Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Diederik van Dijk, Van Nispen, Chakor, Van der Werf en Van Waveren over de afwikkeling van de vuurwerkramp te Enschede
Vragen van de leden Diederik van Dijk (SGP), Van Nispen (SP), Chakor (GroenLinks-PvdA), Van der Werf (D66) en Van Waveren (Nieuw Sociaal Contract) aan de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Staatssecretaris van Financiën over de afwikkeling van de vuurwerkramp te Enschede (ingezonden 4 november 2025).
Antwoord van Minister Van Oosten (Justitie en Veiligheid), mede namens de Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Staatssecretaris van Financiën
(ontvangen 8 januari 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026,
nr. 481
Vraag 1
Wat is uw reactie op het bericht «Geen hulp voor ex-vuurwerkramprechercheur: Kamerleden
ontstemd over besluit Staatssecretaris»1?
Antwoord 1
De Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane (hierna:
FBD), de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: BZK) en ik
begrijpen dat het een vervelende boodschap is dat er geen mogelijkheid bestaat om
tegemoet te komen aan het verzoek om af te zien van belastingheffing, zeker gezien
de in het bericht beschreven omstandigheden. Uit het bericht valt op te maken dat
sprake is van een transitievergoeding (ook wel: ontslagvergoeding) die in een stamrecht
is omgezet. Het lijkt de Staatssecretaris van FBD, ook gezien de context, goed om
op deze plaats de fiscale behandeling te schetsen van een ontslagvergoeding die in
een zogeheten stamrecht-bv (besloten vennootschap) is gestort. Als iemand een ontslagvergoeding
krijgt, is deze op dat moment en voor het volledige bedrag belast. Degene die uitbetaalt,
de inhoudingsplichtige, houdt loonbelasting in op de vergoeding, die vervolgens verrekenbaar
is met de inkomstenbelasting over het jaar waarin de vergoeding is ontvangen. Tot
1 januari 2014 kon met gebruikmaking van de stamrechtvrijstelling een ontslagvergoeding
in een bv worden gestort zonder belastingheffing op dat moment. De belastingheffing
vindt vervolgens plaats op het moment dat er uitkeringen door de stamrecht-bv worden
gedaan. Er gelden wel voorwaarden om de belastingheffing te waarborgen. Door van een
stamrecht-bv gebruik te maken, kon uitstel en matiging van belastingheffing worden
bewerkstelligd. Uitstel tot het moment waarop de uitkeringen worden uitbetaald en
matiging doordat niet in een keer een hoog bedrag progressief belast wordt in het
jaar van ontvangst, maar de lagere periodieke uitkeringen in de jaren waarin zij ontvangen
worden. Op het moment dat dit systeem wordt doorbroken moet echter alsnog worden afgerekend
over het stamrecht. Dat kan bijvoorbeeld zijn omdat iemand om welke reden dan ook
geld onttrekt aan de stamrecht-bv, bij afkoop van het stamrecht of bij opheffing van
de bv voordat alle uitkeringen zijn gedaan. Zo wordt geborgd dat uiteindelijk over
de gehele ontslagvergoeding wordt geheven. Er ontstaat dus bij gebruik van een stamrecht-bv
geen afstel van belastingheffing.
Vraag 2 t/m 4
Kunt u toelichten op welke gronden het verzoek om coulance in de zaak van de heer
Paalman is afgewezen?
Is er een intern advies, rapport of toetsingsdocument opgesteld over de redelijkheid
en billijkheid van het verzoek? Zo ja, kunt u dit (desnoods vertrouwelijk) met de
Kamer delen?
Welke beleidsregels of richtlijnen zijn toegepast bij de beoordeling van dit specifieke
verzoek?
Antwoord 2 t/m 4
Op grond van de wet kan de Staatssecretaris van FBD niet ingaan op de individuele
situatie van de heer Paalman (geheimhoudingsplicht; art. 67 Algemene wet inzake rijksbelastingen,
AWR). Een intern advies, rapport of toetsingsdocument specifiek voor deze zaak is
niet opgesteld.
Vraag 5
In hoeverre is bij de oorspronkelijke regeling rekening gehouden met de status van
de heer Paalman als klokkenluider of melder van misstanden binnen het politieonderzoek
naar de vuurwerkramp?
Antwoord 5
Het is niet aan mij als Minister van Justitie en Veiligheid om uitspraken te doen
over individuele casuïstiek.
