Nota van wijziging : Nota van wijziging
36 843 Wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet in verband met een nieuwe vergunningplicht bij bepaalde asbestwerkzaamheden ten behoeve van de implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2668
Nr. 5 NOTA VAN WIJZIGING
Ontvangen 14 januari 2026
Artikel I, onderdeel B, van het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst van het voorgestelde artikel 16a wordt de aanduiding «1.» geplaatst.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
2. Artikel 16.139 en afdeling 20.5 van de Omgevingswet zijn van overeenkomstige toepassing
op de informatieverplichtingen, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat
de verplichting in artikel 20.28, eerste lid, van de Omgevingswet zich richt tot de
ontvanger van de te verstrekken informatie.
Toelichting
Het voorstel van wet stelt onder meer voor om aan de Arbeidsomstandighedenwet een
nieuw artikel 16a toe te voegen. Dit nieuwe artikel zal het mogelijk maken om bij
algemene maatregel van bestuur te bepalen dat de landelijke voorziening, bedoeld in
artikel 20.21 van de Omgevingswet, mag worden gebruikt om te voldoen aan een informatieverplichting
bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet. Een voorbeeld van een dergelijke informatieverplichting
is de melding die werkgevers voorafgaande aan het verrichten van werkzaamheden met
asbest moeten doen op grond van het huidige artikel 4.47c van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
Door de landelijke voorziening open te stellen voor informatieverplichtingen bij of
krachtens de Arbeidsomstandighedenwet, kan hier gelijktijdig en via hetzelfde portaal
aan worden voldaan als verplichtingen tot het doen van een aanvraag, melding of andere
verplichting tot het verstrekken van informatie op grond van het bepaalde bij of krachtens
de Omgevingswet. Dit beperkt de lasten voor burgers en bedrijven.
Met deze nota van wijziging wordt een lid toegevoegd aan het voorgestelde artikel 16a
van de Arbeidsomstandighedenwet. Het toegevoegde lid verklaart artikel 16.139 en afdeling
20.5 van de Omgevingswet van overeenkomstige toepassing op de informatieverplichtingen
waar op grond van het voorgestelde artikel 16a met de landelijke voorziening aan kan
worden voldaan. De reden voor deze toevoeging, wordt hieronder toegelicht.
Artikel 20.28, eerste lid, van de Omgevingswet schrijft voor dat het bevoegd gezag
en andere betrokken bestuursorganen de landelijke voorziening moeten gebruiken voor
de ontvangst van berichten als bedoeld in artikel 16.1 van de Omgevingswet. Vanwege
de koppeling die het artikellid maakt met de Omgevingswet, geldt dit artikellid niet
voor informatieverplichtingen waarvan op grond van het voorgestelde artikel 16a is
bepaald dat hier met de landelijke voorziening aan kan worden voldaan. Dit betekent
dat de ontvanger van de informatie niet gehouden zou zijn om de via de landelijke
voorziening ingediende informatie, in ontvangst te nemen. Dit acht de regering onwenselijk:
een partij die krachtens het voorgestelde artikel 16a het recht heeft om via de landelijke
voorziening te voldoen aan een informatieverplichting, moet ervan uit kunnen gaan
dat degene voor wie de informatie is bedoeld, deze ook langs deze weg in ontvangst
neemt.
In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is verder opgemerkt dat de grondslagen
tot het stellen van nadere regels in afdeling 20.5 van de Omgevingswet breed opgezet
zijn, wat het mogelijk maakt om deze ook te gebruiken voor informatieverplichtingen
waar op grond van het voorgestelde artikel 16a via de landelijke voorziening aan kan
worden voldaan. Bij nader inzien blijkt dit niet geheel het geval te zijn.
Artikel 16.139 van de Omgevingswet bevat onder meer de bevoegdheid om bij algemene
maatregel van bestuur te bepalen hoe een aanvraag, melding of ander bericht als bedoeld
in de Omgevingswet wordt ingediend of gedaan, en hoe aan een andere informatieverplichting
dan een melding moet worden voldaan. Artikel 14.2, eerste lid, van het Omgevingsbesluit,
is een uitwerking van deze bevoegdheid. Op grond van dit artikellid zijn gebruikers
van de landelijke voorziening verplicht om het elektronische formulier te gebruiken
dat in de landelijke voorziening beschikbaar is.
Artikel 16.139 van de Omgevingswet is gekoppeld aan «het elektronisch verkeer, bedoeld
in artikel 16.1 van de Omgevingswet». Dit betekent dat deze bevoegdheid niet kan worden
gebruikt om het gebruik van een elektronisch formulier verplicht te stellen bij informatieverplichtingen
waar op grond van het voorgestelde artikel 16a van de Arbeidsomstandighedenwet met
de landelijke voorziening aan kan worden voldaan. Ook bij deze informatieverplichtingen
zou echter deze verplichting moeten gelden.
Artikel 20.28, tweede en derde lid, van de Omgevingswet bevatten de bevoegdheid om
nadere regels te stellen over het beschikbaar stellen van een elektronisch formulier.
Deze bevoegdheden zijn echter ook gekoppeld aan «het elektronisch verkeer, bedoeld
in artikel 16.1 van de Omgevingswet». Dit betekent dat zij niet kunnen worden gebruikt
ten aanzien van informatieverplichtingen op grond van de Arbeidsomstandighedenwet.
Om bovenstaande knelpunten weg te nemen en elk mogelijk misverstand over het van toepassing
zijn van artikel 16.139 en de bepalingen in afdeling 20.5 van de Omgevingswet weg
te nemen, zijn deze van overeenkomstige toepassing verklaard op informatieverplichtingen
die overeenkomstig het voorgestelde artikel 16a zijn aangewezen. Daarbij is in het
geval van artikel 20.28, eerste lid, van de Omgevingswet bepaald dat de verplichting
in dat lid zich in het geval van deze arbo-informatieverplichtingen richt tot de ontvanger
van de te verstrekken informatie. Dit nu de Arbeidsomstandighedenwet de aanduiding
«bevoegd gezag» niet kent en de verplichting zich wat deze informatieverplichtingen
betreft niet richt tot het bevoegd gezag, bedoeld in de Omgevingswet.
De in deze nota van wijziging opgenomen wijzigingen brengen geen financiële gevolgen
met zich mee.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.N.J. Nobel
Ondertekenaars
J.N.J. Nobel, staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid