Verslag van een commissiedebat : Verslag van een commissiedebat, gehouden op 18 december 2025, over Politie
29 628 Politie
Nr. 1313
VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT
Vastgesteld 2 februari 2026
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft op 18 december 2025 overleg gevoerd
met de heer Van Oosten, Minister van Justitie en Veiligheid, over:
– de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 3 juli 2025 inzake Nivel-rapport
Gezondheidseffecten van het stroomstootwapen (Kamerstuk 29 628, nr. 1278);
– de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 3 juli 2025 inzake WODC-onderzoek
naar effectieve interventies diversiteit en inclusie (D&I) bij de politie (Kamerstuk
29 628, nr. 1279);
– de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 11 juli 2025 inzake inzichten
dialoog over demonstreren en beschermen herdenkingen (Kamerstuk 34 324, nr. 38);
– de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 26 september 2025 inzake
verslag over hackbevoegdheid politie 2024 (Kamerstuk 29 628, nr. 1298);
– de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 7 november 2025 inzake toezegging,
gedaan tijdens het debat van 25 september 2025 over het pakket aan maatregelen ter
bestrijding van antisemitisme, over de bewapening van de mobiele eenheid (ME) (Kamerstuk
29 628, nr. 1299);
– de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 13 november 2025 inzake handhavingsplan
jaarwisseling (Kamerstuk 28 684, nr. 813);
– de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 28 november 2025 inzake WODC-rapport
Internationale verkenning bevoegdheden online gegevensvergaring politie bij (dreigende)
openbare ordeverstoringen (Kamerstuk 29 628, nr. 1301);
– de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 10 december 2025 inzake tweede
halfjaarbericht politie 2025 (Kamerstuk 29 628, nr. 1302).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De fungerend voorzitter van de commissie, Ellian
De griffier van de commissie, Brood
Voorzitter: Ellian
Griffier: Van Tilburg
Aanwezig zijn tien leden der Kamer, te weten: El Abassi, Coenradie, Diederik van Dijk,
Ellian, Faber, Michon-Derkzen, Mutluer, Straatman, Struijs en Van der Werf,
en de heer Van Oosten, Minister van Justitie en Veiligheid.
Aanvang 9.59 uur.
De voorzitter:
Dames en heren, goedemorgen. Ik open deze vergadering van de vaste commissie voor
Justitie en Veiligheid. Mijn naam is Ellian en ben de waarnemend voorzitter van deze
mooie commissie. Ik heet van harte welkom de Minister van Justitie en Veiligheid en
diens ondersteuning en uiteraard mijn gewaardeerde collega's, die in groten getale
aanwezig zijn. Ik ga ze nu niet een voor een voorstellen. Dat doe ik zo meteen als
ik iedereen het woord geef. Uiteraard ook van harte welkom aan iedereen in de zaal
en alle anderen die deze vergadering anderszins volgen. Op de agenda staat het commissiedebat
Politie, waar we drie uur de tijd voor hebben. We moeten het ook in die tijd afronden.
Er is een hoop te zeggen, want er zijn veel agendapunten. De leden krijgen drie interrupties,
gemaximeerd op 45 seconden. Dus let daar alsjeblieft op. Overschrijd je dat maximum,
dan tel ik ’m voor twee, want de ervaring leert dat we het anders niet gaan redden.
Ik zal ook de Minister verzoeken om zijn beantwoording to the point te doen.
Mevrouw Faber (PVV):
Zijn dat drie interrupties alleen in de eerste termijn?
De voorzitter:
Ja, voor de leden onderling, maar wel gemaximeerd op 45 seconden per interruptie.
Als ik niks vergeet, gaan we beginnen met mevrouw Michon namens de VVD, voor haar
eerste termijn.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Dank, voorzitter. Fijn om het hier met een nieuwe Kamer over de politie te hebben.
Ik zie ook een aantal nieuwe gezichten in deze commissie. We hebben ongelofelijk veel
te bespreken, dus ik steek gelijk van wal. Ik begin met de ombuigingen binnen de politie.
Wij weten allemaal dat de politie kenbaar heeft gemaakt 800 miljoen te veel uit te
geven, dus boven het budget uit te geven. Er resteert een ombuiging van 300 miljoen.
Er ligt een motie-Michon, waarin staat dat dit niet mag neerslaan op de operationele
politieorganisatie. Nu lees ik in de bijlage, waar honderdduizend onderwerpen in staan,
dat in 2026 de operationele slagkracht wordt ontzien – dat komt dus niet ten laste
van de basisteams – maar er staat ook: bij sommige eenheden moet de bezetting worden
beperkt. Hoe rijmt dit met elkaar? Is nou klip-en-klaar dat dit niet van die operationele
organisatie afgaat? Uit die overleggen van de bestuurscolleges hoor ik ook andere
signalen. Ik denk dat het heel belangrijk is om dat vandaag duidelijk te hebben.
Mijn tweede punt betreft de jaarwisseling. We hebben een uitgebreide brief gekregen
op 13 november over het handhavingsplan. Mijn afdronk van die brief is dat het goed
weergeeft wat er allemaal kan en welke instrumenten je kan inzetten. Dat vind ik allemaal
goed. Dat is voor mij ook een hoop bekend materiaal, en het is goed dat iedereen dezelfde
informatie heeft. Maar wat ik graag wil weten, is hoeveel extra illegaal vuurwerk
wij nou willen onderscheppen. Wat zijn concreet de ambities van de politie over het
te bereiken resultaat om ervoor te zorgen dat we oud en nieuw beheersbaar houden?
Hoeveel extra inzet is er dus op illegaal vuurwerk? Hoe zit het met die pilots voor
geweldsmiddelen van de mobiele eenheid? Twee van de vijf kunnen al van start met oud
en nieuw. We weten dat Amsterdam daarover twijfelt. Hoe kan dit en hoe zorgen we ervoor
dat we agenten maximaal beschermen in deze moeilijke nacht?
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Die vraag moet de Minister zich denk ik ook aantrekken. Ik begrijp dat het geweldsinstrumentarium
van de ME wordt uitgebreid naar aanleiding van de heftige gebeurtenissen in Den Haag.
Maar zonder enige training, zonder enige ondersteuning en zonder na te denken over
de chilling effecten die die uitbreiding kan hebben, kan je ook iets creëren. Deelt
mijn collega die mening?
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik deel de mening van mevrouw Mutluer van harte dat je goed getraind moet zijn hiervoor.
Ik heb ook begrepen dat die trainingen nu zijn afgerond. Wat u zegt over het chilling
effect deel ik niet. We hebben met elkaar in meerderheid tot deze vijf pilots besloten.
Twee starten voor oud en nieuw, de andere drie begin volgend jaar. Ik hoop trouwens
ook van de Minister te horen wanneer die andere drie starten. Dat doen we om de agenten
te beschermen. Dat hebben we in meerderheid besloten in de Kamer, omdat we vreselijke
beelden hebben gezien, bijvoorbeeld bij die rellen op het Malieveld. Dat doen we dus
niet om stoer te doen of om mensen angst aan te jagen, nee, dat doen we om agenten
te beschermen, zodat die op een normale manier hun werk kunnen doen.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Maar ook dan heb ik natuurlijk de nodige zorgen omtrent het te pas en te onpas inzetten
van dit uitgebreide geweldsinstrumentarium. Daarmee zeg ik overigens niet dat ik niet
vind dat onze agenten zich veilig moeten wanen; dat is voor mij ook prioriteit één.
Maar uiteindelijk is het ook aan de burgemeester om dat zelf te bepalen. We kunnen
hier wel aan shaming gaan doen, maar het is echt aan de burgemeesters om uiteindelijk
te kijken of zij een dergelijke inzet willen plegen of niet.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ook dat deel ik met mevrouw Mutluer, maar nu is het een feit dat oud en nieuw voor
de agenten de zwaarste nacht is. Het bevreemdt mij dus zeer dat de burgemeester de
afweging maakt om agenten zonder alle mogelijke middelen deze nacht in te sturen.
Daar hoor ik graag de Minister over.
De voorzitter:
U gaat verder met uw betoog.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Dat dus over illegaal vuurwerk. Ook heb ik eerder gevraagd wat de post- en pakketsector
nu extra doet voor het onderscheppen van die pakketten illegaal vuurwerk die je gewoon
kunt bestellen.
Voorzitter. Winkeldiefstal is mij ook een doorn in het oog. Dat kwam recent weer zeer
ter sprake in een rapport van de Inspectie JenV. Daarin stond kort gezegd: de recherche
is vooral bezig met winkeldiefstal; die zou wat grotere zaken moeten doen. Nou, ik
ken een hoop ondernemers die ongelofelijk ontevreden zijn over de afwikkeling van
de politie-inzet bij winkeldiefstal. Terecht ook. Ik vind dus – dat heb ik in november
2024 gevraagd in een motie – dat we met elkaar moeten kijken hoe je nou op een slimme
manier winkeldiefstallen afdoet. Waarschijnlijk hoeft dat heel vaak niet eens met
politie-inzet, maar kan dat ook privaat. Er is een plan van aanpak, er zijn allerlei
gesprekken over, en nu zie ik ook in de stukken terug dat er een conceptleidraad is
en dat er pilots zijn. We zijn nu dik een jaar verder, en we hebben een conceptleidraad
en pilots. Kan dit niet sneller, zo vraag ik de Minister. Wanneer wordt die leidraad
dan definitief? Kunnen we met elkaar de moed hebben om op een andere manier naar winkeldiefstal
te kijken, zodat die recherchecapaciteit zo effectief mogelijk kan worden ingezet?
Voorzitter. We moeten het in dit debat ook hebben over de commissie-Sorgdrager, Waarborgen
Werken Onder Dekmantel. Jaren geleden had de Landelijke Eenheid te maken met afschuwelijke
gevolgen; een aantal collega's was daarbij. Dat heeft ook geleid tot een hele herorganisatie.
De commissie-Sorgdrager zegt nu eigenlijk dat de visie op vakmanschap ontbreekt. De
mensen die dit moeilijke werk doen, staan er dus nog steeds behoorlijk alleen voor.
Ook in dit verband wil ik toch indringend aan de Minister vragen of de aansturing
daarvan niet strakker bij de Minister belegd kan worden. Want het kan niet zo zijn
dat we deze kwetsbare, moeilijke functies aan hun lot overlaten. Hoe beoordeelt de
Minister de bevindingen van deze commissie?
Voorzitter, ik moet afronden. Ik ben heel blij dat we de handhavers apart gaan behandelen.
Daar is een hoop over te zeggen. Dat zal ik nu niet doen. Over het demonstratierecht
komen we ook apart te spreken, dus dat laat ik ook voor nu zitten.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Alright, dat ging goed met de interrupties. Ik vind het leuk om dit bijzondere moment
aan te mogen kondigen: volgens mij is dit het eerste commissiedebat Politie voor de
heer Struijs.
De heer Struijs (50PLUS):
Dat klopt, voorzitter.
De voorzitter:
Ik vind het leuk dat ik u in deze rol het woord mag geven. Aan u het woord, namens
50PLUS.
De heer Struijs (50PLUS):
Ja, dank u. Het is even wennen. Ik zat vaak aan de andere kant van de tafel. Ik ga
gelijk van start. 50PLUS ziet dat de hele rechtsstaat onder druk staat, met name de
politie, maar ik wil er wel bij zeggen dat wij kritisch zijn op met name het beleid
van en de uitvoering bij de politie. Ik vraag de Minister het volgende. Er wordt nu
extra geld gevraagd voor de operatiën. Die zijn te allen tijde heilig voor ons, want
daar werkt men ontzettend hard. Al vijf jaar geleden is er beloofd om te gaan snijden
in de staf van de korpsleiding. Wat schetst mijn verbazing? Ik zie 1.681 fte's, en
in de eenheden zitten ook nog eens meer dan 1.600 beleidsmedewerkers, terwijl de operaties
moord en brand schreeuwen. Op het moment dat ze een goed idee hebben, en ze naar een
beleidsmedewerker moeten, hebben ze namelijk twee problemen. Dat wordt ook wel de
hindermacht genoemd. Ik snap het nog steeds niet. Al uw voorgangers hebben beloofd
om voor bestuurlijke hygiëne te zorgen. We hebben DG POL met een grote staf die beleid
maakt, dan gaat het beleid naar de politie en vervolgens maken ze nog eens hun eigen
beleid. Dat kan veel beter, al jarenlang. Daar vermorsen we veel geld. Ik wil graag
van de Minister weten hoe hij daartegen aankijkt.
Mijn tweede punt is het vermorsen van honderden miljoenen in de laatste vijf jaar
met ICT-projecten. Het loopt enorm op. Tot nu toe is het hele bedrijfsprocessysteem
nog steeds niet op orde. We hebben reparatie op reparatie. Politiemensen klagen steen
en been. Kijk naar de recherche: Summ-IT 6 en 7 zijn alweer gaande. We houden de oude
meuk dus in stand en dat heeft een hele hoge prijs. Elke keer hoor ik ook nu weer
van de interceptiekamer, de vroegere tapkamer, waar alle afgeluisterde gesprekken
binnenkomen: we zijn nog steeds in ontwikkeling. Ondertussen houden we een systeem
in stand dat veel geld kost. Kortom, gelet op de optelsom bij de bestuurlijke hygiëne
en het vermorsen van geld wil ik van de Minister weten: deelt hij de beelden en kunnen
we daar niet een slag op maken?
Dan naar de operatie. Ik maak me op voor een veldslag dit jaar, helaas. De voortekenen
zijn niet mis. Kijk naar het illegale vuurwerk, waar mijn collega Michon het al over
had. Ook dat dit het laatste jaar is waarin vuurwerk mag worden afgestoken, wordt
groots en massaal gevierd, en door sommige mensen niet op een leuke manier. Het tweede
is de onderbemensing bij de politie. Er is nu een enorme piek, dus in januari krijgen
we weer situaties dat de wachttijden voor aangiftes, van geweldsdelicten tot ernstige
zedenzaken, enorm oplopen. Want het zijn niet alleen de mensen op straat; er staat
ook letterlijk een peloton rechercheurs klaar om zo snel mogelijk de afhandeling te
doen. Ik wil graag een duiding van de Minister: hoe kijkt hij naar deze problematiek
rondom oud en nieuw?
Last but not least, ik geef ook toe dat mijn betrokkenheid in het verleden daar groot
bij was: drie zelfdodingen bij het undercoverteam, de infiltratie. We hebben daar
stevig ingegrepen. Dat was ook terecht. Het is nu in opbouw. Ik koester deze mensen
enorm, omdat ze nu ook operationele successen boeken, maar het wordt echt tijd dat
deze mensen beter worden ondersteund, fysiek, mentaal en moreel. Het wordt ook tijd
dat er meer duidelijkheid komt over hun toekomst en het leiderschap aldaar. Ook daar
wil ik graag een reflectie op.
Dit was het voor nu. Ik zit tegen de vier minuten aan. U begrijpt dat ik met mijn
achtergrond een uur door kan gaan, maar hier wil ik het even bij laten.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Struijs. Het was keurig binnen de tijd overigens. Mevrouw Faber,
voor haar eerste termijn namens de PVV-fractie.
Mevrouw Faber (PVV):
Dank u, voorzitter. Het komt steeds vaker voor dat agenten bespot en bedreigd worden.
In november waren vluchtende agenten op de nationale televisie te zien. Tuig uit een
Utrechtse buurt toonde zijn minachting, ze kropen uit hun holen en trachtten de agenten
met stenen te bekogelen, omdat ze het niet eens waren met een arrestatie in hun wijk.
Tot mijn stomme verbazing vertelde diezelfde avond burgemeester Dijksma op tv dat
dit soort voorvallen niet incidenteel zijn. Vluchtende agenten zijn funest voor het
imago van de politie; dat vormt de opmaat naar no-gozones. Ik verwijt het de agenten
niet. Zij worden immers de straat op gestuurd met de opdracht de-escalerend te handelen,
wat eigenlijk een synoniem is geworden voor nietsdoen. Tijdens een ontruiming van
een universiteitsgebouw ging de politie na 500 minuten verbinden over tot kortstondig
geweld van anderhalve minuut. Dit om de geblokkeerde ingang vrij te maken. Vervolgens
reageerde de burgemeester, weer mevrouw Dijksma – dit terwijl het onderzoek nog gaande
was – door te zeggen dat dit niet zo afgesproken was. Sprak de burgemeester niet voor
haar beurt? En wat is de rol van de korpschef in dezen? Graag een reactie van de Minister.
Voorzitter. Het politieke bestuur wil vooral geen politiek gesteggel, wat zich uit
in politieke correctheid. Beticht worden van etnisch profileren, waar de politie doodsbang
voor is, ligt altijd op de loer. Daarom wordt de Amsterdamse politie nog steeds de
straat op gestuurd met een selectiepaal, die aangeeft wie wel of niet preventief gecontroleerd
moet worden. Dit gebeurt ondanks dat een meerderheid in de Tweede Kamer zich heeft
uitgesproken tégen de paal. Binnen en buiten de politie wordt erom gelachen. Ik dacht
eerst ook dat dat een grap was. Kortom, om het eigen bestuurlijke straatje schoon
te houden, worden de agenten door hun eigen bestuur voor paal gezet op straat. Het
beroep van politieagent is te belangrijk om geridiculiseerd te worden door bestuurlijke,
politieke spelletjes. Mijn vraag aan de Minister is dan ook: moet de politietop niet
eens ophouden met die politieke spelletjes ten koste van het aanzien van hun eigen
agenten? Waarom grijpt de Minister niet in?
Voorzitter. Dan het gedram over de hoofddoeken voor boa's. Ook daar speelt de PvdA-GroenLinksburgemeester
weer een rol in. De boa's dienen neutraliteit uit te stralen. Er ligt een AMvB klaar
die een verbod op religieuze uitingen behelst. De Minister wil deze AMvB echter niet
bekrachtigen. Hij wil dit verbod in een wet vastleggen. Maar waarom niet de AMvB in
werking laten treden, totdat de beoogde wet van kracht is?
Voorzitter. Dan de jaarwisseling. De van oorsprong mooie traditie van vuurwerk tijdens
de jaarwisseling wordt verpest door tuig dat de straat terroriseert en zich niet aan
de regels houdt. Een handhavingsplan is zinloos als er niet wordt gehandhaafd. Het
schort ook aan voldoende handhavingscapaciteit. De kans bestaat dat het nog erger
wordt, aangezien er in oktober door de politie een brief is verzonden aan opleiders
en werkgevers van boa's dat er geen ruimte is om boa's te certificeren. 2025 zou volgeboekt
zijn en er kunnen geen aanvragen in behandeling worden genomen voor 2026. Klopt dit?
Zo ja, dan verliezen alle boa's hun bevoegdheid in 2027. Wat gaat de Minister hieraan
doen?
De politie staat regelmatig in een spagaat. Oorzaak: binnen de lokale driehoek bestaan
verschillende opvattingen over proportioneel optreden. Dit ondermijnt het gezag en
de slagkracht van de politie. Zou een eenduidig beleid van de lokale driehoek niet
bijdragen aan de slagkracht van de politie? Graag een reactie. De zwalkende houding
van burgemeester Halsema inzake de proef met de zwaardere wapens voor de ME helpt
ook niet echt. Slappe hap is kennelijk de norm bij de PvdA-GroenLinksburgemeesters.
Voorzitter. De politie moet het gezag weer terugkrijgen. Dat begint al op straat.
Wat dan niet helpt, is een vuurtje geven aan een straatschoffie en wat helemaal niet
helpt, is koffie schenken bij een groep biddende moslims op straat. Hiermee werp je
het beeld op van onderdanigheid. Dat terwijl een van de wettelijke politietaken handhaven
is. De handhaver staat hiërarchisch altijd boven de partijen. Het bestuur moet stoppen
met politiek correcte spelletjes, moet consequent aansturen en moet pal achter al
het personeel gaan staan. De politietop wil het vertrouwen terugwinnen van de burger,
maar dan moet de politietop wel echt daadkrachtig optreden. Een daadkrachtige politie
kan enkel daadkrachtig optreden bij een daadkrachtig bestuur.
De heer El Abassi (DENK):
Ik was nog even aan het wachten of iemand anders zou ingrijpen. Ik zou de PVV de eerste
vraag willen stellen: wat is er mis met koffiedrinken met moslims op straat?
Mevrouw Faber (PVV):
Weet u, deze moslims staan te bidden op straat om te provoceren. Ze provoceren de
politie. Daar moeten we gewoon niet in meegaan. De politie is niet een dienaar van
biddende moslims. Die gaat geen koffie schenken, maar moet gewoon gaan handhaven.
