Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over de uitgangspunten voor de subsidieregeling voor grote restauraties (Kamerstuk 32820-556)
32 820 Nieuwe visie cultuurbeleid
Nr. 562
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 14 januari 2026
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft een aantal vragen en
opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de
brief van 3 oktober 2025 over Uitgangspunten subsidieregeling voor grote restauraties
(Kamerstuk 32 820, nr. 556).
De vragen en opmerkingen zijn op 10 december 2025 aan de Minister van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschap voorgelegd. Bij brief van 14 januari 2026 zijn de vragen beantwoord.
De fungerend voorzitter van de commissie, Bromet
Adjunct-griffier van de commissie, Thiel
I Vragen en opmerkingen uit de fracties
Inbreng van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de uitgangspunten van de subsidieregeling
voor grote restauraties. Deze leden hebben op het moment geen vragen.
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de uitgangspunten van de subsidieregeling
voor grote restauraties en de uitvoering van de motie van de leden Mohandis en Beckerman1 en hebben daarover nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie hechten eraan dat publiek geld doelmatig wordt besteed
en delen met de Minister dat de genoemde middelen eerlijk en transparant worden besteed.
Deze leden lezen dat er in het geval van overvraag een selectie zal moeten plaatsvinden.
Zij zijn benieuwd naar de kaders voor selectie. Kan de Minister daarover al een richting
schetsen? Kan de Minister nader toelichten hoe cofinanciering vanuit decentrale overheden
hierin een plaats heeft? De leden van de VVD-fractie vragen zich ook af hoe de eigen
financiële draagkracht van een aanvrager wordt meegewogen in het toekennen van een
subsidie.
Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met verbazing kennisgenomen van de
onderhavige brief. De Minister trekt een eenmalig bedrag van € 45 miljoen uit voor
de restauratie van rijksmonumenten die niet als woonhuis worden aangemerkt. Nu verscheen
in 2024 in opdracht van de Minister het tussenrapport Onderzoek restauratieopgave
niet-woonhuis-rijksmonumenten2, waarin werd gesteld dat de komende tien jaar € 770 miljoen extra nodig is voor restauraties
van rijksmonumenten die geen woonhuis zijn. Hoe verklaart de Minister de kloof tussen
het benodigde bedrag en het bedrag dat hij ervoor uittrekt? Betreft het ook maar iets
meer dan een druppel op een gloeiende plaat? Vindt de Minister dat hij hiermee nog
voldoende recht doet aan de geest van de motie van de leden Wuite en Van der Graaf3? Waar blijft de strijd van dit kabinet voor behoud van rijksmonumenten die in de
problemen komen? Erkent de Minister dat dit niet alleen een verantwoordelijkheid is
van lagere overheden, maar ook de Rijksoverheid in positie moet komen bij rijksmonumenten
die moeten worden gerenoveerd? Wat is de ambitie van deze Minister bij het behoud
van cultureel erfgoed?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie willen ons cultureel erfgoed behouden voor
toekomstige generaties en investeren in restauratie, verduurzaming en behoud van monumenten
en historische gebouwen. Museum Prinsenhof in Delft vormt hiervan bij uitstek een
treffend voorbeeld. Het betreft immers een Top 100-rijksmonument dat dringend aan
restauratie toe is, dat zeven vensters toont vanuit de Canon van Nederland over vijf
tijdvakken, waaronder het verhaal van Willem van Oranje en het ontstaan van Nederland
zoals we het vandaag de dag kennen. De Kamer heeft met het aannemen van de motie van
de leden Mohandis en Beckerman4 de Minister gevraagd om zich tot het uiterste in te spannen om een deel van de nieuwe
subsidieregeling nog dit jaar in te zetten om de restauratie van dit nationale cultureel
erfgoed via een eenmalige bijdrage te steunen, maar de Minister parafraseert nu de
uitleg waarom hij de motie destijds had ontraden: hij verwees al naar andere rijksmonumenten,
naast Museum Prinsenhof, die een grote restauratieopgave hebben en stelde dat een
subsidieregeling met heldere voorwaarden en criteria nodig was om deze opgaven op
een eerlijke en transparante manier te bedienen5. Met deze woorden heeft de Minister de Kamer echter niet weten te overtuigen. Waarom
weigert de Minister een zo breed door de Kamer gesteunde motie nu uit te voeren? Hoe
serieus neemt deze demissionaire Minister van een kabinet met een uiterst smalle basis
de Kamer nog, nu hij blijft volharden in een herhaling van zetten?
