Verslag van een commissiedebat : Verslag van een commissiedebat, gehouden op 17 december 2025, over kernenergie
32 645 Kernenergie
Nr. 163
VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT
Vastgesteld 23 januari 2026
De vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei heeft op 17 december 2025 overleg
gevoerd met mevrouw Hermans, Minister van Klimaat en Groene Groei, Vice-Minister-President,
over:
− de brief van de Minister van Klimaat en Groene Groei d.d. 17 maart 2025 inzake stand
van zaken na afronden technische haalbaarheidsstudies kernenergie (Kamerstuk 32 645, nr. 139);
− de brief van de Minister van Klimaat en Groene Groei d.d. 16 mei 2025 inzake voortgang
nieuwbouw kernenergie mei 2025 (Kamerstuk 32 645, nr. 156);
− de brief van de Minister van Klimaat en Groene Groei d.d. 16 juni 2025 inzake ontwikkelingen
versterking nucleair ecosysteem (Kamerstuk 32 645, nr. 159);
− de brief van de Minister van Klimaat en Groene Groei d.d. 16 juni 2025 inzake voortgang
programma Small Modular Reactors (SMR’s) (Kamerstuk 32 645, nr. 158);
− de brief van de Minister van Klimaat en Groene Groei d.d. 4 juli 2025 inzake uitkomst
verkennende gesprekken aandelen EPZ (Kamerstuk 32 645, nr. 160);
− de brief van de Minister van Klimaat en Groene Groei d.d. 17 oktober 2025 inzake voortgangsbrief
nieuwbouw kernenergie oktober 2025 (Kamerstuk 32 645, nr. 161);
− de brief van de Minister van Klimaat en Groene Groei d.d. 17 oktober 2025 inzake strategie
voor small modular reactors in Nederland (Kamerstuk 32 645, nr. 162);
− de brief van de Minister van Klimaat en Groene Groei d.d. 17 oktober 2025 inzake oprichting
Nucleaire Energie Organisatie Nederland BV (Kamerstuk 36 839, nr. 1).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De fungerend voorzitter van de commissie, Kröger
De griffier van de commissie, Nava
Voorzitter: Peter de Groot
Griffier: Nava
Aanwezig zijn acht leden der Kamer, te weten: Van den Berg, Flach, Peter de Groot,
Jumelet, Klos, Van Oosterhout, Teunissen en Vermeer,
en mevrouw Hermans, Minister van Klimaat en Groene Groei, Vice-Minister-President.
Aanvang 14.37 uur.
De voorzitter:
Dames en heren, een hele goede middag. Een hartelijk welkom aan iedereen op de publieke
tribune die belangstelling heeft voor dit debat, het commissiedebat Kernenergie, en
die hier vandaag ook is. Ik wil ook de mensen die het via de livestream volgen hartelijk
welkom heten. Een warm welkom ook aan de Minister en haar ondersteuning, en aan de
leden.
We gaan aan de slag met dit debat. We gaan beginnen met de eerste termijn aan de kant
van de Kamer. Elk lid heeft een spreektijd van vijf minuten. Ik zou willen beginnen
met een viertal interrupties naar elkaar toe. Ik zie het niet helemaal, maar ik geloof
dat de heer Flach wel zijn naambordje heeft staan maar er zelf nu nog niet is. Maar
dat zien wij zo meteen vanzelf.
De heer Vermeer (BBB):
De heer Flach komt wat later. Maar hij komt wel, heeft hij gezegd.
De voorzitter:
Dank voor die informatie. Dat betekent dat ik mevrouw Van Oosterhout namens GroenLinks-Partij
van de Arbeid het woord geef voor de inbreng in de eerste termijn. Gaat uw gang.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Veel dank, voorzitter. Wij willen dat de Nederlander betaalbare elektriciteit heeft,
elektriciteit waarmee onze bedrijven kunnen werken en die Nederland klimaatneutraal
maakt. Dat is goed voor de mensen, goed voor onze planeet en ook goed voor onze economie.
De vraag is of de keuze voor kernenergie hierbij helpt. We gaan daar nu veel tijd
en belastinggeld in steken, maar zal dat wel lonen? Voor mijn fractie is het helder:
als er ooit een vorm van kernenergie komt die betaalbaar is, volledig veilig is, geen
afval veroorzaakt en praktisch haalbaar is, dan willen we daar zeker met een open
blik naar kijken. Alleen bestaat die vandaag de dag nog niet. Nieuwe kernenergie is
duur en komt te laat. De afgelopen twintig jaar is in Europa slechts één nieuwe kerncentrale
met succes gebouwd, namelijk die in Finland. Die bouw duurde vier keer zo lang en
werd drie keer zo duur. Ook in Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk zien we vertraging
op vertraging en blijven kosten oplopen. Kan de Minister vertellen wat er zo anders
is hier in Nederland? Waarom zou Nederland niet met deze problemen geconfronteerd
worden? En als we in Nederland met gelijkwaardige vertragingen te maken krijgen, hoe
gaat de Minister er dan voor zorgen dat Nederland in 2035 alsnog een CO2-vrije elektriciteitsvoorziening heeft en de klimaatdoelen haalt? Als de kosten voor
de bouw blijven oplopen, wie zal die dan betalen? Moet de Nederlandse belastingbetaler
dan voor die extra miljarden opdraaien? Dan hebben we het nog niet over de kosten
van radioactief afval. We zien dat de prijs van kernenergie alleen maar toeneemt terwijl
de prijs van wind, zon en opslag al jarenlang daalt.
Voorzitter. De Minister pleitte eerder al voor technologieneutraliteit, bijvoorbeeld
op de Energieraad van september dit jaar. Er werd echter 14 miljard vrijgemaakt specifiek
voor kernenergie. De investeringskosten voor twee kerncentrales worden nu zelfs geschat
op minstens 20 tot 30 miljard en bij gebrek aan private investeerders is de kans groot
dat dit volledige bedrag bij de Nederlandse belastingbetaler terechtkomt. Zo veel
geld specifiek voor kernenergie is niet technologieneutraal. De Minister zou er ook
voor kunnen kiezen om dat bedrag in een open tender voor CO2-vrije capaciteit beschikbaar te stellen. Laat de markt vrij concurreren om de meeste
elektriciteit tegenover dat subsidiebedrag te zetten. Waarom kiest de Minister niet
voor deze technologieneutrale aanpak?
Voorzitter. Er wordt naar Zeeland gekeken voor één of twee kerncentrales. Kan de Minister
bevestigen dat andere locaties, zoals Eemshaven, niet meer serieus overwogen worden?
Als die één of twee centrales in Zeeland moeten komen, kan de Minister dan garanderen
dat er voor die kerncentrales niets gebouwd zal worden in natuur of op landbouwgrond?
De bouw en uitbating van kerncentrales leidt ook tot aanzienlijke stikstofuitstoot.
Wat betekent die uitstoot, bijvoorbeeld door de neerslag in de Brabantse Wal, voor
de woningbouw? Kan de Minister garanderen dat er geen vertraging op de woningbouw
komt als gevolg van deze bijkomende stikstof?
Voorzitter. Een nieuwe kerncentrale heeft koelwater nodig. Kan de Minister bevestigen
dat er geen koeltoren komt in Zeeland? Als de kerncentrales dan gekoeld worden met
water uit de Westerschelde zal dat leiden tot een ongeoorloofde opwarming van het
water. Dat is slecht voor schelpdieren en rivierkreeften. Bevestigt de Minister dat
er geen water uit de Westerschelde als koelwater gebruikt zou mogen worden als uit
de studie naar de ecologische effecten blijkt dat het koelwater tot milieuschade kan
leiden, onder andere door het potentieel overschrijden van de temperatuurnormen?
Tot slot, voorzitter. De provinciale staten van Zeeland hebben vijf eisen opgesteld.
Als niet aan die eisen is voldaan, zal de provincie niet meewerken aan een kerncentrale.
Zal de Minister deze eisen allemaal volledig inwilligen?
Voorzitter. Op basis van de feiten lijkt het erop dat kernenergie in Nederland weinig
realistisch is, enorm duur zal worden en dus niet zal bijdragen aan betaalbare elektriciteit
voor Nederlanders. We zien vandaag een eenzijdige, zelfs dogmatische, focus op kernenergie,
terwijl het in de realiteit vooral voor kopzorgen zorgt. Is de Minister het ermee
eens dat we deze te dure fata morgana van nieuwe kerncentrales beter achterwege kunnen
laten en beter volop kunnen focussen op wat in de praktijk wel werkt, vandaag al,
en wat zal leiden tot goedkopere groene energie, namelijk zon, wind en opslag?
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. U heeft een interruptie van de heer Van den Berg van JA21.
De heer Van den Berg (JA21):
Wat mij opvalt bij het betoog van mevrouw Van Oosterhout is dat het vooral dogmatisch
tegen kernenergie gericht is. Ik hoor haar veel eisen opwerpen. Ze zegt bijvoorbeeld
dat kernenergie geen impact mag hebben op landbouwgronden, op natuurgronden of op
de woningbouw. Ook vraagt zij of het wel goed is geregeld met de technologieneutraliteit
en heeft ze vragen over afval. Ik vind dat op zich terechte zorgen. Dat mag, maar
is zij dan wel bereid om al diezelfde vragen ook te stellen als het om bijvoorbeeld
andere technologieën gaat, zoals zonne- en windenergie?
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Ik begon mijn betoog als volgt: als er ooit een vorm van kernenergie komt die wel
betaalbaar en volledig veilig is, waarbij het afval goed geregeld is en die praktisch
haalbaar is, dan willen we daarnaar kijken. Dat is op dit moment echter niet het geval.
Als het gaat om hernieuwbare energie, dan zeg ik: dat is gewoon het winning team en
mijn fractie kiest voor het winning team.
De heer Van den Berg (JA21):
U zegt dat dit er niet is. U zegt dat er geen betaalbare, betrouwbare of veilige kernenergie
is, maar u zou eens naar Frankrijk moeten kijken. Dat is het land dat binnen Europa
de laagste CO2-uitstoot heeft. Het heeft ook de laagste energiekosten qua stabiliteit. Als u daar
niet naar kijkt en alleen maar wil kijken naar de negatieve effecten, dan vraag ik
mij echt het volgende af. U bent toch juist gericht op het reduceren van CO2 en op een leefbare planeet, dus dan kunt u zich toch niet de luxe permitteren om
dit voor de toekomst uit te sluiten?