We moeten gewoon ophouden met die flauwekul.
De heer El Abassi (DENK):
Ik vroeg wat er mis is met koffiedrinken met moslims op straat en ik krijg een reactie
over biddende moslims op straat, maar dat is ook misschien een goed voorbeeld. Wat
vindt de PVV van agenten die bidden op een Chanoeka of in een kerk? Daar hebben we
ook heel veel beelden van langs zien komen, maar de PVV heb ik daar nooit over gehoord.
Wat vindt de PVV daarvan?
Mevrouw Faber (PVV):
Wat we zien, zijn agenten in uniform die op de knieën liggen in een moskee. Daar heb
ik grote bezwaren tegen. Bij een chanoekaviering heb ik geen biddende politieagenten
gezien in uniform.
De heer El Abassi (DENK):
Dat de PVV dit niet ziet, betekent niet dat dit niet bestaat. Ik wil de PVV toch ermee
confronteren, want het internet staat vol – gelukkig maar, want de politie probeert
divers te zijn – met biddende agenten, of het nou gaat om een biddende agent bij Kerstmis
of bij Chanoeka. Die beelden staan volop op het internet. Dat kan de PVV toch niet
ontkennen? Wees gewoon eerlijk en geef gewoon aan dat de PVV – daar zijn ze vrij duidelijk
in – iets heeft tegen de islam en dat ze dat niet heeft ten opzichte van andere godsdiensten.
Heb het dan niet over «ze hebben niks te doen» of wat voor smoes dan ook dat de politie
de taak niet uitvoert. De PVV kan het niet hebben dat de politie ook met de moslimgemeenschap
een binding zoekt, naast alle andere gemeenschappen. Geef dat gewoon aan, wees daar
eerlijk in en wees niet hypocriet.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik ben er altijd heel duidelijk in geweest: ja, zeker, de PVV heeft iets tegen de
islam. Dat klopt. We hebben niet iets tegen moslims – dat is een ander verhaal – maar
we hebben zeker wel iets tegen de islam. Daar zijn we ook voor opgericht. Wij zullen
daar net zolang tegen strijden tot wij van de islam af zijn in Nederland.
De voorzitter:
Mevrouw Mutluer voor een interruptie.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Meer een statement, voorzitter. Ik heb ook een aantal keren wat gehoord over GroenLinks-PvdA-burgemeesters.
Ik ben eigenlijk best wel trots dat wij in dit land burgemeesters hebben die opkomen
voor de Grondwet, de rechtsstaat en alle burgers in hun gemeente, ongeacht geloof,
ongeacht afkomst, ongeacht wie ze zijn. Dat statement wil ik maken naar aanleiding
van de bijdrage van de collega naast wie ik zit, van wie ik weet dat ze niks tegen
mij heeft, hè ...
Mevrouw Faber (PVV):
Neenee.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Nee, want ik ben een uitzondering op de regel. En dat is een statement dat ik wil
maken. Dat heb ik hierbij gedaan, voorzitter.
De voorzitter:
Dat mag. Het was keurig binnen de 45 seconden, dus dat is prima. Ik ben ook een handhaver
vandaag. Dan zijn we ook bij u gekomen, mevrouw Mutluer, want mevrouw Faber was aan
het einde van haar termijn. Mevrouw Mutluer namens GroenLinks-PvdA voor haar eerste
termijn.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Eén moment, voorzitter. Ik zet eerst mijn klok aan, want ik ken mezelf.
De voorzitter:
Ja, dat zou ik zeker doen. Maar wij doen het ook, hoor, dus geen zorgen! Gaat uw gang.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. Ik wil ook mijn collega's danken voor de steun om het nieuwe boa-stelsel
apart in een commissiedebat te bespreken. Dat geeft ook iets meer ruimte om nu een
aantal andere onderwerpen op te pakken waar ik bij wil stilstaan.
In de eerste plaats is dat de veiligheid van de politie, de brandweer, de boa's en
de medische hulpverleners. Zij doen vaak een stap naar voren en houden ons land veilig.
In die wetenschap houd ik mijn hart vast voor de komende jaarwisseling, want het is
extra spannend omdat dit de laatste jaarwisseling is waarin consumentenvuurwerk is
toegestaan. En ja, ik zie ook een handhavingsplan, waarvoor dank aan de Minister.
Maar met de beperkte middelen wordt nu wel ingezet op maximale handhaving. Tegelijk
heb ik ook kritische vragen. Met een nationaal vuurwerkverbod zijn we er namelijk
nog niet. Hoe staat het met het beloofde internationale overleg om vuurwerk aan te
pakken? Daarnaast hoor ik van de Nederlandse Politiebond dat de gecoördineerde vuurwerkbestrijding
een generieke politietaak is geworden, als extra prioriteit bij het toch al zwaar
overbelaste en onderbezette politieteam. Mijn vraag aan de Minister is: waarom heeft
u daarvoor gekozen? Ik vind het namelijk onbegrijpelijk. Met de Politiebond is de
fractie van GroenLinks-PvdA van mening dat extra geïnvesteerd moet worden in het opsporen
van illegaal vuurwerk. Graag een reactie daarop.
Dan het heimelijke politiewerk.
De voorzitter:
Een momentje. Mevrouw Michon voor een interruptie.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik ben het totaal eens met het punt van mevrouw Mutluer dat er extra moet worden geïnvesteerd
in het opsporen van illegaal vuurwerk. We hebben als Kamer eerder met elkaar gezegd
dat illegaal vuurwerk ook een onderdeel is van de ondermijningsaanpak. Immers, vaak
gaan de busjes de ene kant op met het ene spul en komen ze terug met het vuurwerk.
Tegelijkertijd zien we in de financiële stukken dat er een behoorlijke onderuitputting
op die ondermijningsgelden zit. Dat bevreemdt mij dan zo. Is mevrouw Mutluer het met
mij eens dat als je weet dat er nog zo veel illegaal vuurwerk te onderscheppen is,
het vreemd is dat je met miljoenen aan geld in je zak blijft zitten op het terrein
ondermijning, terwijl dat nu juist hiervoor ingezet zou kunnen worden?
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Het verbaast me al jaren dat wij ondermijningsgelden niet effectief en optimaal inzetten.
Maar als we kijken naar ondermijnende criminaliteit, als we kijken naar wat er in
wijken gebeurt, hoe men vanuit de onderwereld de bovenwereld weet te bereiken, verrast
en verbaast het me dat we die onderuitputting hebben. Wat mij betreft wordt het geld
goed ingezet. Dat kan zijn voor opsporing. Voor mijn part gaat er nog meer geld naar
lokale opsporing, dus in die zin denk ik dat wij elkaar bij de begroting heel goed
kunnen vinden om te kijken hoe we dat geld op een andere wijze goed kunnen inzetten.
De voorzitter:
Gaat u verder, mevrouw Mutluer.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dan wil ik eigenlijk nog iets zeggen over het heimelijke politiewerk. De bevindingen
van de commissie-Schneiders over de wijze waarop de Landelijke Eenheid uitvoering
geeft aan heimelijk politiewerk trillen nog steeds na. We weten dat een aantal politieagenten
een einde aan hun leven hebben gemaakt. Daarom was ik zelf ontzettend geschrokken
van de uitkomsten van de commissie-Sorgdrager, waaruit blijkt dat kort en goed fouten
uit het verleden zich bij het nieuwe heimelijk team politiewerk dreigen te herhalen.
Bestaande expertise is niet overgedragen, er wordt in isolement gewerkt, de huidige
opleiding speelt niet in op de behoefte uit de praktijk en undercoverspecialist Sophie
Naber spreekt in de media van een strijd die begint op een fundament vol scheuren.
Ze zegt: het is vragen om instorting doordat de druk toeneemt. Ik vraag me echt af
of deze Minister hetzelfde rapport heeft gelezen als wij. De structurele problemen
worden door deze Minister namelijk afgedaan als onvermijdelijke groeipijnen, wat het
belang van goed werkgeverschap miskent. Politiespecialisten werken onder extreme fysieke
en mentale omstandigheden en moeten kunnen rekenen op uitstekende training en ondersteuning.
Het is goed als de Minister nog eens zorgvuldig toetst of zijn beleidsreactie wel
tegemoetkomt aan wat in de praktijk noodzakelijk is. Samen met de commissie-Schneiders,
de commissie-Sorgdrager en de politiebonden zou de Minister aan een plan moeten werken
waarin de evidente risico's van heimelijk politiewerk en de eisen die daaruit voortvloeien
voor de ondersteuning vanuit de werkomgeving worden uitgewerkt. We gaan niet nog één
keer het leven van onze politie-undercovers in het geding brengen door haperend werkgeverschap.
Graag een reactie.
Tot slot. Een budget van 350 miljoen euro is gewoon nodig. Wij willen van de Minister
horen hoe hij die agenten toch gaat helpen, zodat de operationele slagkracht blijft
bestaan en ook de lokale opsporing een boost krijgt.
Dank, voorzitter.
De heer Struijs (50PLUS):
Ik deel de analyse en de vragen die over de undercovers aan de Minister worden gesteld.
Ik wil voor het volledige beeld echter even opmerken dat dit huidige team – ik ben
zelf op werkbezoek geweest – enorm succesvol is geweest bij levensdelicten en bij
ernstige seksuele misdrijven. Dat zijn successen die ze niet mogen delen, omdat ze
onder de rechter zitten. Om het dus even in balans te brengen, wil ik aangeven dat
de mensen in de operatie, waarover ik het heb, momenteel tegen deze stroom van toestanden
in toch blijven presteren in dat nieuwe team. Dat vind ik wel belangrijk voor het
hele beeld.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik zeg niks ten nadele van de inzet van die politieagenten, laat ik dat vooropstellen.
Zij moeten namelijk onder zeer zware omstandigheden het werk doen. Aan de andere kant
moeten we wel leren van de fouten die in het verleden zijn gemaakt. Ik neem dat rapport
van Sorgdrager enorm serieus. Als zij zegt dat er in isolement wordt gewerkt, waardoor
kritische reflectie ontbreekt, en als zij zegt dat expertise niet overgedragen is,
waardoor continuïteit verloren gaat, dan moet je dat serieus nemen. Het kan niet zo
zijn dat we straks weer iemand kwijtraken. Ik denk dat mijn collega, oud-agent en
oud-chef van de Politiebond, dat met mij deelt.
De heer Struijs (50PLUS):
Dat deel ik wel, maar ik wil balans in de ...
De voorzitter:
Meneer Struijs, u krijgt het woord via de voorzitter. Meneer Struijs.
De heer Struijs (50PLUS):
Excuus, voorzitter. Dat is even de nieuwigheid, zullen we maar zeggen, of het enthousiasme
van 50PLUS, of beide. Ik deel een hoop met u, maar ik wil uitkijken, omdat ik ook
al eerder in deze Kamer heb gemeld dat de discussie uit balans raakt. Dit is een onmisbaar
middel, dus die kant moeten we niet opgaan. En ten tweede moeten er heel veel verbeteringen
komen. Daar sta ik helemaal achter. Ik sta ook achter uw betoog. Maar ik waak er een
beetje voor dat de discussie verderop uit balans raakt. Dat tref ik niet bij u aan,
maar ik heb toch een beetje de neiging om het nog even te zeggen.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Tot slot. Een medaille kent twee kanten, eens. Wat ik wil, is dat wij opnieuw naar
het volgende gaan kijken, ook samen met de commissie-Schneiders. We zijn namelijk
niet voor niets zo kritisch geweest op die Landelijke Eenheid. We hebben hier een
heel duidelijk commissiedebat gehad. We hebben afspraken gemaakt. Ik wil niet dat
we die fouten weer gaan herhalen. Wat mij betreft gaan we in het nieuwe jaar opnieuw
even met al die partijen zitten, om te kijken hoe we die verbeteringen wél kunnen
doorvoeren, juist voor die agenten voor wie we allemaal willen vechten en strijden.
De voorzitter:
Dat verzoek gaan we dan zien bij de procedurevergadering. Mevrouw Coenradie, namens
JA21, voor uw eerste termijn.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Voorzitter. «Ik ben bereid mijn gezondheid en mijn leven te riskeren wanneer ik zorg
draag voor de veiligheid van anderen.» Dit is een van de beloften die agenten doen
wanneer zij agent worden. Dat is geen belofte die alleen lekker bekt. Het is iets
wat diepgeworteld zit in het zijn van een agent. Als ik mijn peuter uitleg wat de
politie doet, houd ik het simpel: de politie vangt boefjes en helpt mensen. Die eenvoud
is geen naïviteit. Het is de kern van politiewerk. Maar wij hebben die kern overladen
met extra taken en verwachtingen. «Zorg dragen» is inmiddels een containerbegrip geworden.
Een agent vangt niet alleen boefjes en helpt niet alleen mensen. Hij moet omgaan met
verwarde personen, ingrijpen bij huiselijk geweld, signalen van kindermishandeling
herkennen, digitale criminaliteit begrijpen, juridisch foutloos handelen en precies
weten welk geweldsmiddel hij wanneer mag inzetten. Dit alles moet hij tegelijk doen,
terwijl hij altijd onder een vergrootglas ligt. Dat vraagt niet om een beetje training,
maar dat vraagt om topvakmanschap. Dan de realiteit: de maatschappij wordt complexer,
maar opleidingen worden korter. De risico's nemen toe, maar trainingen zijn summier.
De verantwoordelijkheid groeit, maar de voorbereiding krimpt. Dat is geen beleid,
maar dat is afschuiven. We sturen agenten situaties in waarmee zelfs ervaren professionals
moeite hebben. We noemen het vervolgens een «incident» als het misgaat.
Voorzitter. Ik wil het hebben over preventief fouilleren. Dat is geen hobby voor agenten.
De voorzitter:
Momentje, momentje, momentje. Mevrouw Van der Werf voor een interruptie.
Mevrouw Van der Werf (D66):
Complimenten voor de inleiding van collega Coenradie. Ik deel heel erg de dilemma's
die agenten op hun bord krijgen en dat het soms heel ingewikkeld kan zijn om te bepalen
wat nou je primaire verantwoordelijkheid is en wat je wel moet doen en wat niet. Tegelijkertijd
denk ik dat wij het als politiek ook wel heel erg ingewikkeld hebben gemaakt. Bij
heel veel van de problemen die u noemt – kindermishandeling, verwarde personen, noem
maar op – denk ik, hoe belangrijk ík het ook vind: is dat nou een primaire politietaak?
Of zijn het gewoon zaken die steeds meer tussen wal en schip zijn geraakt, tussen
zorg en veiligheid, waarvan zelfs op ministerieel niveau soms volstrekt onduidelijk
is wie erover gaat?
Mevrouw Coenradie (JA21):
Eens. Ik denk dat een heleboel zaken, mensen, op dit moment in de strafrechtketen
terechtkomen, van politie tot aan detentie, die helemaal niet in de strafrechtketen
terecht horen te komen, maar die eerder bij zorg horen. Dat zijn keuzes die wij vanuit
de politiek maken en waar in dit geval dan de uitvoering last van heeft.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ook ik deel deze analyse van mevrouw Coenradie. Ik denk dat wij daarom hier ook zelf
een duidelijker beeld moeten geven van wat wij vinden dat de politie moet doen. Daarom
begon ik over winkeldiefstal. Dan reageren wij met «nou ja, winkeldiefstal, hahaha:
een Snickers stelen bij de Appie», maar dat is wel waar de recherchecapaciteit van
basisteams voor driekwart aan opgaat. Je kan je afvragen waar dat toe leidt. Eerder
hebben we ook gevraagd naar publiek-private samenwerking, want ook winkeldiefstal
zou je civiel kunnen afdoen. Hoe kijkt JA21 hiertegen aan?
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik kom daar later in mijn spreektekst nog op terug, maar ik denk dat er heel duidelijk
een meerjarige strategie zou moeten zijn. Ik ben dan ook heel erg benieuwd naar de
visie van de Minister in dezen. Ik denk namelijk dat je gewoon in zijn geheel moet
kijken waar de politie wel van is en waar de politie niet van is, en dat we daarin
vanuit de politiek op een gegeven moment duidelijke keuzes moeten maken. In de afgelopen
jaren zien we dat de politie overal van is. Dat zijn ook de signalen die ik hoor tijdens
werkbezoeken. De politie geeft aan om werkelijk waar overal van te moeten zijn, maar
ook om overal een specialist in te moeten zijn. Dat gaat niet, en zeker niet met steeds
minder capaciteit.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Het kost me een interruptie, maar dit is geen antwoord op mijn vraag. Ik vroeg hoe
u er zelf naar kijkt. Wat is de opvatting van JA21 over de politietaken? Ik noem zelf
winkeldiefstal; misschien heeft u andere dingen. Wat kan volgens u en uw partij wel
een onsje minder? Anders zeggen we «we hebben allemaal dezelfde analyse en we wachten
op de visie», maar dat doen we eerlijk gezegd al jaren. Daarom hoop ik dat wij hier
de Minister kunnen helpen als wij met elkaar al onze ideeën op tafel leggen.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ja, wij hebben daar zeker ideeën over. Sterker nog, we hebben daar een behoorlijk
uitgebreid hoofdstuk aan gewijd in ons verkiezingsprogramma. Een van de zaken die
wij aangeven is: alles wat bij zorg hoort of in de ggz hoort, moet daar terechtkomen.
Als wij te maken hebben met een enorme groep mensen met verward gedrag en de politie
is elke keer degene die die mensen oppakt, in een cel zet en ze de volgende dag weer
vrij moet laten, en dat riedeltje herhaalt zich dan telkens, dan vind ik niet dat
de politie met de juiste zaken bezig is.
Tegelijkertijd moet de politie wel handhaven en staan voor de veiligheid. Ik vind
dat wij dan heel erg goed naar de zorg moeten kijken en die samenwerking – ik weet
van de zogeheten zorgveiligheid en de werkagenda – mag nu wel een keer meer handen
en voeten krijgen. Dat is nu nog puur papier; ik heb daar nog te weinig uitvoering
van gezien. Er moeten dus concretere afspraken komen tussen de ministeries VWS en
JenV over aan wie welke zaken worden toebedeeld. Dat betekent dat mensen in de zorg
ook daadwerkelijk in de zorg terechtkomen en niet in de strafrechtketen. Dat scheelt
een hoop capaciteit.
Mevrouw Faber (PVV):
Mevrouw Coenradie pleit ervoor dat deze mensen naar de zorg moeten, maar dan moet
er ook meer geld naar de zorg toe. Dan is mijn vraag aan mevrouw Coenradie, via de
voorzitter: wil JA21 ook meer geld naar de zorg hebben? Dat lijkt me dan nog een zware
dobber met de komende coalitie in wording, want die zitten heel anders in de wedstrijd
qua zorg.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik moet bij dit soort vragen altijd een beetje denken aan wat volgens mij een uitspraak
was van Hans Teeuwen, «lalala geld», alsof geld altijd de oplossing zou zijn voor
problemen die we hebben. Ik denk dat geld niet altijd de oplossing is. Ik denk dat
we vooral moeten kijken naar wat er gebeurt en hoe efficiënt er wordt gewerkt. Dat
geldt voor alle zorgpartijen. Dat geldt ook voor de politie. Op het moment dat er
geld nodig is en bij moet, dan is het altijd goed om daar het gesprek over te hebben,
maar laten we ook eens eerst kijken – dat geldt voor elke organisatie, voor elke onderneming
en wat mij betreft ook voor elke instantie – of iedereen efficiënt werkt en of zaken
efficiënter kunnen, in plaats van dat er direct geld naartoe gaat.
Mevrouw Faber (PVV):
Volgens mij is die uitgeklede zorg juist een gevolg, want daar is behoorlijk gekort
in de financiën. Er zijn allerlei tehuizen en zo gesloten. Geld heeft dus zeker wel
invloed. Ik ben het wel met mevrouw Coenradie eens dat je niet alles kunt oplossen
met geld, maar we zitten nu wel met die enorme bezuinigingen. Daarom lopen al die
verwarde personen op straat.
Mevrouw Coenradie (JA21):
We hebben binnenkort volgens mij ook wat begrotingen. Zoals mevrouw Faber weet, zij
wij op dit moment geen onderdeel van de formatie. We gaan allemaal zien hoe zaken
onderverdeeld gaan worden. We gaan ook tijdens de begrotingen ons verhaal doen. We
gaan ook zien waar de formerende partijen uiteindelijk mee gaan komen.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog, mevrouw Coenradie.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Voorzitter. Ik wil het hebben over preventief fouilleren. Dat is geen hobby voor agenten,
maar vaak een noodzakelijk instrument. Als dit middel vaker wordt ingezet, zegt dit
niet alleen iets over de politie, maar vooral over de straat. Wie veiligheid wil zonder
middelen, kiest voor schijnveiligheid en een tandeloze overheid waar kwaadwillenden
overheen walsen. Ik heb daarom de volgende vragen aan de Minister. Durft u ondubbelzinnig
te zeggen dat agenten die preventief fouilleren altijd rugdekking krijgen? Staat de
Minister net als JA21 achter burgemeesters, die steeds vaker naar noodmaatregelen
grijpen om de openbare orde te handhaven? En hoe kunnen wij hen extra ondersteunen?
Het aantal jongeren dat met een vuurwapen wordt betrapt, stijgt sterk: van 178 in
2021 naar 310 dit jaar. In hoeverre wordt er nu gericht gefouilleerd en gehandhaafd
op risicogroepen, bijvoorbeeld in bepaalde gemeenten, wijken en leeftijdsgroepen of
op basis van gedrag, kleding of ander bezit? Als dit nog niet gebeurt, kan de Minister
dan onderzoeken hoe dit wel mogelijk gemaakt kan worden binnen de wettelijke kaders?
Is hij het met mij eens dat het wantrouwen uitstraalt als agenten preventief fouilleren
met waarnemers naast zich? Wanneer stoppen we met deze gekkigheid?
Dan nog over de selectiepaal, waar mijn collega ook al iets over heeft gezegd. Er
ligt een heldere motie van de VVD, BBB en JA21, die met een ruime meerderheid is aangenomen.
Maar ik lees in de afdoening eigenlijk dat er een gesprekje is geweest en dat er verder
niks is gebeurd. Dus een glas, een plas, u weet wel. Daarom is mijn vraag of de selectiepalen
nou nog worden ingezet.
In het jaarverslag van de politie lees ik nauwelijks iets over concrete targets die
de top zichzelf oplegt. Op welke stuurbare wijze controleert u de politietop op vooraf
vastgestelde doelstellingen? In hoeverre stuurt de Minister deze bij? Ik ben voorstander
van meetbare doelen voor de politietop. Dat is gezond in elke normale organisatie.
Ik ga richting het einde. De politie is geen ggz-instelling. Alles wat de samenleving
niet kán oplossen en de politiek niet wíl oplossen, schuiven we door naar de politie.
Dat is geen waardering; dat is uitputting. Het is positief dat het kabinet werkt aan
een tussenvariant tussen ggz en tbs. Maar welke middelen, als in geld, mensen en capaciteit,
zijn er nodig om dit structureel te maken? Zijn die er al en kan dit op korte termijn?
Want dit is ook in het belang van de politie. Wat ontbreekt, is visie. Wat verwachten
we wél van de politie en wat niet meer? Wanneer komt er een meerjarige strategie die
politiecapaciteit beschermt in plaats van uitput? Onze politiemensen vragen geen applaus.
Ze vragen duidelijkheid, training en rugdekking, en vooral dat we stoppen met doen
alsof alles kan met steeds minder mensen.
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we over naar mevrouw Van der Werf voor haar eerste termijn namens
D66.
Mevrouw Van der Werf (D66):
Dank u wel, voorzitter. Als ik de balans opmaak van een aantal problemen die op dit
moment spelen in de maatschappij, valt mij één structureel patroon op. Het blijkt
heel ingewikkeld om een aantal grote thema's op te pakken, terwijl de excessen en
de verontwaardiging in de samenleving groot zijn. Ik noem een paar voorbeelden: de
aanpak van femicide en huiselijk geweld, de samenwerking met de jeugdzorg als het
gaat om kindermishandeling, en de aanpak voor overlast door verwarde personen. Wat
valt er op bij deze dossiers? Dit zijn zaken waar de politie niet alleen nauw bij
betrokken is, maar ook regelmatig op vastloopt. Het zijn precies die dossiers waarbij
samenwerking cruciaal en noodzakelijk is. Juist op momenten waarop veiligheid en zorg
elkaar tegenkomen en zouden kunnen versterken, zie je dat bureaucratie en gebrek aan
eigenaarschap elkaar verzwakken. Ik heb hier een heel betoog over gehouden bij de
begrotingsbehandeling van JenV vorig jaar en heb hier ook een aantal moties over ingediend.
Ik kom even terug op de interessante discussie van net: moeten we fietsendiefstal
en auto-inbraak nou echt belangrijker maken dan ingrijpen bij huiselijk geweld? Als
je dat meer zou willen kunnen doen, moet de politie dan ook niet makkelijker achter
de voordeur kunnen kijken? Moet de politie dan niet meer informatie tot zich kunnen
nemen van andere instanties? Ik ben heel benieuwd hoe het staat met de uitvoering
van een aantal van deze aangenomen moties. Graag een reflectie daarop van de Minister.
Voorzitter. Tegelijkertijd heeft de politie een forse financiële claim neergelegd;
mevrouw Michon zei daar net al wat over. Ik deel zeer dat het niet zomaar terecht
moet komen bij de operationele slagkracht. Ik begrijp goed dat de druk groot is, maar
voor ons is de vraag wel: waar moet dat geld terechtkomen? Welk deel van dat bedrag
wordt daadwerkelijk ingezet voor voldoende mensen bij de recherche en voor een vast
gezicht in de wijk? Ik wil ervoor waken dat geld automatisch gaat naar extra fte's
en meer blauw op kantoor.
Voorzitter. Uit het eindrapport van de Commissie Monitoring Waarborgen Heimelijk Werk
blijkt dat het nieuwe undercoverteam van de politie zichzelf een te ambitieuze deadline
heeft opgelegd voor hun hervorming. Een aantal collega's begonnen daar al over. Dat
is pijnlijk, omdat die juist is ingezet na een aantal ernstige misstanden waarbij
mensen aan hun lot zijn overgelaten met grote persoonlijke en professionele gevolgen.
Juist dan zou je mogen verwachten dat zorgvuldigheid vooropstaat. Als medewerkers
onvoldoende zijn voorbereid en basale randvoorwaarden niet kloppen, dan gaat het niet
goed. De commissie waarschuwt dus ook terecht dat dit undercoverteam te ver van de
rest van de organisatie af komt te staan en dat precies die oude patronen terugkomen
waar we nu juist zo voor wilden waken. Daarom vraag ik: welke concrete maatregelen
neemt de Minister om te voorkomen dat we deze mensen opnieuw in een isolement laten
belanden?
Tot slot, voorzitter. De jaarwisseling komt steeds dichterbij. Elk jaar hebben we
weer opnieuw dezelfde discussie. Of moet ik inmiddels zeggen «hadden»? Ik ben blij
dat er eindelijk een landelijk vuurwerkverbod komt. Dit is een belangrijke stap richting
een jaarwisseling die voor iedereen feestelijk kan zijn. Maar ik kan me ook heel goed
voorstellen dat het voor de agenten die dit jaar die nachtdienst draaien ook beangstigend
is: de gedachte dat mensen misschien nog één laatste keer helemaal los willen gaan.
Daarom heb ik een vraag aan de Minister. Hoe is hij van plan om de politie en hulpverleners
deze jaarwisseling voldoende te beschermen? Een specifieke vraag: wat is er terechtgekomen
van mijn motie die ik begin dit jaar heb ingediend bij dit debat, over het aanbieden
van voldoende gehoorbescherming en veiligheidshelmen voor iedereen? Daarmee bedoel
ik dus niet een paar per bureau die binnen de dienst moeten worden geruild wanneer
die beschikbaar zijn. Ik wil ook een oproep doen aan de politiek: laten we niet blijven
hangen in uitstel, uitzonderingen en een halfslachtige invoering. Mensen verwachten
duidelijkheid, niet een halve zet vooruit. Hulpverleners verwachten bescherming. Ik
hoop dan ook dat dit besluit zo snel mogelijk en goed wordt uitgevoerd.
Dank u wel.
De voorzitter:
Okido. Geen interrupties, zie ik. Dan gaan we over naar Diederik van Dijk namens de
SGP-fractie.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u, voorzitter. Een sterke rechtsstaat staat of valt met een politie die gezag
uitstraalt, professioneel optreedt en zichtbaar het vertrouwen van burgers verdient.
Dat vraagt om vakbekwame mensen, duidelijke kaders en bestuurders die keuzes durven
maken. De SGP maakt zich zorgen over ontwikkelingen die dit gezag onder druk zetten:
beleid dat kwaliteit ondergeschikt dreigt te maken aan ideologische doelstellingen.
Beleid waarbij afkomst, identiteit of achtergrond zwaarder lijkt te wegen dan geschiktheid
en motivatie, is wat de SGP betreft volstrekt onwenselijk. Geen misverstand: iedereen
die bij de politie wil werken, moet zich daartoe welkom voelen. Maar het is ook goed
om te beklemtonen: als je bij de politie komt te werken, ben je allereerst een uithangbord
van de overheid en niet van jouzelf of van je particuliere opvattingen.
Wij ontvangen diverse signalen uit het veld en ook van scholen als het Hoornbeeck
College waaruit blijkt dat kwalitatief sterke, gemotiveerde jongeren met dit beleid
minder kans maken bij de politie vanwege selectiecriteria die vooral gericht zijn
op diversiteitsdoelen. Het recente WODC-onderzoek naar diversiteit en inclusie laat
echter juist zien dat er weinig hard bewijs is dat quota, streefcijfers of identiteitsgerichte
interventies daadwerkelijk bijdragen aan betere prestaties, hogere legitimiteit of
meer veiligheid op straat. Wat wel werkt, zo blijkt, is investeren in vakmanschap,
leidinggevenden die sturen op kwaliteit, en een professionele cultuur waarin iedereen
gelijk wordt behandeld. Hoe voorkomt de Minister dat selectie aan de poort leidt tot
uitsluiting van capabele kandidaten in plaats van versterking van de politie?
Voorzitter. De SGP onderschrijft het belang van het demonstratierecht, maar dat recht
is nadrukkelijk niet onbegrensd. Juist bij oorlogsherdenkingen moeten rust, waardigheid
en veiligheid leidend zijn. Het is dan ook zeer zorgelijk dat demonstraties steeds
vaker doelbewust worden ingezet om te provoceren en te ontwrichten. Dat raakt direct
aan bijvoorbeeld de veiligheid op Joodse bijeenkomsten en bij Joodse instellingen,
zoals afgelopen weekend pijnlijk zichtbaar werd toen een demonstratie tijdens het
chanoekaconcert in het Concertgebouw volledig uit de hand liep. Kan de Minister ondubbelzinnig
bevestigen dat bij oorlogsherdenkingen en religieuze bijeenkomsten de bescherming
van personen en instellingen prevaleert en dat demonstraties die deze veiligheid aantoonbaar
onder druk zetten, niet worden gefaciliteerd, maar worden beperkt of verboden?
Voorzitter. Naast veiligheid rondom de jaarwisseling, waar ik nu omwille van de tijd
niet over uitweid, staat de politie in 2026 voor nog een forse uitdaging: de politiebegroting
2026. Collega's maakten er ook al opmerkingen over. Na maatregelen die de politie
zelf heeft getroffen, blijft er een tekort op de begroting van 86 miljoen in 2026,
een tekort dat de komende jaren verder oploopt. Dat tekort dreigt ook de kern van
de politie te raken: zichtbaarheid op straat, slagkracht bij opsporing en de zorg
voor onze politiemensen.
Politie die niet toereikend gefinancierd is, verliest personeel, deskundigheid en
uiteindelijk gezag. Het tekort moet worden gedicht zonder dat dit ten koste gaat van
de operationele capaciteit en van de veiligheid in wijken en dorpen! Wat gaat de Minister
doen om te voorkomen dat door de begrotingstekorten de zichtbaarheid en de inzet van
agenten op straat daadwerkelijk afnemen? En hoe voorkomt hij dat deze tekorten leiden
tot verdere uitholling van basistaken? Collega's, die het op een veel betere manier
deden en kunnen dan ik, maakten ook opmerkingen over de managementstructuur. Kortgezegd,
is er een waterhoofd gegroeid bij de politie? Hoe kijkt de Minister wat dat betreft
aan tegen de politietop?
Voorzitter. Een concrete opmerking over de boa's, want over het stelsel gaan we het
later hebben. De huidige juridische onzekerheid rond de strafrechtelijke bevoegdheid
van groene boa's onder de Omgevingswet is onhoudbaar. Waar eerder op grond van artikel
17 van de Wet op de economische delicten boa's expliciet bevoegd zijn verklaard voor
de handhaving van de omgevingswetfeiten, ontbreekt deze grondslag na de inwerkingtreding
van de Omgevingswet. Hierdoor dreigt de onwenselijke situatie te ontstaan dat groene
boa's onbevoegd optreden. Dat leidt tot grote onzekerheid en tot rechtmatigheidskwesties,
met name op het gebied van de toekenning van geweldsmiddelen. Is de Minister bereid
deze omissie tegen het licht te houden en het strafrechtelijke aanwijzingsbesluit
opnieuw vast te stellen met terugwerkende kracht tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet,
zodat handhavers duidelijkheid en een bevoegdheid krijgen?
Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u. Ik heb u in het licht van de kerstgedachte een klein beetje respijt gegeven
op uw spreektijd.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank.
De voorzitter:
Ik zie dat er geen interrupties zijn en daarom geef ik nu mevrouw Straatman het woord
namens de CDA-fractie.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank u wel, voorzitter. De veiligheidsopgave in Nederland is groot. De samenleving
en ook de criminaliteit verharden. Bovendien vragen wij steeds meer van de politie,
ook op terreinen die niet primair tot de taken van de politie behoren. Dat alles zet
de capaciteiten van de organisatie onder druk en het vraagt steeds meer van onze politiemensen.
Onze politie en boa's werken dag en nacht voor onze veiligheid. Zij verdienen ons
respect, maar niet alleen dat: de politie verdient ook duidelijke kaders, voldoende
middelen en politieke rugdekking.
Voorzitter. Ik focus vandaag op drie hoofdthema's: de politie-inzet bij demonstraties,
de bewapening van de ME en het handhavingsplan voor de jaarwisseling.
Allereerst de demonstraties. Demonstreren is een groot goed, maar het mag nooit een
vrijbrief zijn voor geweld, intimidatie of doelbewuste ontwrichting. Gelukkig verlopen
de meeste demonstraties vreedzaam, maar een kleine goed georganiseerde groep zoekt
bewust de grenzen op. Dat zet het draagvlak voor het demonstratierecht en de veiligheid
van politiemensen onder druk. Daarom de volgende vragen aan de Minister: wanneer komen
de nationale basisafspraken voor politieoptreden bij demonstraties beschikbaar? Hoe
wordt de Kamer hierbij betrokken? Hoe worden gemeenten ondersteund bij het verhalen
van schade op relschoppers? In hoeverre wordt civielrechtelijke aansprakelijkheid
benut en ziet de Minister mogelijkheden dit te verbreden?
Ten derde. De Minister geeft aan de landelijke uitrol van de Rotterdamse pilot bij
de demonstratie op de A12, waarbij meer is ingezet op geïntensiveerde handhaving,
te onderzoeken. Dat vindt het CDA positief. Het is belangrijk om een norm te stellen,
juist om draagvlak voor het demonstratierecht te behouden. Maar uit het WODC-rapport
van vorige week bleek dat het OM veelal niet overgaat tot vervolging na de aanhouding
van demonstranten, terwijl daar wel juridische ruimte toe is. Hoe ziet de Minister
dit? Hoe zorgt hij dat geïntensiveerde handhaving bij demonstraties door de politie
ook verder in de keten wordt opgepakt?
Voorzitter. Ik wil hetzelfde urgente signaal over de bevoegdheden van groene boa's
afgeven, maar ik denk dat mijn collega van de SGP dat heel mooi verwoord heeft. Graag
vraag ik ook om een reactie van de Minister, zodat we zo snel mogelijk een einde maken
aan deze onzekere situatie voor honderden groene boa's.
De ME staat in de frontlinie bij de zwaarste openbareorde-incidenten. De extreem gewelddadige
rellen in Den Haag lieten opnieuw zien onder welke druk onze medewerkers moeten opereren.
Agenten worden geconfronteerd met grof geweld en doelbewuste aanvallen. Het CDA steunt
daarom de pilots met meer pepperspray en traanverwekkende middelen in de waterwerper,
omdat agenten veilig en effectief moeten kunnen optreden. Mijn vragen aan de Minister
hierover: hoe wordt tijdens de pilots beoordeeld of de middelen effectief, proportioneel
en veilig zijn? Hoe is geborgd dat training, nazorg en richtlijnen volledig op orde
zijn voor de structurele invoering? Wanneer start de Minister met de verkenningen
naar luchtdrukwapens en markeerstoffen in de waterwerper en hoe wordt een zorgvuldige
veiligheidsafweging gegarandeerd?
Voorzitter. Tot slot het landelijke vuurwerkverbod. We staan voor een grote omslag.
Het handhavingsplan is zorgvuldig, maar de uitvoering wordt zwaar, vooral in kleinere
gemeenten en grensregio's, waar illegale handel hardnekkig is. Ik denk dan bijvoorbeeld
aan de actualiteit in Baarle-Nassau, die dat bijna wekelijks laat zien. Vandaar mijn
vragen: hoe wordt de capaciteit voor deze regio's geborgd? Welke monitoring komt er
om vast te stellen of het verbod leidt tot minder incidenten, minder letsel en minder
illegale handel? De Minister geeft in de brief aan toe te werken naar afspraken met
Duitsland en België over de invoering van het vuurwerkverbod. Hoe staat het met deze
afspraken?
Voorzitter, tot slot. De feestdagen staan weer voor de boeg, een tijd voor rust, bezinning
en familie, maar niet voor politie en hulpdiensten. Via deze weg wil ik alvast mijn
grote bewondering uitspreken voor het harde werk van alle politiemensen en hulpverleners,
die het mogelijk maken dat wij op een veilige manier het jaar 2026 kunnen inluiden.
Dank u wel.
De voorzitter:
U bedankt. Ik zie geen interrupties en dan gaan we tot slot naar de heer El Abassi
van de fractie van DENK voor zijn eerste termijn.
De heer El Abassi (DENK):
Voorzitter, dank. Van de zomer ontving deze Kamer het WODC-rapport over diversiteit
en inclusie bij de politie, Samen sterker. De kernboodschap van dat rapport is helder.
Het gezag en het vertrouwen in de politie zijn afhankelijk van herkenbaarheid, representatie
en consistente normstelling vanuit de politiek. Precies daarom is de recente discussie
over Halal Village zo belangrijk.
Ik was daar ook aanwezig en zoals iedere editie was het een plek voor ontmoeting,
samenkomen en verbinding. Ook de politie was daar aanwezig, overigens niet voor de
eerste keer. De politie was daar niet om politiek te bedrijven, maar om te werven
en om zichtbaar te zijn voor mensen die zich vaak niet vanzelfsprekend gezien voelen
door de overheid. Dat is precies wat het WODC-rapport beschrijft als noodzakelijk:
een politie die midden in de samenleving staat en die werkt aan vertrouwen. En toch
ontstond er verontwaardiging, niet over het handelen van agenten, maar over symboliek,
over framing. Ineens werd de neutraliteit van de politie ter discussie gesteld. Mijn
vraag aan de Minister is: deelt de Minister de mening dat de politie op zulk soort
events moet kunnen staan?
Voorzitter. Het voorgenomen verbod op religieuze uitingen voor boa's. De Raad van
State stelt helder dat dit verbod in strijd is met de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging,
wat mij heel logisch lijkt, en ook met hoe we het hebben vastgelegd in onze Grondwet.
Ook het College voor de Rechten van de Mens waarschuwt dat zo'n verbod stigmatiserend
is en totaal niet bijdraagt aan onpartijdigheid. En toch kiest de Minister ervoor
om dit door te zetten en om de wet aan te passen, zodat dit verbod alsnog kan worden
ingevoerd.
De voorzitter:
Momentje, meneer El Abassi. Mevrouw Michon zat aan drie interrupties, maar één interruptie
was maar drie seconden. Als ik mevrouw Michon nu nog een interruptie toesta, moet
ik dat bij iedereen doen. Ik kijk daarom even ... Ik zie jullie reactie en ik sta
het toe, maar dan moeten jullie niet zo meteen allemaal om een extra interruptie vragen.
Mevrouw Michon, snel!
