Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Van Asten over het artikel ‘Waterschappen hebben geen zicht op bouwplannen in risicovolle gebieden'
Vragen van het lid Van Asten (D66) aan de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening over het artikel «Waterschappen hebben geen zicht op bouwplannen in risicovolle gebieden» (ingezonden 4 december 2025).
Antwoord van Minister Keijzer (Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening) (ontvangen
9 januari 2026).
Vraag 1
Klopt het dat er op dit moment nieuwbouwprojecten vertraging oplopen door slepende
processen, als gevolg van onenigheid over adviezen van waterschappen, zoals bij de
bouw van achtduizend woningen in de Zuidplaspolder?1 Zo ja, kunt u aangeven wat de omvang van deze vertraging in heel Nederland is?
Antwoord 1
Waterschappen hebben de taak om de effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het
waterbeheersysteem te beoordelen en te wegen. Dit is onder de Omgevingswet verankerd
in de weging van het waterbelang2. Mijn ervaring is dat dit in het algemeen goed gaat en dat gemeenten de waterschappen
bij veel gebiedsontwikkelingen vroegtijdig en blijvend betrekken. Dit gebeurt echter
niet altijd, wat inderdaad vertraging kan veroorzaken. Dat hoeft overigens niet het
resultaat te zijn van «onenigheid over adviezen». Vertraging kan ook ontstaan doordat
noodzakelijke maatregelen te laat aan het licht komen en alsnog moeten worden ingepast.
Het is niet bekend hoeveel projecten door late betrokkenheid vertraging oplopen of
wat de omvang van deze vertraging is. In de genoemde casus Cortelande (gemeente Zuidplas)
was de verhouding met het waterschap complex en heeft dit zelfs geleid tot beroep
bij de Raad van State. Er was in deze casus geen sprake van een gebrek aan betrokkenheid
van het hoogheemraadschap. Het masterplan voor het middengebied van de Zuidplaspolder
is al in 2021 vastgesteld. Dit gebeurde met vroegtijdige en intensieve inhoudelijke
betrokkenheid en steun van het hoogheemraadschap. Het resultaat was een ontwerp waarbij
rekening wordt gehouden met het lokale water- en bodemsysteem. Zo wordt er gebouwd
op de betere gronden en blijft er veel ruimte vrij voor waterberging. Wel was er sprake
van hoge tijdsdruk vanwege het aflopende voorkeursrecht op de gronden.
Vraag 2
Deelt u de opvatting dat het voorkomen van dergelijke processen door betere afstemming
tussen gemeenten en waterschappen kan bijdragen aan het versnellen van de woningbouw?
Antwoord 2
Ik deel de observatie dat vroegtijdige betrokkenheid van het waterschap
vertraging later in het proces kan voorkomen. Dit gaat vaak goed, maar niet altijd.
Op de Woontop van eind 2024 heb ik daarom afspraken gemaakt met onder andere waterschappen
en gemeenten. Dit houdt in dat waterschappen vroegtijdig worden betrokken bij de planvorming
van gemeenten, waarmee tevens invulling wordt gegeven aan de hierboven genoemde weging
van het waterbelang zoals dat ook is verankerd in de Omgevingswet. Waterschappen en
gemeenten werken in opvolging daarvan aan een convenant waarin zij deze vroegtijdige
samenwerking formaliseren.
Vraag 3
Kunt u aangeven welke rol u voor de Rijksoverheid ziet in het bevorderen van vroegtijdige
betrekking van waterschappen door gemeenten bij bouwplannen?
Antwoord 3
Zoals hierboven aangegeven, heb ik hierover op de Woontop afspraken gemaakt met de
betrokken partijen. Onderdeel van deze afspraken is daarnaast dat we werken aan uniforme
kaders voor onder andere wateroverlast. Hiervoor is de Landelijke maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving als basis genomen. Dit maakt voor alle partijen aan de voorkant duidelijk waar zij
rekening mee moeten houden. Dit helpt ook om invulling te geven aan de gemaakte keuze
in de Ontwerp-Nota Ruimte dat we bij het plannen en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving
systematisch rekening houden met vaker voorkomende extreme weersomstandigheden (zoals
lange periodes van droogte, hitte en overvloedige neerslag) en hogere piekafvoeren
van de rivieren.
Ook werken we met medeoverheden en het Ministerie van IenW aan ontwerpend onderzoek
dat gericht is op een handelingsperspectief voor locaties die een uitdaging hebben
ten aanzien van water en bodem. Dit levert bewezen en toepasbare ontwerpoplossingen
op voor verschillende water- en bodemtypen, met als doel woningbouwprojecten in deze
gebieden vooruit te helpen. Uiteindelijk blijft het aan de daarvoor bevoegde gezagen
(veelal gemeenten) om waterschappen vroegtijdig te betrekken bij bouwplannen en daarmee
invulling te geven aan de weging van het waterbelang, zo is dat ook afgesproken in
de Omgevingswet.
Vraag 4
Deelt u de mening dat waterschappen bij gebiedsontwikkelingen een belangrijke, zo
niet preferente, rol hebben vanuit het principe Water- en Bodemsturend en de noodzaak
piekwaterbergingsgebieden beschikbaar te hebben?