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
We kunnen het ons absoluut permitteren om kernenergie uit te sluiten. We hebben kernenergie
niet nodig als we naar het energiesysteem van de toekomst willen. Dat laten meerdere
onderzoeken zien. Het is echt een politieke keuze om toch voor kernenergie te gaan.
Ik ben blij dat u even over Frankrijk begint. Daar hebben ze het energiebedrijf moeten
nationaliseren in de hoop nog enige vooruitgang te kunnen boeken met de kerncentrales
die al heel lang in aanbouw zijn. Dat heeft Frankrijk 10 miljard gekost voor slechts
17% van de aandelen. Er staat een megaschuld van meer dan 60 miljard op de balans
van EDF. De Franse begroting is dus niet iets waar ik jaloers op ben en zeker niet
iets wat ik hier in Nederland graag zou willen herhalen.
De voorzitter:
En met u bedoelt u de voorzitter, denk ik. Spreekt u via de voorzitter, is mijn verzoek!
Mijn tweede verzoek is om goed op de microfoons te letten. Dat verzoek is aan iedereen
gericht, want dan kunnen de mensen thuis het debat ook goed volgen. Ik verzoek u dus
om na het spreken de microfoon uit te zetten, actief! De heer Van den Berg voor zijn
derde interruptie.
De heer Van den Berg (JA21):
Wat zal ik hierover zeggen? Ik wil alleen aan u vragen of u kunt bevestigen dat er
elk jaar minstens enkele tientallen miljarden euro’s naar subsidies voor bijvoorbeeld
wind- en zonne-energie en batterijen gaan?
De voorzitter:
En ook voor u geldt: bedoelt u met «u» de voorzitter? Graag via de voorzitter spreken,
is het verzoek!
De heer Van den Berg (JA21):
Ja.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Ik kan in ieder geval bevestigen dat er elk jaar nog bijna 50 miljard naar fossiele
subsidies gaan. Daarnaast lijkt het me ook heel logisch dat we investeren in het energiesysteem
van de toekomst. Daar zijn subsidies voor wind en zon wat mij betreft ook onderdeel
van.
De heer Jumelet (CDA):
Ik heb mevrouw Van Oosterhout gehoord en zeker ook haar ideeën over kernenergie. Ik
hoorde in haar betoog dat vooral de inzet op wind en zon het idee is van GroenLinks-Partij
van de Arbeid. Ik zou heel graag een reactie willen krijgen op wat wij vorige week
via een onderzoek van TU Delft hoorden, waarin het gaat over de daadwerkelijke opbrengst
van wind op zee. Hoe kijkt mevrouw Van Oosterhout daartegen aan, juist als het gaat
om de energiemix. Met wind en zon wordt het toch een langdurig traject, zo lijkt mij,
ook met heel veel ruimtegebruik. Ik zou hier graag een reactie op willen.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Het onderzoek van TU Delft laat zien dat er wellicht in de toekomst, wellicht over
vijftien jaar, een probleem zou kunnen zijn. Ik ga ervan uit dat we over vijftien
jaar beter inzicht hebben in hoe we wind op zee nog verder kunnen optimaliseren. Het
is goed dat we daarnaar kijken. Wat mijn fractie betreft is er steeds meer dan voldoende
zicht op het nog verder versnellen van wind op zee. Met een combinatie van wind op
zee, zon en opslag denkt mijn fractie toe te kunnen naar het energiesysteem van de
toekomst. Dat kan sneller en goedkoper dan met kernenergie.
De voorzitter:
Heeft u nog een vervolgvraag, meneer Jumelet?
De heer Jumelet (CDA):
Ja, ik vroeg vooral naar de energiemix. Volgens mij hebben we juist gehoord dat die
mix zo nodig is om de totale energievraag te kunnen beantwoorden. Ik hoor mevrouw
Van Oosterhout eigenlijk zeggen: nou, ja, dat komt wel goed. Die conclusie lijkt mij
een beetje kort door de bocht.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Ja, het komt wel goed. Dat is niet zozeer omdat ik dat zo graag wil. Er liggen allerlei
onderzoeken aan ten grondslag die laten zien dat het zeker mogelijk is om het energiesysteem
van de toekomst in te richten zonder kernenergie.
De heer Vermeer (BBB):
Mevrouw Van Oosterhout noemt in een bijzinnetje de opslag. We hebben vorige week het
rapport van de Algemene Rekenkamer over waterstof gehad. Het kost minimaal vier keer
zo veel als eerst de bedoeling was en we krijgen het niet van wal. Klopt het, mevrouw
Van Oosterhout ... Laat ik het eens anders formuleren. Stel dat ik een motie indien
waarin ik zeg dat we dezelfde eisen die mevrouw Van Oosterhout stelt aan kernenergieontwikkeling,
ook moeten stellen aan wind- en zonne-energie, en dan aan het totale complex, inclusief
de opslag en de netwerkversterking die daarvoor nodig is. Gaat mevrouw Van Oosterhout
die motie dan medeondertekenen?
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Dan zou ik eerst naar die motie moeten kijken. Betaalbaar, veilig en met oog voor
de omgeving: dat zijn belangrijke randvoorwaarden. Laten we er vooral samen naar kijken.
De heer Vermeer (BBB):
Is mevrouw Van Oosterhout het met mij eens dat kernenergie veel minder ruimte beslaat
en dus met het oog op de omgeving veel gunstiger is dan bijvoorbeeld wind op land,
wind op zee en zonneparken?
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Nee, dat ben ik niet met de heer Vermeer eens.
De voorzitter:
De heer Van den Berg heeft nog één interruptie over. Die gaat hij nu inzetten. Gaat
uw gang, meneer Van den Berg.
De heer Van den Berg (JA21):
Ik maak me geen illusie meer dat ik u kan overtuigen, mevrouw Van Oosterhout, of dat
u nog zal overgaan op een positieve houding over kernenergie. Maar het volgende snap
ik gewoon echt niet. Er werden net onderzoeken genoemd die laten zien dat windturbines
veel minder opwekken dan is begroot. Er is begroot dat het om 56% van de gevallen
gaat waarin windturbines wél energie zouden opwekken, maar het gaat om 35%. Dat scheelt
gigantisch veel voor onze energiemix, maar u wilt daar gewoon niet naar kijken. U
zegt dat het wel goed komt in de toekomst, terwijl er onderzoeken liggen die onderbouwd
laten zien dat dat niet zo is. U wilt daar niet mee aan de slag; u wilt daarvoor blijven
wegkijken. U bevestigt daarmee eigenlijk dat u in de toekomst helemaal niet naar zo’n
systeem zou kunnen overgaan. Waarom wilt u dit nou niet gewoon meenemen?
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Dan heeft de heer Van den Berg niet goed geluisterd naar mijn reactie op de vraag.
Het onderzoek van TU Delft laat zien dat er mogelijk over vijftien jaar een probleem
zou kunnen zijn. Ik wil heel duidelijk aangeven dat ik blij ben dat we dat weten.
Uiteraard moeten we ernaar kijken hoe we het verder moeten optimaliseren.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Van Oosterhout. Tot zover uw inbreng. Ik geef nu het woord aan
de heer Van den Berg voor zijn inbreng namens JA21.
De heer Van den Berg (JA21):
Is dat niet mooi: mijn allereerste debat over kernenergie als kersvers Kamerlid? Ik
kan met recht zeggen dat als kernenergie een kindje zou zijn, ik er niet drie maar
vier zou hebben. Lieve meiden, daarmee wil papa natuurlijk niet zeggen dat jullie
drie minder belangrijk zijn dan nummer vier. Nee, integendeel. Maar kernenergie biedt
zó veel, nee, zelfs talloze voordelen. De toekomst van mijn meisjes is ermee gediend.
Voorzitter. Energie opwekken met kernenergie is wat mij betreft de beste manier die
er is. Om jullie mee te nemen in waarom ik dat vind, neem ik jullie even mee naar
de jaren negentig. Ik was al op jonge leeftijd geboeid door natuur, techniek en het
prachtige Nederlandse landschap met zijn adembenemende luchten. Ik heb een geweldige
opvoeding gehad, waarin mijn moeder mij uitlegde dat je met respect met de wereld
om moet gaan: met de mensen, met de buurt en met de omgeving.
Zo geboeid als ik was door techniek en ondersteund door mijn opa, die eerder in de
krachtcentrale in Huizen werkte, ben ik gaan uitzoeken hoe techniek eraan kan bijdragen
dat we met respect omgaan met onze wereld. Na wat studie over kolen, aardgas en olie
zag die 8-jarige Daniël heel snel dat die inferieur waren vergeleken met de nucleaire
techniek.
Voorzitter. Zoals ik al zei, zitten aan kernenergie zo veel voordelen dat ik ze namens
JA21 nog maar eens even opsom. Ik benadruk dat bij elk punt nucleair het beste scoort.
Ik noem een onbeperkte energievoorraad, weinig ruimtegebruik en de hoogste energieopbrengst
per vierkante meter, toch niet onbelangrijk voor Nederland. Verder heeft kernenergie
een lange levensduur van wel tachtig jaar en geen uitstoot, niet door luchtvervuiling
noch door CO2, met als gevolg de minste sterfgevallen per opgewekte energie. Ondanks dit alles
kent zij de minste mijnbouw en het minste gebruik van grondstoffen als beton en staal.
Het gaat gepaard met hoogwaardige werkgelegenheid en lage energieprijzen met wereldwijde
welvaart tot gevolg. En zo kan ik nog wel even doorgaan. Feit is: de jonge Daniël
had een missie. Hij wilde de wereldwijde transitie naar kernenergie versnellen. Dat
gaat sneller, maar het kan en het moet ook sneller dan nu.
Voorzitter, dat brengt me bij de agenda van vandaag. De SMR-strategie en de TNO-studies
die de Minister ons toe heeft gestuurd. Ik heb drie punten en drie vragen over deze
studie.
Ten eerste. SMR’s krijgen wat ons betreft te weinig een serieuze plek in de analyses.
De studies gaan vooral over kernenergie als containerbegrip. Ze vergelijken wel op
hoofdlijnen, maar de echte kracht van SMR’s zit juist in de slimme inpassingen, dus
colocatie bij de industrie of de warmte-industrie, warmtestroom en ontlasting van
publieke infrastructuur, zoals ons netwerk, waar dat kan. Mijn vraag aan de Minister
is dan ook: komt er nog een aparte SMR-integratiestudie die juist die colocatie en
de infrastructuurvoordelen expliciet meeneemt in plaats van SMR, zoals nu, een beetje
als een bijlage te behandelen?