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Dank voor de coulance, voorzitter. Ik ken de opvatting van de heer El Abassi en zijn
partij over de hoofddoek bij handhavers. Die opvatting mag hij hebben, maar hij moet
hier wel even de feiten goed noemen. De Raad van State heeft namelijk gesteld dat
je zo'n verbod in een wet moet regelen en niet in lagere regelgeving. Dat is de reden
dat de Minister heeft aangegeven dat hij dat gaat doen, omdat je dit op een hoger
niveau in de wet moet regelen. Dus wat hij zegt, is niet het geval en wat al te feitenvrij.
Het is niet zo, zoals hij wel zegt, dat de Raad van State heeft gezegd dat je dit
nooit zou mogen doen. Het kan dus wel, maar het moet bij wet. Dat gaat nu gebeuren
en daar gaan we het dan in de Kamer over hebben. En ik kan me zo voorstellen wat de
heer El Abassi daarvan vindt en dat onze opvattingen daarover diametraal tegenover
elkaar zullen staan.
De heer El Abassi (DENK):
Ik wil hierop reageren door in ieder geval mee te geven dat de Raad van State een
uitspraak heeft gedaan over de AMvB. De Raad van State vond het in strijd met de vrijheid
van godsdienst en levensovertuiging. Nogmaals, ik vind dat logisch klinken. De Raad
van State vond het in strijd met de vrijheid van godsdienst, maar niet alleen de Raad
van State, want ook het College voor de Rechten van de Mens waarschuwt dat zo'n verbod
stigmatiserend werkt. En inderdaad: DENK is van mening dat het in strijd is met de
vrijheid van meningsuiting.
De Raad van State heeft nog geen uitspraak gedaan over de wet, maar mevrouw Michon-Derkzen
doet wel alsof de wet, die er mogelijk gaat komen, niet in strijd zal zijn met de
vrijheid van godsdienst. Wij denken dat dat wel het geval zal zijn. En vandaar dat
ik deze vraag aan de Minister stel.
Ik ga verder met mijn betoog, voorzitter. Zoals ik al zei, waarschuwt ook het College
voor de Rechten van de Mens dat zo'n verbod stigmatiserend is en niet bijdraagt aan
onpartijdigheid. Waarom legt de Minister zulke zware adviezen naast zich neer en waarom
hebben wij onafhankelijke adviesorganen als hun waarschuwingen over grondrechten niet
serieus worden genomen?
Voorzitter. Laten we eerlijk zijn: een hoofddoekverbod heeft niks te maken met neutraliteit.
Het heeft te maken met afspraken die gemaakt zijn in een PVV-kabinet. Mevrouw Faber
was daar eerlijk over, want zij zei heel eerlijk: we zijn tegen de islam en we zullen
niet stoppen voordat de islam is uitgeroeid. Ik hoor mevrouw Faber protesteren en
zeggen: of de islam verdwenen is. Ik gebruik misschien net iets andere woorden, maar:
corrigeer me vooral. Laat ik benoemd hebben dat ik niks heb tegen PVV'ers. Ik heb
iets tegen de PVV. Ik vind de PVV gevaarlijk. Ik vind de PVV eng. Ik vind het een
dictatoriale organisatie en iedereen die dat gedachtegoed aanhangt, is in mijn ogen
levens-, levensgevaarlijk. En dat zijn vaak PVV'ers.
Voorzitter. Ook staat het haaks op het WODC-rapport. Dat rapport waarschuwt namelijk
expliciet voor wisselende en tegenstrijdige signalen vanuit de politiek. Je kunt niet
aan de ene kant zeggen dat representatie belangrijk is en aan de andere kant mensen
uitsluiten vanwege wie zij zijn. Neutraliteit zit niet in het uitwissen of uitroeien
van een identiteit. Neutraliteit zit in professioneel handelen, rechtsstatelijk optreden
en gelijke behandeling. Ik wil een overheid die staat in de samenleving, die verbindt
in plaats van polariseert en die grondrechten niet relativeert wanneer dat de politiek
goed uitkomt.
Voorzitter, dat is het wat mij betreft. Dank u wel.
De voorzitter:
Dan heb ik goed ingeschat dat u bijna klaar was toen u de PVV adresseerde. U deed
dat dermate dat ik mevrouw Faber ga toestaan om te interrumperen. Daarna kunt u ook
gewoon antwoord geven.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik wil toch wel even een punt van orde maken. Meneer El Abassi zegt: ik vind de PVV
levensgevaarlijk. Ik weet niet of meneer El Abassi het in de gaten heeft – ik denk
het wel, want meneer El Abassi is niet dom – maar dit is een vorm van demonisering.
Door dit soort leuzen te roepen, zit mijn partijleider al twintig jaar in de beveiliging.
Ik vind dit onkies. Ik vind het niet kunnen. Natuurlijk hebben we de vrijheid van
meningsuiting, maar ik vind dit wel heel ver gaan.
De voorzitter:
Ik geef de heer El Abassi allereerst de kans om te reageren.
De heer El Abassi (DENK):
Allereerst heb ik gezegd dat ik de PVV levensgevaarlijk vind en niet de PVV'ers. Ik
heb wel gezegd: iedereen die dat gedachtegoed draagt, vind ik ook levensgevaarlijk.
Dat zijn inderdaad vaak PVV'ers. Wat de PVV zegt te vinden van de islam vind ik eigenlijk
precies van de PVV.
Dan over de partijleider. Ik vind het verschrikkelijk, afschuwelijk dat hij beveiligd
moet worden. Ik zou ’m terug willen leggen. Mijn vrouw is bespuugd en van een fiets
afgegooid omdat ze een hoofddoek draagt. Dat heeft allemaal te maken met uitspraken
die de PVV doet. Dat is ook waarom ik de PVV levensgevaarlijk vind. Ik hoop dat ik
door kan gaan totdat de PVV niet meer bestaat, om bij de woorden van mevrouw Faber
te blijven.
De voorzitter:
Collega's, al luisterend naar u beiden zit ik te bedenken wat ik erover ga zeggen.
Ik kan me aan de ene kant goed voorstellen dat mevrouw Faber er wat aanstoot aan neemt.
Een partij «levensgevaarlijk» noemen, heeft wel implicaties; ik denk dat dat evident
is. Kunnen we het afdoen op deze manier? Ik zit even te worstelen. Het gaat er soms
scherp aan toe. Als voorzitter wil ik dat toestaan. Ik neem in acht wat mevrouw Faber
zegt. Dit soort woorden helpt in het algemeen niet bij het veilig houden van ons als
volksvertegenwoordigers. Ik kijk nog één keer naar mevrouw Faber, die mij indringend
aankijkt.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik begrijp dat u daarmee worstelt, voorzitter. Ik denk dat er wel meer mensen mee
worstelen. We krijgen regelmatig dit soort leuzen naar ons hoofd. Nogmaals, ik vind
dat iedereen zijn eigen mening mag hebben. Maar je moet niet op gaan roepen tot verkeerd
handelen. Ik vind dit wel iets waar je mensen verkeerd mee laat handelen. Het klopt
dat wij niet warm worden van de islam, maar ik zal nooit zeggen: ik vind alle moslims
levensgevaarlijk. Dat zeggen wij helemaal niet. Zo generaliserend zijn wij niet, maar
dat wordt wel gezegd. Maar ik begrijp uw situatie, voorzitter, dus wat mij betreft
is de kous af na wat ik gezegd heb.
De voorzitter:
Dat waardeer ik. Het is goed dat we hier aan beide kanten opletten. Mag ik dat zo
afdoen? Ik begrijp dat het voor u beiden ... Het gaat ergens over; dat moge duidelijk
zijn.
We zijn aan het einde gekomen van de eerste termijn. Volgens mij heeft iedereen zijn
zegje kunnen doen. Ik kijk even hoelang we zullen schorsen. Een halfuur? Nee, 25 minuten,
tot 11.25 uur. Ik schors de vergadering. Om 11.25 uur gaan we verder.
De vergadering wordt van 11.01 uur tot 11.28 uur geschorst.
De voorzitter:
Dames en heren, gelet op de tijd gaan we weer beginnen. Ik heropen deze vergadering
van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid. We zijn nog steeds bij het commissiedebat
Politie. De Minister gaat zo beginnen aan de eerste termijn van de zijde van het kabinet.
Heeft u voor ons misschien de indeling van uw beantwoording, Minister? Ook al heeft
u een prachtige inleiding: ik zou u willen vragen om die, gelet op de tijd, misschien
maar te laten zitten. Welke blokjes heeft u voor ons?
Minister Van Oosten:
Ik ga het zo kort mogelijk houden, voorzitter. Ik probeer zo goed mogelijk naar u
te luisteren. Ik heb vijf blokjes, los van een hele summiere inleiding. Het eerste
blokje is taakuitvoering, waaronder bewapening en winkeldiefstal. Blokje twee: demonstraties.
Blokje drie: politieorganisatie. Blokje vier: jaarwisseling. We hebben gepoogd om
blokje vijf anders te noemen, maar dat is geworden: andere belangrijke zaken.
De voorzitter:
Helder. Dan gaan we dat zo doen. Ik stel drie vragen aan de bewindspersoon voor. Daarvoor
geldt ook weer: 45 seconden. Ik zal opnieuw timen, want dat ging goed. Laten we proberen
om het kort te houden, want dan lukt het misschien nog om een korte tweede termijn
te doen. Het zou jammer zijn als die afvalt. Minister, een summiere inleiding.
Minister Van Oosten:
Voorzitter. Ook ik wil, in navolging van u allemaal, waardering uitspreken voor de
ongekende gedrevenheid waarmee de politievrouwen en -mannen in onze samenleving elke
dag vooropstaan. Net als u heb ik diverse malen overal in het land bezoeken gebracht.
Je hebt zo ongeveer elke week wel een ontmoeting. Dat raakt elke keer weer. Dat emotioneert
soms ook heel heftig, zeg ik even. Daar kom ik misschien dadelijk nog even op terug
als het de ME specifiek betreft, naar aanleiding van rellen die we hebben meegemaakt.
Ik wil die waardering toch langs deze weg hebben uitgesproken.
Ik wil ook zeggen – daarna ga ik naar de beantwoording van de vragen toe, voorzitter
– dat ik waardering heb voor de inzet van alle gezagen, zoals we dat noemen. Ik spreek
met de regioburgemeesters, maar daaronder vallen allerlei andere gemeenteburgemeesters,
de lokale basisteams et cetera, die met een enorme inspanning aan de slag zijn om
onze straten, buurten en wijken veilig te houden. Het is ook waar dat je juist in
dat gezelschap met burgemeesters soms een stevig fundamenteel gesprek hebt te voeren
over waar de politie naartoe groeit, hoe we dat met elkaar betalen, hoe dat zich verhoudt
tot keuzes die lokaal moeten worden gemaakt. Dat palet aan vragen zie ik hier ook
terugkomen in dit commissiedebat. Daarbij hebben we natuurlijk ook heel erg strak
oog voor de financiële kant van het verhaal, want die staat onder druk; dat is onderdeel
van het eerlijke verhaal. We hebben voor komend jaar stevige maatregelen kunnen treffen,
die maken dat we een heleboel weten te ontzien. Met de burgemeesters zijn we bezig
om het voor de jaren daarna netjes uit te rollen in een meerjarenopgave. Daar kom
ik dadelijk nog even op terug.
Voorzitter. Ik begin met het eerste blokje: de taakuitvoering politie en boa, zoals
we het maar even hebben genoemd. Ik begin met een korte duiding – dat is de werkmethode
die mij nu handig lijkt; als het anders moet, hoor ik dat wel van u – van het Kamerlid
en de vraag, en daarna geef ik het antwoord.
Mevrouw Michon-Derkzen en mevrouw Straatman vroegen naar de ME-bewapening; ik benoemde
dat al even in mijn inleiding. Zij vroegen hoe het zit met de pilots geweldsmiddelen
en wat de planning daarvan is. De politie en het Ministerie van Justitie en Veiligheid
hebben hard gewerkt om zo snel mogelijk te kunnen starten met de pilots, met succes.
Vanaf 19 december, dus zeer binnenkort, is de politie operationeel klaar voor het
gebruik van grote bussen pepperspray. Ook kan een traanverwekkende stof worden toegevoegd
aan de waterwerper. Op 25 december – ik ben even precies, want u vraagt ernaar – start
de pilotperiode, zodat het ook met de jaarwisseling kan worden ingezet. Het is wel
een keuze om geweldsmiddelen in te zetten ter bevordering van de handhaving van de
openbare orde. Die keuze is natuurlijk uiteindelijk aan het lokale gezag. Ik vind
het belangrijk dat die pilots op tijd starten en dat wij de rugzak aanbieden om mee
te kunnen doen met de pilots. Omdat de prioriteit lag bij het zo spoedig mogelijk
kunnen starten met de genoemde pilots, wordt in het nieuwe jaar gestart met de andere
verkenningen en pilots die zijn aangekondigd. Ik zal bij de politie navragen of dat
kan vanaf het eerste kwartaal van ’26. Dat ziet op de verkenning van het toevoegen
van kleurstoffen aan de waterwerper, de marktverkenning met betrekking tot het gebruik
van luchtdrukwapens en de verkenning van de toegevoegde waarde van camera's op de
ME-schilden. Ik heb daar eerder ook iets over verteld. Het is goed om de beelden vanachter
zo'n ME-schild te kunnen zien. Het is belangrijk dat we daar voortgang op blijven
boeken.
Mevrouw Michon-Derkzen stelt in de sfeer van de ME-bewapening ook een concrete vraag
rondom de twijfel van de burgemeester van Amsterdam. In het LOVP – dat is, voor intimi,
het overlegorgaan met burgemeesters – heb ik aan de gezagen toegelicht wat in de pilot
wordt voorgesteld. Daar is mij ook helder geworden dat sommige regioburgemeesters
het mogelijk wel en andere het mogelijk niet steunen. Ik heb toen gezegd, en dat doe
ik ook nu weer, dat het voor mij vanuit mijn systeemverantwoordelijkheid belangrijk
is dat de pilots met deze less lethal geweldsmiddelen mogelijk worden gemaakt. Ook
is het belangrijk dat de keuze voor de daadwerkelijke inzet van bepaalde geweldsmiddelen
zoals traangas, de waterwerper en dus ook de mogelijkheid om dat via het waterkanon
weg te spuiten, uiteindelijk – dat is heel relevant, want dat bepaalt de Minister
niet – altijd bij het lokale gezag ligt.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Het is natuurlijk een stevige uitbreiding van het geweldsinstrumentarium. Mijn vraag
aan de Minister is of de ambtsinstructie hiervoor niet moet worden gewijzigd om deze
pilot te kunnen uitvoeren. Wat Amsterdam betreft: ik heb begrepen dat er daar nog
geen beslissing is genomen. Heeft hij dat ook gehoord?
De voorzitter:
Heeft de Minister dat gehoord? Minister.
Minister Van Oosten:
Zoals ik net al aangaf, gaat het lokale gezag daar uiteindelijk zelf over. Ik bedoel
dan de lokale burgemeester en dus ook de burgemeester van Amsterdam daar waar het
het gebied van Amsterdam betreft. Voor mij is het belangrijk dat de mogelijk geboden
wordt om mee te doen met een pilot. Het is natuurlijk ook nodig dat het dan ook wel
op bepaalde plekken wordt beproefd, anders weten we niet of het werkt. Dan kunnen
we ook zien of de instructies later moeten worden aangepast. Van belang is natuurlijk
dat wij ervoor zorg dragen – dat doet de politie ook – dat de mensen die ermee werken,
er ook goed mee om weten te gaan.
Voorzitter. Mag ik nog de opmerking maken wat mijn inzet is geweest, waarom ik dit
wilde? Dat wordt me namelijk niet zo specifiek gevraagd. Ik heb namelijk met ME-agenten
gesproken naar aanleiding van de Malieveldrellen. Ik was daartoe ook opgeroepen door
de Kamer zelf. Dat was een ongekend emotionele bijeenkomst, waarbij ik zelf ook ontzettend
diep geraakt werd door het feit dat deze ME-agenten pure haat over zich heen gestort
kregen van mensen die geen enkel ander doel wilden behalen dan die politie kapotmaken.
Als je dat beseft, vind ik het ontzettend belangrijk dat wanneer zich zo'n situatie
voordoet waarbij er geen enkel ander doel wordt nagestreefd dan die politie kapotmaken,
de politie, die er voor onze veiligheid staat, wordt beschermd. Ik vind het belangrijk
dat dus ook de burgemeester in kwestie, waar het dan ook is, die mogelijkheden heeft.
Het is mijn verantwoordelijkheid om dat met u te organiseren. Wij bepalen niet waar
het ingezet wordt. Laat ik ook hopen dat het in feite niet ingezet hoeft te worden.
Je doet het namelijk alleen maar in het geval van een hele hoge trede op de escalatieladder.
U vraagt er niet naar, zeg ik via de voorzitter tegen mevrouw Mutluer, maar ik proef
dat dit een thema is dat een beetje ... Ik dacht dat het toch goed zou zijn om mijn
eigen gevoel daarbij even te delen.
Ik ga door naar mevrouw Straatman, die mij vroeg hoe de pilots erop beoordeeld worden
of ze effectief, proportioneel et cetera zijn. Dit ligt eigenlijk in het verlengde
van wat ik net zei. De pilots worden op deze punten door de politie geëvalueerd. Dat
heb ik ook met de korpschef zo besproken. Ik word na afloop van de pilots op de hoogte
gebracht. Dan krijg ik ook te horen of en, zo ja, welke van de beproefde geweldsmiddelen
de ME blijvend wil gebruiken. Training en nazorg worden natuurlijk geboden. Dit heeft
de korpschef mij ook bericht. In mijn toestemmingsbrief aan de korpschef heb ik dat
ook nogmaals afgesproken en benadrukt.
Ik ga naar winkeldiefstal. Dat doe ik onder dit kopje, maar het is wel echt een ander
onderwerp. Kan de Minister aangeven, vraagt mevrouw Michon-Derkzen, of er eind januari
het een en ander over het eindresultaat van de motie van november 2024 wordt gepresenteerd?
In het tweede halfjaarbericht staat dat er een plan van aanpak is opgesteld om de
pps-samenwerking op winkeldiefstal te versterken conform de motie-Michon-Derkzen.
Dat landelijke plan is in november door het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing
vastgesteld. Er wordt nu ook hard gewerkt door publiek-private partijen. Ik ben het
namelijk met mevrouw Michon-Derkzen eens dat het een enorme meerwaarde kan hebben
als het gaat om de inzet van de politie. Hier staat de politie zogezegd centraal.
De civiele afdoening, in combinatie met de strafrechtelijke aanpak en de vraag hoe
die zich tot elkaar verhouden, is dan ontzettend belangrijk. Daar past dan ook een
landelijke leidraad bij, die daar helderheid over geeft. Daarnaast loopt er een verkenning
naar knelpunten bij directe aansprakelijkheid. Daarna moeten we bezien of een landelijke
uitrol van die leidraad opportuun is. Ik informeer u hierover in het halfjaarbericht
voor de zomer van ’26. Dat moeten we namelijk verder uitwerken. Ik weet dat er echt
aan gewerkt wordt.
Mevrouw Faber ...
De voorzitter:
Momentje, Minister. Mevrouw Michon.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik vind het ingewikkeld dat een meerderheid van de Kamer de Minister vorig jaar met
een motie vroeg om dit op te pakken. De Minister zegt nu wat ik ook heb gelezen in
het halfjaarbericht, namelijk dat er een plan van aanpak is vastgesteld en dat er
een conceptleidraad is. Ik vraag gewoon in dit debat wanneer we de resultaten zien.
Er worden Belgische pilots aangekondigd. Ik weet helemaal niet wat voor pilots dat
zijn, maar ik denk: alles wat werkt, werkt en is prima, dus ga aan de gang. We moeten
een beetje ambitie hebben. Kan de Minister zeggen dat we daar voor de zomer daadwerkelijk
de resultaten van gaan zien en dat er dan een leidraad is over de afdoening van winkeldiefstal?
Dan kunnen wij weer beoordelen wat wij daarvan vinden. Het blijft maar een praatcircuit.
Minister Van Oosten:
Dat is het niet, zeg ik via de voorzitter tegen mevrouw Michon-Derkzen. Want er gebeurt
effectief van alles, maar dat hebben we onvoldoende onder woorden gebracht. Dat gaan
we dus doen. Dat moeten we ook doen. Dat is inclusief het plan van aanpak, want het
moet wel een keer klaar zijn met het herevalueren van wat we allemaal nog beter moeten
gaan doen. Er moet wat gebeuren. Er gebeurt ook veel. Ik denk dat het recht doet aan
de mensen die er zo hard aan werken dat ik het mij als Minister aantrek dat dat beter
naar voren moet worden gebracht. Ik zeg u bij dezen toe om daar in de halfjaarbrief
op terug te komen.
