateren dat de voorgestelde herinrichting van het
boa-stelsel ertoe kan leiden dat in het openbaar vervoer (OV) taken verschuiven van
de politie naar OV-boa’s, terwijl daar geen structurele financiële middelen tegenover
lijken te staan. Hoe kijkt de Minister hiernaar? Is de Minister het met deze leden
eens dat de veiligheid van de OV-boa voorop moet staan bij het werk wat zij doen en
hoe ziet de Minister zijn rol hierin? Deze leden vragen de Minister voorts hoe hij
borgt dat de voorstellen niet leiden tot een vermindering van de sociale veiligheid
in het openbaar vervoer, doordat vervoerders genoodzaakt worden keuzes te maken tussen
toezicht, controle en andere veiligheidstaken, en op welke wijze hij voorziet in structurele
financiering en tijdige betrokkenheid van concessieverleners en vervoerders bij de
verdere uitwerking van de voorstellen, mede gelet op de gevolgen voor concessie-eisen
en bestaande afspraken.
De leden van de VVD-fractie hechten aan landelijke uniformiteit. Hoe beoordeelt de
Minister de werking van de landelijke formats voor handhavingsarrangementen in domein
I en II en in hoeverre worden deze in de praktijk ook daadwerkelijk uniform toegepast?
Welke lessen zijn tot nu toe getrokken uit de toepassing van deze formats in de samenwerking
tussen boa’s en politie en hoe wordt voorkomen dat lokale of regionale verschillen
in invulling leiden tot ongelijke handhaving of onduidelijkheid? Hetzelfde geldt voor
de uitrusting van boa’s. Hoe borgt de Minister uniformiteit en te voorkomen dat er
A-, en B-boa’s ontstaan? Deze leden vragen voorts hoe wordt geborgd dat nieuwe keuzes
binnen het boa-bestel uitvoerbaar zijn voor gemeenten, provincies en andere werkgevers.
Hoe wordt bij deze keuzes rekening gehouden met de structurele krapte op de arbeidsmarkt,
zowel bij de politie als bij boa’s?
De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat de boa’s een belangrijke publieke
taak vervullen en dus ook de bescherming moeten genieten als zij te maken krijgen
met geweld en agressie. Ziet de Minister erop toe dat er van alle incidenten een melding
wordt gemaakt bij de werkgever en dat elke melding wordt omgezet in een aangifte?
Zo nee, waarom niet? Hoe kan de Minister de werkgevers beter ondersteunen bij deze
taak die zij hebben?
De leden van de VVD-fractie vragen de Minister wat de gevolgen van deze wijziging
in het bestel zijn voor de samenwerking tussen de boa’s en de politie. Zijn huidige
belemmeringen in deze samenwerking nu makkelijker op te lossen, zoals bijvoorbeeld
de identiteits-check?
De leden van de VVD-fractie vragen naar de stand van zaken van de motie-Michon van
23 september 2025 waarin het knelpunt van bevoegdheden op basis van de Omgevingswet
is geadresseerd (Kamerstuk 29 911, nr. 483).
3. Vragen en opmerkingen vanuit de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van
de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid over het boa-stelsel. Deze leden
onderschrijven van harte de opvatting dat boa’s belangrijke partners zijn bij de leefbaarheid
en veiligheid in de Nederlandse samenleving. Boa’s hebben naar het oordeel van deze
leden een belangrijke rol in handhaving en hulpverlening in de openbare ruimte en
zijn vaak eerste aanspreekpunt van burgers. Naar het oordeel van deze leden is het
zo bezien belangrijk om in goed overleg met alle betrokkenen regelmatig te bezien
of, en zo ja hoe, de taken en bevoegdheden van boa’s toereikend zijn om de gewenste
bijdrage aan leefbaarheid en veiligheid te leveren. Gezien het grote belang van boa’s
voor de sociale veiligheid is draagvlak voor de voorgestelde stelselwijziging essentieel.
Daarom hebben deze leden nog enkele vragen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien het voornemen om de boa nadrukkelijk
te positioneren als professionele partner binnen de politiefunctie, met een eigen,
duidelijk afgebakende taak in de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. Met
het tegengaan van de huidige versnippering van het boa-bestel en het verbreden van
bevoegdheden wordt naar het oordeel van deze leden handelingsverlegenheid tegengegaan.
Begrijpen deze leden het goed, dat er méér ruimte wordt gegeven aan boa’s om preventief
en proactief te handelen, terwijl de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde voorbehouden
blijft aan de politie. Deze leden hebben kennisgenomen van de opvattingen van de Vereniging
Nederlandse Gemeenten (VNG) over het boa-stelsel en leiden graag de vraag door hoe
de hulpverlenende taak van handhavers wordt belegd.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben nog de nodige vragen over de beschikbare
standaarduitrusting, de aanvullende uitrusting en de aanvullende geweldsmiddelen.
Deze leden zijn benieuwd naar de onder de afzonderlijke groepen boa’s levende opvattingen
over het voorgestelde boa-stelsel. Kan de Minister voorzien in een uiteenzetting hoe
over zijn voorstellen wordt gedacht? Het valt deze leden namelijk op dat vanuit meerdere
groepen boa’s zorgen leven over de extra toebedeelde taken, die niet of onvoldoende
kunnen worden uitgevoerd met de beschikbaar gestelde middelen, waarbij óók gedacht
wordt aan het kunnen raadplegen van databases met belangrijke en relevante informatie
voor de boa-functie. Wordt aan boa’s in de uitoefening van hun functie toegang verleend
tot belangrijke, relevante informatiesystemen, zo vragen deze leden. Als expliciet
voorbeeld noemen deze leden de NS. Naar deze leden begrijpen vindt de NS zélf het
onwenselijk om de taak toebedeeld te krijgen om arrestanten te vervoeren. NS-boa’s
zijn bedoeld om de veiligheid op stations en in de treinen te vergroten. Het arrestantenvervoer
betekent dat NS-boa’s minder aanwezig en beschikbaar zullen zijn op hun primaire taak.