Ten tweede. De vergelijking van wind op zee versus kernenergie staat of valt met één
begrip: de capaciteitsfactor. Voor de mensen thuis: de capaciteitsfactor is het gemiddelde
dat je haalt ten opzichte van het maximale vermogen. Als je één gigawatt op zee hebt
– zo meteen zijn het er twintig, en je rekent dan met 57%, dan verwacht je dat je
wat meer stroom krijgt dan wanneer je rekent met 42%, het percentage dat de Minister
laatst noemde, en zeker wanneer de praktijk nog lager uitvalt, namelijk rond de 35%.
Dat is niet zomaar een detail, want als je minder per gigawatt produceert, heb je
meer vermogen nodig voor dezelfde hoeveelheid stroom. En daar lopen we nu tegen aan.
Dan heb je dus ook meer aansluitvermogen, meer kabels, meer netwerkkosten en meer
ruimtebeslag in de gehele keten. Mijn vraag aan de Minister: waarom wordt er in de
vergelijkende studies van TNO nog gerekend met zulke optimistische aannames? Ik vraag
dat, omdat de Minister zelf heeft aangegeven dat het realistisch gezien lager ligt.
Maar in de studie van TNO van oktober staat nog steeds 57%. Is de Minister bereid
om TNO de opdracht te geven om de doorrekening te herijken met realistische capaciteitsfactoren
en om de gevolgen voor de systeemkosten expliciet aan de Kamer te rapporteren?
Ten derde. Als we het serieus menen met de strategische autonomie van Nederland en
Europa, dan moeten we voor 2030 al in de uitvoering zitten. Strategische autonomie
betekent dat we niet wachten op wat er ergens anders gebeurt, bijvoorbeeld totdat
er in Canada een «nth-of-a-kind»-reactor klaar is, en dat wij vervolgens achteraan
aansluiten. Dat betekent namelijk dat we structureel gaan achterlopen en dat haal
je niet meer in. Als je koploper wil zijn, stap je vroeg in met deelname, met partnerschappen,
met financiering en met een route die hier landt. Ik denk aan de Europese opties:
Allseas en Rolls-Royce. De vraag aan de Minister is dan ook: welke concrete route
kiest zij? Wanneer kiest zij die? En wat is het plan om het doel voor 2030 zichtbaar
en realistisch te behalen? Ik bedoel dat we niet alleen bij deze strategieën blijven,
maar dat we ook gaan richting vergunningen en naar het bouwen van.
Voorzitter, afrondend. JA21 wil kernenergie niet meer zien in plannen en in eindeloze
discussies, in locatieonderzoeken en in vergelijkingen met van alles en nog wat. Wij
willen aan de slag! Wij willen betaalbaarheid, zekerheid voor gezinnen, het mkb en
de industrie. Dat betekent: eerlijke aannames, vooral goede doorrekeningen en bovenal
tempo. Daar gaan we mee aan de slag.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw inbreng. Ik zie geen interrupties en daarom is nu het woord aan
de heer Jumelet. Hij spreekt namens het CDA. Gaat uw gang.
De heer Jumelet (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Het wereldrecord hoogspringen is nog nooit verbeterd door
de lat lager te leggen. (...) Ik moet echt even een moment stilte inbouwen!
De heer Vermeer (BBB):
Voor het dramatische effect.
De heer Jumelet (CDA):
Maar het is wel goed, hoor, om daar even bij stil te staan.
Voorzitter. De komende tijd moet er wat ons betreft voor energieonafhankelijkheid,
betrouwbaarheid en leveringszekerheid echt een belangrijke extra stap gezet worden.
We moeten ambitie tonen en gewoon maximaal gaan doen. Andere Europese landen investeren
al volop in de industriële deelname aan nieuwe nucleaire programma’s en als Nederland
te lang wacht met het zetten van de volgende stap, lopen we een achterstand op die
moeilijk in te halen is, zowel economisch als technologisch.
Vrijdag jongstleden presenteerde de heer Wennink zijn rapport De route naar toekomstige
welvaart. Het toont nadrukkelijk het belang aan om knopen door te hakken, te kiezen
en richting te geven. Een citaat uit het rapport: «Alleen met een realistische en
robuuste energiestrategie kan Nederland zowel klimaatverantwoord als economisch concurrerend
blijven.» Voor het CDA is duidelijk dat we het ons niet kunnen permitteren om kernenergie
uit te sluiten of om af te wachten.
Voorzitter. De Minister schetst in de brieven de laatste stand van zaken met betrekking
tot de inzet op kernenergie. Over de nieuwbouw van de twee kerncentrales die voorzien
zijn, schrijft de Minister dat dat niet in 2035 maar op zijn vroegst eind jaren dertig
in beeld is. Dat duurt dus nog minstens vijftien jaar. Minstens. Ik heb twee vragen
over het proces, allereerst over wat er nu speelt. De concept-Notitie Reikwijdte en
Detailniveau is deze zomer ter inzage gelegd. Wanneer wordt de definitieve notitie
gepubliceerd?
De tweede vraag gaat ook over het proces, maar vooral over het zicht erop. Wat is
het tijdpad nu voor een definitief besluit over de locatie van de eerste twee nieuwe
kerncentrales? Dat is niet alleen om de lat hoog te leggen, maar juist ook om draagvlak
te houden in de regio waar een nieuwe centrale komt. Het gaat niet alleen om de centrale,
maar ook om de impact van alle activiteiten. Denk aan de benodigde grondposities en
aan het arbeidspotentieel tijdens de bouwtijd en erna. Er wordt gesproken over een
Rijk-Regiopakket met de provincie Zeeland. Is de Minister bereid om no-regretmaatregelen
te nemen om te investeren, bijvoorbeeld in onderwijs en in afspraken met toeleveranciers?
Dat is een vraag aan de Minister.
Voorzitter. Het kabinet heeft terecht benadrukt dat er kansen zijn voor het Nederlandse
bedrijfsleven in de aanbestedingstrajecten, maar dat er snel duidelijkheid moet komen
over het tijdpad.
Voorzitter. Dat geldt ook voor de SMR’s. In het rapport van de heer Wennink lezen
we wat er mogelijk is als de randvoorwaarden op orde zijn. «Investeringspijplijn»
wordt dit genoemd. Genoemd worden onder andere Allseas, SMR, Thorizon en misschien
ook wel eerder aan de orde, dichtbij in het Verenigd Koninkrijk, Rolls-Royce. Het
is een belangrijke kansrijke ontwikkeling. Als er nog geen besluit is over de twee
nieuwe grote kerncentrales en de aanlandingscapaciteit van wind op zee lager uitvalt,
kunnen SMR’s nodig zijn als onderdeel van de landelijke productiecapaciteit. SMR’s
kunnen bedrijfsspecifieke oplossingen bieden die losstaan van het landelijk elektriciteitsnet,
zoals elektriciteit achter de meter of proceswarmte op hoge temperatuur. Ondanks de
strategie voor de SMR’s blijkt de urgentie op het realiseren wat ons betreft nog niet
altijd. In de brief van 17 oktober van de Minister staat: «Voor het vergroten van
kernenergie in de energiemix wordt in de eerste plaats gekeken naar de bouw van grootschalige
kerncentrales. Daarnaast worden de mogelijkheden voor kleine modulaire kerncentrales
(hierna SMR’s) meegenomen». Ik heb een vraag aan de Minister. Ziet de Minister ook
de urgentie voor het stimuleren van de bouw van SMR’s? Hier is locatiekeuze ook belangrijk.
De berichten uit het Verenigd Koninkrijk zijn hoopvol, net zoals de innovatiekracht
van Allseas en Thorizon. Gaan deze ontwikkelingen niet sneller dan de bouw van de
grote centrales en moeten we daar dan niet meer op inzetten, natuurlijk zonder dat
die ontwikkelingen elkaar in de weg zitten?
Voorzitter. Tot slot de financiën, zeker niet onbelangrijk in dezen. Laten we constateren
dat we aan de vooravond staan van grote investeringen door de oprichting van een nucleaire-energieorganisatie,
een beleidsdeelneming in de vorm van een besloten vennootschap. Een vraag die dan
openstaat, is of de Minister al goedkeuring heeft van de Europese Commissie voor het
verlenen van staatssteun aan NEO NL. De investeringskosten van twee kerncentrales
worden geschat op, zo lezen we, 20 tot 30 miljard. Het zou niet raar zijn om de vraag
te stellen: hoe is deze schatting opgebouwd? Zijn daar bijvoorbeeld ook de omgevingskosten
bij meegerekend?
Voorzitter. Dinsdag 9 december presenteerde de Algemene Rekenkamer het rapport over
de aanleg van het waterstofnetwerk. Een van de kritiekpunten was de informatievoorziening
naar de Kamer. Een vraag aan de Minister: vindt u als leerpunt dat projecten als deze
waarover we nu spreken het predicaat «groot project» moeten hebben, omdat het bij
deze projecten belangrijk is dat de Minister zicht heeft op onzekerheden, deze beheerst
en grote financiële of technische wijzigingen aan de Tweede Kamer meldt? De risico’s
zijn groot met dit soort grote projecten, maar het belang is dat des te meer. Graag
ook hierop een reactie van de Minister.
Voorzitter, tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel. U heeft een interruptie van mevrouw Teunissen namens de Partij voor de
Dieren. Gaat uw gang.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Ik hoor ronkende teksten van het CDA over energieonafhankelijkheid, leveringszekerheid
en dat we anders achter gaan lopen. Dat zijn allemaal grote, grote woorden. Ik wil
even naar de inhoud. De uraniumvoorraad staat voor ongeveer 38% onder Russische controle.
Als er meer kerncentrales komen, dan leidt dat nog meer tot afhankelijkheid van Rusland.
Hoe ziet het CDA dan dat extra kerncentrales kunnen bijdragen aan die energieonafhankelijkheid?