Mevrouw Faber refereerde aan een uitzending van het programma Bureau Utrecht waarin
het ging over een blokkade van de Universiteit Utrecht. Zij vreest voor no-gozones;
laat ik de vraag daartoe samenvatten. Laat ik vooropstellen dat we het er allemaal
over eens zijn dat agressie en geweld tegen politieagenten volstrekt onacceptabel
zijn. Dat gaan we nooit accepteren. In dit geval gaat het om de politie in Utrecht,
dus die treedt op onder het gezag van de burgemeester van Utrecht. Die treedt handhavend
op. Ik kan niet treden in individuele afwegingen die gemaakt worden door politiemedewerkers
enzovoort. Politiemedewerkers kunnen, zo kan ik in zijn algemeenheid zeggen, wel worden
getraind om in hele escalerende situaties de afweging te maken hoe te handelen. Daarbij
kan zich tijdelijk terugtrekken ook horen; dat kan omwille van veiligheid et cetera
nodig zijn. Dat betekent niet dat er vervolgens niks gebeurt. De politie heeft namelijk
een heel groot arsenaal aan interventiemogelijkheden. De politie heeft ook een lange
adem. Ik denk dat het belangrijk is om dat uit te stralen. In feite is de kern van
de vraag van mevrouw Faber, die zij stelt namens haar fractie: accepteert de Minister
no-gozones? Nee, wij accepteren allemaal geen no-gozones. Nergens in dit land kunnen
we en gaan we accepteren dat de politie ergens niet kan komen. Maar we moeten wel
reëel zijn. Als er een situatie is waarin politiemensen de afweging maken om weg te
gaan om sterker terug te komen, zal dat altijd mijn support, steun, hebben. Nogmaals,
als het gaat om specifieke situaties vind ik het aan de gemeenteraad om daar met de
burgemeester over in debat te gaan. Want zo is de gezagsrelatie geregeld.
Mevrouw Faber zei dat er geen ruimte is om boa's voor de jaarwisseling te certificeren;
ze zei het iets anders, maar dat was haar stelling. Ze vroeg of dat klopt. De Politieacademie
gaat een inhaalslag organiseren, waardoor de boa's die het betreft alsnog voor het
einde van het jaar worden getoetst op geweldbeheersing. Ik meen dat ik daar schriftelijke
vragen over heb ... Misschien heb ik ze nog niet beantwoord, maar ik heb de beantwoording
wel gezien. Misschien zit die ergens in de lijn. Maar de Politieacademie gaat daar
een inhaalslag op organiseren en werkt er nu aan, want de jaarwisseling is zeer nabij,
zoals we allemaal weten.
De voorzitter:
Mevrouw Faber vraagt: en 2026 dan?
Minister Van Oosten:
Daar waar relevant voor de jaarwisseling halen we de certificering in. Ondertussen
werken we sowieso heel hard om die inhaalslag op te pakken. Ik weet dus even niet
precies hoe ik 2026 moet duiden.
De voorzitter:
Keurig.
Minister Van Oosten:
Als het anders moet zijn, laat ik het nog even weten, al dan niet in de schriftelijke
beantwoording die dan misschien nog openstaat; dat weet ik even niet. Ik weet niet
of dat zo is. Anders moeten we een andere weg vinden. Ik ga ernaar op zoek.
De heer El Abassi vraagt naar de neutrale uitstraling van boa's ondanks het advies
van de Raad van State. Waarom zet de Minister door, vraagt hij. Nou, dat is doodeenvoudig,
zou ik willen zeggen. Ik heb hier een hele spreektekst gekregen. Maar dat is omdat
ik er zeer aan hecht dat de boa's, net als de politie, een neutrale uitstraling in
onze samenleving hebben. Ik heb verder met aandacht geluisterd naar het debatje dat
u met mevrouw Michon-Derkzen heeft gehad. We hebben het langs de weg van een AMvB
willen voorstellen. Daar is de Raad van State heel kritisch op. Ik hecht ook grote
waarde aan de kritiek van de Raad van State, dus ik zeg: we gaan het anders doen.
Ik luister naar de Raad van State; ik ga het neerleggen in een formele wet. Ik vind
het wel terecht dat een aantal van u mij ook heeft gezegd: nou, Minister, aan de slag;
wacht daar niet te lang mee. Dat doe ik dus ook. Ik hoop dat ten spoedigste in het
nieuwe jaar aan te kunnen bieden, zodat de neutrale uitstraling bij wet wordt geregeld.
Dan mevrouw Faber. Zij had een vraag over ditzelfde punt, rond de AMvB. Als ik de
AMvB in werking laat treden, zal de rechter in de eerste rechtszaak de AMvB onverbindend
verklaren. Dat is niet wenselijk en brengt ons niet verder. Het doel delen wij volledig:
boa's moeten hun belangrijke werk binnen de samenleving professioneel en neutraal
kunnen uitoefenen. Dat ga ik dus ook regelen, en ik maak daar ook vaart mee. Ik stuur
deze wet zo snel mogelijk in het nieuwe jaar – dat is écht zo snel mogelijk – naar
de Raad van State, zodat u het vervolgens ook zo snel mogelijk kan gaan behandelen.
De heer El Abassi (DENK):
Ik heb het geprobeerd, voorzitter, maar het moet. Ik zou de Minister echt willen vragen:
waarom? Er is geen probleem. Waarom wil de Minister per se met een wet komen voor
een probleem dat er niet is, om vrouwen met een hoofddoek uit te sluiten van het werk
als boa?
Minister Van Oosten:
Voor mij is het heel eenvoudig: ik vind dat het bij functies in de sfeer van boa,
maar dat geldt ook voor de politie, ontzettend belangrijk is, ook voor het draagvlak
en de acceptatiegraad overal, dat die een neutrale uitstraling hebben. Daar hecht
ik zelf ontzettend veel waarde aan. Ik denk ook dat het heel goed is dat we met elkaar
... Daarom is het ook belangrijk om een formele wet te maken. Dan kun je ook met elkaar
precies dit soort vraagstukken goed uitdiscussiëren in het parlement, wat ook belangrijk
is. Als Minister van Justitie en Veiligheid vind ik het van het allergrootste belang
dat boa's in een neutrale positie kunnen werken en dat hen niks aangezegd wordt alleen
maar omdat ze misschien een religieuze uiting dragen of iets dergelijks. Wat dat betreft
werkt het mogelijk ook twee kanten op. Ik hecht daar zeer aan en zal dat dus ook in
gang gaan zetten.
De heer El Abassi (DENK):
Er wordt gekozen voor religieuze uitingen. Je zou ook kunnen kijken naar afkomst;
dan kun je ook niet neutraal zijn. Je kan opkomen voor bepaalde mensen met een bepaalde
afkomst of kleur. Je kan hiermee alle kanten op. Wat ik hiermee wil zeggen richting
de Minister is: dit kun je toch niet oprecht verdedigen? Je kan toch niet aangeven
... Het gaat toch om het handelen van zo'n vrouw? Als een vrouw neutraal handelt maar
een hoofddoek draagt, en een andere persoon niet neutraal handelt maar geen hoofddoek
draagt, dan zou je toch juist die laatste persoon niet bij de politie willen in plaats
van de eerste?
Minister Van Oosten:
Ik persisteer bij het antwoord dat ik net gaf. Het gaat mij er totaal niet om wie
boa is of wat een boa, politieagent of wie dan ook in zijn privéleven doet. Het allerbelangrijkste
is dat de boa in neutraliteit zijn werk doet voor de hele samenleving en dat daar
geen oordeel in gelezen wordt of iets dergelijks. Daarom is die neutraliteit van zo'n
grote betekenis en ga ik dat dus ook in die wet neerleggen.
De heer El Abassi (DENK):
Dat is dus heel subjectief. Ik ben manager geweest bij het Rijk. Ik had ambtenaren
onder mij. Die mochten echt wel beslissingen nemen. Het ging om grote bedragen, het
ging om straffen en het ging om boetes. Daar waren vrouwen met een hoofddoek bij,
en die waren zo neutraal als het maar kon. Dan hebben we nu een Minister die het doet
overkomen alsof deze vrouwen niet neutraal zijn. Ik zou de Minister willen aangeven
waarom dit subjectief is. Voor mij is een boa met geblondeerd haar en op een bepaalde
leeftijd niet neutraal. Dat is wat er in mijn belevingswereld speelt. We gaan toch
niet naar uiterlijke kenmerken kijken? Laten we met z'n allen kijken naar gedragingen
en niet naar uiterlijke kenmerken.
De voorzitter:
Ik voel een ordeprobleem aankomen hier, gelet op de hoeveelheid ... De Minister.
Minister Van Oosten:
Voorzitter. Ik zou willen voorstellen dat u alle inbreng bij de parlementaire behandeling
levert. Dat is ook goed. Voor mij is het uitgangspunt – dat vind ik ook echt in het
belang van de boa zelf – dat alle schijn moet worden weggenomen dat iets de keuze
van de boa zou beïnvloeden of anderszins. Daarom vind ik zelf die neutraliteit van
de grootst mogelijke betekenis. Er wordt nu aan gewerkt. Ik heb u toegezegd dat het
ten spoedigste bij u terugkomt zodra ik de gelegenheid heb.
De voorzitter:
Zeker, dan gaan wij daar uitgebreid over spreken met elkaar. Momentje, Minister. Mevrouw
Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik heb toch nog wel even een vraag over die AMvB. Die AMvB is al klaar. Die hebben
de juristen op het ministerie al afgemaakt. Ik heb één ding wel geleerd in mijn ministerschap:
dat daar hele goede juristen zitten. Die komen echt niet met broddelwerk. Die denken
echt goed na voordat ze ergens mee beginnen. Volgens mij is die AMvB dus gewoon bruikbaar.
Het moet mij toch een beetje van het hart: ik heb weleens de indruk – ik zeg niet
dat het zo is – dat de Raad van State niet altijd even neutraal is. Ik begrijp dat
de Minister zegt «ik wil het ook wel in een wet doen», maar laten we dan, voordat
die wet van kracht is, gewoon die AMvB bekrachtigen.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Een punt van orde, voorzitter. Het is leuk dat we rechters en leden van de Raad van
State betichten van niet neutraal zijn, maar ik vind het niet oké. Ik vind ook dat
de voorzitter daar iets van mag zeggen.
De voorzitter:
De voorzitter was aan het luisteren. Anderen hadden ook een punt van orde. Mevrouw
Van der Werf?
Mevrouw Van der Werf (D66):
Ik heb hetzelfde punt dat mevrouw Mutluer maakt. Ik vind dat echt niet normaal. Ik
vind ook dat als je dus normeert op andere discussies hier, wat u deed, voorzitter,
dat je ook hier wat van moet zeggen.
De heer El Abassi (DENK):
Inderdaad, ook ik heb een punt van orde. Dit is dus wat je krijgt als je mensen neutraliteit
afpakt en wegzet als mensen die niet neutraal zijn. Nu gaat het doorgetrokken worden
naar rechters, politieagenten en ga zo maar door. Ik maak daar bezwaar tegen.
De voorzitter:
Het is even aan mevrouw Faber om een weerwoord te geven en dan ga ik wat zeggen. Wilt
u iets zeggen?
Mevrouw Faber (PVV):
Ik heb niet zo stellig gezegd dat het zo is. Ik heb alleen maar gezegd dat ik dat
gevoel weleens heb. Dus ja, ik ga over mijn eigen gevoelens, lijkt mij.
De voorzitter:
Ieder mens heeft recht op zijn eigen gevoelens; dat is een feit. Ik begrijp de opmerkingen
van de collega's wel. Je kunt, denk ik, best stevig van mening verschillen over de
vraag of het nodig is om die neutraliteit op die manier te waarborgen. Daar was net
ook sprake van bij de heer El Abassi en de Minister. Dat mag er scherp aan toe gaan.
Ik hoop dat u de collega's kunt begrijpen, mevrouw Faber. Ik denk wel dat ik er in
die zin iets van moet zeggen. Ik snap dat de collega's er aanstoot aan nemen dat u
de neutraliteit van de rechterlijke macht, zonder feiten en argumenten, op die manier
benoemt. Ik weet dat de PVV-fractie ook stevig in de hoofddoekkwestie zit. Laten we
het daarom zo doen: stelt u zo stevig als u wilt uw vraag, maar met respect voor de
bestaande instituties. Mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Volgens mij heb ik mijn vraag al aan de Minister gesteld. Dat dacht ik.
Minister Van Oosten:
Dat laatste klopt. Vanuit mijn rol wil ik het advies dat de Raad van State mij heeft
toegestuurd, met het grootst mogelijke respect lezen en er ook gebruik van maken.
Dat advies hanteer ik dus ook. Daarom zeg ik: ik buig het om van een AMvB naar een
formele wet. Dat is precies wat de Raad van State mij ook adviseert. Ik doe dus niet
wat mevrouw Faber mij concreet vraagt, want daar komt het dan op neer: houd dan ondertussen
die AMvB in stand of ga daar lekker mee aan de slag. Nee, want ik vind dat in de richting
van de Raad van State, toch een zeer belangrijk, hoog adviesorgaan, ook van mij als
Minister van Justitie en Veiligheid, in deze zin niet correct. Ik heb namelijk een
mogelijkheid om het op korte termijn, door zelf hard te werken, anders te doen, zodat
we recht doen aan de discussie die ik ook hier zie plaatsvinden. Daarnaast wijs ik
mevrouw Faber er, via de voorzitter, op – dat deed ik in mijn beantwoording net ook
al – dat ik ook gewoon het risico loop dat de rechter bij de eerste de beste gelegenheid
die hele AMvB onverbindend verklaart, met alle gevolgen van dien. Dat risico vind
ik onverantwoord. Dat wil ik niet lopen. U mag mij dus vertrouwen. Ik ga aan de slag.
U krijgt een wet. Dan mag iedereen daar wat van vinden.
Dan ga ik door, voorzitter.
De voorzitter:
Ja, gaat u verder.
Minister Van Oosten:
Dan ga ik door naar de heer Van Dijk en mevrouw Straatman. Het gaat ook over boa's,
maar het betreft een totaal ander punt, namelijk of de Minister bereid is de omissie
van de «groene boa» tegen het licht te houden. De vraag is eigenlijk – en ik kijk
de heer Van Dijk aan – of er nu bijvoorbeeld wel of niet een vuurwapen gehanteerd
mag worden. Dat is een van de vragen of problemen die daaromtrent zijn ontstaan. Eigenlijk
is concreet ook de vraag of ik een strafrechtelijk aanwijsbesluit opnieuw wil vaststellen.
Dat is een tamelijk technische vraag, maar het komt er eigenlijk allemaal op neer
dat ik dat niet kan, want ik kan die regeling niet verlengen. Het betreft namelijk
een regeling die is gestoeld op ingetrokken wetgeving.
Het huidige toezicht en de huidige handhaving rond strafbaarheid zijn gebaseerd op
de Omgevingswet. De handhaving van gewapende stroperij met de aanwijzingen van boa's
die dit als taak hebben, is nu belegd – ik kom hier zo op terug – bij gedeputeerde
staten, dus de provincies. Zij zijn het bevoegd gezag geworden. Het is dus nu aan
de provincies om de boa's aan te wijzen. Maar mevrouw Michon-Derkzen en ook anderen
hebben mij hier ook al een aantal malen op gewezen: «Alles goed en wel, maar het is
ineens wel allemaal helemaal anders; de groene boa's moeten wel het landelijke gebied
in kunnen.» Daarom heb ik, vanwege het belang dat ikzelf als Minister maar ook uw
Kamer eraan hechten, de provincies hier expliciet op gewezen, ook via de portefeuillehouders
van het IPO en het IPO zelf, het Interprovinciaal Overleg. Provinciebesturen zijn
hierover de afgelopen maanden in twee relevante commissies geïnformeerd. Ik weet dat
de provincies die het aangaat hier ook mee bezig zijn. En het IPO heeft mijn ministerie
ook laten weten dat de provinciebesturen zich bewust zijn van de noodzaak van een
aanwijzing, en dat snelheid gewenst is. Ik hield al mijn adem in, want ik dacht: dit
leidt misschien tot een vraag.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ja. De vraag is natuurlijk als volgt. Het is een onwenselijke situatie – dat hebben
meerdere collega's aangegeven – zeker voor de boa's die het betreft, ook omdat dit
aan hun bevoegdheden raakt. Ik begrijp dat u overlegt met provincies et cetera, maar
kunnen er dan ten minste bepaalde termijnen worden genoemd door de Minister? Hoe zorgen
we dat dit zo snel mogelijk recht wordt gezet, en dat we straks niet gaan krijgen
dat de Minister en de provincies naar elkaar gaan wijzen, met uiteindelijk de boa's
als slachtoffers?
Minister Van Oosten:
We hebben daar volop overleg over. En het loopt een beetje uiteen, zeg maar. De specifieke
deadlines voor de specifieke groene boa lopen nogal uiteen, begrijp ik; het is niet
zo dat dat allemaal op datum x is. Daarom is het belangrijk dat de provincies zich
dit realiseren en daarmee aan de slag zijn. Ik heb de bevestiging dat dat ook zo is.
Overigens wil ik u ook nog wel aangeven dat bij de provincies nu ook de discussie
loopt of dit eigenlijk wel zo geregeld moet blijven. Ik ga niet voor de provincies
praten; misschien heeft u zelf ook wel contact met uw provincieafdelingen. Maar ik
weet wel en sluit ook niet uit dat men wellicht met een voorstel komt om dit weer
anders vorm te geven – ik wilde zeggen «dit terug te draaien», maar zo kan ik het
niet noemen, want het hele wettelijke stelsel is veranderd – zodat we niet meer voor
dit vraagstuk komen te staan. We delen allen het uitgangspunt dat dit werk voor iedereen
veilig moet zijn. Ik wacht dat even af.
De voorzitter:
Zeker, maar niet dan nadat ik gezegd heb dat hier nog een schriftelijk overleg over
komt, en een commissiedebat. Hier wordt dus nog veel over gesproken in de Kamer. Meneer
Van Dijk, wilt u nog...
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Nou, dan dank voor deze reactie. En ik begrijp dus uit de woorden van de Minister
dat hij erbovenop zit en dat de Kamer ook op de hoogte gehouden blijft van de vorderingen,
zo hoop ik.
Minister Van Oosten:
Ja. En mocht u casuïstiek hebben of iets, laat dat dan ook gewoon weten; dan kunnen
we dat gesprek aangaan. Dat is me eerder ook aangereikt. Maar inderdaad, u zei het
terecht: er komt nog een apart moment voor.
De voorzitter:
Ja, een schriftelijk overleg. En volgens mij is er zelfs ook besloten tot een apart
commissiedebat, waar dan mogelijk ook nog een tweeminutendebat uit volgt.
Minister Van Oosten:
Dan kan ik nog een update geven van waar we staan.
De voorzitter:
Zeker, u komt nog vaak langs hier. Gaat u verder, Minister.
Minister Van Oosten:
Dan mevrouw Coenradie en mevrouw Van der Werf, die vroegen naar de visie van de Minister
op de taken van de politie bij de aanpak van verwarden. Daar kunnen we ook nog heel
veel over zeggen. Ik wil hier ook over opmerken dat daar in elk geval regie op wordt
gevoerd door het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Ik heb even niet het overzicht
over of daar een apart debat over komt, maar dit gehoord hebbende bij Kamerleden,
lijkt me dit zeker al het geval, en anders zal het er ongetwijfeld wel van komen.
Daarin past deze discussie, als ik die opmerking mag maken, denk ik nog wat meer en
kan ze nog wat meer plek krijgen. Het is zonder meer waar dat de druk op de politie
evident kan worden verlicht als de aanpak van personen met verward of onbegrepen gedrag
misschien ook langs een andere weg kan plaatsvinden. Alhoewel ikzelf, met de ervaring
die ik de afgelopen jaren heb opgedaan, voorzie dat je daarbij altijd wel een zekere
inzet van de politie zal verwachten, omdat dat soms zomaar ineens ontstaat en mensen
dan natuurlijk de politie bellen. En ik zou ze ook aanmoedigen om dat te blijven doen,
zou ik willen opmerken.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Mijn punt hierbij was dat het niet alleen gaat om mensen met verward gedrag. Dat was
een voorbeeld om aan te geven dat de politie tegenwoordig overal van moet zijn: de
aanpak van huiselijk geweld, het constateren van kindermishandeling, maar bijvoorbeeld
ook mensen met verward gedrag. De vraag is op een gegeven moment heel breed, dus niet
alleen wat betreft mensen met verward gedrag. Waar is de politie nog wel van en waarvan
niet? Ik denk, of beter, ik heb de overtuiging dat er behoefte is aan een meerjarige
strategie om aan te geven wat we nog wel kunnen verwachten van de politie en wat niet,
en wat ook redelijk is als je kijkt naar de capaciteit.