De leden van de GroenLinks-PvdA fractie constateren dat er al vanaf begin 2022 intensief
contact is tussen Museum Prinsenhof Delft en het Ministerie van OCW voor een eventuele
bijdrage aan de restauratie en renovatie van het Prinsenhof. Ook hebben tal van andere
partijen – van de gemeente Delft, de Provincie Zuid-Holland, de VriendenLoterij, tot
vele andere fondsen, particulieren en bedrijven – een bijdrage toegezegd. Het ministerie
ontweek echter een definitieve beslissing, terwijl achtereenvolgende Staatssecretarissen
en Ministers niettemin wel het urgente probleem voor restauraties van grote monumenten
erkenden, waarvan het Prinsenhof als hét voorbeeld steeds werd aangehaald. Minister
Bruins stelde uiteindelijk in de zomer 2025 – in reactie op het rapport Hylkema-Fenicks6 – een regeling in het vooruitzicht waarbij hij – in eigen woorden – het Prinsenhof
«in gedachten» had. Het Ministerie van OCW liet op 26 november 2025 de wethouder Cultuur
van de gemeente Delft weten dat het Prinsenhof toch geen geld krijgt. Hoe zou de Minister,
kijkend naar de lange voorgeschiedenis in deze tijdslijn, het optreden van zijn departement
bij nader inzien kenschetsen?
De Minister beroept zich op rechterlijke uitspraken dat bij de verdeling van subsidies
gelijke kansen moeten worden geboden om aanspraak te maken op subsidie. De leden van
de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of deze uitspraken dan ook soms uitsluiten dat men
ongelijke gevallen ongelijk zou mogen behandelen. Klopt het beeld dat de Minister
nu geen precedent wil scheppen? Is hij zich dan ervan bewust dat er in het recente
verleden al meer van dergelijke zogenoemde precedenten zijn geschapen, zoals onlangs
bij de restauratie van het aquarium van Artis? Klopt het dat Delft is aangemerkt als
stad die valt onder de regeling Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid en
daarbij extra ondersteuning mag verwachten?
De Minister ontkent dat er een objectieve rechtvaardiging zou bestaan om Museum Prinsenhof
vooruitlopend op de subsidieregeling via een eenmalige bijdrage te steunen. De leden
Mohandis en Beckerman hebben bij het indienen van hun motie deze objectieve rechtvaardiging
juist geformuleerd in de overwegingen bij de motie. De restauratie is al begonnen.
Iedereen doet mee, behalve het Rijk. Hoe verklaart de Minister dat hij niet de creativiteit
heeft opgebracht om, in de overwegingen bij de motie, een rechtvaardiging te vinden
om tegemoet te komen aan de wens van de Kamer? Is de Minister dan niet doordrongen
van de urgentie van de restauratie van het Prinsenhof? Is hij zich niet bewust van
de historische waarde van het Prinsenhof en het feit dat Museum Prinsenhof Delft zeven
vensters over vijf tijdvakken van de Canon laat zien? Weet hij niet dat hier al sinds
2022 op verschillende niveaus overleg is gevoerd met zijn departement hierover? Realiseert
hij zich niet dat medeoverheden zoals de gemeente Delft en Provincie Zuid-Holland
al volop participeren maar de Rijksoverheid als enige achterblijft? Realiseert hij
zich niet dat zijn ambtsvoorganger verwachtingen heeft gewekt toen hij in de Kamer
zei het Prinsenhof in gedachte te hebben? Beseft hij niet dat de genoemde regeling
voor grote restauraties pas in 2026 in werking kan treden, zodat het Prinsenhof zelf
achter het net vist? Welk excuus wil hij aanvoeren om deze relevante feiten nog langer
te negeren?
Museum Prinsenhof Delft is al sinds januari 2025 gesloten en topstukken uit de collectie
zijn nu tijdelijk verspreid over musea door het hele land, waarmee het historische
beeld verder vergruist, maar inmiddels valt de restauratie stil bij gebrek aan middelen.