De heer Jumelet (CDA):
Dat is een belangrijk punt dat ingebracht wordt. Ik denk dat het goed is om ook goed
na te blijven denken over waar dat uranium vandaan komt. U zegt dat dat voor 38% uit
Rusland komt. Uit mijn rekensom blijkt dan dat het overgrote deel ergens anders vandaan
komt. Ik denk dat het goed is om dat wel goed in het oog te houden, maar wat betreft
alle innovaties is het belangrijk om ook te kijken hoe je met bijvoorbeeld SMR’s ook
de doelstelling kunt halen van de inbreng van kernenergie in de energiemix.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
«Erover blijven nadenken» ... Ik denk dat het heel urgent is om te kijken hoe we omgaan
met uranium. Het is echt heel erg noodzakelijk dat Nederland en ook Europa onafhankelijk
worden van regimes als dat in Rusland. Ik hoor het CDA zeggen dat het om 38% gaat
en dat we uranium dus wel ergens anders vandaan kunnen halen. Als we kijken naar de
indirecte controle, dan zien we dat de afhankelijkheid van Rusland nog veel groter
is. Dan gaat het namelijk om de helft van de uraniumvoorraad. Ongeacht waar het vandaan
komt, moet je het van ver halen, terwijl windenergie en zonne-energie hier nu beschikbaar
zijn en ook nog eens veel goedkoper zijn. De vraag is dus alsnog: is het dan niet
beter om in ieder geval op safe te spelen en in te zetten op wind en zon en op echt
innovatieve technieken, zoals opslag van elektriciteit, dan ons nu opnieuw vast te
ketenen aan verre, vaak dubieuze regimes en regimes waar we helemaal niet van afhankelijk
willen zijn, zoals in Rusland?
De heer Jumelet (CDA):
Over grote woorden gesproken: vastketenen. Volgens mij gaat het erom dat we slim en
innovatief nadenken en blijven nadenken over de energiemix. We zien natuurlijk inderdaad
alle inzet op wind, ook op land, maar zeker in de toekomst op zee. Daar hebben we
met elkaar veel van te verwachten, denk ik. Tegelijkertijd zetten we in op zon, maar
we zien ook dat er andere dingen nodig zijn, zeker als het gaat om het balanceren
van het net. We weten allemaal dat we er met alleen zon en wind niet komen. Het gaat
zeker ook over een stabiele energievoorziening. Wat ons betreft kan kernenergie daar
ook een goede bijdrage aan leveren. Dus ik denk dat het goed is om te blijven nadenken
en de innovaties te benutten. Die zijn ook buiten de landen die u net noemde te vinden.
Ik denk dat we daar samen in moeten optrekken, ook in Europa.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Ik heb nog een vraag. Het is zeker goed om te blijven nadenken, ook over de kosten
van kernenergie, want naarmate wind en zon goedkoper worden, gaan steeds meer mensen
die energie gebruiken en gaan steeds minder mensen afhankelijk worden van kernenergie.
Dus de verwachting is dat kernenergie steeds duurder wordt. Bovendien hebben we ook
al verschillende rapporten gezien, zoals dat van TNO, waaruit blijkt dat er scenario’s
zijn waarbij ook het bouwen van de kerncentrales enorm veel duurder wordt dan is ingeschat.
Waarom zou je dan die route kiezen in plaats van de goedkope optie te kiezen, namelijk
zon en wind, die ook nog veel schoner is? Kan het CDA dat uitleggen?
De heer Jumelet (CDA):
Het CDA kan heel veel uitleggen, maar ik denk dat het op dit punt goed is om nog een
keer te verwijzen naar de energiemix die gewoon nodig is. We hebben gezien dat er
heel veel problemen zijn met wind op land. Heel veel mensen zijn in opstand gekomen
tegen de grote windturbines die hier en daar in het landschap verschijnen. Ik denk
dat we daarvan geleerd hebben. Dan komt wind op zee aan de orde. Daar zien we ook
weer prognoses die toch wat bijgesteld gaan worden. We zien met elkaar ook de zonne-energie.
We weten dat we met elkaar ook meer nodig hebben. Wat ons betreft is kernenergie ook
een onderdeel van de energiemix, vooral om die stabiele energievoorziening met elkaar
voor de toekomst te borgen. Ik denk dat dat ons verhaal is. Ik denk ook dat de vraag
gerechtvaardigd is om met elkaar in de SMR’s te stappen, vooral als het gaat om de
industrie en het dichtbij gebruiken ervan. Ik kan me ook voorstellen dat daar bij
de Partij voor de Dieren aandacht voor is.
De voorzitter:
Uw laatste interruptie.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Als ik het goed begrijp, gaat het het CDA om de energiemix. Daarin mis ik altijd energiebesparing.
Ik hoor het CDA eigenlijk nooit over een energiebesparingsplan. Het CDA heeft ook
altijd tegen onze moties gestemd voor een nationaal energiebesparingsplan. Nu is de
Minister van KGG bezig met de implementatie van de Europese richtlijn over energiebesparing.
Kan het CDA erin meegaan dat we ook in die energiemix volop moeten inzetten op besparing
en dat we dan pas moeten kijken welke aanvullende bronnen er nodig zijn, in plaats
van nu al uit te gaan van het idee dat kernenergie nodig is in die mix?
De heer Jumelet (CDA):
Als woordvoerder op dit mooie onderwerp vind ik besparing heel belangrijk, want daar
begint het mee; dat heb ik ook op andere plekken weleens mogen zeggen. Ik kan me daar
dus wel in vinden. Ga ik zover mee met uw plannen en voorstellen? Dat moet ik ook
even goed met de mensen bespreken, want dat heb ik niet helemaal scherp. Maar besparing
is natuurlijk allereerst en vooral belangrijk, want dan hoef je ook niets op te wekken.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Ik hoor de heer Jumelet een heel pleidooi houden over het versnellen van de ontwikkelingen
richting SMR’s. We zien ondertussen ook dat het voor u denk ik grote voorbeeld NuScale
daar volledig op is geklapt. Dat is eigenlijk het enige commerciële SMR-bedrijf in
het Westen. Dat project is stopgezet. Waarom? Omdat het veel te duur werd. De kosten
zijn geëxplodeerd; het zou minstens drie keer zo veel gaan kosten. Het is dus ook
een groot vraagstuk of die SMR’s economisch zinvol zijn. Daarnaast staan er nog grote
vraagstukken open over in hoeverre die het afvalprobleem kunnen oplossen. Hoe kijkt
de heer Jumelet dus naar al deze vraagtekens die er nog zijn rondom SMR’s?
De heer Jumelet (CDA):
Ik ben niet zo deskundig als mijn buurman hier ter rechterzijde. Ik kan maar één ding
zeggen: ik heb tot nu toe een heel aantal rapporten gelezen en een aantal gesprekken
gevoerd, en daar krijg ik toch een heel ander beeld uit. Ik constateer ook dat de
heer Wennink vrijdag ook de SMR’s noemde. Ik ga er dus van uit dat dat ook niet zomaar
uit de duim gezogen is. Ik kan me dus voorstellen dat zich natuurlijk allerlei problemen
voordoen en dat er nog allerlei vraagstukken te beantwoorden zijn, maar ik krijg de
signalen dat dit zeer kansrijk is. Ik denk dat we dat ook moeten onderzoeken en benutten
als dit kansrijk is. Met het voorbeeld dat u noemt ben ik niet bekend, maar ik denk
dat het goed is om vooral ook de andere kant van de zaak te bekijken.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van uw inbreng. Dan geef ik het
woord aan de heer Vermeer namens de BBB-fractie.
De heer Vermeer (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Nederland heeft dringend behoefte aan het ontwikkelen van
kernenergie. Daarmee maken we onze energievoorziening betrouwbaarder, verduurzamen
we de industrie, creëren we werkgelegenheid en stimuleren we innovatie. Onze huidige
energiemix is onbetrouwbaar, onhoudbaar en instabiel. Windturbines leveren alleen
stroom als het waait en zonnepanelen alleen als de zon schijnt. Daarnaast kampt Nederland
met een gigantisch probleem in de vorm van netcongestie. De vraag naar energie is
groot. Inmiddels staan meer dan 14.000 bedrijven in de wachtrij.
Dat probleem heeft de overheid zelf gecreëerd, want er is willens en wetens ingezet
op vormen van energieopwekking die onbetrouwbaar en instabiel zijn. Je kunt geen fulltime
economie runnen met een parttime energievoorziening.
Voorzitter. Kernenergie is niet afhankelijk van weersomstandigheden, levert een constante
en betrouwbare basislast en stoot geen CO2 uit. Dat maakt kernenergie volgens BBB een onmisbare schakel in de Nederlandse energiemix.
Het al eerder gememoreerde rapport van Wennink wijst de politiek en de overheid ook
op onze verantwoordelijkheid voor betrouwbare en betaalbare energie.
Als we investeren in kernenergie, zorgen we voor een betrouwbare en stabiele energievoorziening
met zeer hoge leveringszekerheid. Daar snakken bedrijven en burgers naar. Daarom de
volgende vraag aan de Minister. Is de Minister het met BBB eens dat de aanbevelingen
uit het rapport-Wennink aansluiten bij het kabinetsbeleid over kernenergie? Vindt
de Minister dat de aanbevelingen uit het rapport-Wennink over het innoveren van nieuwe
hernieuwbare energiebronnen, waaronder kernenergie en SMR’s, uitgevoerd moeten worden?
Wat is de status van het overleg met betrekking tot de Zeeuwse voorwaarden die gesteld
zijn aan de projecten? Daar werd hier door mevrouw Van Oosterhout al eerder aan gerefereerd.
Voorzitter. De regering heeft een strategie ontwikkeld voor SMR’s, smalle modulaire
reactoren; kleine, sorry. «Smal» is wel een Nederlands woord; dat gaat wel weer goed.
BBB is blij dat deze technologie welverdiende aandacht krijgt, maar de inhoud van
de strategie stelt ons nog niet geheel tevreden. Meerdere decentrale overheden hebben
plannen of verkenningen lopen voor de realisatie van SMR-projecten. De provincie Gelderland
voert bijvoorbeeld verdiepend onderzoek uit om geschikte locaties aan te wijzen. De
gemeente Opmeer heeft al een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd. De strategie die er
nu ligt, is voor decentrale overheden met ambitie op het gebied van kernenergie echter
niet optimaal.
In de Voorjaarsnota van 2023 is 65 miljoen gealloceerd voor de SMR’s, met name voor
onderzoek daarnaar. Kan de Minister toelichten hoeveel van dit geld inmiddels al is
uitgegeven en/of toegezegd aan onderzoek uitgevoerd door het ministerie zelf, onderzoek
van provincies of gemeentes en ondersteuning van private initiatieven en ondernemingen?
Er staat bijvoorbeeld in het plan van het kabinet dat het kabinet prioriteit geeft
aan grote kerncentrales en dat SMR’s pas in toekomstscenario’s worden betrokken. Dat
standpunt doet volgens BBB geen recht aan de grote kansen die SMR’s met zich meebrengen.
Nu is het moment om in te zetten op verdere ontwikkeling en uiteindelijke realisatie.