Hoe ziet de Minister dit? Als wordt vastgehouden aan deze taaktoebedeling, kan de
Minister aangeven welke standaarduitrusting, aanvullende uitrusting en aanvullende
middelen hiervoor aan NS-boa’s beschikbaar worden gesteld en is vastgesteld dat deze
uitrusting volstaat om deze extra taken uit te voeren? Wat vindt de Minister van de
oproep van NS om NS-boa’s een bevoegdheid toe te kennen om in ernstige situaties de
eerste maatregelen te kunnen nemen om escalatie te voorkomen en de situatie «te bevriezen».
Wat vindt de Minister ervan om de bestaande afspraken tussen NS en de politie rondom
arrestantenvervoer en de afhandeling van aanhouding gerelateerde processen landelijk
te verankeren en te expliciteren? Herkent de Minister dit soort signalen en welke
andere, vergelijkbare signalen heeft de Minister ontvangen? Wat vindt de Minister
ervan dat de NS zélf twijfels heeft en oproept om de herziening van het boa-stelsel
samen met boa-werkgevers vorm te geven. Is de Minister daartoe bereid en zo ja, brengt
hij de Kamer van de uitkomsten op de hoogte?
Ook over de aanvullende geweldsmiddelen bereiken de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
zorgelijke geluiden, bijvoorbeeld van de groene boa’s. De mate van agressie en geweld
waarmee groene boa’s de laatste jaren worden geconfronteerd is dusdanig, dat naar
het oordeel van deze leden onder strikte omstandigheden toekenning van een vuurwapen
moet worden overwogen. Van groene boa’s zélf horen deze leden dat de aanvraag en het
behoud van vuurwapens te ingewikkeld is, en in de procedure te weinig oog bestaat
voor de urgente knelpunten. Justis wordt als weigerachtig en niet consistent in de
beoordeling ervaren. Wat vindt de Minister van deze klacht en is hij bereid om samen
met vertegenwoordigers van groene boa’s te bezien hoe kan worden gekomen tot een genoegzame
procedure? Deelt de Minister voorts de constatering vanuit de groene boa’s dat bij
de overgang van de Wet natuurbescherming naar de Omgevingswet geen nieuw strafrechtelijk
aanwijzingsbesluit is genomen voor groene boa’s voor flora- en fauna-activiteiten,
terwijl deze overtredingen zich kwalificeren als economische delicten in de zin van
artikel 17 van de Wet op de economische delicten?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn benieuwd naar de wijze waarop het boa-werkgeverschap
wordt ingericht en welke eisen daaraan moeten worden gesteld. Verdere professionalisering
en afstemming met de politie wordt weliswaar positief beoordeeld, toch is het voor
deze leden de vraag of boa-werkgevers financieel en inhoudelijk voldoende in staat
worden gesteld om deze opdracht te vervullen. Het valt deze leden op dat er ook nu
al een groot tekort aan boa’s bestaat, zeker in het buitengebied. Met de toenemende
agressie valt te verwachten dat boa-werkgevers ook hun beleid op sociale veiligheid
moeten versterken. Zijn boa-werkgevers materieel in staat om effectief beleid te voeren
op het voorkomen en behandelen van bijvoorbeeld posttraumatische stressstoornis bij
hun boa’s? Hoe wordt gegarandeerd dat elke boa in beginsel op dezelfde beschermende
structurele maatregelen op preventie, begeleiding en nazorg kunnen rekenen, zoals
van goed (overheids)werkgeverschap verwacht mag worden? Krijgen boa-(overheids)werkgevers
de financiële ruimte die nodig is om volwaardig invulling te geven aan de boa-taak?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de brief van het
Samenwerkingsverband van decentrale OV-autoriteiten. Het samenwerkingsverband wil
duidelijkheid over de toekomstige inrichting van het toezicht, de juridische, organisatorische
en operationele gevolgen voor de OV-bedrijven en ProRail en de structurele financiering
van de vermoedelijk aanzienlijke kostenstijging die uit de voorstellen voortvloeit,
zodat de huidige capaciteit voor toezicht en controle behouden blijft. Deze leden
zien graag een stelselbreed uitgewerkte financiële onderbouwing bij de voorstellen,
zodat voorkomen wordt dat wijzigingen in het stelsel afbreuk doen aan de effectiviteit.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen urgentie voor onafhankelijke klachtbehandeling.
Het boa-optreden kan diep in de persoonlijke levenssfeer ingrijpen en daarom moet,
zoals in een goed functionerende democratische rechtstaat gebruikelijk is, voorzien
zijn in een laagdrempelige klachtprocedure. Deze leden begrijpen uit de brief van
de Minister dat dit volledig wordt overgelaten aan de individuele boa-werkgever. De
werkgever, zo lezen deze leden, wordt verplicht tot actieve verantwoording richting
de toezichthouder en richting de Minister als verantwoordelijk Minister. Vindt de
Minister dat voldoende waarborg op onafhankelijke en transparante klachtbehandeling?
Moet toezicht, zeker als er (vuurwapen)geweld is toegepast, niet veel dwingender en
doortastender worden ingevuld?
4. Vragen en opmerkingen vanuit de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Minister over
het boa-stelsel, alsmede van de daarbij gevoegde bijlagen, waaronder de uitvoeringsagenda
en de handhavingsarrangementen. Deze leden danken de Minister voor deze uitgebreide
toelichting. Zij maken graag van de gelegenheid gebruik om, mede naar aanleiding van
signalen uit de praktijk, enkele vragen te stellen aan de Minister over de juridische
duiding, de uitvoeringspraktijk en de gevolgen voor de rechtspositie en veiligheid
van boa’s.
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister of hij de signalen herkent dat groene
boa’s sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 in de uitvoeringspraktijk
door Justis als (gedeeltelijk) onbevoegd worden beschouwd voor de handhaving van flora-
en fauna-activiteiten. Deze leden vragen daarbij of de Minister erkent dat dit concrete
gevolgen heeft voor de toekenning en verlenging van geweldsmiddelen, waaronder het
dienstvuurwapen.
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister hoe hij het risico beoordeelt dat groene
boa’s door deze ontstane rechtsonzekerheid feitelijk niet of slechts beperkt inzetbaar
zijn, terwijl zij in de praktijk wel verantwoordelijk blijven voor toezicht en handhaving
in het buitengebied. Zij vragen daarnaast of de Minister de zorg deelt dat deze situatie
afbreuk doet aan de veiligheid van boa’s zelf, de effectiviteit van de handhaving
en het vertrouwen in de rechtspositie van boa’s.