Miskent de Minister de urgentie? Hoe weegt de Minister de sluiting en verspreiding
van de topstukken in het licht van de waarde van juist dit museum voor ons nationale
culturele geheugen? Moet Nederland er maar genoegen mee nemen om de kogelgaten van
de moord op Willem van Oranje dicht te stuken?
Inbreng van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de uitgangspunten subsidieregeling
voor grote restauraties. Deze leden zien momenteel geen reden om aanvullende of verduidelijkende
vragen te stellen.
Inbreng van de leden van de BBB-fractie
De leden van BBB-fractie hebben kennisgenomen van de uitgangspunten subsidieregeling
voor grote restauraties. Deze leden hebben de volgende vragen aan de Minister.
De leden van de BBB-fractie hebben gelezen dat groene monumenten een plek hebben gekregen
in de regeling. Deze leden betreuren dat regionale ontmoetingsmonumenten, zoals kerken
en andere gebouwen met een belangrijke sociale functie, niet zijn meegenomen. Juist
deze gebouwen zijn van grote betekenis voor het sociale en culturele leven in dorpen
en kleinere steden en dragen in belangrijke mate bij aan de leefbaarheid van krimpregio’s
en het platteland. Hoe zorgt de Minister ervoor dat deze regionale ontmoetingsmonumenten
niet buiten de boot vallen bij de verdeling van middelen? Ziet de Minister mogelijkheden
om, naast groene monumenten, ook ontmoetingsmonumenten met een regionale functie een
plek te geven binnen de regeling? En zo niet, waarom niet? Kan de Minister alsnog
toezeggen dat bij de verdere uitwerking van de regeling expliciet wordt gekeken naar
de impact op regionale identiteit en gemeenschapsvorming?
II Reactie van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Ik dank de leden van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor
hun inbreng en de gestelde vragen. Hieronder ga ik in op de vragen in de volgorde
van het verslag.
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hechten eraan dat publiek geld doelmatig wordt besteed
en delen met de Minister dat de genoemde middelen eerlijk en transparant worden besteed.
Deze leden lezen dat er in het geval van overvraag een selectie zal moeten plaatsvinden.
Zij zijn benieuwd naar de kaders voor selectie. Kan de Minister daarover al een richting
schetsen? Kan de Minister nader toelichten hoe cofinanciering vanuit decentrale overheden
hierin een plaats heeft? De leden van de VVD-fractie vragen zich ook af hoe de eigen
financiële draagkracht van een aanvrager wordt meegewogen in het toekennen van een
subsidie.
In de Kamerbrief over de uitgangspunten voor de subsidieregeling grote restauraties
heb ik aangegeven uit te zoeken hoe de regeling zo kan worden vormgegeven dat eigen
bijdragen en cofinanciering vanuit decentrale overheden doorslaggevend kunnen zijn
bij selectie in het geval van overvraag. Hieraan zal invulling worden gegeven door
in het geval van overvraag te selecteren op basis van aangevraagd subsidiepercentage,
en daarmee op de draagkracht van een aanvrager. Eigenaren krijgen de vraag voor welk
subsidiepercentage zij willen aanvragen. Eigenaren die kiezen voor een lager subsidiepercentage
krijgen voorrang. Voor eigenaren die vennootschapsbelasting betalen bedraagt het subsidiepercentage
maximaal 30 procent. Voor alle overige eigenaren en professionele organisaties voor
monumentenbehoud bedraagt het subsidiepercentage maximaal 50 procent. Met deze selectiemethode
ontstaat er een prikkel voor eigenaren om zich in te spannen om zelf ook maximaal
bij te dragen en cofinanciering, bijvoorbeeld vanuit decentrale overheden, bijeen
te brengen.
Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met verbazing kennisgenomen van de
onderhavige brief. De Minister trekt een eenmalig bedrag van € 45 miljoen uit voor
de restauratie van rijksmonumenten die niet als woonhuis worden aangemerkt. Nu verscheen
in 2024 in opdracht van de Minister het tussenrapport Onderzoek restauratieopgave
niet-woonhuis-rijksmonumenten7, waarin werd gesteld dat de komende tien jaar € 770 miljoen extra nodig is voor restauraties
van rijksmonumenten die geen woonhuis zijn. Hoe verklaart de Minister de kloof tussen
het benodigde bedrag en het bedrag dat hij ervoor uittrekt? Betreft het ook maar iets
meer dan een druppel op een gloeiende plaat? Vindt de Minister dat hij hiermee nog
voldoende recht doet aan de geest van de motie van de leden Wuite en Van der Graaf8? Waar blijft de strijd van dit kabinet voor behoud van rijksmonumenten die in de
problemen komen? Erkent de Minister dat dit niet alleen een verantwoordelijkheid is
van lagere overheden, maar ook de Rijksoverheid in positie moet komen bij rijksmonumenten
die moeten worden gerenoveerd? Wat is de ambitie van deze Minister bij het behoud
van cultureel erfgoed?
De gezamenlijke ambitie van Rijk en provincies is om het aantal niet-woonhuisrijksmonumenten
in matige of slechte staat terug te brengen tot ongeveer 10%.9 Dat kost – afhankelijk van of dat doel in 2033 of in 2040 moet worden bereikt – in
totaal € 770 of € 367 miljoen, bovenop de bestaande middelen voor restauratie.10 Bij aanvang van de regeringsperiode heeft het kabinet de budgettaire kaders vastgesteld.
Er zijn geen extra middelen beschikbaar gesteld voor grote restauraties, waardoor
dekking moest worden gevonden via een zo optimaal mogelijke inzet van de beschikbare
middelen voor monumentenzorg op de OCW-begroting. Met het huidig beschikbare bedrag
van € 45 miljoen voor de subsidieregeling grote restauraties kunnen twee aanvraagrondes
mogelijk worden gemaakt. Van eigenaren mag redelijkerwijs worden verwacht dat zij
zelf ook maximaal bijdragen in de restauratiekosten. Met een subsidiepercentage van
maximaal 50 procent gaat het om minimaal € 90 miljoen aan subsidiabele restauratiekosten.
Met de motie van de leden Wuite en Van der Graaf is de regering verzocht om de restauratieopgave
voor groot iconisch erfgoed voor de Voorjaarsnota 2024 aan de Kamer te verzenden.
Aan dit verzoek is invulling gegeven met de Kamerbrief van 4 april 2024.11
De subsidieregeling grote restauraties is onderdeel van een breder pakket aan maatregelen
die het Rijk neemt gericht op de instandhouding van rijksmonumenten, zoals gepresenteerd
in de Kamerbrief van 2 juni 2025.12 Andere maatregelen zijn onder andere een structurele ophoging van de middelen voor
regulier onderhoud in de Subsidieregeling instandhouding monumenten (Sim) en het versterken
van de fondsen voor laagrentende leningen bij het Nationaal Restauratiefonds.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie willen ons cultureel erfgoed behouden voor
toekomstige generaties en investeren in restauratie, verduurzaming en behoud van monumenten
en historische gebouwen. Museum Prinsenhof in Delft vormt hiervan bij uitstek een
treffend voorbeeld. Het betreft immers een Top 100-rijksmonument dat dringend aan
restauratie toe is, dat zeven vensters toont vanuit de Canon van Nederland over vijf
tijdvakken, waaronder het verhaal van Willem van Oranje en het ontstaan van Nederland
zoals we het vandaag de dag kennen. De Kamer heeft met het aannemen van de motie van
de leden Mohandis en Beckerman13 de Minister gevraagd om zich tot het uiterste in te spannen om een deel van de nieuwe
subsidieregeling nog dit jaar in te zetten om de restauratie van dit nationale cultureel
erfgoed via een eenmalige bijdrage te steunen, maar de Minister parafraseert nu de
uitleg waarom hij de motie destijds had ontraden: hij verwees al naar andere rijksmonumenten,
naast Museum Prinsenhof, die een grote restauratieopgave hebben en stelde dat een
subsidieregeling met heldere voorwaarden en criteria nodig was om deze opgaven op
een eerlijke en transparante manier te bedienen14. Met deze woorden heeft de Minister de Kamer echter niet weten te overtuigen. Waarom
weigert de Minister een zo breed door de Kamer gesteunde motie nu uit te voeren? Hoe
serieus neemt deze demissionaire Minister van een kabinet met een uiterst smalle basis
de Kamer nog, nu hij blijft volharden in een herhaling van zetten?
