Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Kostic over de uitvoering van het aangenomen amendement over het afbouwen van belastinggeld voor apenproeven
Vragen van het lid Kostić (PvdD) aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de uitvoering van het aangenomen amendement over het afbouwen van belastinggeld voor apenproeven (ingezonden 20 november 2025).
Antwoord van Minister Moes (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 12 januari
2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 662.
Vraag 1
Kunt u bevestigen dat op 28 oktober 2025 de begroting van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
door de Eerste Kamer is aangenomen, waarmee het amendement van de Partij voor de Dieren,
PVV, JA21, GL-PvdA, SP, Volt en DENK over het afbouwen van subsidies voor apenproeven
definitief van kracht is geworden?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Herinnert u zich dat u bij het commissiedebat Dieren buiten de veehouderij en dierproeven
van 2 oktober 2025 heeft toegezegd dat u het amendement «onverkort» zult uitvoeren,
wat betekent dat de subsidie van € 12,5 miljoen per jaar stapsgewijs wordt geoormerkt
zodat deze niet langer kan worden ingezet voor (het in stand houden van) apenproeven
en in plaats daarvan zal worden gebruikt voor de financiering van proefdiervrije methoden,
waarmee vorm wordt gegeven aan een snelle afbouw van het aantal apenproeven conform
de wens van de Kamer?
Antwoord 2
Ik heb toegezegd dat ik het amendement onverkort zal uitvoeren.
Vraag 3
Herinnert u zich dat u in hetzelfde debat aangaf nog geen brief naar het Biomedical
Primate Research Centre (BPRC) te kunnen sturen over het stapsgewijs beëindigen van
de subsidie voor apenproeven, omdat de Eerste Kamer eerst nog met het voorstel moest
instemmen – hetgeen nu gebeurd is?
Antwoord 3
Ja.
Vraag 4
Heeft u het BPRC inmiddels geïnformeerd dat de subsidie voor (het in stand houden
van) apenproeven in vijf jaar tijd wordt afgebouwd naar nul, en dat deze middelen
voortaan moeten worden besteed aan proefdiervrije onderzoeks- en testmethoden en de
ontwikkeling van alternatieven voor dierproeven? Zo ja, kunt u de betreffende brief
of brieven naar de Tweede Kamer sturen? Zo nee, wanneer gaat u dit wél doen conform
de wens van de Kamer (en waar de commissie in het genoemde debat ook op aandrong)?
Antwoord 4
Ja, zie bijgaand de brief die hierover aan BPRC is verzonden.
Vraag 5
Heeft sinds het aannemen van het amendement door de Tweede Kamer andere communicatie
plaatsgevonden tussen het Ministerie van OCW en/of VWS en het BPRC over het amendement
en de toekomst van het centrum? Zo ja, kunt u deze communicatie naar de Tweede Kamer
sturen, uiteraard met bescherming van persoonsgegevens? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 5
Tussen 3 juli 2025, het moment dat het amendement door de Tweede Kamer is aangenomen,
en 20 november, het moment dat deze schriftelijke vragen zijn ingediend, heeft er
vanzelfsprekend communicatie plaatsgevonden tussen het Ministerie van OCW en/of VWS
en het BPRC over het amendement en de toekomst van het BPRC. De uitvoering van de
toelichting van het amendement heeft verstrekkende gevolgen voor het BPRC, zoals ik
ook in verschillende brieven richting de beide Kamers heb aangegeven.2 Ook de Minister van VWS heeft uw Kamer een brief gestuurd over de gevolgen van amendement.3 Het behoort wat mij betreft bij mijn taak en verantwoordelijkheid als subsidieverstrekker
om goed contact te hebben met het BPRC over deze gevolgen. Zie verder mijn antwoord
op vraag 7.
Vraag 6
Kunt u bevestigen dat het BPRC, conform het aangenomen amendement, dit jaar minimaal
€ 2,5 miljoen van de subsidie moet besteden aan proefdiervrije onderzoeks- en testmethoden
en de ontwikkeling van alternatieven voor dierproeven, en volgend jaar minimaal € 4,5
miljoen? Hoe wordt hier uitvoering aan gegeven en hoe wordt er toezicht gehouden dat
dit ook daadwerkelijk gebeurt?