Daarmee geven we de Nederlandse industrie een koploperspositie op het gebied hiervan,
zoals ook VNO-NCW in een brief aan de Tweede Kamer aangeeft. Daarom de volgende vragen
aan de Minister. Is de Minister het met VNO-NCW eens dat vroegtijdig investeren in
SMR’s het Nederlandse bedrijfsleven een goede uitgangspositie geeft voor innovatie
en ontwikkeling? Is de Minister van plan om conform de oproep van VNO-NCW de SMR-strategie
aan te scherpen en concreter te maken?
Voorzitter, tot slot. Het rapport-Wennink wijst ons op onze verantwoordelijkheid om
te zorgen voor een betrouwbare en betaalbare energievoorziening. Zonder deze randvoorwaarden
is de Nederlandse economie niet klaar voor de toekomst. Wat BBB betreft moeten we
de kans voor een betrouwbare basislast zonder CO2-uitstoot met beide handen aangrijpen en vol inzetten op de ontwikkeling van kernenergie
en SMR’s in het bijzonder.
Heb ik nog tijd over?
De voorzitter:
U heeft nog een enkele seconde, ja.
De heer Vermeer (BBB):
Een enkele seconde. Ik zou mevrouw Teunissen, die hier net even de stelling poneerde
dat wind- en zonne-energie totale onafhankelijkheid betekenen, willen zeggen dat dit
toch echt flauwekul is, want wij hebben voor de hele installatie, het aanlanden en
het opslaan in accu’s et cetera mineralen en allerlei elementen nodig die uit de hele
wereld moeten komen, ook uit landen als Congo en China. Dat «onafhankelijk» noemen
is – laat ik het netjes zeggen – niet juist.
De voorzitter:
Dank voor uw inbreng. U heeft een interruptie van mevrouw Van Oosterhout.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Als er een nieuwe kerncentrale in Zeeland zou komen, dan gaat dat mogelijk ten koste
van landbouwgrond. Bij koeling met water uit de Westerschelde bedreigt het opgewarmde
water in de Westerschelde schelpdieren en kreeften, wat ook ten koste gaat van vissers
en kwekers. Ik ben dus benieuwd waarom de BBB pleit voor kernenergie in Zeeland als
die ten koste gaat van boeren en vissers.
De heer Vermeer (BBB):
Op de locaties die ik gezien heb, heb ik geen koe zien lopen of geen biet verbouwd
zien worden, dus ik denk dat dat wel mee zal vallen. Maar zelfs al zou dat zo zijn,
dan is het ruimtebeslag van kernenergie nog vele malen lager dan alle andere geplande
projecten voor zonne- en windenergie, én alle installaties die daar nog extra voor
nodig zijn voor de aanlanding. We hebben het gezien met de aanlandingsplannen, bijvoorbeeld
bij de Waddenzee, bij het zogenaamde PAWOZ-traject, waar kabels dwars door hoogrenderende
gronden getrokken moeten worden, door gebieden waar pootaardappelen voor de hele wereld
geteeld worden, waar 800 miljoen mensen in de wereld van eten. Het lijkt mij heel
verstandig om dat allemaal goed tegen elkaar af te wegen. Dan zul je zien dat je met
kernenergie veruit het minste ruimtegebrek zult krijgen.
De voorzitter:
Dan zijn we nu aan het einde gekomen van uw bijdrage. Ik geef het woord aan mevrouw
Teunissen namens de Partij voor de Dieren. Gaat uw gang.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Voorzitter. Onlangs kreeg ik een brief in mijn brievenbus van de Minister van Klimaat
en Groene Groei, met daarin de vraag of ik een kerncentrale in mijn omgeving zie zitten.
Ook de mensen in onder andere Groningen en Zeeland kregen deze vraag voorgelegd. Die
mensen ervaren nog elke dag de verregaande gevolgen van de misstappen van deze regering
in het energiebeleid. Het is dus volstrekt terecht dat onder anderen duizenden Zeeuwen
nee zeggen tegen de bouw van kerncentrales.
Voorzitter. Nederland staat op het punt om nog zo’n gigamisstap te begaan. Het kabinet
presenteert kernenergie namelijk als goed voor het klimaat en goed voor meer energiezekerheid.
Tegelijkertijd laten haar eigen stukken zien dat de beloofde voordelen uiterst onzeker
zijn, terwijl de nadelen keihard zijn. Het gaat dan om miljarden aan publieke kosten,
decennia aan doorlooptijd, radioactief afval en grote risico’s. Het rapport-Wennink
van vandaag zegt ook dat we die decennia aan doorlooptijd van die megagrote projecten
gewoon niet meer moeten willen voor de toekomst. Om goed te kunnen blijven concurreren,
moeten we veel meer inspelen op de actualiteit en veel flexibeler en kleinschaliger
zijn. Dat is niet hoe de Partij voor de Dieren in de wedstrijd zit, maar dat is zeker
een argument voor andere partijen hier aan tafel.
Voorzitter. De Minister verwijst naar de analyse van TNO, waarin staat dat kernenergie
zou bijdragen aan lagere systeemkosten en stabiele prijzen. Diezelfde analyse van
TNO laat echter zien dat er ook andere scenario’s zijn: kerncentrales die géén besparing
opleveren of die het energiesysteem duurder en inflexibeler maken, zeker als de energievraag
lager uitvalt dan nu wordt aangenomen of als de kosten hoger uitvallen. Dat laatste
is ook in andere landen gebeurd; kijk bijvoorbeeld naar het Verenigd Koninkrijk. Kernenergie
zal alleen maar duurder worden, naarmate we meer wind- en zonne-energie gaan gebruiken.
Kortom: waarom blijft de Minister vasthouden aan kernenergie, terwijl dat zo ontzettend
veel, met name financiële, risico’s voor de belastingbetaler met zich meebrengt, de
milieu-impact nog steeds heel groot is en wind- en zonne-energie steeds goedkoper
wordt?
De heer Vermeer (BBB):
Mevrouw Teunissen zegt dat kernenergie duurder zal worden, zodra er meer zonne- en
windenergie komt. Is mevrouw Teunissen het dan ook met mij eens dat zonne- en windenergie
duurder wordt, zodra er meer kernenergie komt?
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Er zitten natuurlijk verschillende aspecten aan het duurder worden van kernenergie.
Aan de ene kant heb je de investeringskosten. Die kunnen al heel hoog gaan oplopen.
De risico’s zijn heel groot. Ik noemde net het Verenigd Koninkrijk al als voorbeeld
van waar de kosten gigantisch zijn gaan oplopen, tot meer dan 50 miljard. Je hebt
daar dus al een groot financieel risico. Als we een staatsdeelneming gaan oprichten,
komt dat allemaal op het bordje van de belastingbetaler. Dan heb je inderdaad nog
de energiekosten, die natuurlijk steeds hoger worden. Dit komt omdat je te maken hebt
met grote investeringen en een lange doorlooptijd. Dat moet ook allemaal terugverdiend
worden. De energierekening wordt naar verwachting vrij hoog. Die wordt ook alleen
maar hoger als wind- en zonne-energie beter kan gaan concurreren. De heer Vermeer
zegt dan – ik zie het al aankomen – dat je in dat geval toch beter kan inzetten op
heel veel kernenergie, omdat het dan goedkoper wordt ten opzichte van wind- en zonne-energie.
Ik zeg dan dat je ook moet kijken naar de andere effecten van kernenergie. Ik noemde
net al het uranium, maar ik noem ook het opslaan van het kernafval. Iedereen vindt
dat een ouderwets argument, maar het is nog steeds aan de hand. We hebben nog steeds
geen goede mogelijkheden in Nederland om kernafval op te slaan zonder dat het grote
gevolgen heeft voor het milieu. Het is dus helemaal niet wenselijk om op lange termijn
in te zetten op meer kernenergie in plaats van op meer wind- en zonne-energie.
De voorzitter:
Meneer Vermeer, dit is uw laatste interruptie.
De heer Vermeer (BBB):
Ik vind het fijn dat mevrouw Teunissen al een deels antwoord geeft op een vraag die
ik niet eens zelf hoefde te stellen. Ze tipt het daarmee precies goed aan. Ik moet
er over de opslag van kernafval wel bij zeggen dat ik mevrouw Teunissen echt wil verzoeken
om een keer naar COVRA te gaan, waar dat kernafval opgeslagen wordt. Ze zien daar
namelijk dat het stralingspercentage boven op die opslag lager is dan hier in deze
zaal. Voor de rest wil ik haar er ook op wijzen – ik wil haar ook vragen of ze dat
onderkent – dat wij ook voor die hele wind- en zonne-energie gigantisch veel hulpbronnen
nodig hebben. Die hulpbronnen moeten wij ook uit andere landen halen. Daar komt ook
afval uit. Dan heb ik het nog niet eens over de slijtage van turbinebladen, waarmee
ook weer oplosmiddelen verspreid worden. Onderkent mevrouw Teunissen dat dat dus ook
niet vrij van afval is?
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Eerst even over dat afval. Nederland probeert nu te gokken op diepe ondergrondse opslag
in zout- en kleilagen of op export naar het buitenland. Nou, export naar het buitenland
is ontzettend duur en dat opslaan in die kleilagen heeft heel veel effecten, negatieve
effecten, op de omgeving. Daarom zeg ik dat de milieu-impact heel groot is. Ik ontken
niet – dat is het tweede punt, de afhankelijkheid van uranium – dat je ook met wind
en zon tot op zekere hoogte afhankelijk bent van andere landen. Congo werd net genoemd.
Dat is zo, maar het grote verschil is dat je, als je het inzet in combinatie met een
forse energiebesparing, natuurlijk al de materialen die nodig zijn voor wind en zon
kunt recyclen. Die kun je makkelijk recyclen. Daar moet veel meer op ingezet worden,
maar dat doen we op dit moment niet. We moeten natuurlijk toe naar een systeem waarbij
je het minimum aan grondstoffen gebruikt dat nodig is voor wind en zon, wat je vervolgens
gaat recyclen. Net als gerecycled staal. Daar hebben we ook heel veel discussie over,
over of dat nou de toekomst is. En met uranium gaat dat eerlijk gezegd gewoon niet.
Je kunt uranium maar één keer gebruiken. Dat is ook de reden waarom het nu opgaat.
De heer Flach (SGP):
Ik zit te luisteren naar het betoog van mevrouw Teunissen en ik kan me niet aan de
indruk onttrekken dat daar wat inconsistenties in zitten. Om te beginnen denk ik dat
wind en zon op dit moment eigenlijk helemaal niet goedkoper worden. We lezen juist
steeds meer berichten over dat wind op zee veel duurder uitpakt, maar daar gaat mijn
vraag nog niet eens over. Die gaat er met name om dat wij in een land waar de zon
niet altijd schijnt en waar de wind niet altijd waait – de zogenaamde «dunkelflaute»
– gewoon weken in het jaar zouden hebben waarin er dan gewoon geen stroom zou zijn.