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister hoe de huidige uitvoeringspraktijk
bij Justis zich verhoudt tot de in de Kamerbrief over het nieuwe boa-bestel uitgesproken
ambitie van eenduidigheid, uniformiteit en voorspelbaarheid in bevoegdheden, uitrusting
en toezicht. Deze leden vragen in het bijzonder hoe wordt voorkomen dat verschillen
in interpretatie en uitvoering leiden tot handelingsverlegenheid en rechtsongelijkheid
in de dagelijkse praktijk van boa’s.
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister op welke juridische grondslag Justis
het standpunt baseert dat voor de strafrechtelijke handhaving van Omgevingswet-feiten
door groene boa’s een afzonderlijke aanwijzing door gedeputeerde staten als toezichthouder
vereist is. Deze leden vragen hoe dit standpunt zich verhoudt tot artikel 1:6 van
de Algemene wet bestuursrecht, waarin expliciet is bepaald dat de hoofdstukken over
toezicht niet van toepassing zijn op de opsporing en vervolging van strafbare feiten.
De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister de analyse deelt dat overtredingen
van de Omgevingswet kwalificeren als economische delicten en dat op grond van artikel
17 van de Wet op de economische delicten de Minister van Justitie en Veiligheid zelf
bevoegd is om boa’s met de opsporing daarvan te belasten. In dat licht vragen deze
leden waarom bij de overgang van de Wet natuurbescherming naar de Omgevingswet per
1 januari 2024 geen expliciet nieuw of herbevestigend aanwijzingsbesluit is genomen,
terwijl dit bij eerdere wetswijzigingen in 2002 en 2017 wel is gebeurd.
Voor zover de Minister van mening is dat een afzonderlijke provinciale aanwijzing
noodzakelijk is, vragen de leden van de CDA-fractie welke stappen hij zet om provincies
aan te sporen deze aanwijzingen met spoed te verrichten en hoe hij voorkomt dat hierdoor
rechtsongelijkheid tussen provincies ontstaat. Deze leden vragen tevens wat deze interpretatie
betekent voor groene boa’s die niet in dienst zijn van provincies, maar van omgevingsdiensten.
De leden van de CDA-fractie vragen verder of de Minister bereid is om, vooruitlopend
op structurele wijzigingen in het kader van het nieuwe boa-bestel, op korte termijn
een tijdelijk of herbevestigend strafrechtelijk aanwijzingsbesluit te nemen met terugwerkende
kracht tot 1 januari 2024 om rechtsonzekerheid weg te nemen. Indien hij daartoe niet
bereid is, vragen zij welke concrete alternatieve maatregelen worden getroffen om
te voorkomen dat boa’s in de praktijk onbevoegd handelen of onvoldoende beschermd
hun werk moeten doen.
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister of hij erkent dat de huidige onduidelijkheid
over bevoegdheden ertoe leidt dat aanvragen voor geweldsmiddelen, waaronder het dienstvuurwapen,
worden geweigerd of langdurig blijven liggen. Deze leden vragen daarbij of de Minister
bevestigt dat hierover inmiddels gerechtelijke procedures lopen en dwangsommen zijn
opgelegd.
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister, nu in het nieuwe boa-stelsel de verantwoordelijkheid
voor de uitrusting van boa’s primair bij de werkgever komt te liggen, of er een landelijk
beslissingskader beschikbaar is voor werkgevers. Zij vragen welke rol politie en Openbaar
Ministerie hierin hebben, hoe de taakafbakening is vormgegeven en hoe wordt voorkomen
dat verschillen tussen werkgevers leiden tot ongelijkheid in uitrusting en bescherming
van boa’s.
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister of het klopt dat de uitschuifbare wapenstok
in het nieuwe boa-stelsel niet terugkeert in de standaarduitrusting van boa’s, noch
in de aanvullende uitrusting. Deze leden vragen wat hiervoor de reden is en of boa’s
alsnog een verzoek kunnen indienen voor een uitschuifbare wapenstok. Indien dat mogelijk
is, vragen zij welke criteria daarbij worden gehanteerd.
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister welke instructies of kaders hij aan
Justis geeft om te waarborgen dat aanvragen voor opsporingsakten en geweldsmiddelen
uniform, transparant en binnen redelijke termijnen worden afgehandeld, mede in het
licht van de aangekondigde wijzigingen in het nieuwe boa-bestel.
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister op welke wijze werkgevers en boa’s
momenteel worden geïnformeerd over hun rechtspositie onder de Omgevingswet en of hij
deze informatievoorziening toereikend acht, gelet op de signalen van onzekerheid en
uiteenlopende interpretaties in de praktijk.
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister, nu in het nieuwe boa-stelsel ook het
toezicht op de inzet van geweldsmiddelen primair bij de werkgever wordt belegd, of
hiervoor een landelijk beslissings- en toezichtskader bestaat. Deze leden vragen hoe
objectief en onafhankelijk toezicht wordt geborgd, welke rol politie en Openbaar Ministerie
hierbij hebben en hoe de taakafbakening tussen betrokken partijen is geregeld.
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister hoe de aansprakelijkheid van werkgevers
is geregeld bij onjuiste toewijzing van uitrusting aan boa’s en bij falend toezicht
op de inzet van geweldsmiddelen. Deze leden vragen hoe deze aansprakelijkheid zich
verhoudt tot de verantwoordelijkheid van de overheid voor een veilig en zorgvuldig
functionerend handhavingsstelsel.
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister of hij ermee bekend is dat de Politieacademie
door capaciteitstekorten niet in staat is tijdig de RTGB-certificering (Regeling Toetsing
Geweldsbeheersing Buitengewoon Opsporingsambtenaar) voor boa’s te faciliteren, waardoor
naar schatting circa 500 boa’s op een wachtlijst staan. Deze leden vragen welke maatregelen
de Minister neemt om te voorkomen dat boa’s door deze capaciteitstekorten hun bevoegdheid
om geweldmiddelen te gebruiken verliezen.