Antwoord 4
Zoals aangegeven ben ik inderdaad van mening dat waterschappen een belangrijke rol
hebben bij gebiedsontwikkelingen. Zij kunnen de volledige breedte van de regionale
wateropgaven overzien, ruimte voor (piek)waterbergingen is daar een onderdeel van.
Ruimtelijke keuzes worden integraal gemaakt, dus geen enkel belang heeft een preferente
rol, zo staat dat ook omschreven in de Ontwerp-Nota Ruimte. Zoals de Minister van
IenW in zijn brief van oktober 20243 heeft aangegeven (en in het verlengde van voorgaande) is de lijn van dit kabinet
«rekening houden met water en bodem» en niet «water en bodem sturend».
Uiteindelijk worden de bouwlocaties aangewezen door de daarvoor bevoegde gezagen,
op basis van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In dat kader worden
de verschillende (o.a. ruimtelijke) belangen afgewogen. Het advies van het waterschap
op het omgevingsplan wordt hierbij betrokken, via de weging van het waterbelang. Zo
staat dat ook in de Omgevingswet.
Vraag 5
Kunt u toelichten in welke mate de Ontwerp-Nota Ruimte mogelijkheden biedt voor het
stroomlijnen van besluitvorming rondom de locatiekeuze voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen?
Antwoord 5
In de Ontwerp-Nota Ruimte reikt dit kabinet twee concrete instrumenten aan die partijen
helpen bij het maken van keuzes voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, in relatie
tot het water- en bodemsysteem:
– Het ruimtelijk afwegingskader
Dit instrument helpt partijen bij de locatiekeuze voor nieuwe ontwikkelingen, in relatie
tot het water- en bodemsysteem.
– De landelijke maatlat
Dit instrument helpt partijen bij keuzes rondom inrichting van nieuwe ruimtelijke
ontwikkelingen, in relatie tot het water- en bodemsysteem.
Aanvullend maakt het kabinet in de Ontwerp-Nota Ruimte de keuze om, met het oog op
risico’s op overstromingen, nieuwe bebouwing in de uiterwaarden niet langer toe te
staan en om, met het oog op het behoud van de zoetwatervoorziening, terughoudend te
zijn met landaanwinning en buitendijks bouwen in het IJsselmeergebied.
Op deze manier tracht het kabinet de besluitvorming rondom nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen
te stroomlijnen. Tevens heb ik op de Woontop (2024), zoals eerder benoemd, afspraken
gemaakt die ook bijdragen aan het stroomlijnen van deze besluitvorming.
Uiteindelijk blijven keuzes ten aanzien van locatie (buiten de eerder genoemde uiterwaarden
en IJsselmeergebied) en inrichting van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen de verantwoordelijkheid
van de daarvoor aangewezen bevoegde gezagen.
Vraag 6
Hoe is de behoefte aan piekbergingsruimte zoals geuit door de waterschappen meegenomen
en vastgelegd in de Ontwerp-Nota Ruimte?
Antwoord 6
In de Ontwerp-Nota Ruimte wordt aangegeven dat een robuust en toekomstbestendig hoofdwatersysteem
ook voldoende ruimte vereist voor (piek)waterberging. Deze gebieden voor waterberging
zijn bedoeld om overloop te creëren en daarmee wateroverlast op andere plekken te
voorkomen, deels vanuit het hoofdwatersysteem en deels in de regionale watersystemen.
Daarom wordt in de Ontwerp-Nota Ruimte aangegeven dat er (lokaal) voldoende ruimte
wordt gereserveerd voor (piek)waterberging, het doel wordt nagestreefd om in diepe
polders 5–10% ruimte te reserveren voor waterberging en ontwikkelingen op gronden
die bijzonder geschikt zijn voor infiltratie te vermijden.
Specifiek voor het Noordzeekanaal en het Amsterdam-Rijnkanaal zijn de zoekgebieden
voor (piek)waterberging op kaarten aangegeven omdat ze een belangrijke rol vervullen
in de beheersmogelijkheden van wateroverlast. In deze gebieden spelen daarnaast ook
nog andere ruimtelijke opgaven. Zo betreft een deel van het zoekgebied bij het Noordzeekanaal
de Houtrakpolder waar opgaven vanuit energie, economie en water en bodem samenkomen.
Dit gebied is op dit moment gereserveerd voor uitbreiding van de haven. De locatiebepaling
voor waterberging rond het Noordzeekanaal vergt daarom nog nader onderzoek, dit wordt
uitgewerkt in de gebiedsgerichte aanpak van het regionale Deltaprogramma Centraal
Holland. De integrale besluitvorming hierover vindt plaats in de gebiedsgerichte aanpak
in het NOVEX-gebied Noordzeekanaalgebied.
Vraag 7
Acht u naar aanleiding van het signaal van de waterschappen aanvullingen op de Ontwerp-Nota
Ruimte noodzakelijk?
Antwoord 7
In reactie op de rapportage van Nieuwsuur heb ik aangegeven dat ik het belangrijk vind dat gemeenten waterschappen vroegtijdig
betrekken bij bouwplannen, maar dat het verder institutionaliseren van de rol van
waterschappen de processen stroperiger en duurder maakt. Het belang van het rekening
houden met water en bodem staat voldoende benoemd in de Ontwerp-Nota Ruimte, ik zie
daarom geen aanleiding om de Ontwerp-Nota Ruimte op dit punt aan te vullen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M.C.G. Keijzer, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.