Daar hebben we een stabiele vorm van energie voor nodig. Als we in 2030 de kolencentrales
uit gaan zetten, wat de Partij voor de Dieren volgens mij graag wil, en we afgaan
van gasgestookte centrales, welke stabiele vorm van energie blijft er dan over voor
mevrouw Teunissen om de Nederlander gewoon warm te houden in de winter?
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Er zijn, om even met dat laatste punt te beginnen, heel veel andere manieren waarop
je een stabiele energievoorziening kan hebben. Denk bijvoorbeeld aan geothermie. Dan
hebben het over verwarming, hè. Je hebt natuurlijk elektriciteit voor heel veel toepassingen
en deze vraag gaat heel specifiek over verwarming. Daar hebben we geothermie, maar
daar zet het kabinet onvoldoende op in. Dat had veel sneller gemoeten. Hier in Den
Haag zelf hebben we stadsverwarming en we hebben een prachtige geothermiebron precies
onder de stad liggen. Daar zou je de hele stad van kunnen verwarmen, maar dat gebeurt
op dit moment niet. Je hebt dus heel veel mogelijkheden om tot een stabiele energievoorziening
over te gaan. Ik heb het ook al gehad over opslag. Dat is ook een van die zaken. Je
moet inderdaad inzetten op flexibiliteit, dus op momenten waarop het nodig is, waarop
die windmolens kunnen gaan draaien, waarop er windaanbod is, moet je zorgen dat je
dat op een goede manier kunt opslaan. Dat zijn allemaal zaken die je op kortere termijn
kunt regelen dan dat je een kerncentrale kan bouwen. Dat duurt veel langer en die
tijd hebben we gewoon niet.
De heer Flach (SGP):
Die tijd hebben we inderdaad niet, want over vier jaar gaat die kolencentrale al uit.
Dat is een besluit waar we ons echt nog een keer goed op moeten bezinnen, want er
zijn gewoon geen stabiele alternatieven op dit moment. Geothermie is nog lang niet
in de mate voorhanden dat we er warmpjes bij zullen zitten en kernenergie gaat het
ook niet halen overigens, dus we zullen die tussenoplossing nodig hebben. U heeft
gelijk, ik had nog niet eens wat gevraagd over elektriciteit. Op het moment dat de
zon niet schijnt en de wind niet waait, hebben we toch elektriciteit nodig, steeds
meer, om al die auto’s te laten rijden en noem maar op. Dus we zullen stabiele vormen
van energie nodig hebben. Er bestaat geen schone energie. De metalen die we nodig
hebben voor windmolens – dat is dan de vraag die ik bij mevrouw Teunissen neerleg
– hebben toch ook een negatief effect op milieu en omgeving? Er is in China – daar
worden die metalen gewonnen en daar worden veel chemicaliën bij gebruikt – een gifmeer
van 120 vierkante kilometer. Bent u het met mij eens – ik kom tot mijn vraag – dat
er eigenlijk geen schone vorm van energie bestaat?
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Eerst even over het eerste punt, dat we een stabiele vorm van energie nodig hebben,
ook als de kolencentrales sluiten. Daar ben ik het mee eens en daar moeten we ook
zeker naar zoeken. Alleen is het punt hier in dit debat dat kernenergie daar niet
de oplossing voor is. De heer Flach zegt het net zelf: over vijf jaar moeten die kolencentrales
sluiten als we aan de klimaatdoelen willen voldoen. Dat betekent dat we over vijf
jaar een alternatieve bron moeten hebben. De bouw van een kerncentrale duurt minimaal
veertien jaar. Daarvoor biedt het dus geen oplossing.
Dan het tweede punt, over de grondstoffen. Ja, de Partij voor de Dieren erkent dat
geen enkele vorm van energie honderd procent schoon is. We erkennen ook dat je grondstoffen
uit het buitenland moet halen. Daarom is de Partij voor de Dieren hier tot in den
treure bezig geweest om ervoor te zorgen dat er meer aan energiebesparing wordt gedaan.
Tot nu toe wordt dat onvoldoende gedaan. Ik ben er ontzettend boos over dat we op
die manier niet aan de klimaatdoelen voldoen. Er is continu uitstel en afstel geweest
van hele effectieve energiebesparingsmaatregelen. Alleen de energiebesparingsplicht
voor bedrijven al is jarenlang niet gehandhaafd. Ik vind het dus een beetje ongemakkelijk
om dan bij de Partij voor de Dieren neer te leggen dat we ook voor schone energie
afhankelijk zijn van andere landen. Dat erkennen we al heel lang. Daarom moeten we
vol inzetten op energiebesparing.
De heer Flach (SGP):
Het gaat er mij niet om dit bij één partij neer te leggen. Het was mevrouw Teunissen
zelf die erover begon in een interruptie, volgens mij op collega Jumelet. Zij wees
erop dat er een afhankelijkheid is van andere regimes. Ik denk dat het een illusie
is om te veronderstellen dat er een honderd procent zuivere, veilige en schone made-in-Hollandenergie
bestaat die tot in lengte van jaren elke dag voorhanden is. Ik ben het wel met mevrouw
Teunissen eens – daar sluit ik dan maar mee af – dat we ongelofelijk zouden moeten
inzetten op energiebesparing. Dat heeft de SGP ook in het programma staan. Elk kilowattuur,
elke joule die je bespaart, hoef je ook niet op te wekken en in te voeren. Je hoeft
er ook geen dure investeringen voor te doen. Laten we dan in ieder geval als lichtpuntje
neerzetten dat we het daarover eens zijn.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Dat vind ik een hele mooie oproep. Ik hoop dat we hierover samen nog veel goede voorstellen
kunnen doen. Dank.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Ja, voorzitter. Ik wil nog even kort ingaan op kernafval. Er is gewoon geen bewezen
en werkende oplossing voor het kernafvalprobleem. Nederland gokt nu op de diepe ondergrondse
opslag in zout- of kleilagen of op export naar het buitenland. Dat zijn allebei opties
vol onzekerheden en, als ze al haalbaar blijken, met hoge kosten. Is de Minister het
ermee eens dat het volstrekt onwenselijk is dat er nog meer kernafval bij komt?
Voorzitter. Dan over de leveringszekerheid van uranium. Het kwam al in interrupties
voorbij. De Minister beweert dat er een ruim en divers aanbod van uranium is. Dat
terwijl Europa nu 38% uit Rusland importeert. De vraag is dus hoe de Minister ervoor
gaat zorgen dat we voor uranium minder afhankelijk worden van andere regimes. Wat
bedoelt ze met een ruim en divers aanbod?
Dan nog de milieueffecten rond Borssele. Het koelwater tast ecosystemen in de Westerschelde
aan. Vissterfte, stikstofdruk en warmer water verergeren biodiversiteitsverlies in
een al zwaarbelast ecosysteem. Waarom heeft de Minister deze signalen uit milieuonderzoeken
tot nu toe niet serieus laten toetsen? We zien in de beantwoording dat dat nu pas
gebeurt. Waarom neemt ze de effecten op ecosystemen niet al mee aan de voorkant, bij
de verkenning? Nu kiest ze eigenlijk al een potentiële locatie en gaat ze daarna de
milieueffecten onderzoeken. Volgens mij moet het andersom en moet het aan de voorkant
al getoetst worden. Graag een reactie.
Voorzitter, tot slot. Beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald. De Partij voor
de Dieren zegt: gebruik die miljarden voor de versnelling van de energietransitie,
voor energiebesparing en voor wind, zon en echt innovatieve technieken zoals geothermie
en opslag in plaats van voor dure, gevaarlijke en milieuonvriendelijke kernenergie.
Dank u wel.
De heer Jumelet (CDA):
Ik ben benieuwd naar het standpunt van de Partij voor de Dieren over SMR’s. Daarmee
kunnen we het dichtbij, in de setting van industrie, mogelijk maken om het net minder
te belasten. Ik weet niet hoe de Partij voor de Dieren daarover spreekt. Is het gewoon
«geen kernenergie»? Is dat het dan? Of willen we met elkaar toch ook verder kijken
dan alleen maar nee, bijvoorbeeld naar de toepassingen van SMR’s.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Laat ik vooropstellen dat de Partij voor de Dieren openstaat voor alle échte oplossingen
voor de klimaatcrisis. We zitten midden in die klimaatcrisis. Het CDA vraagt hoe ik
denk over de kleine centrales. Dat is een niet-bewezen techniek. We zitten midden
in de crisis: laten we dan gebruikmaken van de technieken die al bewezen werken. Daar
zetten we nu onvoldoende op in. Er zijn er net heel veel voorbijgekomen. Laten we
ons daar nou op richten. Laten we daar die miljarden in steken. Ik ben niet tegen
onderzoek naar die reactoren, maar dat alles vergt een lange adem en daar hebben we
gewoon geen tijd meer voor.
De voorzitter:
Meneer Jumelet, uw laatste interruptie.
De heer Jumelet (CDA):
Ik zie een opening. Ik hoorde namelijk geen nee. Ik hoorde juist dat de Partij voor
de Dieren daarop geen «nee» zegt als blijkt dat het wel kan. Daar ben ik blij mee.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Het is altijd goed als het CDA zoekt naar openingen, maar in deze fase van de klimaatcrisis
moet je echt heel goed prioriteiten stellen. Ik zie welke prioriteiten het kabinet
stelt. Ik vind het een beetje jammer dat we inzetten op heel grote projecten. Gelukkig
zet het kabinet nog niet vol in op de kleine kerncentrales, maar dit zijn allemaal
technieken die veel te veel tijd vragen om daarmee de klimaatdoelen te kunnen halen.
We lopen achter. De kans dat we die doelen halen, is kleiner dan 5%. Dat heeft gewoon
enorme gevolgen voor komende generaties en dat brengt enorme kosten met zich mee.
Laten we dat dus alsjeblieft nu niet prioriteren. Laten we inzetten op echt duurzame
technieken.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Klos van D66. Gaat uw gang.
De heer Klos (D66):
Dank u wel, voorzitter. D66 staat voor een schoon, robuust en betaalbaar energiesysteem,
voor een systeem dat mensen kunnen vertrouwen, vandaag en morgen. We willen onze strategische
onafhankelijkheid versterken met duurzame energie van eigen bodem. Wind op zee en
zonne-energie vormen voor ons de basis, aangevuld met flexibiliteit, opslag en energiebesparing.
