Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Westerveld over seksueel misbruik in de gehandicaptenzorg
Vragen van het lid Westerveld (GroenLinks-PvdA) aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over seksueel misbruik in de Gehandicaptenzorg (ingezonden 6 november 2025).
Antwoord van Staatssecretaris Pouw-Verweij (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen
8 januari 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 484
Vraag 1
Bent u bekend met het item van Pointer van 1 november jl. over een veroordeelde zedendelinquent
die toch zijn beroep als verpleegkundige kon blijven uitoefenen?1 Wat is uw reactie op deze uitzending?
Antwoord 1
Ja, ik ben bekend met dit item. Ik leef mee met het slachtoffer en haar naasten, daarnaast
vind ik het van groot belang dat dit aan de orde wordt gesteld.
Vraag 2
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend is dat iemand die tijdens zijn opleiding
tot verpleegkundige een persoon met een beperking seksueel heeft misbruikt, waarna
door de Inspectie Gezondheidzorg en Jeugd (IGJ) is geconstateerd dat er sprake is
van een situatie die voor de veiligheid van patiënten of de zorg een ernstige bedreiging
kan betekenen, toch het beroep kan blijven uitoefenen?
Antwoord 2
Ja, deze mening deel ik.
Vraag 3
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend is dat er wettelijke mogelijkheden bestaan
voor personen die zedendelicten hebben gepleegd, in het bijzonder zedendelicten waarbij
personen in een kwetsbare positie zijn betrokken, om vervolgens aan de slag te gaan
in sectoren zoals de gehandicaptenzorg, waarbij zij verantwoordelijk zijn voor de
zorg van vaak kwetsbare mensen?
Antwoord 3
Ik begrijp dat dit tot zorgen leidt. Ik vind het ook ongewenst dat personen die zedendelicten
hebben gepleegd, in het bijzonder wanneer er personen in een kwetsbare positie bij
zijn betrokken, aan de slag gaan in sectoren zoals de gehandicaptensector.
Vraag 4
Hoe reflecteert u op het feit dat het tuchtcollege geen mogelijkheden heeft voor het
opleggen van een beroepsverbod indien het zedendelict heeft plaatsgevonden voor de
BIG-registratie?
Antwoord 4
Laat ik in zijn algemeenheid vooropstellen dat patiënten erop moeten kunnen vertrouwen
dat zij kwalitatief goede zorg krijgen volgens de stand van de wetenschap en de praktijk.
Het tuchtrecht is van toepassing op zorgverleners die zijn ingeschreven in het BIG-register.
Voor zorgverleners die niet in het BIG-register zijn ingeschreven, omdat zij daar
vanwege opleiding nog niet voor in aanmerking komen of omdat zij een ander beroep
uitoefenen, zijn andere waarborgen waaronder de Verklaring Omtrent het gedrag (VOG)
aanwezig en is het tuchtrecht niet aangewezen.
Vraag 5
Bent u bereid om dit gat in de huidige wet- en regelgeving te dichten? Zo ja, welke
mogelijkheden ziet u hiervoor? Zo nee, waarom niet?
Vraag 6
Hoe reflecteert u op de oproep van meerdere zorgopleidingen om de Verklaring Omtrent
het Gedrag (VOG) te verplichten in de hele zorgsector?
Antwoord vraag 5 en 6
In het kader van de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) is in een brief aan de Tweede
Kamer aangekondigd dat het voornemen bestaat om bij een vergunningaanvraag op grond
van de Wtza voortaan standaard een VOG te vragen aan leden van de dagelijkse of algemene
leiding, al dan niet voor bepaalde risicogroepen.2 Dit voornemen wordt de komende maanden inhoudelijk verder uitgewerkt met betrokkenen.
Hoewel leden van de dagelijkse of algemene leiding geen zorgverleners hoeven te zijn,
is dit een grote stap in de standaardisering en verbetering van de integriteitstoetsing
in de zorg. Op dit moment geldt dat alle zorgverleners die zorg verlenen op grond
de Wet langdurige zorg (Wlz) binnen een instelling over een VOG moeten beschikken.
De VOG-verplichting geldt bij de Wlz ook voor andere personen dan zorgverleners die
beroepsmatig met de cliënten van de zorginstelling in contact kunnen komen. Daarnaast
bestaat een VOG-verplichting voor zorgverleners die als solist Wlz zorg verlenen.
Tenslotte geldt een VOG-verplichting ook voor zorgverleners en andere personen die
beroepsmatig met cliënten van de zorginstelling in contact kunnen komen die in een
instelling voor geestelijke gezondheidszorg zorg verlenen.
De reden om niet voor alle zorgverleners verplicht een VOG te verlangen, is dat bij
de plenaire behandeling van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz)
aan de orde is geweest dat een algemene VOG-verplichting voor alle zorgverleners zou
leiden tot hoge kosten en administratieve lasten. Ook zou de VOG niet de garantie
bieden dat de veiligheid van de zorg op orde is. Dit alles laat onverlet dat een zorgaanbieder
mede in het kader van de vergewisplicht altijd een VOG van een zorgverlener kan verlangen,
ook als er geen VOG-verplichting bestaat.
Vraag 7
Herkent u het beeld dat iedere opleiding anders omgaat met verdenkingen en veroordelingen
van studenten? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om hierbij heldere richtlijnen te
creëren? Wie is daar volgens u voor verantwoordelijk?