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister, nu het nieuwe boa-stelsel inzet van
boa’s buiten het eigen werkgeversgebied mogelijk maakt, wie in die situaties verantwoordelijk
is voor het toezicht op de taakuitvoering van deze boa’s. Deze leden vragen hoe dit
toezicht is ingericht op de verschillende toezichtsniveaus en hoe wordt voorkomen
dat onduidelijkheid ontstaat over verantwoordelijkheden en aanspreekbaarheid.
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister of hij bereid is de Kamer voorafgaand
aan het geplande commissiedebat over boa’s in februari 2026 schriftelijk te informeren
over de juridische duiding van deze problematiek, de gekozen oplossingsrichting en
de gevolgen daarvan voor de uitvoeringspraktijk.
5. Vragen en opmerkingen vanuit de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben met veel interesse de stukken rondom het boa-stelsel
gelezen. In een flink aantal verbetervoorstellen kan de fractie van JA21 zich ook
vinden. Het publieke domein wordt namelijk ruwer en meer onvoorspelbaar en daarom
is flexibiliteit nodig op het gebied van taken, bevoegdheden en – wat ons betreft
– ook bewapening. Wel zijn er nog meerdere vragen.
De leden van de JA21-fractie lezen in de Kamerbrief van 6 oktober 2025 dat de boa
wél strafrecht mag afdwingen, maar géén openbare orde mag handhaven. Is het verstoren
van de openbare orde niet vaak een strafbaar feit? Hoe kan een boa een strafbaar feit
beëindigen (bijvoorbeeld baldadigheid, verstoring, bedreiging), zonder feitelijk de
openbare orde te handhaven? Waar ligt juridisch het verschil? Is er een concrete grens?
De leden van de JA21-fractie lezen in de Kamerbrief dat de boa zich in theorie moet
terugtrekken bij grote gevaarzetting. Afhankelijk van het beleid van de betreffende
gemeente kan een boa pepperspray, handboeien en/of een wapenstok hebben. Wanneer mag
een boa geweld gebruiken om een strafbaar feit te beëindigen, terwijl hij niet bevoegd
is om de orde te handhaven? Hoe valt dit te rijmen?
De leden van de JA21-fractie constateren dat boa’s de afgelopen jaren steeds vaker
in benarde situaties terechtkomen, terwijl de politie op dat moment niet in de buurt
is. Dit hebben we bijvoorbeeld meermaals gezien tijdens het handhaven van coronamaatregelen.
Wat wordt het handelingskader van een boa als de dichtstbijzijnde politieagenten bijvoorbeeld
langer dan 15 minuten van de boa verwijderd zijn? In het verlengde hiervan: in gebieden
met lage politiedichtheid en grote afstanden, zoals natuur- en buitengebieden, moet
de boa bij escalatie vaak langer zelf blijven optreden voordat de politie arriveert.
Welke minimale eisen gaat de Minister stellen aan responstijden en politiebeschikbaarheid
in handhavingsarrangementen, zodat boa’s niet feitelijk worden gedwongen tot situaties
waarvoor zij mogelijk niet binnen hun taakomschrijving kunnen handelen of niet over
de juiste verdedigingsmiddelen beschikken?
De leden van de JA21-fractie zien dat de formele bevoegdheid van de boa wordt verruimd
tot het gehele domein, maar dat de feitelijke inzet via regionale handhavingsarrangementen
wordt begrensd. Hoe wordt voorkomen dat boa’s opnieuw te maken krijgen met onduidelijkheid
en verschillen tussen regio’s over wat zij wel en niet mogen handhaven? Komt er een
landelijk minimumkader of een leidraad die ervoor zorgt dat een boa in vergelijkbare
situaties overal dezelfde bevoegdheid kan toepassen?
De leden van de JA21-fractie lezen dat uit pilots met de korte wapenstok blijkt dat
boa’s zich veiliger voelen en eerder bereid zijn om in complexe of spanningsvolle
situaties zelf op te treden, waardoor de druk op de politie afneemt. Dit draagt bij
aan de continuïteit van handhaving in de publieke ruimte, met name in gemeenten waar
de politiecapaciteit onder druk staat. Is het volgens de Minister juridisch mogelijk
om een objectief en automatisch toekenningsmechanisme te creëren waardoor boa’s in
gemeenten met structureel hoge incidentdruk en beperkte politiecapaciteit standaard
in aanmerking komen voor aanvullende geweldsmiddelen, zoals de korte wapenstok en/of
pepperspray?
De leden van de JA21-fractie vragen waarom er boa’s zijn die meer betaald krijgen
dan politieagenten.
6. Vragen en opmerkingen vanuit de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de stukken voor dit schriftelijke
overleg met betrekking tot het BOA-stelsel. Hier zijn nog een aantal vragen over.
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de Kamerbrief van de Minister
van Justitie en Veiligheid over het stelsel van boa’s. Deze brief is nauw verbonden
met wetsvoorstel het wetsvoorstel waarin de wettelijke basis wordt gelegd voor regels
over bewapening en uitrusting van boa’s (Kamerstuk 36 395). Deze leden waarderen dat de Minister expliciet aandacht besteedt aan de positie,
rol en toekomstbestendigheid van het boa-stelsel, maar constateert tegelijkertijd
dat de brief een groot aantal knelpunten blootlegt die vragen om nadere uitwerking.
De leden van de BBB-fractie lezen dat uit de brief blijkt dat boa’s een steeds belangrijkere
rol vervullen in de handhaving van leefbaarheid en veiligheid in de publieke ruimte.
Zij zijn vaak het eerste aanspreekpunt voor burgers bij overlast, kleine criminaliteit
en het handhaven van specifieke regelgeving. De Minister onderkent dat boa’s een eigenstandige
positie innemen binnen de bredere politiefunctie, maar geen rol hebben in de handhaving
van de openbare orde, die exclusief bij de politie blijft. Tegelijkertijd constateert
de Minister dat het huidige stelsel onvoldoende duidelijk maakt wat nu precies van
boa’s wordt verwacht, zowel voor de boa zelf als voor burgers, gemeenten en ketenpartners.
De leden van de BBB-fractie benadrukken dat de doorontwikkeling van het boa-stelsel
er niet toe mag leiden dat boa’s de politie vervangen of aan de politie gelijk worden
gesteld, zonder dat zij daarvoor de middelen of de bevoegdheden van de politie hebben.