Tegelijkertijd weten we dat de energietransitie niet eenvoudig is. Het licht moet
blijven branden, ook als de zon niet schijnt en de wind niet waait. Daarom sluiten
wij geen technieken bij voorbaat uit. In dat bredere systeem kan kernenergie een rol
spelen. Voor D66 rust daar geen taboe op. Maar juist omdat kernenergie grote gevolgen
heeft voor mensen en hun leefomgeving en voor de portemonnee van de belastingbetaler,
moeten keuzes zorgvuldig worden gemaakt: transparant, democratisch en met oog voor
risico’s. Vanuit die uitgangspunten kijken wij vandaag naar de voorstellen van het
kabinet.
Voorzitter. Een keuze voor de nieuwbouw van grote kerncentrales is een keuze die wij
niet alleen voor vandaag maken, maar ook voor komende generaties. Het gaat om miljarden
aan publiek geld, om ingrijpende gevolgen voor de leefomgeving en om besluiten die
je niet zomaar terugdraait. TNO stelt dat de kosten voor twee tot vier kerncentrales
vergelijkbaar zijn met de kosten van extra wind op zee met flexibiliteit. Juist daarom
is het belangrijk dat wij hier scherp naar kijken: wat levert deze keuze ons op en
welke risico’s nemen we daarbij? Daarover heb ik de volgende vragen aan de Minister.
Waarom kiest het kabinet expliciet voor de bouw van vier kerncentrales? In scenario’s
met een lagere vraag naar energie leiden kerncentrales juist tot hogere systeemkosten.
Hoe robuust is het kabinetsbeleid als de industriële vraag juist achterblijft?
Voorzitter. Ik kom bij de financiering van de kerncentrales. Private partijen blijken
alleen te willen instappen als vrijwel alle risico’s bij de Staat liggen. Het kabinet
kiest er daarom voor de bouwfase vrijwel volledig publiek te financieren en een staatsdeelneming
op te richten. Dat betekent dat de risico’s in de eerste plaats bij de belastingbetaler
komen te liggen. Dat vraagt om scherpe keuzes en om een heldere verantwoording. Daarom
vraag ik de Minister waarom het kabinet ervoor kiest om de risico’s volledig publiek
te maken. Wat is het worstcasescenario voor de uiteindelijke kosten en welke financiële
waarborgen zijn er als dit scenario zich voordoet? Ik stel deze vraag ook gelet op
hetgeen we net van de Algemene Rekenkamer over waterstof hebben gehoord.
Tot slot. Diezelfde Algemene Rekenkamer pleit voor duidelijke «go/no go»-momenten
voor de Kamer. Waarom kiest het kabinet bij NEO NL voor voortgangsbrieven en niet
voor expliciete Kamerbesluiten bij de faseovergangen?
Voorzitter. Ik kom bij mijn laatste onderwerp: de SMR-strategie. We zien dat het kabinet
bij grote kerncentrales voortvarend te werk gaat. Maar diezelfde vaart en ondersteuning
missen we nog bij SMR’s. Dat is opvallend, want juist SMR’s bieden kansen voor ons
energiesysteem. Ze kunnen helpen om de industrie sneller te verduurzamen door schone
elektriciteit en hogetemperatuurwarmte. Door SMR’s slim te plaatsen, namelijk dichtbij
waar de energie nodig is, kunnen ze bovendien bijdragen aan het verminderen van netcongestie.
Daarom heb ik de volgende vragen aan de Minister. Waarom kiest de Minister ervoor
om vooral in te zetten op opschaling van grootschalige kerncentrales, terwijl SMR’s
eerder inzetbaar kunnen zijn én kunnen helpen bij het verminderen van netcongestie?
Het kabinet stelt geen extra middelen beschikbaar voor «first-of-a-kind»-SMR’s vanwege
de hoge risico’s. Welk realistisch pad ziet de Minister dan naar een eerste SMR in
Nederland, zeker nu andere landen daar wél fors in investeren? Welke risico’s ziet
te Minister als Nederland internationaal gezien achteropraakt, nu landen als Canada
en het Verenigd Koninkrijk zwaar inzetten op publieke financiering?
Voorzitter, dank. Ik hoop op een goede beantwoording.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Ik ga ervan uit dat mijn collega van D66 draagvlak onder de lokale bevolking ook heel
erg belangrijk vindt. In Borsele hebben 100 inwoners de Borselse voorwaarden opgesteld.
Die zijn door de gemeenteraad unaniem aangenomen. Is collega Klos van mening dat deze
voorwaarden integraal gerespecteerd dienen te worden als in Borsele een kerncentrale
wordt bijgebouwd?
De heer Klos (D66):
Voorzitter, excuus dat ik mijn microfoon tijdens de interruptie aan heb laten staan.
Ik vind dat dit wel het uitgangspunt zou moeten zijn. Ik vind het ook goed dat mevrouw
Van Oosterhout vraagt naar het draagvlak. We zien namelijk dat het draagvlak voor
het idee van kerncentrales, in Zeeland juist groter is dan gemiddeld in Nederland.
In Nederland ligt de steun daarvoor gemiddeld op 53%, terwijl die zelfs in de stad
waar de steun daarvoor het minst is, in Middelburg, al op 57% ligt. In alle dertien
gemeenten van Zeeland steunt een meerderheid kernenergie. Ik denk dat we bij dit soort
heel grote, ingrijpende besluiten juist moeten kijken naar de voorwaarden die uit
de samenleving komen en de steun die daarvoor leeft, en dat dit ook een rol moet spelen
bij de locatiekeuze.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Flach van de SGP.
De heer Flach (SGP):
Voorzitter, dank u wel. Weet u wat mij opviel? Het Verenigd Koninkrijk heeft ondanks
de enorm gestegen bouwkosten van Hinkley Point C vorig jaar een routekaart voor een
verviervoudiging van de nucleaire capaciteit gepresenteerd. We moeten inderdaad verder
kijken dan de bouwkosten. De SGP is voor een verbreding van de energiemix en voor
meer kerncentrales. Het maakt onze energievoorziening minder afhankelijk van de fluctuerende
stroomproductie van wind- en zonneparken. Daar hebben we voldoende over gewisseld.
TNO heeft in zijn systeemkostenanalyse voor wind op zee gerekend met een capaciteitsfactor
van 57%. In de gevoeligheidsanalyse is ook een capaciteitsfactor van 47% meegenomen.
Dat zou neerkomen op 7 miljard aan extra systeemkosten. TU Delft heeft laten zien
dat de capaciteitsfactor niet 10%, maar zelfs 20% lager is, namelijk 35%. Dan gaan
we dik over die 7 miljard aan extra kosten heen. Bij kerncentrales zijn de kostenrisico’s
minder groot. Deelt de Minister de conclusie dat we door in te zetten op kerncentrales,
onder aan de streep waarschijnlijk duidelijk goedkoper uit zijn dan met meer wind
op zee?
Voorzitter. Bewoners van gebieden waar mogelijk kerncentrales komen, vrezen de komst
van lelijke koeltorens. Eén van de zoekcriteria is daarom de beschikbaarheid van koelwater.
In enkele stukken geeft de Minister echter aan dat koeltorens wél binnen het locatieonderzoek
vallen. Deltares heeft aangegeven dat het mogelijk is dat door de opwarming van het
oppervlaktewater op minder koelwater kan worden gerekend dan gedacht. Gaat de Minister
koeltorens echt vermijden?
De Minister zoekt naar locaties waar ze op één locatie twee kerncentrales kan inpassen,
dus twee in één voorkeursbeslissing. Ik snap dat vanuit het perspectief van kostenefficiëntie,
maar het biedt wel heel weinig speelruimte. De Commissie m.e.r. geeft aan dat het
locatieselectieproces opnieuw doorlopen moet worden als je daar later van terug moet
komen. Waarom kiest de Minister er niet voor om ook locaties mee te nemen waar één
centrale gerealiseerd kan worden?
In het verlengde hiervan heb ik een vraag over de locaties die in Zeeland in beeld
zijn. Eén daarvan is de Paulinapolder bij Terneuzen. In Zeeland hebben honderden hectares
de bestemming industrie. Een deel daarvan ligt braak. Toch is de Paulinapolder met
maagdelijke landbouwgrond óók in beeld. U kunt zich voorstellen dat omwonenden zich
verschrikt afvragen: wat gaat hier gebeuren? Deelt de Minister mijn mening dat vooral
gekeken moet worden naar industriegebieden zoals de Tweede Maasvlakte en bij Borssele?
Overigens deel ik de opvatting die net gebezigd werd: dat kan alleen maar als je de
Borselse voorwaarden helemaal invult. Ik ben dus blij met de uitspraken van GroenLinks-PvdA
en D66.
De Minister wil in het inkoopproces een optie opnemen voor de bouw van een derde en
vierde kerncentrale. Dat snap ik. In dit verband heb ik wel een vraag. Die zijn nog
heel ver weg. Ondertussen wordt wereldwijd volop gewerkt aan de ontwikkeling van kleine
modulaire reactoren. Die zijn mogelijk goedkoper en nog beter in te passen in het
energiesysteem. Zou het kunnen dat wij tegen die tijd beter kunnen inzetten op SMR’s
dan op extra traditionele centrales?
Voorzitter. Het Rijk gaat zich een grote financiële last op de schouders halen. Het
is nodig, maar het is wel zaak dat we als Kamer goed de vinger aan de pols houden.
Wil de Minister de Kamer binnenkort informeren over het hele besluitvormingsproces
en de planning, zoals geadviseerd door de Rekenkamer? Het lijkt me in ieder geval
goed om de rijksdeelneming aan te wijzen als groot project. Een groot deel van de
werkzaamheden aan nieuwe kerncentrales kan door Nederlandse bedrijven worden opgepakt.
Door vroegtijdige betrokkenheid van onze bedrijven kan ook vaart worden gemaakt en
worden onaangename verrassingen voorkomen. Hoe gaat de Minister dit oppakken?
Ik dank de Minister voor de brief met de nationale strategie voor kleine modulaire
reactoren. Ik maak uit de brief op dat de Minister pas wil instappen als de eerste
SMR’s in het buitenland zijn gebouwd. Zo kennen we Nederland toch niet, zou ik zeggen.