De met brede steun aangenomen motie van de leden Mohandis en Beckerman «verzoekt de
regering zich tot het uiterste in te spannen om een deel van de nieuwe subsidieregeling nog dit jaar in te zetten om de restauratie
van dit nationale cultureel erfgoed via een eenmalige bijdrage te steunen». Ik heb
aan deze motie uitvoering gegeven door nogmaals, en zo grondig mogelijk, juridisch
te laten onderzoeken wat de mogelijkheden hiertoe zijn. Daarbij ben ik opnieuw tot
de conclusie gekomen dat subsidieverlening aan Museum Prinsenhof vooruitlopend op
de publicatie van de subsidieregeling grote restauraties strijdig is met het gelijkheidsbeginsel
op basis waarvan iedere eigenaar op basis van heldere voorwaarden en criteria een
gelijke kans moet hebben op subsidie.
De leden van de GroenLinks-PvdA fractie constateren dat er al vanaf begin 2022 intensief
contact is tussen Museum Prinsenhof Delft en het Ministerie van OCW voor een eventuele
bijdrage aan de restauratie en renovatie van het Prinsenhof. Ook hebben tal van andere
partijen – van de gemeente Delft, de Provincie Zuid-Holland, de VriendenLoterij, tot
vele andere fondsen, particulieren en bedrijven – een bijdrage toegezegd. Het ministerie
ontweek echter een definitieve beslissing, terwijl achtereenvolgende Staatssecretarissen
en Ministers niettemin wel het urgente probleem voor restauraties van grote monumenten
erkenden, waarvan het Prinsenhof als hét voorbeeld steeds werd aangehaald. Minister
Bruins stelde uiteindelijk in de zomer 2025 – in reactie op het rapport Hylkema-Fenicks15 – een regeling in het vooruitzicht waarbij hij – in eigen woorden – het Prinsenhof
«in gedachten» had. Het Ministerie van OCW liet op 26 november 2025 de wethouder Cultuur
van de gemeente Delft weten dat het Prinsenhof toch geen geld krijgt. Hoe zou de Minister,
kijkend naar de lange voorgeschiedenis in deze tijdslijn, het optreden van zijn departement
bij nader inzien kenschetsen?
In de jaren 2023 en 2024 is er een verkenning uitgevoerd naar het financieringsstelsel
voor de monumentenzorg. In juni 2024 is de Kamer geïnformeerd over de uitkomsten hiervan.16 Verder heeft de Kamer na het erfgoeddebat van 17 oktober 2024 twee moties aangenomen
over de financiering van de monumentenzorg.17 Op basis van de uitkomsten van de verkenning en de moties van uw Kamer is een maatregelenpakket
ontwikkeld gericht op de financieringsproblematiek bij grote rijksmonumenten. Hierover
is de Kamer op 2 juni 2025 geïnformeerd. De subsidieregeling grote restauraties vormt
een belangrijk onderdeel van dit maatregelenpakket. In de brief van 3 oktober 2025
is de Kamer vervolgens geïnformeerd over de uitgangspunten van de subsidieregeling
grote restauraties. Met deze stappen is sprake geweest van een zorgvuldig en transparant
proces.
Een belangrijk uitgangspunt voor de regeling is dat iedere eigenaar op basis van heldere
voorwaarden en criteria een gelijke kans moet hebben op subsidie. Verder komen alleen
de restauratiekosten voor subsidie in aanmerking. Uiteraard heb ik begrip voor de
urgentie, maar het is de keuze van de gemeente als eigenaar geweest om vooruitlopend
op de openstelling van de regeling en besluitvorming over toekenning al te starten
met de verbouwingswerkzaamheden.
De Minister beroept zich op rechterlijke uitspraken dat bij de verdeling van subsidies
gelijke kansen moeten worden geboden om aanspraak te maken op subsidie. De leden van
de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of deze uitspraken dan ook soms uitsluiten dat men
ongelijke gevallen ongelijk zou mogen behandelen. Klopt het beeld dat de Minister
nu geen precedent wil scheppen? Is hij zich dan ervan bewust dat er in het recente
verleden al meer van dergelijke zogenoemde precedenten zijn geschapen, zoals onlangs
bij de restauratie van het aquarium van Artis? Klopt het dat Delft is aangemerkt als
stad die valt onder de regeling Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid en
daarbij extra ondersteuning mag verwachten?