De politie heeft binnen de rechtsstaat een unieke positie, met als kerntaken de handhaving
van de openbare orde, de opsporing van strafbare feiten in volle breedte en de uitoefening
van het geweldsmonopolie. Deze taken zijn verbonden aan vergaande bevoegdheden, intensieve
opleiding en een zwaar verantwoordings- en toezichtskader, wat de politie fundamenteel
onderscheidt van boa’s.
De leden van de BBB-fractie constateren dat de sterke toename van het aantal boa’s
in de afgelopen jaren grotendeels lijkt samen te hangen met de aanhoudende personeelstekorten
bij de politie. Gemeenten zien zich hierdoor genoodzaakt om zelfstandig capaciteit
te organiseren door meer boa’s in gemeentelijke dienst te nemen. Deze leden vragen
de Minister of hij deze analyse herkent en of hij deze ontwikkeling als wenselijk
beschouwt, mede in het licht van de lange termijninrichting van het veiligheidsbestel.
De leden van de BBB-fractie constateren dat boa’s een andere rol vervullen. Boa’s
zijn aangesteld voor specifieke, afgebakende handhavingstaken, veelal gericht op leefbaarheid
en naleving van regelgeving. Juist deze begrenzing is de kracht van het boa-stelsel.
Wanneer boa’s structureel worden ingezet als vervanging van politiecapaciteit, ontstaat
taakvervaging en worden zij geconfronteerd met situaties waarvoor zij niet zijn toegerust
of bevoegd, met risico’s voor hun veiligheid, de rechtsbescherming van burgers en
het vertrouwen in de overheid.
De leden van de BBB-fractie geven aan dat zij een structurele verschuiving van politietaken
naar boa’s onwenselijk achten. Boa’s beschikken over beperktere bevoegdheden en zijn
niet toegerust voor het volledige palet aan taken dat hoort bij openbare ordehandhaving
en strafrechtelijke handhaving. De politie is, juist vanwege haar bredere bevoegdheden
en landelijke inzetbaarheid, effectiever en efficiënter in deze kerntaken. Deze leden
vragen de Minister of hij deze analyse deelt en of hij mogelijkheden ziet om prioriteit
te geven aan een groei van het aantal politieambtenaren in plaats van een verdere
uitbreiding van het aantal boa’s. Is hij bereid hierover in gesprek te treden met
gemeenten?
De leden van de BBB-fractie constateren dat door de situatie dat boa’s steeds verder
in het domein van de politie terechtkomen, zij tegen grenzen aanlopen van wat zij
mogen en kunnen doen. Zo worden zij in het dagelijks werk geconfronteerd met situaties
waarin snel en adequaat optreden noodzakelijk is. Dit spanningsveld wordt versterkt
door de beperkte toegang tot relevante informatiesystemen, waardoor boa’s hun taken
niet altijd effectief of veilig kunnen uitvoeren. De Minister kondigt in de brief
aan te willen toewerken naar een herziening van het stelsel, onder meer door domeinen
samen te voegen, bevoegdheden overzichtelijker te maken en de juridische basis van
uitrusting en bewapening te versterken. Deze leden wachten deze stelselwijziging met
belangstelling af, maar willen nogmaals benadrukken dat het boa-stelsel geen vervanging
mag worden van de politie.
De leden van de BBB-fractie benadrukken dat de veiligheid van boa-personeel te allen
tijde voorop moet staan. In dat kader achten deze leden het van groot belang dat boa’s
beschikken over passende middelen om hun taken veilig en verantwoord te kunnen uitvoeren.
Bewapening van boa-ambtenaren vormt daarbij een cruciaal onderdeel. Deze leden verzoeken
de Minister toe te lichten op welke wijze en onder welke voorwaarden boa-ambtenaren
gebruik kunnen gaan maken van bewapening.
Ten aanzien van de informatievoorziening constateren de leden van de BBB-fractie dat
de Kamerbrief weinig concreet is. Hoewel de Minister erkent dat een beperkte informatiepositie
de effectiviteit van boa’s ondermijnt, blijft onduidelijk welke oplossingen daadwerkelijk
worden voorzien. Deze leden benadrukken dat, ongeacht de uiteindelijke taakafbakening
van boa’s, effectieve en veilige handhaving alleen mogelijk is wanneer boa’s beschikken
over adequate en actuele informatie. Zij zijn van mening dat boa’s voor de uitvoering
van hun taken toegang moeten hebben tot relevante informatiesystemen, vergelijkbaar
met die van de politie. Deze leden verzoeken de Minister hierop nader te reageren
en concreet aan te geven welke stappen worden gezet om de informatiepositie van boa’s
structureel te verbeteren.
De leden van de BBB-fractie constateren dat in het huidige boa-bestel er zes verschillende
domeinen bestaan. Deze domeinstructuur heeft geleid tot een situatie waarin boa’s
vaak heel verschillende taken, bevoegdheden en specialisaties hebben. Het gaat om
de volgende zes domeinen:
• Domein I: Openbare Ruimte – dit is het grootste en meest zichtbare domein, met boa’s
die in steden en dorpen handhaven op overlast, kleine verstoringen, APV-regels en
leefbaarheid.
• Domein II: Milieu, Welzijn en Infrastructuur – een breed domein waarin zowel groene
boa’s (bijvoorbeeld boswachters, handhavers buitengebied) als grijze boa’s (omgevingsdiensten,
inspecties) werken.
• Domein III: Onderwijs (Leerplicht) – leerplichtambtenaren die toezicht houden op schoolbezoek
en handhaven op de Leerplichtwet.
• Domein IV: Openbaar Vervoer – boa’s in het OV, zoals bij NS, RET en andere vervoerders,
gericht op orde, vervoerbewijzen en veiligheid in voertuigen en stations.
• Domein V: Werk, Inkomen en Zorg – handhaving op socialezekerheidswetgeving, fraudebestrijding
en naleving van zorg- en inkomensregels.