Vraag 6
Erkent u dat er een groot maatschappelijk belang is dat klokkenluiders beschermd worden
en geen negatieve gevolgen ondervinden van het onthullen van een maatschappelijke
misstand? Hoe kijkt u met die blik naar de zaak van de heer Paalman?
Antwoord 6
Net als de Staatssecretaris van FBD en de Minister van BZK erken ik het grote maatschappelijke
belang dat gediend is bij de bescherming van klokkenluiders. Klokkenluiders spelen
een essentiële rol bij het aan het licht brengen van maatschappelijke misstanden,
bijvoorbeeld op het gebied van fraude en corruptie, en zij verdienen daarom bescherming.
Om klokkenluiders beter te beschermen tegen negatieve gevolgen van het doen van een
melding geldt in Nederland sinds 2016 regelgeving. Destijds gold de Wet Huis voor
klokkenluiders en deze is in 2023 vervangen door de Wet bescherming klokkenluiders,
waarmee de positie van klokkenluiders verder is versterkt. Met deze wet is de bewijslast
bij benadeling van klokkenluiders verschoven naar de werkgever.
Met betrekking tot de zaak van de heer Paalman past het mij en mijn collega-bewindspersonen,
gelet op onze respectievelijke verantwoordelijkheden, niet om te oordelen over dit
individuele geval.
Vraag 7
Zijn er andere gevallen bekend waarin ambtenaren of medewerkers die misstanden aan
de kaak stelden een vergelijkbare afkoopregeling troffen? Wat was in die situaties
de handelwijze van het ministerie en/of de politieorganisatie?
Antwoord 7
De Minister van BZK heeft een coördinerende beleids- en kaderstellende rol als het
gaat om de toepassing van de Wet bescherming klokkenluiders. Vanuit die verantwoordelijkheid
kunnen vragen met betrekking tot individuele casuïstiek niet beantwoord worden.
Voor een algemeen beeld over meldingen van misstanden in de zin van de Wet bescherming
klokkenluiders bij ministeries attendeer ik u graag op de jaarrapportage Bedrijfsvoering
Rijk (JBR) die door het Ministerie van BZK jaarlijks wordt opgesteld2. In de JBR wordt bijgehouden hoeveel meldingen van misstanden in de zin van de Wet
bescherming Klokkenluiders worden gedaan. Er zijn in de periode 2020 tot en met 2024
drie meldingen gedaan bij ministeries waarvan is aangetoond dat sprake was van een
misstand in de zin van de voornoemde wet.
De politie stelt in veel verschillende situaties vaststellingsovereenkomsten op waarin
afkoopsommen kunnen worden vastgelegd. (Oud-)medewerkers van de politie kunnen zich
hierbij altijd juridisch laten adviseren. Er wordt niet geregistreerd wat de grondslag
is voor een afkoopsom, waardoor een vergelijking niet te maken is.
Vraag 8
Heeft destijds enige vorm van onafhankelijke toetsing of juridische begeleiding plaatsgevonden
bij de totstandkoming van de regeling, gelet op de machtsverhouding tussen overheid
en werknemer?
Antwoord 8
Politiemedewerkers kunnen zich altijd juridisch laten adviseren bij het treffen van
dergelijke regelingen, waarbij een vaststellingsovereenkomst wordt opgesteld. Die
ruimte is er. Dat kan bijvoorbeeld via de politievakbond. Het is niet aan mij als
Minister van Justitie en Veiligheid om uitspraken te doen over individuele casuïstiek.
Vraag 9
Op welke wettelijke basis is de Belastingdienst gerechtigd om (een deel van) de destijds
ontvangen afkoopsom terug te vorderen?
Antwoord 9
Zie het antwoord op vraag 2 t/m 4.
Vraag 10
In welke mate is binnen die regeling rekening gehouden met persoonlijke omstandigheden,
zoals financiële draagkracht en gezinssituatie?
Antwoord 10
De Staatssecretaris van FBD gaat ervan uit dat hier de fiscale regeling is bedoeld
waardoor belasting is verschuldigd bij het afrekenen over een stamrecht. Anders dan
het bericht suggereert zij vermeld dat de Belastingdienst niets van de afkoopsom/ontslagvergoeding
zelf terugvordert. Zoals in het antwoord op vraag 1 is beschreven, vindt belastingheffing
plaats over de afkoopsom/ontslagvergoeding plaats op het moment van ontvangst daarvan
of, bij inbreng in een stamrecht-bv, op het moment dat de uitkeringen uit het stamrecht
vloeien. Net als bij andere fiscale regelgeving geldt dat bij het tot stand brengen
ervan alle aspecten worden meegewogen, dus ook de gevolgen voor draagkracht en persoonlijke
omstandigheden van de burgers die van de regeling gebruikmaken of erdoor worden geraakt.