Antwoord 6
De toelichting van het amendement vraagt om in 2025 € 2,5 miljoen te oormerken voor
alternatieven voor proefdieronderzoek, in 2026 € 4,5 miljoen, in 2027 € 6,5 miljoen,
in 2028 € 8,6 miljoen, in 2029 € 10,5 miljoen en in 2030 € 12,5 miljoen.
De verplichting om een oplopend deel van de subsidie te besteden aan proefdiervrije
onderzoeks- en testmethoden en de ontwikkeling van alternatieven voor dierproeven
is een nieuw oormerk in de subsidie aan het BPRC. Het oormerk uit het amendement leidt
er immers toe dat BRPC een deel van de subsidie niet meer mag besteden aan de activiteiten
die al voor een lange periode de kern zijn van de activiteiten van het BPRC, namelijk
onderzoek met dierproeven. Dit betekent dat voor de invoering van deze oormerking
(conform artikel 4:51 van de Algemene wet bestuursrecht) een redelijke termijn in
acht moet worden genomen. Met inachtneming van die redelijke termijn is 2027 het vroegst
mogelijke moment waarop de oormerking kan ingaan. In de brief die ik heb gestuurd
aan het BPRC, informeer ik hen over het besluit om de subsidie te oormerken vanaf
het jaar 2027. Deze brief is het startpunt voor de wettelijk verplichte aankondigingstermijn.
Als gevolg van deze brief kan het BPRC zich voorbereiden op het oormerk, en daarnaast
is de brief het moment waarop het BPRC in bezwaar zou kunnen gaan tegen dit besluit.
Na afloop van de wettelijk verplichte aankondigingstermijn kan het oormerk vervolgens
vorm krijgen in de beschikking voor het jaar 2027, die eind 2026 wordt verzonden.
Het Ministerie van OCW heeft een lopende afspraak met het BPRC om, in reactie op de
motie Teunissen c.s.,4 in 2025 minimaal 17% van de subsidie te besteden aan proefdiervrije onderzoeks- en
testmethoden.5 Dit betekent dat het BPRC in 2025 minimaal € 2,2 miljoen aan proefdiervrije onderzoeks-
en testmethoden zal uitgeven. Ik zal in overleg treden met het BPRC over welk percentage
van de exploitatiesubsidie zij in 2026 kunnen besteden aan proefdiervrije onderzoeks-
en testmethoden en of zij hierin ambitieus kunnen zijn. Zij dienen hierbij uiteraard
wel rekening te houden met reeds gemaakte langlopende afspraken over het onderzoek
met niet-humane primaten.
Zoals ik heb toegezegd zal ik in 2026 een brief aan uw Kamer sturen over hoe ik uitvoering
zal geven aan het amendement. Hierin zal ik ook ingaan op hoe er toezicht zal worden
gehouden op de besteding van het geoormerkte geld binnen de exploitatiesubsidie.
Vraag 7
Kunt u de communicatie tussen het Ministerie van OCW en het Ministerie van VWS over
het apenproefdiercentrum, vanaf de indiening van het amendement in de Tweede Kamer
(18 juni 2025) tot heden, aan de Tweede Kamer toezenden, zodat de Kamer hiervan kennis
kan nemen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 7
Ik zal uw Kamer schriftelijk informeren over de inhoud van alle communicatie tussen
het Ministerie van OCW en VWS. Dat zal dan een samenvatting en tijdlijn betreffen
van alles wat er is gecommuniceerd tussen bovengenoemde ministeries.
Vraag 8
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Antwoord 8
Het is helaas niet gelukt de vragen binnen de daarvoor gestelde termijn te beantwoorden.
Op 15 december 2025 heb ik uw Kamer een uitstelbrief gestuurd.
Ondertekenaars
G. Moes, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.