• Domein VI: Overige specialistische opsporing – onder andere taken van CJIB-medewerkers
en andere zeer specialistische functies; hierover loopt op dit moment een apart WODC-traject.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de Minister in de brief stelt dat de knelpunten
vooral spelen in de publieke ruimte, dus in domein I, de groene en blauwe boa’s binnen
domein II en de boa’s in het openbaar vervoer (domein IV). In die domeinen ervaren
boa’s dat de werkpraktijk onvoorspelbaar is, situaties snel kunnen escaleren en dat
een duidelijke taak- en bevoegdheidsafbakening essentieel is. De overige drie domeinen
kennen veel minder problemen. Deze boa’s werken in specialistische, minder onvoorspelbare
omgevingen, vaak met veel voorbereidingstijd en minder directe confrontatie. Daarom
kiest de Minister nadrukkelijk niet voor een volledige hervorming van het bestel,
maar voor een gerichte structuurwijziging waarbij de zes domeinen op een nieuwe manier
worden ingedeeld. In plaats van zes domeinen introduceert de Minister twee hoofddomeinen,
gebaseerd op de mate van onvoorspelbaarheid in het werk.
De leden van de BBB-fractie zijn kritisch over het voornemen om de bestaande zes boa-domeinen
samen te voegen tot twee bredere hoofddomeinen. Hoewel deze leden begrijpen dat de
Minister met deze samenvoeging meer overzicht en uitvoerbaarheid wil creëren, vrezen
zij dat deze koers onbedoeld leidt tot taakvervaging en een te algemene inzet van
boa’s. Door verschillende domeinen met uiteenlopende aard en context samen te brengen,
dreigt het onderscheid tussen specifieke handhavingstaken van boa’s en de kerntaken
van de politie verder te vervagen.
De leden van de BBB-fractie stellen dat de kracht van het huidige stelsel juist ligt
in specialisatie binnen een domein. Door boa’s bredere en generiekere taken toe te
kennen, ontstaat het risico dat zij steeds vaker worden ingezet in situaties die qua
aard en complexiteit sterk lijken op politiewerk, zonder dat zij beschikken over dezelfde
bevoegdheden, opleiding en verantwoordelijkheidsstructuur. Kan de Minister toelichten
hoe hij gaat waarborgen dat juist de specialistische kennis binnen een domein gewaarborgd
blijft?
De leden van de BBB-fractie constateren dat een belangrijk onderdeel van de brief
de uitrusting van boa’s betreft. De Minister kondigt aan een standaarduitrusting in
te voeren voor alle boa’s in hoofddomein I, bestaande uit onder meer een portofoon,
handboeien en bepaalde politiebevoegdheden op grond van de Politiewet. Daarnaast wordt
voorzien in de mogelijkheid van aanvullende uitrusting, zoals een bodycam, steek-
of kogelwerend vest, een korte wapenstok en pepperspray. Voor alle boa’s geldt dat
deze middelen uitsluitend worden toegekend als aan «strikte voorwaarden» wordt voldaan.
Kan de Minister uiteenzetten wat onder deze strikte voorwaarden wordt verstaan? Welke
concrete criteria worden gehanteerd bij de beoordeling of een boa in aanmerking komt
voor aanvullende uitrusting? Wie voert deze beoordeling uit en op basis van welke
risico-inschatting? Worden deze voorwaarden landelijk toegepast, of is er ruimte voor
lokale interpretatie?
De leden van de BBB-fractie lezend dat voor de groene boa een uitzondering wordt gemaakt.
Groene boa’s zijn de enige categorie boa’s die onder zeer specifieke omstandigheden
in aanmerking kan komen voor het dragen van een vuurwapen. De Minister geeft aan dat
dit samenhangt met hun wettelijke taken in het buitengebied, waar sprake kan zijn
van een reële kans op confrontaties met gewapende stropers. Daarbij wordt genoemd
dat vuurwapentoekenning alleen mogelijk is wanneer de boa een wettelijke taak heeft
op het gebied van bijvoorbeeld stroperijbestrijding, wanneer de politie deze taak
niet (voldoende) kan overnemen en wanneer minder ingrijpende middelen onvoldoende
bescherming bieden. Kan de Minister verduidelijken hoe deze voorwaarden in de praktijk
worden getoetst? Wanneer is volgens de Minister sprake van een situatie waarin de
politie een taak niet adequaat kan overnemen? Wie bepaalt dat minder ingrijpende middelen
onvoldoende bescherming bieden, en op basis van welke criteria? Hoe wordt voorkomen
dat deze voorwaarden zo strikt worden uitgelegd dat vuurwapentoekenning in de praktijk
alsnog vrijwel onmogelijk blijft, zoals nu het geval is?
7. Vragen en opmerkingen vanuit de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van
de Minister over de inrichting van het nieuwe boa-bestel. Deze leden onderschrijven
het belang van een goed functionerend handhavingsstelsel, waarin boa’s op een duidelijke,
professionele en rechtsstatelijk verantwoorde wijze bijdragen aan veiligheid en leefbaarheid
in de publieke ruimte. Tegelijkertijd constateren deze leden dat de voorgestelde herinrichting
grote gevolgen heeft voor de positionering van boa’s, de verhouding tot politie en
Openbaar Ministerie, de werkgeversverantwoordelijkheid van gemeenten en andere werkgevers,
en de bescherming van boa’s als hulpverleners. Deze leden hebben hierover enkele vragen.
De leden van de SGP-fractie lezen dat boa’s in het nieuwe bestel nadrukkelijker worden
gepositioneerd als professionele partner binnen de handhavingsketen. Deze leden vragen
de Minister hoe wordt geborgd dat deze professionalisering gepaard gaat met een duidelijke
en eenduidige werkgeversverantwoordelijkheid, met name bij gemeenten.
De leden van de SGP-fractie constateren dat boa’s, net als andere hulpverleners met
een publieke taak, in toenemende mate te maken krijgen met agressie en geweld. Deze
leden vragen de Minister hoe wordt gewaarborgd dat gemeenten hun verantwoordelijkheid
nemen op het gebied van preventie, nazorg, begeleiding bij aangifte en juridische
ondersteuning. Tevens vragen zij hoe wordt voorkomen dat verschillen tussen gemeenten
leiden tot ongelijke bescherming en ondersteuning van boa’s.
De leden van de SGP-fractie wijzen erop dat er geen landelijk uniform registratiesysteem
bestaat voor agressie en geweld tegen hulpverleners, waaronder boa’s. Deze leden vragen
de Minister of hij bereid is te komen tot één landelijk en verplicht registratiesysteem
en zo ja, op welke termijn en onder welke regie dit gerealiseerd wordt.