Ik hecht aan een zorgvuldig en transparant proces als het gaat om de verdeling van
schaarse subsidiemiddelen. Daarnaast moet vanuit het gelijkheidsbeginsel iedere eigenaar
op basis van heldere voorwaarden en criteria een gelijke kans worden geboden op subsidie.
Naast Prinsenhof zijn er verschillende andere eigenaren van grote monumenten die te
maken hebben met een urgente restauratieopgave en/of verbouwingsopgave. Om al deze
partijen een eerlijke kans te bieden, wordt er gewerkt aan een open subsidieregeling
op basis van heldere voorwaarden, zoals ook bepleit door de sector zelf en de provincies.
Ook de bijdrage die in 2023 is toegekend aan de restauratie van het Artis Aquarium
was onderdeel van een zorgvuldig traject dat is doorlopen met provincies. Aan provincies
is daarbinnen gevraagd om op basis van een aantal criteria voorstellen te doen voor
restauratieopgaven die realiseerbaar waren binnen het beschikbare budget. Naast het
Artis Aquarium is toen ook aan drie andere urgente restauratieopgaven subsidie toegekend.
Over de uitkomsten van dit traject is de Kamer op 26 september 2023 geïnformeerd.18
Delft-West is een van de 20 stedelijk focusgebieden die vallen onder het Nationaal
Programma Leefbaarheid en Veiligheid. Dit programma ondersteunt op verschillende manieren
deze 20 gebieden waar multiproblematiek aan de orde is. Museum Prinsenhof ligt niet
in het betreffende gebied.
De Minister ontkent dat er een objectieve rechtvaardiging zou bestaan om Museum Prinsenhof
vooruitlopend op de subsidieregeling via een eenmalige bijdrage te steunen. De leden
Mohandis en Beckerman hebben bij het indienen van hun motie deze objectieve rechtvaardiging
juist geformuleerd in de overwegingen bij de motie. De restauratie is al begonnen.
Iedereen doet mee, behalve het Rijk. Hoe verklaart de Minister dat hij niet de creativiteit
heeft opgebracht om, in de overwegingen bij de motie, een rechtvaardiging te vinden
om tegemoet te komen aan de wens van de Kamer? Is de Minister dan niet doordrongen
van de urgentie van de restauratie van het Prinsenhof? Is hij zich niet bewust van
de historische waarde van het Prinsenhof en het feit dat Museum Prinsenhof Delft zeven
vensters over vijf tijdvakken van de Canon laat zien? Weet hij niet dat hier al sinds
2022 op verschillende niveaus overleg is gevoerd met zijn departement hierover? Realiseert
hij zich niet dat medeoverheden zoals de gemeente Delft en Provincie Zuid-Holland
al volop participeren maar de Rijksoverheid als enige achterblijft? Realiseert hij
zich niet dat zijn ambtsvoorganger verwachtingen heeft gewekt toen hij in de Kamer
zei het Prinsenhof in gedachte te hebben? Beseft hij niet dat de genoemde regeling
voor grote restauraties pas in 2026 in werking kan treden, zodat het Prinsenhof zelf
achter het net vist? Welk excuus wil hij aanvoeren om deze relevante feiten nog langer
te negeren?