Minister Van Oosten:
Ik ben het met mevrouw Coenradie eens dat dit voortdurend aandacht moet blijven hebben.
Ik zit een beetje tussen twee schotten in, zeg maar: enerzijds de Kamer die daar beelden
bij heeft, maar anderzijds de gezagen, de burgemeesters, die daar ook beelden bij
hebben. Ik zie zelf ook gebeuren dat de politie wel erg vaak, erg snel en voor heel
veel wordt ingeroepen. Daarom ook dat initiatief van mevrouw Michon-Derkzen als het
gaat om die winkeldiefstallen. Dat is zomaar weer een voorbeeld... Ik zou daar eigenlijk
geen verkleinwoord van willen maken, wat ik bijna deed, omdat dit heel vaak voorkomt
en dus heel ernstig is. Maar ja, je moet altijd wel die afweging maken in de schaarsheid
die je nu eenmaal zult houden; altijd. Doet de politie dan ook het juiste? Kan het
ook op een andere manier of horen eigenlijk anderen aan de lat te staan? Ik denk dat
we onszelf een beetje de vrijheid moeten gunnen om daar de komende periode nog wat
langer over door te denken. We krijgen nog een wetgevingsoverleg Politie, we krijgen
nog een algemene begrotingsbehandeling. We zijn aan het begin van een Kamerperiode.
Er komt een nieuwe veiligheidsagenda aan, vanaf – even kijken; zeg ik het goed? –
’27. Daar wordt u ongetwijfeld op de een of andere manier ook bij betrokken. Dus er
zijn nog allerlei momenten waarop we hier zeker over gaan praten, zou ik willen zeggen.
Mevrouw Van der Werf (D66):
Het antwoord stelt mij niet helemaal gerust, want dit is natuurlijk niet alleen maar
een vraagstuk van schaarste. Er is op heel veel domeinen schaarste bij de uitvoering
en binnen de politie, maar dit gaat ook om het maken van keuzes en ook over het feit,
waarover ik mij verwonder, dat wij als Kamer eigenlijk al heel vaak keuzes hebben
gemaakt. We hebben gezegd dat wij ook andere dingen belangrijk vinden dan de zaken
die nu als high-impact crimes worden aangewezen, maar ook dat die te weinig opvolging
krijgen. Een van de problemen daarbij is dat heel veel van die zaken binnen het domein
zorg en veiligheid vallen, en daar ook tussen wal en schip vallen. Ik heb de Minister
gevraagd om daarop te reflecteren en ook om aan te geven of hij binnen het ministerie
met de politie in gesprek kan gaan over hoe we dat gaan oppakken.
Minister Van Oosten:
Dat laatste zal ik zeker doen. Voor zover u dat als toezegging moet beschouwen, vind
ik dat ook prima, want ik zou menen dat dit een onderdeel is van het reguliere overleg
dat ik met de korpschef heb. Het past ook in de voorbereiding van een debat waarvoor
het Ministerie van Binnenlandse Zaken – daar begon ik eigenlijk mee – zeker aan de
lat komt te staan, al dan niet met ook dit ministerie, wat ik bij gelegenheid wel
zal gaan zien. Er is namelijk gewoon heel veel samenhang tussen zorg en veiligheid,
wat ik ook niet wil verdonkeremanen; dat is er op allerlei vlakken. Maar ik weet ook
dat het een illusie zou zijn om de politie overal bij weg te denken, omdat het vaak
heel heftig, incidenteel en extreem is wat er plaatsvindt en je daar de politie ook
wel voor een deel bij verwacht. Dus het is heel goed om die gesprekken met elkaar
te voeren.
Ik ga door, voorzitter, met uw welnemen.
De voorzitter:
Een momentje. Mevrouw Van der Werf nog.
Mevrouw Van der Werf (D66):
Ja, voorzitter, voor de helderheid. Allereerst dank voor die toezegging. Ik denk dat
het belangrijk is om daar een signaal over te geven. Er zijn hier echt al heel veel
breed gesteunde voorstellen voor gedaan, die je volgens mij gewoon kan doen. Het gaat
mij er niet om dat ik de Minister ervan verdenk dat hij dit probleem niet ziet, en
eigenlijk ook niet dat ik zou willen zeggen dat de politie zich hier niet mee zou
moeten bemoeien. Op sommige punten zeg ik juist dat de politie zich daar meer mee
zou moeten bemoeien. Ik denk dus dat we eerst even met elkaar heel scherp moeten kijken
naar welke onderwerpen nu echt meer aandacht verdienen, en hoe je dat sneller en beter
kan doen. En: stel je agenten echt gereed om dat ook te kúnnen doen.
Minister Van Oosten:
Zoals gezegd, ga ik hiervan een terugkoppeling geven aan de korpschef. Dat is mijn
directe ingang bij de politie, dus zo moeten we het wel blijven doen. Zo zal ik aandacht
blijven vragen voor dit onderwerp. Daar laat ik het nu toch even bij, omdat ik weet
dat we in de voorbereiding van het onderwerp zorg en veiligheid echt nog wel nader
met elkaar komen te spreken. Ik wil zelf ook gewoon echt weten waar er meer inzet
op dit punt nodig zou zijn en waar minder; dat is precies wat mevrouw Van der Werf
vraagt. Maar uiteindelijk worden die afwegingen ook weer lokaal gemaakt, afhankelijk
van de keuzes die daar dan voorliggen, wat het eigenlijk altijd ook weer een beetje
spannend maakt.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Mag ik er dan de vraag aan toevoegen dat wanneer de Minister daarover spreekt met
de korpschef, er ook wordt gesproken met de medewerkers? Ik merk bij de werkbezoeken
die ik doe dat er echt verschil van mening is over heel cruciale, ook weleens wat
meer beleidsmatige zaken tussen de uitvoering en de mensen op kantoor, om het maar
even zo te zeggen. Voordat het enkel een gesprek zou zijn tussen de korpschef en de
Minister, zou ik willen vragen om er echt aandacht voor te hebben bij de korpschef
dat juist alle input vanuit de werkvloer nadrukkelijk wordt meegenomen.
Minister Van Oosten:
Ik ken de korpschef als iemand die zich oprecht laat inspireren door de hele politieorganisatie,
waaronder dus ook de politiemensen die actief zijn op de werkvloer in de sfeer waar
mevrouw Coenradie het nu over heeft. Ik vind het eigenlijk niet eens nodig dat ik
die vraag specifiek zo neerleg, maar ik ga netjes een terugkoppeling geven van dit
element uit dit debat.
Voorzitter. Ik blijf nog even bij mevrouw Coenradie. Ik ga wel naar het andere blokje:
demonstraties. De vraag is gesteld of de Minister achter burgemeesters staat die naar
noodmaatregelen grijpen. Het is evident dat je als burgemeester niet lichtzinnig tot
zo'n maatregel komt; dat heb ik zelf ook wel zo ervaren. We hebben het wettelijk stelsel
zo georganiseerd dat altijd achteraf juridisch kan worden getoetst of je dat terecht
hebt gedaan of niet. Er zit ook altijd een politieke component aan door de gemeenteraad.
Vanuit mijn ministerie maar ook vanuit BZK helpen we het Genootschap van Burgemeesters
met handreikingen, kennissessies et cetera over hoe daarmee om te gaan op een verantwoorde
manier. Maar ik heb veel respect voor de burgemeesters die geconfronteerd worden met
het moeten treffen van maatregelen die soms heel stevig ingrijpen in de vrijheid en
het leven van mensen die daar misschien gewoon omheen wonen. Ik vind dat we dat respect
ook mogen uitdragen. Ik doe dat als Minister en u doet dat als Kamerlid ongetwijfeld
ook. En doet een burgemeester het niet goed, dan zijn die burgemeesters vrouws en
mans genoeg om hun mannetje te staan en aan de gemeenteraad uit te leggen hoe dat
zo gegaan is.
Worden gemeenten ondersteund bij het verhalen van schade op relschoppers et cetera?
Dat is een vraag van mevrouw Straatman. Wij zijn op dit ogenblik aan het onderzoeken
op welke wijze gemeenten maar ook andere partijen die schade lijden het beste kunnen
worden ondersteund bij het verhalen van schade. Daarbij nemen we ook moties van het
lid Eerdmans mee over schade bij recente universiteitsrellen. Dit zeg ik overigens
ook in de richting van de heer Van Dijk, specifiek voor zijn fractiegenoot het lid
Stoffer. Die heeft namelijk ook aandacht gevraagd voor het bewerkstelligen dat relschoppers
die het demonstratierecht misbruiken, opdraaien voor de kosten die zij veroorzaken.
Op dit ogenblik liggen daarvoor nog allerlei opties op tafel. Ik wil uw Kamer over
de uitkomsten daarvan informeren in de beleidsreactie die we in het voorjaar zullen
sturen.
Mevrouw Straatman vraagt of nationale basisafspraken voor politieoptreden bij demonstraties
beschikbaar kunnen komen. Ik heb begrepen dat naar aanleiding van het inspectierapport
van 15 mei is toegezegd dat ik met de korpschef en vertegenwoordigers van het lokaal
bestuur en het OM in overleg ga over landelijke basisafspraken en uitgangspunten.
Dit overleg gaat plaatsvinden bij het LOVP in februari; dat heeft nog niet plaatsgevonden.
We komen nog met een uitgebreide reactie op het WODC-rapport rondom demonstraties.
Dat zal ergens in het voorjaar, ik denk mei of zo, worden. Dan zal ik dit aspect meenemen.
Dat lijkt mij dan logisch.
Ik blijf nog even bij het WODC-rapport. Mevrouw Straatman vraagt ook naar – mag ik
het even zo noemen? – de «wasstraat» op de A12. De stelling is dat zou blijken dat
het Openbaar Ministerie veelal niet overgaat tot aanhouding en vervolging van demonstranten
terwijl daar juridisch veel ruimte voor is. Het Openbaar Ministerie heeft mij laten
weten dat de pilot heeft uitgewezen dat de grootschalige inzet van de politie en het
OM die deze vorm van geïntensiveerde handhaving vergt niet in verhouding staat tot
het bereikte resultaat, namelijk hooguit een minimale boete. Het is ook niet goed
mogelijk gebleken om gedurende het optreden van de ME te sturen op deugdelijke bewijsgaring
of dossiervorming. Dat komt ook doordat de politie naast het handhaven en herstellen
van de openbare orde ook gedragingen op individueel niveau dient waar te nemen en
vast te leggen ten behoeve van diezelfde opsporing. Dat is een toch tamelijk ingewikkelde
taak met ook soms extra capaciteit.
Ik maak ’m even af, want ik heb hier nog een paar opmerkingen bij te maken. Vervolging
legt soms ook een groot beslag op schaarse zittingscapaciteit, en dat vergt ook relatief
veel tijd. Waar in de praktijk tegenaan gelopen wordt en wat ik ook begrijp, is dat
strafbaar gedrag tijdens demonstraties meer dan nu moet worden bestraft. Dan misbruik
je in mijn ogen een demonstratie. In het WODC-onderzoek lees ik steun voor de gedachte
dat er veel mogelijk is binnen internationale mensenrechtenverdragen et cetera en
binnen de huidige wettelijke kaders. Ik ben in gesprek met het Openbaar Ministerie
over wat daarvoor nodig is en wat voor kansen ze zien. Er kan ook worden gekeken of
elementen uit buitenlandse wetgeving op dit punt nog inspiratie of een oplossing kan
bieden. Denk aan aparte strafbaarstelling voor het blokkeren van vitale infrastructuur
of het vernielen van cultureel erfgoed; dat is een ander element. Ik wil uw Kamer
daar op het genoemde moment uitgebreider over informeren, ook wat betreft het WODC-rapport
waar ik het over had, of zoveel eerder als nodig.
Ik hou mijn mond even dicht. Ik zag dat u wilde interrumperen, maar nu niet meer,
dus dan ga ik natuurlijk doorpraten.
De heer Van Dijk ...
Mevrouw Straatman (CDA):
Een korte reactie dan. Dank u wel, Minister, voor de toezegging om me er uitgebreider
over te informeren. Kort nog op het punt dat gisteren heel duidelijk werd tijdens
de technische briefing en ook duidelijk werd uit het WODC-rapport, namelijk dat er
veel meer juridische ruimte is en dat er in Nederland binnen de strafrechtketen nog
te veel wordt gewezen op de chilling effects. Wat het CDA betreft is het heel belangrijk
dat we die norm stellen, dat het maar bij een klein percentage misgaat. Maar op het
moment dat het misgaat, dan is het belangrijk dat we dat als samenleving goed oppakken.
Begrijp ik de Minister goed dat in het gesprek met het OM ook meegewogen wordt dat
hij eventueel bereid is om een algemene aanwijzingsbevoegdheid te geven op het moment
dat het Openbaar Ministerie daar toch anders over denkt?
Minister Van Oosten:
Nee, dat laatste niet, want dan kom ik ongetwijfeld in een hele andere discussie met
uw Kamer terecht. Ik zou menen dat daar nu ook geen reden toe is. Ik gaf u wat context
over welke ruimte het Openbaar Ministerie heeft en welke ruimte ik ook teruglees in
het WODC-rapport. Ik zie zelf ook aanknopingspunten om bepaalde onderwerpen wat verder
uit te werken en uit te diepen; ik liet daar net wat licht over schijnen. Dat biedt
wat mij betreft ... Ondertussen ben ik natuurlijk wel gewoon in regulier overleg met
het Openbaar Ministerie. Daarom kon ik u ook deze terugkoppeling geven. Maar ik ga
geen opdracht geven aan het Openbaar Ministerie om iets wel of niet specifiek op dit
punt te doen. Wat mij betreft hoeft dat ook niet aan de orde te zijn. Want ook het
Openbaar Ministerie – dat beeld moet niet ontstaan – is er natuurlijk alles aan gelegen
om te handelen daar waar gehandeld moet worden. Maar je wil ook dat het effect sorteert.
Daarom dienen we ook wat andere maatregelen eromheen te treffen om te zorgen dat je
bijvoorbeeld weet wie iets veroorzaakt heeft.
De voorzitter:
Mevrouw Straatman. Niet? Oké. Dan meneer Struijs.
Minister Van Oosten:
De heer Van Dijk ...
De voorzitter:
Ho Minister, er is nog een vraag van meneer Struijs.
De heer Struijs (50PLUS):
Eén ding moet me toch even van het hart in deze discussie, want anders raakt ie uit
balans. Natuurlijk willen wij betere regelgeving zien, maar het capaciteitsgebrek
moet ook prominent in de discussie terugkomen. Ik heb van het OM en van politiemensen
gehoord dat ze weten wie daar misdrijven plegen, dat die op beeld staan, maar dat
ze eenvoudigweg niet genoeg mensen hebben binnen de recherche en binnen het OM om
tot vervolging over te gaan. Dat moet wel een belangrijk element blijven in deze discussie.
Anders zie ik de balans een beetje weggaan.
Minister Van Oosten:
De heer Struijs heeft natuurlijk gelijk: capaciteit is altijd voorwaardelijk om iets
wel of niet te kunnen doen. Ik wil er ook geen doekjes om winden dat er in alle situaties
altijd wel een vraag naar capaciteit is, want je zal misschien altijd meer willen
doen. Dat gaat nou eenmaal ook weer niet. Soms is het ook niet nodig. Daarom is het
terecht dat mevrouw Coenradie en anderen hier en daar ook wijzen op de vraag: waar
maak je nou je keuzes in, waar stel je prioriteiten in? Het zou triest zijn als je
puur omwille van capaciteitsvragen iets niet meer doet, maar het heeft dus in dit
specifieke geval zeker ook te maken met andere aspecten. Dan moet je een afweging
maken. Als het resultaat is wat het is en je ook iets anders kunt doen, dan kom je
tot een afweging van belangen. Dat kan ik ook wel weer billijken als ik eerlijk ben.
Maar dat neemt niet weg dat het mij wel weer motiveert om ook aan de hand van het
onderzoek verder na te denken over: oké, wat kunnen jullie dan wel organiseren om
wel het resultaat te bereiken dat we willen?
De heer Struijs (50PLUS):
Ik ben het met u eens, maar het capaciteitsgebrek heeft een structureel karakter.
Daarom wil ik in elke discussie prominent terug laten komen dat ik echt aandring op
een bestuurlijke rapportage na elk optreden, of dat nou op de A12 is geweest of bij
de Malieveldrellen, over de dingen die we hadden kunnen doen in de keten – dan heb
ik het over vervolging – maar niet gedaan hebben vanwege capaciteitsgebrek. Ik zie
dat dat elke keer onderbelicht blijft. Ik ga de Minister nu en in volgende discussies
dus verzoeken om toch iets meer bestuurlijke rapportages te laten maken door de politie
en het OM en om dat feit niet onderbelicht te laten.
Minister Van Oosten:
De bestuurlijke rapportages bestaan natuurlijk wel, maar die gaan naar het lokale
gezag, want die inzet vindt plaats onder dat gezag. Dat weet de heer Struijs als geen
ander. Ik vind het wel een interessante gedachte om in zijn algemeenheid eens te vragen
waar wellicht schaarstevraagstukken aan de orde zijn geweest. Nogmaals, in dit geval
hebben zeker ook een heleboel andere elementen een rol gespeeld. Meestal, of altijd,
heb je een belangenafweging te maken over waar je naartoe gaat.
Ik ga naar de heer Van Dijk. Die vraagt: kan de Minister ondubbelzinnig bevestigen
dat bij oorlogsherdenkingen et cetera de bescherming van personen en instellingen
prevaleert? Ook hierbij geldt dat in lokale driehoeken, waar die verantwoordelijkheid
ligt, telkens wordt beoordeeld hoe te handelen. Iedere demonstratie moet je natuurlijk
wel weer op de eigen merites beoordelen. Ik hoor de heer Van Dijk overigens ook niet
zeggen dat demonstraties op een locatie überhaupt niet mogen of iets dergelijks. Maar
je wilt wel dat de openbare orde niet verstoord wordt. Daar komt het eigenlijk op
neer. Aan de hand van de Wet openbare manifestaties hebben burgemeesters natuurlijk
ook handvatten om bij bijvoorbeeld dreiging van verstoring van de openbare orde maatregelen
te treffen, beperkingen op te leggen et cetera. Burgemeesters kunnen ook zwaardere
eisen stellen aan demonstraties in de nabijheid van een herdenking. De bescherming
van de waardigheid van een plek of gebeurtenis kan dan ook een rol spelen bij de afwegingen
die door het lokale bestuur worden gemaakt.
Eerder dit jaar is ter uitvoering van de motie-Bikker ook gesproken met diverse gemeenten
et cetera, waarbij door iedereen het belang onderstreept wordt van een gedegen voorbereiding
op de nationale en lokale herdenkingen, om die waardig en ongestoord te laten plaatsvinden.
Dat betekent ook dat je hebt te organiseren dat je nauw contact hebt met de organisatoren
van mogelijke demonstraties en manifestaties. In het ene geval is dat makkelijker
dan in het andere geval. Dat vraagt ook wat van het lokale bestuur, dat daar overigens
heel goed in is, zeg ik erbij. Vaak kun je in overleg echt wel heel veel bereiken
met elkaar. De waardigheid van de demonstratie zelf, die ook weer haar rechten heeft
en haar doelen dient, heeft er vaak ook alle belang bij om goed gehoord te worden
zonder dat het andere waardigheden verstoort. Algemeen wordt onderkend dat er onder
voorwaarden ruimte is voor demonstraties en alternatieve herdenkingen.
Dan ga ik naar de politiemedewerkers en de organisatie. Ik hoop dat ik het in de tijd
allemaal netjes doe; ik doe mijn best. Zo ongeveer iedereen heeft vragen gesteld naar
aanleiding van de commissie-Sorgdrager over het undercoverwerk en eigenlijk ook naar
aanleiding van de commissie die daaraan vooraf is gegaan en er voor een deel parallel
aan heeft gelopen, namelijk de commissie-Schneiders. De vragen liepen in variatie
een klein beetje uiteen. Laat ik beginnen met te zeggen dat undercoverwerk een ingrijpend
middel is dat van ongelofelijk grote betekenis is voor de bestrijding van georganiseerde
criminaliteit. Het is dus ook van het allergrootste belang dat de mensen die dit belangrijke
werk uitvoeren, dat ook met de beste en de juiste waarborgen kunnen doen en kunnen
blijven doen.