De leden van de SGP-fractie vragen expliciet aandacht voor boa’s die werkzaam zijn
bij niet-gemeentelijke werkgevers, zoals particuliere terreinbeherende organisaties.
Deze leden vragen de Minister hoe wordt geborgd dat ook deze boa’s kunnen rekenen
op een gelijkwaardige rechtspositie en bescherming. Voorts vragen zij aandacht voor
de complexiteit van het stelsel. Hoe wordt voor gemeenten duidelijk welke werkgevers
er in de gemeente boa’s inzetten, met welk doel en vindt hierbij de juiste afstemming
plaats met de gemeente?
De leden van de SGP-fractie constateren dat de aangifteketen bij geweld tegen hulpverleners
versnipperd en onoverzichtelijk is. Deze leden vragen de Minister hoe de aangifteketen
voor geweld tegen boa’s wordt vereenvoudigd en geharmoniseerd. Zij vragen of de Minister
bereid is landelijke afspraken te maken met politie en Openbaar Ministerie over de
prioritering en afhandeling van zaken waarin boa’s slachtoffer zijn van geweld. Zij
vragen de Minister hoe wordt geborgd dat geweld tegen boa’s daadwerkelijk leidt tot
zichtbare en consequente strafrechtelijke opvolging en vragen de Minister hierbij
in te gaan op de uitvoering van de Eenduidige Landelijke Afspraken (ELA) waarbij geweld
tegen hulpverleners tweemaal zo hard gestraft zou moeten worden. Deze leden vragen
de Minister om inzicht te geven in de cijfers in dit soort zaken. Voorts vragen zij
de Minister naar de voortgang ten aanzien van de structurele, Rijksbrede invulling
van de Taskforce Onze hulpverleners veilig, conform de motie-Diederik van Dijk c.s.
(Kamerstuk 36 600, nr. 100). Welke resultaten heeft deze taskforce tot op heden opgeleverd? Deze leden vragen
hoe de continuïteit van de inzet op een veilige publieke taak wordt geborgd na afloop
van de huidige opdracht van de taskforce. Op welke wijze worden boa’s, inclusief boa’s
bij particuliere werkgevers, structureel meegenomen in het beleid rond veilige publieke
taak?
De leden van de SGP-fractie constateren dat het boa-bestel meerdere beleidsterreinen
raakt en dat zowel het Ministerie van Justitie en Veiligheid als het Ministerie van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hierbij betrokken zijn. Deze leden vragen
de Minister hoe de samenwerking tussen deze ministeries concreet wordt ingericht,
met name op het gebied van afspraken in de samenwerking en eindverantwoordelijkheid.
Zij constateren dat uit de praktijk blijkt dat er op dit moment een gebrek aan samenwerking
is en vragen de Minister hoe hij dit structureel gaat verbeteren en welke afspraken
zijn gemaakt over regie en eindverantwoordelijkheid om te voorkomen dat departementen
langs elkaar heen werken.
De leden van de SGP-fractie achten goede gegevensdeling tussen politie en boa-organisaties
essentieel voor effectieve handhaving en opsporing. Deze leden vragen de Minister
welke knelpunten op dit moment bestaan bij de gegevensdeling tussen politie en gemeenten.
Welke concrete maatregelen worden genomen om te zorgen voor tijdige, volledige en
rechtmatige gegevensuitwisseling tussen politie en boa-systemen? Hoe wordt voorkomen
dat privacywetgeving of technische beperkingen leiden tot onnodige belemmeringen in
opsporing en vervolging?
De leden van de SGP-fractie lezen dat de versterking van het boa-bestel mede is ingegeven
door schaarste in capaciteit en middelen binnen het veiligheidsdomein, met name bij
de politie. Deze leden vragen de Minister of wordt verondersteld dat uitbreiding van
het boa-stelsel efficiënter is dan uitbreiding van de politiecapaciteit. Welke onderbouwing
ligt ten grondslag aan het argument dat versterking van het boa-stelsel daadwerkelijk
leidt tot structurele verlichting van de werkdruk bij de politie? Hoe wordt voorkomen
dat boa’s structureel worden ingezet als vervanging voor politiecapaciteit, zonder
dat daarvoor voldoende randvoorwaarden zijn gecreëerd?
De leden van de SGP-fractie wijzen op verschillen in aansturing: boa’s werken onder
verantwoordelijkheid van gemeenten, terwijl de politie onder gezag van het Openbaar
Ministerie valt. Deze leden vragen de Minister hoe deze verschillende gezags- en verantwoordingslijnen
in de praktijk worden afgestemd. Hoe wordt voorkomen dat onduidelijkheid ontstaat
over taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden tussen boa’s en politie.
De leden van de SGP-fractie constateren dat in de praktijk sprake is geweest van handelingsverlegenheid
bij boa’s door onduidelijkheid over taken, bevoegdheden, uitrusting en toegang tot
systemen. Deze leden vragen de Minister hoe het nieuwe stelsel deze knelpunten aantoonbaar
oplost.
De leden van de SGP-fractie constateren dat de uitrusting van boa’s, met name zij
die werkzaam zijn bij niet-gemeentelijke werkgevers, sterk uiteenloopt en afhankelijk
is van de bereidheid van werkgever en dienst Justis. Deze leden benadrukken dat de
veiligheid van boa’s voorop staat in het werk wat zij doen en dat zij met uitbreiding
van taken nog meer verlegen zitten om adequate uitrusting. Deze leden waken ervoor
dat boa’s ook onder het nieuwe stelsel onvoldoende zijn uitgerust om hun werkzaamheden
veilig en naar behoren te kunnen uitvoeren. Zij vragen de Minister hoe wordt geborgd
dat boa’s in iedere situatie, onder iedere werkgever, beschikken de juiste uitrusting
met passende geweldsmiddelen, conform de aangenomen motie- Diederik van Dijk hierover
(Kamerstuk 36 395, nr. 14). Voorts vragen zij aandacht voor borging van een passende opleiding en toegang tot
noodzakelijke informatiesystemen (Kamerstuk 36 395, nr. 15). Welke instrumenten worden ingezet om te monitoren of het nieuwe stelsel daadwerkelijk
leidt tot minder handelingsverlegenheid en meer effectiviteit.