Naar aanleiding van de aangenomen motie heb ik nogmaals grondig onderzocht wat de
mogelijkheden zijn om Prinsenhof via een eenmalige bijdrage te ondersteunen. Daarbij
ben ik, zoals gezegd, opnieuw tot de conclusie gekomen dat het steunen van Prinsenhof
strijdig is met het gelijkheidsbeginsel op basis waarvan iedere eigenaar op basis
van heldere voorwaarden en criteria een gelijke kans moet hebben op subsidie. Naast
Prinsenhof zijn er verschillende andere eigenaren van grote monumenten die te maken
hebben met een urgente restauratieopgave en/of verbouwingsopgave. Bovendien wordt
vanuit het Rijk reeds circa € 2 miljoen bijgedragen aan de verbouwing. Via de Subsidieregeling
instandhouding monumenten (Sim) is circa € 0,5 miljoen beschikbaar gesteld en vanuit
de Subsidieregeling duurzaam maatschappelijk vastgoed (DUMAVA) heeft Prinsenhof € 1,5
miljoen toegekend gekregen. Mijn ambtsvoorganger heeft Prinsenhof in het Commissiedebat
Cultuur van 12 juni 2025 genoemd als voorbeeld van een grote restauratieopgave. Daarnaast
is in hetzelfde debat duidelijk benoemd dat de regeling goed moet worden doordacht
en dat er sprake moet zijn van een zorgvuldig proces. Het is de keuze van de gemeente
als eigenaar geweest om vooruitlopend op de openstelling van de regeling en besluitvorming
over toekenning al te starten met de verbouwingswerkzaamheden.
Museum Prinsenhof Delft is al sinds januari 2025 gesloten en topstukken uit de collectie
zijn nu tijdelijk verspreid over musea door het hele land, waarmee het historische
beeld verder vergruist, maar inmiddels valt de restauratie stil bij gebrek aan middelen.
Miskent de Minister de urgentie? Hoe weegt de Minister de sluiting en verspreiding
van de topstukken in het licht van de waarde van juist dit museum voor ons nationale
culturele geheugen? Moet Nederland er maar genoegen mee nemen om de kogelgaten van
de moord op Willem van Oranje dicht te stuken?
Net als veel andere opgaves is ook de restauratie van Prinsenhof urgent en vertelt
Prinsenhof net als veel andere rijksmonumenten een belangrijk verhaal over onze geschiedenis.
Daarom werk ik aan een subsidieregeling waarvoor iedere eigenaar die aan de subsidievoorwaarden
voldoet de mogelijkheid heeft een aanvraag in te dienen. Met het delen van de conclusie
dat een eenmalige bijdrage (bovenop de reeds verleende rijksbijdrage van € 2 miljoen)
niet tot de mogelijkheden behoort, heb ik de gemeente duidelijkheid geboden en is
de afweging hoe verder te gaan met de verbouwing aan hen.
Inbreng van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben gelezen dat groene monumenten een plek hebben gekregen
in de regeling. Deze leden betreuren dat regionale ontmoetingsmonumenten, zoals kerken
en andere gebouwen met een belangrijke sociale functie, niet zijn meegenomen. Juist
deze gebouwen zijn van grote betekenis voor het sociale en culturele leven in dorpen
en kleinere steden en dragen in belangrijke mate bij aan de leefbaarheid van krimpregio’s
en het platteland. Hoe zorgt de Minister ervoor dat deze regionale ontmoetingsmonumenten
niet buiten de boot vallen bij de verdeling van middelen? Ziet de Minister mogelijkheden
om, naast groene monumenten, ook ontmoetingsmonumenten met een regionale functie een
plek te geven binnen de regeling? En zo niet, waarom niet? Kan de Minister alsnog
toezeggen dat bij de verdere uitwerking van de regeling expliciet wordt gekeken naar
de impact op regionale identiteit en gemeenschapsvorming?
In algemene zin geldt dat veel rijksmonumenten bijzondere gebouwen zijn en medebepalend
zijn voor de lokale of regionale identiteit. Alle rijksmonumenten die niet als woonhuis
worden aangemerkt kunnen in aanmerking komen voor deze regeling, als ze voldoen aan
de voorwaarden.19 Dat geldt voor rijksmonumentale kerken, maar ook voor andere rijksmonumentale openbare
gebouwen. Wel moet er sprake zijn van een grote restauratie met minimaal € 2,5 miljoen
aan subsidiabele restauratiekosten. In het geval van overvraag zal er selectie plaatsvinden
op basis van aangevraagd subsidiepercentage. Eigenaren die kiezen voor een lager subsidiepercentage
krijgen voorrang. Een hogere eigen bijdrage inclusief beschikbare cofinanciering wordt
dus beloond. Voor eigenaren van gebouwen die sterk verbonden zijn met de regionale
identiteit zal het naar verwachting gemakkelijker zijn om cofinanciering bijeen te
brengen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
L. Bromet, voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Mede ondertekenaar
L.E.T.M. van Thiel, adjunct-griffier