Antwoord 7
Ja, ik herken dit beeld. Wanneer een student wordt verdacht van seksueel grensoverschrijdend
gedrag binnen de onderwijsinstelling of binnen de stage kan de onderwijsinstelling
de student schorsen of verwijderen op grond van beroepshouding of het studentenstatuut
als de veiligheid in de onderwijsinstelling in het geding is.
Deze regels gelden niet automatisch in geval van verdenkingen en veroordelingen in
de privésfeer, tenzij deze een bedreiging vormen voor de veiligheid op school. Het
is aan de onderwijsinstelling dan wel de desbetreffende zorginstelling om te bepalen
wat te doen als er dergelijke vermoedens zijn over iemand die zijn opleiding volgt.
Hier kan ik geen aanvullende richtlijnen voor creëren, omdat dit buiten mijn verantwoordelijkheid
valt.
De onderwijsinstelling mag een diploma verstrekken als aan alle wettelijke eisen is
voldaan. De laatste stage moet hierbij in elk geval voldoende zijn. Het kan echter
wel zijn voorgekomen dat een student een negatieve beoordeling heeft gekregen bij
het opdoen van een eerdere praktijkervaring in een zorginstelling. Het is daarom extra
belangrijk dat onderwijs- en zorginstellingen goed met elkaar communiceren over een
eventueel voorval, vooral als dit zich in de privésfeer heeft afgespeeld, en wat een
passende maatregel daarbij is.
Vraag 8
Welke waarborgen bestaan er momenteel om erop toe te zien dat er tijdig wordt ingegrepen
bij (vermoedens van) misbruik binnen de gehandicaptenzorg?
Antwoord 8
Er bestaan verschillende waarborgen om tijdig in te kunnen grijpen bij (vermoedens
van) misbruik binnen de gehandicaptenzorg. Preventief werken zorgaanbieders aan een
veilige meldcultuur. Dit vraagt doorlopend aandacht. Kernactiviteiten om die veilige
meldcultuur te bewerkstelligen zijn bijvoorbeeld scholing voor (nieuwe) medewerkers
gericht op het herkennen van signalen van grensoverschrijdend gedrag, bewustwording
over het belang van melden en handelen conform intern beleid, voorlichting aan cliënten
en naasten en zorgen voor bekendheid van vertrouwenspersonen voor cliënten en medewerkers.
Daarnaast zijn er vanuit wet- en regelgeving verschillende instrumentaria. Zorgaanbieders
zijn vanuit de Wkkgz verplicht om een procedure te hebben voor het intern melden van
incidenten. Daaronder valt ook het melden van seksueel grensoverschrijdend gedrag
of een vermoeden daarvan. (Zie ook de brochure van de IGJ «Het mag niet, het mag nooit»,
2023.) Zorgaanbieders hebben de plicht om «geweld in de zorgrelatie» te melden bij
de toezichthouder. Seksueel overschrijdend gedrag is een vorm van «geweld in de zorgrelatie».
De Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN) heeft een handreiking «Sturen op aanpak
seksueel misbruik» met praktische handvatten en aanbevelingen voor zorgorganisaties
om de preventie en aanpak van seksueel misbruik te organiseren. Deze handreiking wordt
momenteel herschreven. De herziene handreiking beschrijft wijzigingen in wet- en regelgeving,
bevat veel achtergrondinformatie en ondersteunt organisaties bij het uitwerken van
hun eigen interne beleid en procedures ten aanzien van seksueel grensoverschrijdend
gedrag richting cliënten.
Vraag 9
Kunt u een recent overzicht geven van de meldingen die in de afgelopen jaren zijn
gedaan bij de IGJ over (seksueel) misbruik binnen de verschillende zorgsectoren?
Antwoord 9
In 2024 ontving de inspectie 330 meldingen over (vermoedens van) seksueel grensoverschrijdend
gedrag, voor het grootste deel over fysiek seksueel grensoverschrijdend gedrag (84%)3. Het aantal meldingen verschilt per zorgsector. Er waren 90 meldingen van seksueel
grensoverschrijdend gedrag in de gehandicaptenzorg4.
Vraag 10
Wat is er sinds 2023 gedaan om de motie Westerveld uit te voeren waarin wordt gevraagd
om gespecialiseerde vertrouwenspersonen vaker langs te laten gaan bij mensen met een
beperking?5 Hoeveel extra personen zijn er opgeleid?
Antwoord 10
Voor mijn reactie op de uitvoering van de genoemde motie verwijs u ik naar beide voortgangsrapportages
van de Toekomstagenda6. Ik heb geen zicht op het specifieke aantal extra opgeleiden personen.
Vraag 11
Bent u bereid om eindelijk de motie Westerveld c.s.3 uit 2023 uit te voeren waarin
de regering wordt verzocht om het aantal inspecteurs voor de gehandicaptenzorg uit
te breiden, eventueel door een herprioritering binnen de IGJ, zodat er proactief toezicht
gehouden kan worden op alle intramurale gehandicaptenzorg en pgb-wooninitiatieven.
Antwoord 11
Met de Toekomstagenda is fors (26%) extra capaciteit (6 extra inspecteurs), specifiek
voor de gehandicaptenzorg, toegevoegd aan de IGJ. Daarnaast is het eerder toegezegde
transparantieregister van pgb-wooninitiatieven in ontwikkeling, waarmee ik wil bereiken
dat de IGJ zicht heeft op deze initiatieven.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
N.J.F. Pouw-Verweij, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.