Vier jaar geleden constateerde de commissie-Brouwer dat de professionaliteit van de
organisatie ernstig te wensen overliet. Twee jaar geleden is dan ook besloten om het
toen bestaande team Werken Onder Dekmantel volledig te ontmantelen en opnieuw op te
bouwen. Het afbouwen daarvan en het inrichten van een nieuwe structuur waarin waarborgen
zijn opgenomen, leveren een werkbare en veilige situatie op. De afbouw en opbouw moesten
ook in een korte tijd plaatsvinden. Het was wel bekend dat de ingreep van afbouw en
opbouw nadelen kende, vooral omdat je weer helemaal opnieuw moet starten met het opbouwen
van kennis, ervaring en kunde. Dat kan iedereen zich voorstellen. Naar aanleiding
van het rapport-Sorgdrager voegt de korpschef kennis en ervaring aan de leiding toe
en wijzigt het instroomarrangement.
Na het incident van vier jaar geleden hebben twee commissies monitoring uitgeoefend
op het gebied van voortgang binnen dat heimelijke domein. De commissie-Sorgdrager
was kritisch, maar heeft ook geconstateerd dat er heel veel vooruitgang is geboekt.
Zo zijn er waarborgen die zien op het personeelswelzijn van de medewerkers. Er zijn
bijvoorbeeld psychologen in dienst getreden die begeleiding kunnen bieden. Er is een
ethische commissie gekomen, die de strategische lijn nauwer betrekt bij operationele
beslissingen. In het verleden zijn de werkverbanden verkleind, waardoor er meer aandacht
kan zijn voor de medewerkers, want daar gaat het nou precies om. Die interventies
zijn gedaan naar aanleiding van geconstateerde tekortkomingen – daar moeten we eerlijk
in zijn – en zijn gericht geweest op het verbeteren van het welzijn op fysiek, mentaal
en moreel vlak.
Nu is het belangrijk dat we vooruit blijven kijken, dat we maatregelen treffen die
passen bij de situatie waarin we nu zitten. Een externe commissie constateert dat
er vooruitgang is geboekt, maar ook dat we er nog niet zijn. Ondertussen willen we
ook dat heimelijke middel bewaken en behouden. Dat is een bijzonder en waardevol instrument
dat vraagt om kwaliteitszorg. Ik heb dan ook de korpschef gevraagd goede en blijvende
aandacht hiervoor te houden. De korpschef heeft mij dat ook bevestigd. Zij zal hier
met de korpsleiding aandacht aan blijven geven. De korpschef zit bij het College van
procureurs-generaal, dat ook een visitatiecommissie heeft ingesteld. Dat is heel belangrijk,
want die commissie blijft deze ontwikkelingen volgen. Het is ook aan mij en elke Minister
na mij, en dus ook aan u, om dit echt goed op de agenda te blijven houden en om te
vragen waar we staan en of het loopt zoals we dat willen. Dat is echt belangrijk,
want we hebben te veel meegemaakt in het verleden. Ik vind dat we nu in samenspraak
een start kunnen maken naar de toekomst toe. Door die visitatiecommissie zit daar
ook een borging op. De korpsleiding moet daar stevig op worden blijven bevraagd door
de Minister.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Naar mijn mening heeft de commissie-Sorgdrager niet simpelweg gezegd: we zijn er nog
niet. De commissie was uiterst kritisch op wat er lag. Laten we het probleem dus niet
downsizen. Er zijn wel stappen gemaakt, maar de tekortkomingen die we in het verleden
zagen, dreigen zich te herhalen. Dat is de uitkomst. Ik verwacht dan iets meer van
de Minister dan de leiding te vragen om daar aandacht aan te schenken en een visitatiecommissie.
Dat vind ik echt te weinig.
Minister Van Oosten:
Ik heb geprobeerd met empathie maar tegelijkertijd ook zakelijk te zeggen hoe ik ernaar
kijk. Dat zijn dus een paar zaken. Daar blijf ik bij. Undercoverwerk is ongelofelijk
belangrijk in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit. We gaan er dus voor
zorgen dat we dat niet kwijtraken. Dat is één. We gaan ervoor zorgen dat het personeelswelzijn
van de medewerkers wordt bewaakt. De Minister en de Kamerleden doen dat niet, maar
de korpsleiding gaat daar wel over. U mag van mij verwachten dat ik de korpsleiding
hiernaar vraag. Het andere gezag is het Openbaar Ministerie. Ik vind het belangrijk
dat die visitatiecommissie erbij gekomen is, ingesteld door de korpsleiding en het
Openbaar Ministerie, omdat die dit ook te bewaken heeft. Die moet ook van het vermogen
zijn om de korpsleiding heel kritisch aan te spreken als dat niet in orde zou zijn.
Ik ben dus minder somber gestemd dan mevrouw Mutluer in haar bewoordingen tegen deze
Minister, maar ik steek niet onder stoelen of banken dat we er bepaald nog niet zijn.
Dat is ook een feit, want Sorgdrager was kritisch en ik ook. Daarom ben ik blij met
die visitatiecommissie enzovoort, maar ik ga er wel mee aan de slag.
De heer Struijs (50PLUS):
Ik ben het helemaal eens met collega Mutluer, maar er mist één ding. In al die rapporten,
van Brouwer tot heden, was een heel belangrijk punt dat de strategische top het heeft
laten afweten. Dat werd klip-en-klaar gezegd. We hebben vijf jaar lang een strategische
opsporingscommissie gehad. Die heeft één keer tien minuten over dit onderwerp gesproken,
terwijl daar ondertussen van alles en nog wat aan de hand is. Mijn vraag is: hoe monitort
de Minister de rol van strategische top van de politie om ervoor te zorgen dat dit
uiteindelijk allemaal goed gaat komen?
Minister Van Oosten:
Ik kan minder ver terug in de tijd graven dan de heer Struijs wellicht kan, zeg ik
met alle respect voor de heer Struijs, maar het is wel een feit dat ik hier deze week
nog met de korpschef over heb gesproken. U mag van mij aannemen dat ik dat ook blijf
doen. Wij bewaken dat dit onderwerp een goede navolging krijgt, want dat verdient
het ook. Mijn ambtenaren zullen dat ook bewaken. Het werk van al die commissies verdient
dat, maar bovenal verdient het onderwerp dat. Enerzijds bedoel ik dan de undercoveroperaties
zelf, maar eerlijk gezegd is het personeelswelzijn van de mensen die het betreft nog
belangrijker dan dat. Verder wil ik een beetje wegblijven van de observaties die de
heer Struijs met mij deelt, want die brengen mij nu niet verder.
De heer Struijs (50PLUS):
Nee, maar ...
De voorzitter:
U bent eigenlijk door uw interrupties heen, maar dit is uw eerste keer en ik weet
dat dit onderwerp u na aan het hart gaat. Als u het echt heel kort doet ...
De heer Struijs (50PLUS):
Ik wil de controlerende taak van de Kamer bewaken. Ik wil graag in de verslagen terugzien
wat de strategische top hiermee doet, op alle niveaus.
Minister Van Oosten:
Ik zeg u toe dat ik in de volgende halfjaarsbrief politie terug ga koppelen waar we
staan. Dan kunt u het volgen. Dat lijkt me logisch. Als er een beter moment is, dan
laat ik het u weten.
De voorzitter:
Minister, gaat u verder. Waar bent u nu? De mapjes zijn redelijk leeg, zie ik.
Minister Van Oosten:
Het is hetzelfde mapje. Dit gaat over de volgorde binnen het mapje. Daar wilde ik
u niet mee lastigvallen, maar nu heeft u het toch gezien.
Mevrouw Michon-Derkzen vraagt naar de opmerking dat van sommige eenheden de bezetting
moet worden beperkt. De financiële opgave, 46 miljoen voor 2026, moet worden gedekt
met besparing op de voorziene personele bezetting van de eenheden. De basisteams,
gebiedsgebonden politiewerk en de opsporing worden in ’26 buiten beschouwing gelaten.
Er wordt ook niet getornd aan de instroom van aspiranten. Voor ’26 is de landelijke
financiële opgave vertaald naar een evenredige opgave voor alle eenheden. In de praktijk
betekent dat voor elke eenheid wel iets anders. Daar ziet de vraag van mevrouw Michon-Derkzen
eigenlijk op, denk ik. Daar wordt ook wel wat over gezegd in die brief. Wat het betekent,
is afhankelijk van de vraag in hoeverre er nog ruimte is tussen de bezetting en de
formatie. Bij de ene eenheid kan dat resulteren in het bijstellen van prognoses voor
uitbreiding en bij een andere eenheid in een strakkere vacatureregie. In ’26 blijft
uitbreiding van de bezetting bij de meeste eenheden mogelijk. De precieze consequenties
worden door de eenheden met de betreffende gezagen besproken. Bij het LOVP krijg ik
daar af en toe ook een terugkoppeling over, maar het ligt echt binnen de eenheid zelf.
Voor het maken van keuzes voor het op orde brengen van de begroting vanaf ’27 en verder
treft de korpschef met de gezagen nu voorbereidingen.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Even zodat ik het goed begrijp: uit de overleggen met burgemeesters horen we terug
dat er toch ... Dat geld moet ergens vandaan komen. Dan lijkt het een keuze tussen
een auto minder of een bureau dicht. Dat is dus contrair aan wat wij hier in de Kamer
met elkaar hebben afgesproken. Ik zie in de brief van 10 december staan: het kan in
een enkele eenheid zo zijn dat je de bezetting moet beperken. Betekent dat dan dat
die bezetting boven de formatie zat? Dat is eigenlijk mijn hele concrete vraag. Het
kan toch niet zo zijn dat we bezetting beperken terwijl die bezetting onder de formatie
zit?
Minister Van Oosten:
Er verdwijnen geen agenten; laat ik het even zo zeggen. Het is wel nodig dat we bij
sommige eenheden een strakker vacatureregime volgen. Dat zei ik eigenlijk net al.
Bij andere eenheden is er wel ruimte om mensen op dit ogenblik aan te nemen. Dat verschilt
een beetje per eenheid. Dat komt ook doordat de ene eenheid wat verder vooruitliep
in het aannemen van mensen dan de andere eenheid. Maar het is dus niet zo dat daar
in één keer een mindering in wordt aangebracht. Nee. Dat bedoelen we ook te zeggen
met het ontzien van het gebiedsgebonden politiewerk en de basisteams. Die 46 miljoen
euro waar we het over hebben, moet dus op een andere manier gevonden worden. Dat is
nog ingewikkeld zat, zeg ik er even bij. Dat is zonder meer waar. Maar dat geld vinden
we niet in het weghalen van agenten of iets dergelijks. Dat is bepaald niet de bedoeling.
Maar het is wel een feit – ook daar ben ik maar duidelijk over, en dat is waarschijnlijk
ook wat mevrouw Michon-Derkzen aangereikt krijgt door burgemeesters – dat het bij
sommige eenheden wat anders uitpakt dan bij andere eenheden. Dat is wel een feit.
Daarom moet de burgemeester het ook goed met de politie-eenheid doorspreken.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Het kan niet allebei waar zijn. Een burgemeester wil gewoon operationele agenten.
Een burgemeester heeft ook geen inzicht in de formatie en bezetting van een landelijke
eenheid. Ik zou ook zeggen: hou dat ook vooral zo. De burgemeester heeft geen zicht
op de bezetting op de nieuwe uitleg. Hou dat vooral zo. Juist in die gesprekken met
de burgemeesters wordt wel voorgelegd: er moet een onsje van af; zegt u het maar.
Dat kán niet waar zijn, want het gaat in die basisteams om de operationele inzet.
Het gaat om het bureau en het gaat om die auto's, die drie die er dan twee worden,
die dan in de nacht rijden. Ik begrijp gewoon niet dat de burgemeesters onderdeel
zijn van het onsje dat ervan af moet. Het kan dus niet anders dan dat de operationele
slagkracht daar last van heeft. Dat kan niet anders.
Minister Van Oosten:
Het weegt misschien ook precies. 46 miljoen euro is natuurlijk ook wel heel veel geld.
Maar de afspraak is dat de politieagenten in de basisteams, het gebiedsgebonden politiewerk
en de opsporing, in 2026 buiten beschouwing worden gelaten. Dat betekent niet dat
die 46 miljoen euro niet ergens gevonden gaat worden. Het betekent natuurlijk wel,
omdat die 46 miljoen ergens gevonden gaat worden met betrekking tot politiewerk, dat
je dat misschien wel binnen de politie merkt. Maar de basisteams zelf, het gebiedsgebonden
politiewerk, worden specifiek buiten beschouwing gelaten en er wordt ook niet getornd
aan de instroom. Maar ik ga ook niet zeggen dat er geen enkele opgave ligt bij welke
eenheid dan ook omdat het allemaal wel losloopt. Nee, die opgave van 46 miljoen euro
ligt er. Die wordt bij de ene eenheid wat sterker gevoeld dan bij de andere eenheid,
maar het uitgangspunt is dat we niet tornen aan die basisteams. En dan kom ik op de
slagkracht; dat is mijn laatste zin. De korpschef zal de operationele slagkracht ontzien
bij het oplossen van het financiële tekort voor ’26.
De voorzitter:
Ik zit even te kijken, hoor. Dit is de vierde interruptie. Ik vermoed dat ... Mevrouw
Van der Werf heeft nog één interruptie en mevrouw Coenradie ook. Gaat u die besteden?
Mevrouw Van der Werf (D66):
Ja, dan ga ik hier toch even op door. Ik denk dat de Minister nu, met alle respect,
een aantal dingen zegt die niet tegelijk waar kunnen zijn. Er zullen gewoon bepaalde
taken opgepakt moeten worden. Dan kun je op papier wel zeggen dat dat de basisteams
niet raakt, maar mensen zullen het toch moeten gaan doen, zeker als die 46 miljoen
nog niet gevonden is. Hoe gaan wij nou met elkaar kunnen controleren dat het politiewerk
gebeurt – daar ging de interruptie van mevrouw Michon uiteindelijk over – en dat we
elkaar niet volgend jaar aankijken en denken: jeetje, daar hadden we als Kamer op
moeten ingrijpen?
Minister Van Oosten:
In januari of februari hebben we een wetgevingsoverleg Politie, waarbij het ook gaat
over de financiën. Ik denk dat dit zonder meer ook een onderwerp is om daar nog een
keer nader met u te bespreken. Als dat niet vanuit mijn eigen initiatief komt, gaat
u daar zelf mee komen. Dan kan ik wellicht ook wat nadere duiding geven over hoe het
dan feitelijk uitwerkt. Ik kan niet anders zeggen dan dat het zo is. Als uitgangspunt
hanteren we echt dat de basisteams buiten beschouwing worden gelaten, maar dat betekent
wel dat er dan in de eenheden andere zaken moeten worden aangedragen om het op te
kunnen tellen tot die 46 miljoen euro. Anders kom je natuurlijk niet tot 46 miljoen
euro. Dat is natuurlijk hoe je financieel rondkomt. Maar we laten het gebiedsgebonden
politiewerk en de opsporing buiten beschouwing. We tornen niet aan de instroom. De
korpschef heeft aan mij bevestigd dat de operationele slagkracht wordt ontzien bij
het oplossen van dit financiële vraagstuk. Maar is het geld, 46 miljoen euro, dat
niet bij de politie komt? Ja, dat is waar. Dat wordt verdeeld over de eenheden, en
bij de ene eenheid landt dat wat zwaarder dan bij de andere eenheid. Althans, in uw
terugkoppeling.
De voorzitter:
We hebben inderdaad een wetgevingsoverleg Politie, voor het begrotingsonderdeel Politie.
Hoeveel moet de Minister nog?
Minister Van Oosten:
Nou, met dit blokje ben ik bijna klaar. Daarna heb ik nog de jaarwisseling en andere
belangrijke zaken. Dat is altijd spannend, maar dat lijkt een heel dun mapje te zijn.
De voorzitter:
Dan stel ik misschien voor om naar de jaarwisseling te gaan.
Minister Van Oosten:
Dat is goed.
De voorzitter:
Tenzij iemand nu een vraag of een antwoord echt gemist heeft? Mevrouw Coenradie.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik heb één vraag gemist, die denk ik hieronder was gevallen. Dat is de vraag over
de politietop en targets. Dat zijn dus meetbare doelen.
De voorzitter:
Meetbare doelen. Lukt het om die uit het mapje te vissen?
Minister Van Oosten:
Die komt zo.
De voorzitter:
Die komt zo. Dat gaan we regelen. Momentje, Minister. Meneer Van Dijk.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Er werd een heel belangrijk punt aangesneden door de collega's van VVD en D66, vind
ik. We schuiven het door naar het WGO, maar dat is nog best een poosje weg. Ik heb
ook het idee – maar dan val ik in herhaling – dat de Minister een paar dingen tegelijk
zegt die niet allebei waar kunnen zijn. Mijn vraag is dus: zou de Minister voor het
WGO op papier, via een brief, toch wat scenario's kunnen schetsen over waar we naartoe
gaan? Zo kunnen we wel meteen het diepe in als we het WGO hebben.
De voorzitter:
Momentje, collega's. De heer Van Dijk vraagt om een brief voor het WGO.
Minister Van Oosten:
Voor het WGO zal ik de Kamer informeren over de consequenties ten aanzien van dit
thema. Ik denk dat dat ook wat duiding geeft richting u. Ik weet even niet precies
wanneer dat WGO is, maar dat weet de griffie natuurlijk wel.
De voorzitter:
Dat noteren we. Het WGO is op 26 januari.
Minister Van Oosten:
Dan gaan we naar de jaarwisseling. Laten we maar beginnen met de meest fundamentele
vraag: hoe beschermen we agenten? Ik hoorde – dat wist ik eigenlijk niet – dat mevrouw
Van der Werf de initiatiefnemer was van een motie ten aanzien van gehoorbescherming.
Dat lees ik in mijn tekst en ik ga er gelijk van uit dat dat klopt. Ik kan u wel melden
dat er voor elke politiemedewerker goede gehoorbescherming beschikbaar is. Dat is
heel belangrijk. De politie heeft zich namelijk op verschillende vlakken voorbereid
op de jaarwisseling; dit is dus een element daarvan. Er is ook een integrale aanpak
over geweld tegen politieambtenaren vastgesteld, die gericht is op registratie, kennisontwikkeling
en vroegsignalering van geweld tegen politiemedewerkers, ook tijdens de jaarwisseling.
Daarnaast heeft de politie samen met partners een handhavingsplan voor een veilige
jaarwisseling opgesteld, waar een aantal van u ook wat vragen over heeft gesteld.
Mevrouw Michon-Derkzen en mevrouw Mutluer vragen naar de ambities en extra inzet voor
het opsporen van illegaal vuurwerk. De politie zet maximaal in op het goed laten verlopen
van de jaarwisseling. Dat doen we met allerlei partners, zoals de Douane, inspectiediensten
et cetera. We hebben actieweken gehad. Ik kan u vertellen dat de teller van het OM
vorige week op 72.000 kilo aan in beslag genomen vuurwerk stond. Er wordt extra ingezet
op controles van postpakketten. Meld Misdaad Anoniem is onverkort van kracht en de
politie volgt die tips natuurlijk ook op. We werken met buitenlandse partners. Daar
kom ik zo nog even op terug.
De voorzitter:
Mevrouw Van der Werf, u heeft ook drie interrupties gehad.
Mevrouw Van der Werf (D66):
Dan maak ik er een verduidelijkende vraag van, voorzitter. Er wordt natuurlijk altijd
gezegd: er zijn voldoende helmen en er is voldoende gehoorbescherming. Die motie ging
erover dat wij van verschillende bureaus hadden begrepen dat er een aantal middelen
beschikbaar zijn en dat die dan vervolgens worden verdeeld onder de ploeg die daarna
weer komt. Maar bij dit soort momenten is het natuurlijk heel belangrijk dat iedereen
die het lef heeft – ik zeg het maar even zo – om in te tekenen voor die shift, van
tevoren gewoon de zekerheid heeft dat die zijn eigen spullen kan hebben. Daar ging
die motie over en daar was brede steun voor in de Kamer.
Minister Van Oosten:
Gehoorbescherming is er voor iedereen.
Mevrouw Van der Werf (D66):
En helmen?
