Schriftelijke vragen : Diplomafraude in de jeugdzorg
Vragen van het lid Synhaeve (D66) aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn, en Sport over diplomafraude in de jeugdzorg. (ingezonden 13 januari 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het artikel «Vrees voor 800 mensen met nepdiploma actief in jeugdzorg,
sector slaat alarm: «Kinderen beschermen tegen mensen met slechte bedoelingen»«?1
Vraag 2
Deelt u de ernstige zorgen over de omvang van de diplomafraude in de jeugdzorg, waarbij
volgens Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) mogelijk circa 800 personen werkzaam
zijn met een vervalst ervaringscertificaat (EVC) en een deel van hen kwetsbare kinderen
ronselt voor criminele activiteiten?
Vraag 3
Hoe wordt concreet gecontroleerd of de EVC’s waarmee huidige professionals werken
authentiek zijn en niet frauduleus verkregen? Wie is hiervoor verantwoordelijk, en
welke bevoegdheden zijn daarvoor beschikbaar?
Vraag 4
Welke verantwoordelijkheid neemt het kabinet, vanuit zijn stelselverantwoordelijkheid
voor de jeugdzorg, voor het voorkomen en opsporen van diplomafraude, en welke concrete
maatregelen zijn genomen of worden overwogen?
Vraag 5
Hoeveel kinderen en jongeren staan naar schatting gemiddeld onder begeleiding of toezicht
van de circa 800 personen die mogelijk met een nepdiploma werkzaam zijn (geweest)
in de jeugdzorg?
Vraag 6
Deelt u de zorgen over de veiligheid en het welzijn van deze kwetsbare kinderen en
jongeren en heeft u zicht op de schade die is veroorzaakt door deze circa 800 personen?
Vraag 7
Waar kunnen jeugdzorgorganisaties, professionals en bestuurders terecht als zij concrete
zorgen of signalen hebben over medewerkers die jongeren ronselen voor criminaliteit,
zoals prostitutie, drugshandel of andere vormen van georganiseerde misdaad?
Vraag 8
Acht u de huidige meldpunten en instanties (zoals IGJ, SKJ en/of politie) voldoende
toegerust om dergelijke signalen snel, deskundig en veilig op te pakken?
Vraag 9
Hebben deze instanties voldoende doorzettingsmacht om direct in te grijpen wanneer
sprake is van ernstige risico’s voor jongeren, bijvoorbeeld door tijdelijke schorsing,
verscherpt toezicht of het uit het register verwijderen van betrokken professionals?
Vraag 10
Welke stappen zijn tot nu toe gezet richting personen die bewust met een vervalst
diploma in de jeugdzorg zijn gaan werken en staan deze in verhouding tot de ernst
van de mogelijke schade?
Vraag 11
Worden deze personen uitsluitend administratief uit het register verwijderd, of wordt
ook gekeken naar strafrechtelijke vervolging en beroepsverboden?
Vraag 12
Hoe beoordeelt u het feit dat SKJ aangeeft onvoldoende middelen te hebben om nader
onderzoek te doen naar mogelijk frauduleuze registraties, terwijl toezicht op kwaliteit,
toetsing en scholing van jeugdzorgprofessionals tot haar kerntaken behoort en welke
stappen neemt u om dit op te lossen?
Vraag 13
Acht u het wenselijk dat toezicht op EVC-aanbieders en de controle op diploma’s in
de zorg grotendeels privaat is georganiseerd en niet onder direct overheidstoezicht
valt ondanks dat dit tot deze misstanden heeft geleid?
Vraag 14
Deelt u de zorg dat personen met slechte intenties zich, nu de jeugdzorg strenger
wordt, mogelijk verplaatsen naar andere zorgsectoren waar EVC’s nog wel worden erkend,
zoals de wijkverpleging of gehandicaptenzorg?
Vraag 15
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat deze problematiek zich verplaatst naar
andere delen van de zorg, en om kwetsbare cliënten daar eveneens beter te beschermen?
Vraag 16
Kunt u deze vragen uiterlijk voor het WGO Jeugd beantwoorden?
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
Marijke Synhaeve, Tweede Kamerlid