Zo nodig worden flankerende maatregelen getroffen. Zo is bij de beëindiging van de
stamrechtvrijstelling per 1 januari 2014 in uitgebreid overgangsrecht voorzien.
In aansluiting op de antwoorden op de vragen 2, 3, 4 en 9 geldt ook voor deze vraag
dat de Staatssecretaris van FBD niet in kan gaan op de individuele situatie van de
heer Paalman (geheimhoudingsplicht; art. 67 AWR).
Vraag 11
Bestaan binnen de huidige wet- en regelgeving mogelijkheden voor kwijtschelding, aanpassing
of opschorting van terugvorderingen in schrijnende of uitzonderlijke situaties zoals
deze?
Antwoord 11
Ja, er bestaan mogelijkheden om een belastingschuld met een betalingsregeling te voldoen
of voor kwijtschelding van een belastingschuld. Als mensen hun belastingschuld niet
ineens kunnen betalen, kunnen zij een betalingsregeling bij de ontvanger aanvragen
van maximaal twaalf maanden. Deze termijn kan worden verlengd als er volgens de ontvanger
bijzondere omstandigheden zijn. Te denken is aan de situatie dat een belastingschuldige
onder het bestaansminimum komt, uit huis gezet dreigt te worden of hoge medische kosten
heeft. Als uit het verzoek om de betalingsregeling blijkt dat de belastingschuldige
over onvoldoende betalingscapaciteit beschikt om binnen twaalf maanden zijn schuld
te betalen, dan neemt de ontvanger dat verzoek ambtshalve in behandeling als een verzoek
om kwijtschelding. Bij de beoordeling daarvan neemt hij de gehele belastingschuld
in beschouwing. Of iemand in aanmerking komt voor kwijtschelding, hangt af van iemands
persoonlijke situatie. In zijn algemeenheid komt iemand in aanmerking voor kwijtschelding
als diegene geen of onvoldoende vermogensbestanddelen heeft om de openstaande belastingschuld
te voldoen en geen of onvoldoende betalingscapaciteit om de belastingschuld te voldoen.
Ook moet zijn voldaan aan alle andere vereisten. De Staatssecretaris van FBD kan ook
in antwoord op deze vraag niet ingaan op de individuele situatie van de heer Paalman
(geheimhoudingsplicht; art. 67 AWR).
Vraag 12
Onder welke voorwaarden kan in individuele gevallen coulance of maatwerk worden toegepast
buiten bestaande standaardregelingen?
Antwoord 12
Bij het opleggen en invorderen van aanslagen past de Belastingdienst binnen de grenzen
van wet- en regelgeving zo veel mogelijk maatwerk toe, en daarbij hoort ook coulance.
Waar dat niet kan, heeft de Staatssecretaris van FBD de mogelijkheid om de zogeheten
hardheidsclausule toe te passen (art. 63 AWR). De hardheidsclausule kan evenwel alleen
worden toegepast als sprake is van een «onbillijkheid van overwegende aard». Daarvan
is sprake als het gaat om een gevolg dat de wetgever had voorkomen als hij dat bij
het maken van de wet had voorzien. De wet had dan dus anders geluid. De hardheidsclausule
wordt in zeer uitzonderlijke gevallen toegepast. Het gaat bij de toepassing van de
hardheidsclausule uitdrukkelijk niet om gevallen waarin iemand de belastingheffing
persoonlijk als onbillijk ervaart.
Vraag 13
Bent u bereid de zaak van de heer Paalman opnieuw te bezien met oog voor redelijkheid,
billijkheid en de bijzondere context waarin de regeling destijds tot stand kwam?
Antwoord 13
Bij verzoeken om toepassing van de hardheidsclausule of coulance worden altijd alle
feiten en omstandigheden meegewogen en dus ook de eventuele bijzondere context. Het
opnieuw bezien zal – hoe vervelend ook voor betrokkene – niet kunnen leiden tot een
andere toepassing van de fiscale regelgeving.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
F. van Oosten, minister van Justitie en Veiligheid -
Mede namens
E.H.J. Heijnen, staatssecretaris van Financiën -
Mede namens
F. Rijkaart, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.