Schriftelijke vragen : De Kamerbrief Side-by-side-pakket wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2) van 5 januari 2026 (Kamerstuk 25087, 359)
Vragen van de leden Hoogeveen en Nanninga (beiden JA21) aan de Minister van Economische zaken en de Staatssecretaris van Financiën over de KamerbriefSide-by-side-pakket wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2) van 5 januari 2026 (Kamerstuk 25 087, 359). (ingezonden 9 januari 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het artikel «VS bedingen uitzonderingen op minimumbelasting multinationals»?1
Vraag 2
Kunt u reflecteren op de in het artikel opgenomen stelling dat Amerikaanse multinationals
zijn uitgezonderd van de wereldwijde minimumbelasting van 15% waarover in 2021 door
ruim 130 landen een akkoord is gesloten, en dat deze uitzonderingspositie de minimumbelasting
voor multinationals verwatert?
Vraag 3
Kunt u reflecteren op de in hetzelfde artikel opgenomen stelling dat onder meer Polen,
Tsjechië en Estland aanvankelijk bezwaar hebben gemaakt tegen deze uitzonderingspositie
vanwege de vrees voor een verslechtering van de concurrentiepositie van Europese concerns?
Vraag 4
Kunt u reflecteren op de in het artikel aangehaalde analyse van Van Weeghel dat het
hanteren van een samengesteld wereldwijd gemiddeld effectief belastingtarief Amerikaanse
ondernemingen een voordeel verschaft ten opzichte van concurrenten uit landen die
de OESO-minimumbelasting per jurisdictie toepassen, waaronder de EU-lidstaten, Japan,
het Verenigd Koninkrijk en Canada?
Vraag 5
Kunt u reflecteren op de in het artikel aangehaalde analyse van De Wilde dat de Verenigde
Staten bij het bepalen van de binnenlandse effectieve belastingdruk fiscale stimulansen
buiten beschouwing laten, terwijl deze onder de OESO-regels juist meetellen, en dat
deze systematiek investeren in de Verenigde Staten aantrekkelijker maakt voor Amerikaanse
bedrijven dan voor ondernemingen uit EU-landen en andere early adopters?
Vraag 6
Hoe rijmt u de in het artikel opgenomen passages, waarin wordt gesteld dat de uitzonderingspositie
voor Amerikaanse multinationals leidt tot concurrentievoordelen en een verwatering
van de minimumbelasting, met de stelling in de Kamerbrief dat het van belang is dat
niet-implementerende jurisdicties zich niet voordeliger kunnen positioneren ten opzichte
van jurisdicties die Pijler 2 wel implementeren (p.2?
Vraag 7
Kunt u, ter toelichting op de werking van het Side-by-Side-regime, een uitgewerkt
rekenvoorbeeld (met expliciet vermelde aannames) verstrekken waarin u eenzelfde multinationale
groep onder (i) de reguliere Pijler 2-systematiek (per jurisdictie-toets met toepassing
van IIR/UTPR) en (ii) het Side-by-Side-regime (met vrijstelling van IIR/UTPR voor
de uiteindelijke moederentiteit in een kwalificerende jurisdictie) vergelijkt en daarbij
inzichtelijk maakt in welke gevallen en waarom deze benadering in de praktijk kan
leiden tot een lagere (of anders verdeelde) effectieve belastingdruk?
Vraag 8
Kunt u in het in de vorige vraag gevraagde rekenvoorbeeld tevens uitgaan van een situatie
waarin de multinationale groep activiteiten ontplooit in ten minste één laagbelastende
jurisdictie, en inzichtelijk maken hoe de effectieve belastingdruk onder de reguliere
Pijler-2-systematiek zich in dat geval verhoudt tot de belastingdruk onder het Side-by-Side-regime?
Vraag 9
Acht u het vanuit het oogpunt van gelijke concurrentieverhoudingen verdedigbaar dat
Amerikaanse multinationals kunnen volstaan met een wereldwijd gemiddeld effectief
tarief, terwijl Europese multinationals per jurisdictie aan de 15%-toets zijn onderworpen?
Vraag 10
Kunt u uiteenzetten welke concrete waarborgen het kabinet ziet om te voorkomen dat
de erkenning van het Amerikaanse belastingstelsel als kwalificerend Side-by-Side-regime
leidt tot structurele concurrentieverstoringen ten nadele van in de EU gevestigde
concerns en in hoeverre deze waarborgen naar uw oordeel toereikend zijn?
Vraag 11
Kunt u uiteenzetten welke mitigerende maatregelen (fiscaal en niet-fiscaal) het kabinet
voorziet om eventuele structurele concurrentieverstoringen te beperken die kunnen
voortvloeien uit de erkenning van het Amerikaanse belastingstelsel als kwalificerend
Side-by-Side-regime ten opzichte van in de EU gevestigde concerns?
Vraag 12
In hoeverre acht u het risico reëel dat multinationals hun winstallocatie aanpassen
om optimaal gebruik te maken van de vrijstelling van IIR en UTPR onder het Side-by-Side-regime
en welke kwantitatieve inschatting ligt hieraan ten grondslag?
Vraag 13
Indien bij deze risico-inschatting wordt uitgegaan van mogelijke gedragseffecten,
betreft dit dan een aanvullende derving bovenop de in de Kamerbrief geraamde circa
€ 120 miljoen per jaar die voortvloeit uit het niet toepassen van de inkomens-inclusiemaatregel
en de onderbelastewinstmaatregel, of zijn deze gedragseffecten reeds in die raming
verdisconteerd?
Vraag 14
Bent u voornemens om, naast de in het Inclusive Framework afgesproken evaluatie («stocktake»)
in 2029, een nationale evaluatie uit te voeren naar de effecten van het Side-by-Side-regime,
in het bijzonder ten aanzien van concurrentieverhoudingen, gedragseffecten en budgettaire
opbrengsten voor Nederland?
Vraag 15
Welke gevolgen verwacht u dat de uitzonderingspositie voor Amerikaanse multinationals
heeft voor het Nederlandse vestigingsklimaat?
Vraag 16
Welke signalen ontvangt u vanuit het Nederlandse bedrijfsleven over de gevolgen van
deze uitzonderingspositie voor hun internationale concurrentiepositie?
Vraag 17
In hoeverre leidt deze uitzonderingspositie er naar uw oordeel toe dat Nederlandse
en Europese ondernemingen structureel op achterstand komen ten opzichte van Amerikaanse
concurrenten?
Vraag 18
Welke concrete maatregelen onderneemt u om te voorkomen dat Nederland economisch nadeel
ondervindt van de uitzonderingspositie voor de Verenigde Staten?
Vraag 19
Acht u het wenselijk dat Nederland onderdeel blijft van internationale afspraken die
ertoe kunnen leiden dat het Nederlandse vestigingsklimaat minder aantrekkelijk wordt
en Nederlandse bedrijven in een nadeliger positie komen ten opzichte van Amerikaanse
ondernemingen?
Vraag 20
Hoe beoordeelt u, in het licht van deze uitzonderingspositie, de haalbaarheid en geloofwaardigheid
van toekomstige mondiale belastingafspraken wanneer de Verenigde Staten structureel
een eigen uitzonderingspositie afdwingen en andere landen zich daaraan aanpassen?
Vraag 21
Kunt u deze vragen binnen twee weken en elk van de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
Michiel Hoogeveen, Tweede Kamerlid -
Mede ondertekenaar
Annabel Nanninga, Tweede Kamerlid