Advies Afdeling advisering Raad van State en Nader rapport : Advies Afdeling advisering Raad van State en Nader rapport
36 881 Wijziging van het voorstel van wet tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht, de Huisvestingswet 2014, de Omgevingswet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Woningwet in verband met de versterking van de regie op de volkshuisvesting en met het oog op enkele andere met de volkshuisvesting samenhangende maatregelen (Wet versterking regie volkshuisvesting)
Nr. 4
ADVIES AFDELING ADVISERING RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT
Hieronder zijn opgenomen het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State
d.d. 3 november 2025 en het nader rapport d.d. 22 december 2025, aangeboden aan de
Koning door de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Het advies van
de Afdeling advisering van de Raad van State is cursief afgedrukt.
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 17 november 2025, nr. 2025002624,
machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake
het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies,
gedateerd 3 december 2025, nr. W04.25.00335/I, bied ik U hierbij aan.
De tekst van het advies treft u hieronder cursief aan, voorzien van mijn reactie.
Bij Kabinetsmissive van 17 november 2025, no.2025002624, heeft Uwe Majesteit, op voordracht
van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, bij de Afdeling advisering
van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging
van de Algemene wet bestuursrecht, de Huisvestingswet 2014, de Omgevingswet, de Wet
maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Woningwet in verband met de versterking
van de regie op de volkshuisvesting en met het oog op enkele andere met de volkshuisvesting
samenhangende maatregelen (Wet versterking regie volkshuisvesting), met memorie van
toelichting.
Achtergrond van de novelle
Het Wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting is op 3 juli 2025 aangenomen door
de Tweede Kamer, inclusief een aantal door de Minister ontraden amendementen. Op diezelfde
datum heeft de Minister in een brief aan de Tweede Kamer aangekondigd dat zij in ieder
geval voor drie aanvaarde amendementen de rechtmatigheid en uitvoerbaarheid zal onderzoeken.1 Het gaat om amendementen die zien op:
1. een verbod op urgentie als woningzoekende voor vreemdelingen2,
2. verplichte voorrang bij woningtoewijzing voor dakloze gezinnen met minderjarige kinderen3 en
3. een regeling voor fatale termijnen bij vergunningverlening voor een technische bouwactiviteit4. Bij de beoordeling van de uitvoerbaarheid van deze amendementen zullen de medeoverheden
worden betrokken, aldus de Minister.
Vanuit de Eerste Kamer zijn vervolgens vragen gesteld aan de Minister over de juridische
houdbaarheid en uitvoerbaarheid van deze drie ontraden maar niettemin aangenomen amendementen.5 Daarbij is geopperd hierover advies te vragen aan de Afdeling advisering. De Minister
heeft op 26 augustus 2025 in een brief aan de Eerste Kamer uiteengezet dat zij vanuit
haar eigen verantwoordelijkheid een analyse van deze amendementen heeft gemaakt.6 Zij heeft in deze brief een beoordeling gegeven van de drie genoemde onderdelen van
het wetsvoorstel. Daarnaast ging de Minister in deze brief in op een vierde, eveneens
bij ontraden maar wel aangenomen amendement ingevoegd, onderdeel van het wetsvoorstel
dat volgens de Minister herstel vereist.7 In de brief zijn nadere voorstellen aangekondigd voor reparatie. In een vervolgbrief
aan de Eerste Kamer van 9 september 2025 heeft de Minister aangekondigd dat ter reparatie
een novelle in procedure zou worden gebracht.8 Het adviesverzoek van de Minister ziet op deze novelle.
Zorgvuldigheid van het wetgevingsproces
De grondgedachte van de (deels in de Grondwet vastgelegde) wetgevingsprocedure is
dat wetgeving op een zorgvuldige manier tot stand komt.9 Voor de rechtmatigheid, legitimiteit en uitvoerbaarheid van wetgeving is het van
belang dat de gevolgen van wetgeving voor de samenleving, (individuele of groepen)
burgers en uitvoeringsorganisaties zoveel mogelijk in beeld worden gebracht en de
implicaties van wetsvoorstellen voldoende worden doordacht. Dit geldt ook voor amendementen.
regering en parlement dragen een gedeelde verantwoordelijkheid voor het waarborgen
van de wetgevingskwaliteit van amendementen.10 Dat betekent onder andere dat de regering en de Tweede Kamer voorafgaand aan de stemming
voldoende tijd moeten nemen om de relevante aspecten van een wijzigingsvoorstel in
kaart te brengen en deze zorgvuldig te wegen.11
De Afdeling advisering van de Raad van State merkt op dat het wetgevingsproces voorafgaand
aan de stemming over de amendementen op het voorstel voor de Wet versterking regie
volkshuisvesting onzorgvuldig is verlopen. Tijdens het debat in de Tweede Kamer onderwerpen.
Mede als gevolg van de tijdsdruk waaronder de behandeling van al deze amendementen
plaatsvond, is geen gelegenheid meer genomen om voorafgaand aan de stemming belangrijke
vragen die samenhangen met de kwaliteit van wetgeving zorgvuldig af te wegen. Die
vragen zijn daardoor onderbelicht gebleven.
Uiteraard kan de Tweede Kamer besluiten om amendementen die door de Minister om uiteenlopende
redenen zijn ontraden op grond van een eigen afweging te aanvaarden. In dit geval
moet echter worden vastgesteld dat bij de beoordeling van ingrijpende amendementen
te weinig ruimte is genomen voor een appreciatie van de verenigbaarheid met hoger
recht, de uitvoerbaarheid en de maatschappelijke gevolgen. Pas na stemming is geconstateerd
dat verschillende amendementen in strijd zijn met hoger recht of onuitvoerbaar zijn.
Vanuit dat perspectief heeft de Afdeling begrip voor de inzet van het bijzondere instrument
van de novelle om geamendeerde onderdelen van het wetsvoorstel die juridisch onhoudbaar
of praktisch onuitvoerbaar zijn te repareren.
De Afdeling merkt daarnaast op dat de nu voorliggende novelle wel zorgvuldig is voorbereid.
De gevolgen van twee amendementen voor de uitvoering zijn alsnog in kaart gebracht
middels een Uitvoeringstoets Decentrale Overheden12 en relevante adviesorganen zijn om advies gevraagd.13 Ook heeft er consultatie plaatsgevonden, waarbij verschillende burgers, maatschappelijke
organisaties en decentrale overheden steun hebben uitgesproken voor de novelle en
de Minister nog enkele aandachtspunten hebben meegegeven. Deze zijn op gedegen wijze
verwerkt in de novelle en de toelichting daarop.
Inhoud en beoordeling van de novelle
De novelle maakt de gevolgen ongedaan van twee onderdelen van het wetsvoorstel die
bij ontraden amendement zijn ingevoegd. Het absolute verbod op urgentie voor alle
vreemdelingen wordt geschrapt wegens strijd met artikel 1 van de Grondwet en artikel
14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).14 De regeling voor het overhevelen naar de Minister van de bevoegdheid tot vergunningverlening
voor een technische bouwactiviteit na het verstrijken van een fatale termijn wordt
geschrapt wegens gebrek aan doeltreffendheid en de onuitvoerbaarheid ervan.15
Daarnaast past de novelle de regeling aan voor voorkeursrechten op onroerende zaken
die als gevolg van een amendement onderdeel is geworden van het wetsvoorstel.16 Dit onderdeel van het wetsvoorstel zorgt ervoor dat een voorkeursrecht eindeloos
kan worden verlengd en opnieuw kan worden gevestigd, zonder dat daaraan verplichtingen
voor overheden verbonden zijn met betrekking tot de voortgang van de ruimtelijke planontwikkeling.
Deze wijziging heeft de Minister uit eigen beweging en dus niet op verzoek van de
Eerste Kamer opgenomen in de novelle. Hier is volgens de toelichting voor gekozen
omdat dit onderdeel in de huidige vorm kan leiden tot strijd met het eigendomsrecht
als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.17 Op die strijdigheid en op de noodzaak om die weg te nemen heeft de Minister ook al
gewezen in haar brief aan de Eerste Kamer en in haar vervolgbrief.18
De Eerste Kamer heeft de Minister ook gevraagd naar de uitvoerbaarheid van de als
gevolg van een aangenomen amendement opgenomen verplichting voor gemeenten om gezinnen
zonder vaste verblijfplaats met minderjarige kinderen toe te voegen aan de categorieën
van urgent woningzoekenden.19 De Minister is volgens de toelichting van mening dat nadere afbakening van deze groep
binnen de gegeven wettelijke bepaling nodig is met het oog op het verbeteren van de
uitvoerbaarheid van dit amendement. Het voornemen is om deze nadere afbakening, net
als de afbakening van andere urgentiecategorieën, op te nemen in de Regeling versterking
regie volkshuisvesting. De novelle voorziet daarom op dit punt niet in een wijziging
van het wetsvoorstel.20
De Afdeling onderschrijft de beoordeling van de Minister dat er reden is om het bijzondere
instrument van de novelle in te zetten om de aangepaste onderdelen van het wetsvoorstel
te wijzigen en acht de toelichting daarop toereikend. In het licht van het voorgaande
ziet de Afdeling geen aanleiding tot het maken van opmerkingen over de inhoud van
de novelle.
De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert het voorstel bij de Tweede
Kamer der Staten-Generaal in te dienen.
De Vice-President van de Raad van State,
Th.C. de Graaf
Van de gelegenheid van dit nader rapport is gebruikt gemaakt om een redactionele verduidelijking
door te voeren in de regeling voor voorkeursrechten op onroerende zaken in artikel
II, onderdeel FD, tweede lid, en de inwerkingtredingsbepaling in artikel III van het
wetsvoorstel.
Ik verzoek U het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de memorie van toelichting
aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,
M.C.G. Keijzer
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
Th.C. de Graaf, vicepresident van de Raad van State -
Mede ondertekenaar
M.C.G. Keijzer, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.