Minister Van Oosten:
Dat is een andere vraag. Dan moet ik die erbij pakken. Voor alle ME'ers zijn helmen
beschikbaar tijdens de jaarwisseling. Als andere politiemedewerkers worden ingezet,
dan wordt dat – ik heb het nu over de helmen – alleen gedaan als dat veilig kan. Als
een helm nodig is, dan wordt een helm ter beschikking gesteld.
De voorzitter:
Ik snap dat het antwoord misschien niet is wat u hoopte, maar het is wel een antwoord,
mevrouw Van der Werf.
Mevrouw Van der Werf (D66):
Dat is zeker een antwoord, maar het ging natuurlijk niet alleen om ME'ers. De outfitkwestie
is voor hen natuurlijk een hele andere dan voor mensen die vanuit de bureaus aan het
werk gaan die nacht.
Minister Van Oosten:
Ik hoopte mevrouw Van der Werf een compliment te maken door te refereren aan haar
motie ten aanzien van gehoorbescherming, die zich niet beperkt tot ME'ers. Maar ik
begrijp dat dit nu niet meer zo opgevat wordt. Gehoorbescherming is wat het is. Over
de helmen zeg ik: ik moet het nu laten bij dit antwoord.
Dan mevrouw Michon-Derkzen: wat doet de post- en pakketsector extra tegen vuurwerk?
Postbedrijven hebben een eigen verantwoordelijkheid bij het actief tegengaan en bij
het onderscheppen ervan. Men wordt daarop gecontroleerd door middel van steekproeven.
Postbedrijven worden ook benaderd. De postsector neemt dit serieus. In november is
er een congres voor de post- en pakketsector geweest. Ik heb begrepen dat daar weer
nieuwe ideeën zijn opgehaald en kansen naar voren zijn gekomen. Binnen het Post Interventieteam
en het Hit and Run Postteam van de politie wordt het aanpakken van illegaal vuurwerk
in de aanpak meegenomen.
De heer Struijs vraagt hoe ik tegen de vraagstukken rondom illegaal vuurwerk aankijk.
Daar heb ik al het een en ander over gezegd, maar de doelstelling van de politie is
om er met alle partners voor te zorgen dat het een feestelijke en veilige jaarwisseling
wordt. In de aanloop naar de jaarwisseling wordt onder andere ingezet op het opsporen
van illegaal verhandeld vuurwerk en het preventief aanspreken van bekende raddraaiers.
Daarnaast richt de politie zich op het handhaven van de openbare orde en het reageren
op incidenten. De jaarwisseling vraagt om een maximale inzet van alle partijen; dat
is wel waar. We spreken nu over de politie, maar ik mag de vrijheid nemen om dat wel
iets breder te trekken. Ook onze brandweerdiensten en noem het maar op hebben altijd
een ongekende, een ongekende, inzet rondom de jaarwisseling. Daarvoor past alleen
maar een grote waardering.
Mevrouw Straatman vraagt nog naar de capaciteit voor regio's. Daarnaast vraagt zij
welke monitoring er komt ten aanzien van incidenten. De capaciteitsverdeling is aan
eenheden. Een vraag om extra capaciteit vanwege een specifieke problematiek zal dan
ook door de burgemeester met de regioburgemeester en de politie-eenheid worden besproken.
Op haar verzoek tot monitoring van de effecten van het vuurwerkverbod kan ik melden
dat er voorlopig ook na de invoering van het verbod – maar daar zijn we dus nog niet
– jaarlijks een brief van mij zal blijven komen over het verloop van de jaarwisseling.
Ik denk dat dat goed is.
Dan de internationale aanpak van vuurwerk. Het is goed dat u weet dat ik mij samen
met mijn Franse en Zweedse collega ervoor inzet dit onderwerp hoog op de agenda te
houden. Ons hoofddoel is de wijziging van de Pyrorichtlijn. Dat is een richtlijn die
regels stelt over de productie, het vervoer et cetera van vuurwerk. We willen strengere
productie-eisen en we willen aanvullende eisen op het gebied van justitie en veiligheid.
Dat doen we door continu in gesprek te zijn over allerlei onderwerpen. Tot nog toe
heeft die inzet ertoe geleid dat voor de evaluatie van de richtlijn op dit punt door
de Europese Commissie een aanvullende studie zal worden gedaan. Dat is ook wel een
resultaat in het Europese. Verder zal ik hier ook van het Europees parlement aandacht
voor zijn. In dat kader heb ik recentelijk zelf een aantal Nederlandse Europarlementariërs
gesproken, omdat ik vind dat dit niet alleen ziet op vuurwerk voor de jaarwisseling,
maar ook omdat we weten dat vuurwerk soms wordt misbruikt voor explosies en verzin
het maar allemaal, en dat heeft al helemaal niks te maken met een feestelijke gebeurtenis.
Dan de afspraken met België en Duitsland over de invoering van een vuurwerkverbod.
Samen met het Ministerie van IenW onderhouden wij hierover een goed contact met België
en Duitsland. We informeren hen over het aanstaande vuurwerkverbod en de mogelijke
neveneffecten daarvan aan de grenzen. We bespreken ook of gezamenlijke acties et cetera
nodig en mogelijk zijn.
Dan andere belangrijke zaken. Ik praat gewoon door, voorzitter.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Eén vraag is niet beantwoord.
De voorzitter:
Welke vraag is niet beantwoord? Ik ga dan zo even kijken hoe ... We moeten namelijk
om 13.00 uur gaan stemmen. Wij zullen dit dus niet kunnen afmaken. Mevrouw Mutluer.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Heel kort. De kritiek van de Nederlandse Politiebond is dat de gecoördineerde vuurwerkbestrijding
een generieke politietaak is geworden. Wil de Minister daar nog een antwoord op geven?
De voorzitter:
Hij gaat daarop antwoorden.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dat vond ik namelijk onbegrijpelijk, gelet op de onderbezetting.
Minister Van Oosten:
Sorry, een generieke ...?
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Er was kritiek van de Nederlandse Politiebond dat de gecoördineerde vuurwerkbestrijding
een generieke politietaak is geworden. Dat vind ik onbegrijpelijk, gelet op de onderbezetting
waar de politie mee van doen heeft.
Minister Van Oosten:
Dat ga ik even na. Dat laat ik u ten spoedigste weten.
Mevrouw Coenradie vraagt hoe de politie de targets van de politietop controleert.
Ja, dat is een beetje een ander onderwerp, maar goed. De eerste verantwoordelijkheid
ligt bij de Minister, die de gezagsdrager in staat stelt om het gezag uit te oefenen.
Oftewel: de Minister bepaalt wat de politie kan en heeft gezag over wat de politie
doet. Dat doe ik. Daar geef ik uitvoering aan door jaarlijks de begroting, het beheersplan
en alle zaken daaromheen vast te stellen en voor de politie de kaders te stellen op
onderwerpen als personeel, huisvesting, ICT et cetera. Ik controleer de planning-
en controlcyclus, waarbij de politie om de zoveel maanden rapportages aanlevert. Zo
controleer ik ook de targets die de politietop zichzelf stelt.
Dan heb ik hier nogmaals de vraag over de gehoorbescherming. Ik heb nogmaals navraag
laten doen. Gehoorbescherming is er voor iedereen die de straat op moet.
Dan had ik nog het blokje andere belangrijke zaken. Waar is het gebleven? O, hier.
Moet de politie stoppen met de selectiepaal en de derde waarnemer bij preventief fouilleren?
Luister, ik heb vertrouwen in de professionele en neutrale inschatting van de politie
bij preventieffouillerenacties. Ik heb ook zelf die ervaring daarmee, waarbij ik in
een andere rol veiligheidsrisicogebieden heb moeten aanwijzen, waarbij de politie
op een naar mijn idee echt neutrale wijze werkt. Ik heb er nooit een ander signaal
over gekregen in de zin dat dit niet goed zou lopen. Maar conform het politiebestel
is het aan de lokale driehoek om in het geval van controle- en preventieffouillerenacties
de voorwaarden en eventuele inzet van middelen of waarnemers te bepalen. Dat bepaal
ik dus niet, zeg ik even als Minister. De selectiepaal kan worden ingezet als het
lokaal gezag die voorwaarde stelt. Dat is het antwoord. Ik dacht dat er op de achterkant
ook nog wat stond, maar dat is een andere vraag. Sorry.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Is de Minister het met mij eens dat het handelingskader, waar de Minister volgens
mij wél over gaat, waarin de afgelopen jaren niet alleen een tweede waarnemer maar
zelfs ook een derde waarnemer aan is toegevoegd tijdens preventief fouilleren, een
uitstraling heeft van weinig vertrouwen, dus van heel veel wantrouwen, in de politie?
Minister Van Oosten:
Ik geef heel duidelijk aan: ik vertrouw volledig op de professionaliteit van de politie
dat dat goed gaat. Ik vind ook dat je de politie kritisch mag benaderen. Daar zijn
ook mogelijkheden voor op het moment dat je dat in twijfel zou trekken. Maar ik heb
geen reden om te twijfelen aan de professionaliteit van de politie in het geval van
preventieffouillerenacties. Ik kan even niet overzien wat er precies in dat handelingskader
staat. Dat overzicht heb ik gewoon niet. Maar ik benadruk echt dat ik alle vertrouwen
heb in die professionele inschatting van de politie.
De voorzitter:
Ik ga eerst naar mevrouw Faber, want u bent ook door uw interrupties heen, mevrouw
Coenradie. U heeft er inmiddels ook al drie, mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik kan me toch haast niet voorstellen dat de Minister het niet met me eens is dat
de politie gewoon voor paal staat met die selectiepaal. Ik bedoel: hoe kan je nou
serieus genomen worden als politieagent? Ik vind het een serieus beroep. Dat moet
je niet ridiculiseren en mag ook geen slachtoffer worden van allerlei politiek correcte
spelletjes. Het komt gewoon omdat de politietop doodsbang is om beticht te worden
van etnisch profileren. Ik denk dat de agenten niet de straat op worden gestuurd om
etnisch te profileren. Er is ook een motie aangenomen van mevrouw Michon en van volgens
mij nog iemand; zij hebben die motie samen ondertekend. O, dat blijkt JA21 te zijn.
Die motie is met een meerderheid aangenomen in de Kamer. Die kan toch niet zomaar
terzijde worden gelegd? Die politieagenten staan toch gewoon voor aap met die paal?
Ik zou niet met die paal de straat opgaan, hoor.
Minister Van Oosten:
Nou, mevrouw Faber hoeft dat ook niet te doen, want zij is lid van de Tweede Kamer
en is dus in elk geval niet betrokken bij preventieffouillerenacties. Maar zonder
gekheid, ik heb net als u – ook u zegt dat duidelijk – alle vertrouwen in de professionele
en neutrale inschatting door de politie bij controles, ook in de sfeer van preventieffouillerenacties.
De bedoeling is dat dat aselectief gebeurt. Het is echt – dat wil ik toch ook maar
benadrukken – aan de lokale driehoek om te bezien of er in het geval van controle
en preventieffouillerenacties iets van een inzet daaromheen wordt bepaald. Ik ga er
toch ook van uit dat geen enkele lokale driehoek de bedoeling daarmee heeft om politieagenten,
om het zo te zeggen, voor paal te zetten. Dat meen ik echt. Ik durf te zeggen dat
ik er wel enig beeld bij kan hebben dat dit echt absoluut de bedoeling niet is. Schijnbaar
is hier in de ene of de andere lokale driehoek voor gekozen, maar ik weet ook dat
in heel veel lokale driehoeken hier niet voor is gekozen en die noodzaak op die manier
niet gevoeld of ervaren wordt.
Dan ga ik naar de laatste vraag aan mij.
De voorzitter:
Nee, want mevrouw Faber gaat hier nog iets over zeggen.
Mevrouw Faber (PVV):
Het is toch wel heel opvallend dat alleen de Amsterdamse politie ermee de straat op
wordt gestuurd en niet de andere korpsen. Dat is toch al een indicatie dat het niet
helemaal lekker zit.
Minister Van Oosten:
Ik ga mij niet uiten over de keuzes die in de lokale driehoek worden gemaakt. Ik constateer
wel dat daar misschien verschillende keuzes in worden gemaakt, maar dat is wellicht
ook weer afhankelijk van de specifieke omstandigheden van de situatie aldaar. Daar
stap ik verder niet in. Ik weet ook niet waar het allemaal wel of niet aan de orde
zou zijn, als ik eerlijk ben.
De voorzitter:
Mevrouw Coenradie, u zat driftig te gebaren. Wat is er aan de hand?
Mevrouw Coenradie (JA21):
Voorzitter, een punt van orde. Ik stel een vraag over preventief fouilleren. De Minister
is niet op de hoogte van het handelingskader, terwijl het handelingskader gewoon aangeeft
dat er drie waarnemers zijn. Agenten worden dus gecontroleerd door een waarnemer tijdens
preventief fouilleren en daar zit zelfs nog een waarnemer bij. Ik hoor hier heel mooie
woorden als «ik heb alle vertrouwen in de neutraliteit», maar dit staat gewoon haaks
op het beleid dat gemaakt is de afgelopen jaren. En dat beleid gaat blijkbaar gewoon
door. Ik vind het echt stuitend wat ik hier hoor.
De voorzitter:
U bent het hartgrondig oneens met de Minister, begrijp ik. Ik proef niet helemaal
een ordepunt, anders dan dat de Minister niet inging op het handelingskader. Laat
ik het zo doen dat ik de Minister nog een keer vraag om, als hij daartoe bereid is,
nog even op het handelingskader in te gaan.
Minister Van Oosten:
Ik heb het idee dat mevrouw Coenradie en ik het eigenlijk met elkaar eens zijn. De
professionaliteit van de politie staat voor mij voorop en daar heb ik het volste vertrouwen
in. Ik hoop dat u het mij niet te zwaar aanrekent, maar ik heb gewoon even niet het
overzicht of dat handelingskader van mij is of dat het iets lokaals is. Dat ga ik
even na. Ik wil dan ook even weten wat daar precies in staat. Maar voor mij staat
de professionele afweging die de politieagent zelf maakt voorop. Ik heb geen enkele
reden om daaraan te twijfelen. Ik geef u wel mee dat het uiteindelijk aan de lokale
driehoek is om besluiten te nemen over onder welke condities het plaatsvindt en over
of men überhaupt een veiligheidsrisicogebied instelt. Daar worden ook het Openbaar
Ministerie en de politie zelf bij betrokken. Daar kun je ook keuzes in maken, want
het begint ermee dat je zegt: ik ben bereid om zo'n veiligheidsrisicogebied aan te
wijzen. Je kan ook zeggen dat je dat niet doet, maar dan heb je ook geen preventieffouillerenacties.
Er zijn dus een aantal keuzemomenten die niet aan de Minister zijn, maar waarvan wij
wel hebben te organiseren dat die mogelijkheid er is door dat wettelijk te verankeren.
Daar laat ik het even bij.
De voorzitter:
We gaan een tweede termijn niet redden. Ik vind zelf dat alleen zenden naar de regering
en dan niet het antwoord horen, niet helemaal past bij ons. We hebben nog een minuut
of elf en om 13.00 uur moeten we stemmen. Eén. Zijn er nog vragen onbeantwoord gebleven?
Ik denk dat dat meevalt. Mevrouw Mutluer?
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik heb één kleine ...
De voorzitter:
Nee, is er een vraag onbeantwoord gebleven?
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ja, ik heb één vraag niet beantwoord gekregen. Die gaat over de ME-uitrusting en de
ambtsinstructie. Heb je daar vooraf een wetswijziging voor nodig? Daarop gaf de Minister
een heel snel antwoord, maar ik wil heel concreet weten of je wettelijk verplicht
bent om vooraf de ambtsinstructie te laten wijzigen voor de uitbreiding van het geweldsinstrumentarium.
Minister Van Oosten:
Het hoeft niet aangepast te worden voor pilots. We werken bij pilots met een tijdelijke
instructie.
De voorzitter:
Dat is een kort antwoord. Mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik zal het heel kort houden. Ik had het net even aangestipt: de certificering van
de boa's. De Politieacademie heeft aangegeven daarmee te stoppen in 2026. Dan zou
de certificering moeten komen vanuit een andere sector. Ik heb begrepen dat er mensen
toe bevoegd zijn om die certificeringen af te geven, maar dat mogen dan alleen mensen
doen die in vaste dienst zijn bij bepaalde werkgevers. In artikel 1h van de toetsing
geweldsbeheersing voor boa's staat dat die werknemer in vaste dienst moet zijn. Is
de Minister bereid om dat woordje «vaste» eruit te halen, zodat het ook iemand mag
zijn die gewoon in dienst is? Zo krijgen we meer lucht in de sector en is er een grotere
kans dat iedereen gecertificeerd kan worden.
De voorzitter:
Dat is een nieuwe vraag.
Minister Van Oosten:
Ja, maar ik ga heel kort antwoorden, als u mij dat toestaat.
De voorzitter:
Dat sta ik toe.
Minister Van Oosten:
We zijn in overleg met de Politieacademie om in 2026 dit toekomstgericht te regelen,
want we moeten niet meer hebben wat we hadden. Ik neem het punt van mevrouw Faber
even mee, want ik kan het onvoldoende overzien. Ik neem het wel even mee in het gesprek
met de Politieacademie. U hoort later terug of dat effect sorteert of niet.
De voorzitter:
Oké. Waar horen we dat terug? In het halfjaarbericht?
Minister Van Oosten:
Bij de boa's.
De voorzitter:
Natuurlijk, bij de boa's.
Minister Van Oosten:
Het ging over boa's, dus bij de boa-behandeling.
De voorzitter:
Helder. Afgesproken. Mevrouw Michon.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Als de leden het mij toestaan, wil ik in ieder geval een tweeminutendebat aanvragen,
want dan hebben we daar ook een tweede termijn.
De voorzitter:
De bedoeling was om eerst ...
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Mag ik het even afmaken?
De voorzitter:
... de onbeantwoorde vragen te doen. Daarna wilde ik nog een rondje doen om te kijken
of iemand nog iets dringends wil vragen, iets wat nú gevraagd moet worden, bijvoorbeeld
over de jaarwisseling, want dat wil je nu doen. Daarna wilde ik vragen wie er een
tweeminutendebat wil. Maar ik begrijp dat iedereen voldoende voorzien is op dit moment.
Dat is top. Dan vraagt mevrouw Michon bij dezen een tweeminutendebat aan. Dat is voor
na het reces, neem ik aan.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ja.
De voorzitter:
Oké. In reactie op wat u buiten de microfoon zegt: het wordt na het reces, Minister.
Zijn er vragen? Is er nog iets wat we de Minister moeten vragen? Nee. Is er iets onbeantwoord
gebleven? Nee.
Ik wil even de lijst met toezeggingen, waar nu aan gewerkt wordt, met elkaar doornemen.
– In het volgende halfjaarbericht politie informeert de Minister de Kamer over de leidraad
inzake de afdoening van winkeldiefstal. Dat is een toezegging in de richting van mevrouw
Michon-Derkzen.
– In het volgende halfjaarbericht politie informeert de Minister de Kamer over de stand
van zaken over heimelijk werken. Dat is een toezegging in de richting van de heer
Struijs.
– De Minister stuurt in mei ’26 een kabinetsreactie op het WODC-rapport over het demonstratierecht
naar de Kamer.
– De Minister stuurt voorafgaand aan het wetgevingsoverleg over het begrotingsonderdeel
Politie een brief met daarin een uitwerking van de financiële situatie bij de politie
én de consequenties daarvan voor de basisdienst.
Dit was een aangelegen punt, dus ik kijk even of dat klopt. Dat is correct. Oké, helder.
– De Minister beantwoordt voorafgaand aan het commissiedebat de vraag van mevrouw Faber
over de certificering van boa's.
Er is natuurlijk ook nog een schriftelijk overleg over de boa's, dus daar kan het
dan ook in meegenomen worden.
Is er iemand die nog een dringende vraag heeft nu? Het kan namelijk nog. We hebben
nog een paar minuten. Nee? Dan meld ik aan de collega's dat de procedurevergadering
start na de stemmingen.
Ik dank de Minister en zijn ondersteuning voor hun aanwezigheid. Ik dank alle aanwezigen
in de zaal en iedereen die dit debat gevolgd heeft. Uiteraard dank aan de collega's.
Ik vraag de Minister, ik denk ook namens de commissie, om aan de politie over te brengen
dat we hen een veilige jaarwisseling toewensen. Dan sluit ik deze vergadering.
Sluiting 12.53 uur.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
U. Ellian, voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid -
Mede ondertekenaar
A.M. Brood, griffier