De leden van de SGP-fractie benadrukken dat uitbreiding van taken alleen verantwoord
is wanneer de randvoorwaarden op orde zijn. Deze leden vragen de Minister welke structurele
middelen beschikbaar worden gesteld voor opleiding, uitrusting, toezicht en beheer.
Hoe wordt voorkomen dat kwaliteitsverschillen tussen gemeenten ontstaan? Zij vragen
de Minister te bevestigen dat eerst deze randvoorwaarden worden gerealiseerd alvorens
het nieuwe boa-bestel volledig in werking treedt.
8. Vragen en opmerkingen vanuit de SP-fractie
De leden van de SP-fractie hebben de brief «de buitengewoon opsporingsambtenaar een
professionele partner met een eigenstandige taak in de publieke ruimte» van de Minister
aandachtig gelezen. Deze leden hebben nog een aantal vragen.
De leden van de SP-fractie vinden het begrijpelijk dat er wordt gekeken naar het beleggen
van extra bevoegdheden bij de boa, maar willen bij voorbaat wel waarschuwen voor het
hellende vlak waarin bij capaciteitsproblemen bij de politie al snel wordt gekeken
of deze gaten moeten worden gevuld door de boa’s. Het blijft voor deze leden prioriteit
dat de politie voldoende middelen krijgt voor het invullen van haar primaire bevoegdheden.
Er zijn nog steeds grote tekorten bij de politie die op korte termijn moeten worden
ingevuld. Desalniettemin staan deze leden open voor het bezien waar een boa meer verantwoordelijkheden
zou kunnen krijgen ter versterking van de politie. Zij zijn het eens dat het zou helpen
als de bevoegdheden van de boa beter worden omschreven omdat dit beeld momenteel diffuus
is.
De leden van de SP-fractie hebben middels de motie-Van Nispen ook gevraagd om de boa
onderdeel te maken van de politieorganisatie om de samenwerking te versterken (Kamerstuk
36 395, nr. 8). De Minister geeft aan het te zien als onhaalbaar en niet wenselijk. Deze motie
is aangenomen en toch doet de Minister deze motie vrij eenvoudig van de hand. Op welke
manier is er zoals de Minister zelf zegt, onderzoek gedaan binnen het werkveld naar
het draagvlak? Waarom vindt de Minister dit zowel onwenselijk als onuitvoerbaar? Waarom
acht de Minister dat de maatschappelijke functie van de boa vervalt als het gecentraliseerd
wordt onder de politie? Waarom zou het niet mogelijk zijn boa’s te laten opleiden
tot politieagent? Is de Minister het met deze leden eens dat juist vanwege de onduidelijke
taakomschrijving van de boa zij nu soms in gevaarlijke situaties terechtkomen? Is
het niet vreemd om een aangenomen motie van de hand te doen omdat de Minister het
zelf niet wenselijk acht? Is de Minister zich bewust van het feit dat de wens van
de Kamer zwaarder weegt dan de eigen wens van de Minister?
De leden van de SP-fractie zijn voorstander van het idee om de huidige losse domeinlijsten
I, II en IV samen te voegen tot één domeinlijst. De boa wordt hiermee formeel bevoegd
handhavend op te treden voor het gehele hoofddomein, voor zover zich hier geen wet-
of regelgeving tegen verzet. Ook zijn deze leden voorstander van het idee om de Eerste
Hulp Bij Ongelukken (EHBO) onderdeel te laten zijn van de basisopleiding, zodat de
boa dit kan toepassen bij ongelukken of een reanimaties. Bij het tweede onderdeel
zien deze leden echter dat hiermee ook meer raakvlak bestaat met de medische hulpdiensten.
Op welke manier wordt via deze weg afgesproken welke onderdelen van de EHBO de boa
zal doen en op welke onderdelen de medische diensten? Nu deze onderdelen dichter bij
elkaar komen te liggen vinden deze leden het ook noodzakelijk dat de Minister nadenkt
over in hoeverre de samenwerking hiermee ook zal veranderen. Op welke manier gaat
dit gesprek plaatsvinden?
De leden van de SP-fractie constateren dat de Minister een nieuwe weg inslaat door
in uitzonderlijke omstandigheden boa’s ook uit te rusten met een wapenstok en pepperspray
en zij dus uitgerust worden met wapens. Deze leden hebben hier moeite mee. Aan de
ene kant tracht de Minister een meer eenduidig profiel te maken voor het beroep boa,
aan de andere kant kiest het er nu voor de boa’s onderling op twee verschillende manieren
uit te rusten (met of zonder wapenstok en pepperspray) en vervolgens is het ook nog
de taak van de boa om op geen enkele manier geweld te gebruiken en te de-escaleren.
Deze leden hebben begrip voor deze taakomschrijving, maar niet voor het feit dat zij
hiermee een soortgelijke uitrusting krijgen als de politie maar de Minister er expliciet
voor kiest om deze twee beroepen strikt gescheiden te houden. Deze leden waarschuwen
ervoor dat dit voor meer verwarring dan duidelijkheid zal zorgen. Ook denken zij dat
dit zal zorgen voor juist meer situaties waarin geweld wordt toegepast in plaats van
minder. Is de Minister het met deze leden eens dat twee verschillende uitrustingen
tot meer verwarring zal leiden? Waarom handhaaft de Minister, juist ook met deze expliciete
keuze in een andere uitrusting, het harde onderscheid tussen de boa en de politie?
Op welke manier wordt de boa getraind in het gebruik van deze extra middelen en in
hoeverre verschilt dit met de training van de politieagent hiervoor? Waarom wordt
gekozen voor een inwerkingtreding op 1 januari 2026, zonder enige invloed of tussenkomst
van de Kamer? Waarom wordt er gekozen voor hoge spoed zonder debat? Is de Minister
zich bewust van het feit dat het bewapenen van boa’s een gevoelige discussie is die
al jaren loopt en dat hierbij een zorgvuldige bespreking van de Kamer noodzakelijk
is?
II. Reactie van de Minister
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
U. Ellian, voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid -
Mede ondertekenaar
I. van Tilburg, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.