Thorizon, een Nederlandse start-up, stuurt aan op een demonstratieproject met hun
SMR-ontwerp in 2030. Allseas, een bedrijf in de offshore-industrie, is eveneens bezig
met de ontwikkeling van een kleine reactor, ook voor toepassing op schepen. Het bedrijf
pleit voor versnelling van de vergunningsprocedure. Deze bedrijven worden in de strategie
van de Minister hooguit één keer in een bijzin genoemd. Trekt de Minister proactief
op met deze bedrijven, bijvoorbeeld voor het zo snel mogelijk realiseren van een demonstratieproject?
Nederland kan een sterke positie opbouwen, maar dan moeten we nu wel meeschakelen
met de internationale ontwikkelingen en op tijd klaarstaan, bijvoorbeeld door geschikte
locaties aan te wijzen.
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw inbreng. Als uw invallende voorzitter vandaag ga ik vragen of ik
een tweede invallende voorzitter kan vinden – de heer Vermeer, misschien – zodat ik
als woordvoerder van de VVD ook mijn inbreng kan leveren.
De heer Vermeer (BBB):
Ik zal het voorzitterschap bij dezen overnemen.
Voorzitter: Vermeer
De voorzitter:
Ik geef graag het woord aan de heer De Groot. De griffier geeft mij een seintje zodra
de laatste tien seconden in beeld komen, neem ik aan. Gaat uw gang.
De heer Peter de Groot (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Nederland staat voor een simpele waarheid: zonder kernenergie
bouwen we geen betrouwbaar, betaalbaar en klimaatneutraal energiesysteem. De VVD zegt
dan ook helder: we kiezen onomwonden voor kernenergie. Het gaat om vier grote kerncentrales
en SMR’s. Kijk naar de werkelijkheid. We elektrificeren industrie, mobiliteit en warmte
en tegelijkertijd groeit de vraag naar energie en de behoefte aan leveringszekerheid
en onafhankelijke energieproductie. Dan kun je niet leunen op alleen wind en zon.
Je hebt een systeem nodig dat ook werkt als het niet waait en het donker is; het is
net ook al gezegd. Kernenergie levert precies dat: continue, stabiele, CO2-arme productie met een relatief kleine ruimtelijke voetafdruk.
Tegenstanders blijven vaak hangen op drie punten: kosten, veiligheid en draagvlak.
Ja, en natuurlijk tijd, maar laten we nou eens ingaan op die eerste drie. De kosten.
De recente TNO-systeemkostenanalyse laat zien dat energiesystemen met kernenergie
net zo duur of zelfs goedkoper kunnen zijn dan systemen die volledig steunen op extra
wind op zee. TNO laat ook zien dat kernenergie weglaten kan leiden tot miljarden hogere
systeemkosten richting 2050. Laten we maar stoppen met doen alsof kernenergie per
definitie te duur is. Kernenergie draagt bij aan prijsstabiliteit, omdat je minder
kwetsbaar wordt voor schaarste, pieken en extreme afhankelijkheid van flex en import.
Het tweede: veiligheid. Nederland heeft een streng vergunnings- en toezichtregime,
met de ANVS als toezichthouder en internationale standaarden als basis. Voor de VVD
is veiligheid geen bijzaak maar een voorwaarde. Juist daarom moet je het goed organiseren
en professioneel uitvoeren. En creëer draagvlak. Dat is steeds en altijd belangrijk.
Borssele is al besproken. Zeeland wacht op duidelijkheid. Het wil graag door en de
hotspot worden voor de kernenergiekennisinfrastructuur. Provincies zijn bezig logische
locaties aan te wijzen. De industriële clusters willen ook vooruit en kijken al naar
SMR’s. Kernenergie biedt een realistisch en ruimte-efficiënt antwoord, maar voorbereiden
is niet genoeg. Het vraagt om tempo en uitvoering.
We hebben vragen over de financiering. De Minister zegt dat er een financieringsmodel
in voorbereiding is. De VVD wil graag concreet weten wanneer dat volledig uitgewerkt
is en naar de Kamer komt. Welke afspraken worden verkend met private investeerders?
Welke risicoverdelingsmechanismen zijn nodig, zodat de partijen ook echt gaan instappen?
Zonder helderheid hierover ontstaat er één zekerheid en dat is vertraging.
Een tweede vraag gaat over locaties en planning. De bouw van vier grote kerncentrales
is noodzakelijk. De eerste twee moeten zelfs al voor 2040 draaien. Daarna gaan we
door met nog twee kerncentrales. De Minister werkt toe naar een ontwerpvoorkeursbeslissing
in 2026. Dat is prima, maar het tempo is best kwetsbaar. Daarom stelt de VVD eigenlijk
dezelfde vraag als het CDA: kan de Minister garanderen dat 2026 wordt gehaald voor
deze ontwerp-voorkeursbeslissing? Wanneer wordt daadwerkelijk de NRD opgeleverd? Wij
begrepen dat dat deze maand zal zijn. Aanvullend daarop heb ik de vraag waar nu vertragingen
in vergunning, planprocedures en uitvoeringscapaciteit dreigen en hoe de Minister
deze gaat voorkomen.
Ik heb ook nog een vraag over de netinfrastructuur. Kerncentrales vragen stevige netaansluitingen,
maar ze verminderen ook de afhankelijkheid van extreme flexibiliteit en beperken de
druk op eindeloze netverzwaring, die bij volledige nieuwbouw hoort. Toch is er nu
te weinig duidelijk over de koppeling tussen locaties, planning van de netverzwaring
en aansluitprioriteit. Mijn vraag aan de Minister is dan ook hoe zij voorkomt dat
netcongestie de bouw van kerncentrales en straks SMR’s gaat vertragen. Nederland moet
nu namelijk echt inzetten op die SMR’s als onderdeel van de totale puzzel. De nationale
SMR-strategie laat zien dat SMR’s richting 2050 substantieel kunnen bijdragen. De
VVD vraagt daarom wanneer de Minister met een concreet SMR-locatieprogramma komt,
waarin de koppeling is gelegd tussen logische plekken in verband met veel elektriciteitsvraag,
andere energieopwek, de reguliere kerncentrales en de forse opgave wat betreft netverzwaring.
Wij zouden graag een integraal beeld daarvan zien, zodat we wellicht kunnen zeggen:
op sommige plekken hoeft die netverzwaring helemaal niet, want het is beter om daar
gewoon een SMR te plaatsen of wellicht een mini-SMR van bijvoorbeeld Allseas. Zou
de Minister daar ook een doorkijk van willen maken? Welke SMR-vermogen is er rond
2040 echt wenselijk? Hoe koppelt zij de SMR aan de industriële clusters die betaalbare
energie en warmte nodig hebben?
Voorzitter. De VVD kiest voor kernenergie, niet als symbool, maar als een noodzakelijke
pijler onder een betrouwbaar, betaalbaar en schoon energiesysteem. Het komt nu echter
op één ding aan en dat is de uitvoering. Daar wil de VVD vandaag graag een grote stap
in zetten.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer De Groot. De heer Flach gaf aan dat hij een interruptie heeft voor
u.
De heer Flach (SGP):
Als je kernenergie zegt, dan zeg je ook Zeeland. De naam Borsele kwam al langs. Er
zitten veel Zeeuwen op de tribune. Ik zie de gedeputeerde evenals de burgemeester
en de wethouder van Borsele. We zijn onder ons, dus het is een mooi moment om de vraag
die aan de heer Klos gesteld is, ook aan de heer De Groot van de VVD te stellen. Ik
ben gewoon even zetels aan het turven. Is de VVD van mening dat er, als Borsele uiteindelijk
de locatie wordt, voldaan moet worden aan de Borselse voorwaarden? Moet dat gebeuren
alvorens we dat kunnen doen? Ik denk dat dit een mooi moment is om dat hier uit te
spreken.
De heer Peter de Groot (VVD):
Dank u, voorzitter. De voorzitter had nog niks gezegd, maar ik bedank hem alvast voor
het geven van het woord. Ik worstel af en toe nog een beetje met mijn dubbelrol van
vandaag.
De voorzitter:
Ja, u wel. Maar gaat u verder.
De heer Peter de Groot (VVD):
De voorwaarden van Borsele: die vraag was te verwachten van de heer Flach. Dank daarvoor.
Er moet gewoon een goede set afspraken worden gemaakt. Daar zitten heel veel dingen
in, zoals ook afspraken over investeringen in de leefbaarheid en in woningbouw. Ik
heb de Borselse voorwaarden gezien. Het gaat natuurlijk ook over de vraag of er nog
extra leidingen boven de grond komen en in hoeverre dat onder de grond geregeld kan
worden. Of dat nou helemaal de Borselse voorwaarden zijn, weet ik niet. Er moet gewoon
een goed pakket komen, zodat Zeeland weet waar het aan toe is. Ik zou zeggen dat het
pakket in alle redelijkheid gebouwd moet worden. Ik zou willen zeggen dat er wel het
maximale gedaan moet worden om de regio tegemoet te komen. Ik verdiep het antwoord
nu iets meer dan enkel een ja. Het moet namelijk in alle redelijkheid gebeuren. Deze
discussie hebben wij ook vaak met elkaar als het bijvoorbeeld over mijnbouwactiviteiten
gaat. Hoe verdeel je de lusten en de lasten met elkaar? De VVD heeft gewoon het generieke
standpunt dat dit hier ook van toepassing is.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer De Groot. Mevrouw Van Oosterhout heeft volgens mij geen interrupties
meer over, als ik een beetje goed meetelde. Ik vraag even aan de griffier of ze wel
nog een interruptie heeft. Nog eentje! Nou, dan mevrouw Van Oosterhout.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Ik hoorde dat de heer De Groot het had over de TNO-studie. Die gaat over de systeemkosten,
maar niet over de bouwkosten. Als we kijken naar de bouwkosten, dan zie we dat die
toch wel degelijk de pan uit rijzen. Bij projecten in het buitenland worden die ook
steeds duurder, duurder en duurder. Ik vraag me af of de collega van de VVD op de
hoogte is van private spelers die hier wel een businesscase in zien. Of gaat de overheid
en dus de Nederlandse belastingbetaler die 20 à 30 miljard die het meer zou moeten
kosten, zelf ophoesten?
De heer Peter de Groot (VVD):
Ik denk dat het heel erg belangrijk is om met partijen te werken ... Eigenlijk zijn
er een aantal dingen heel erg belangrijk als je kijkt naar de bouw. Ik denk dat het
heel erg belangrijk is dat we gaan werken met bewezen techniek en dat we leren van
het buitenland. Onder andere Frankrijk heeft natuurlijk een groot kernprogramma. We
weten ook wat de redenen zijn van de kostenoverschrijdingen nu in het Verenigd Koninkrijk.
Het is belangrijk om met bewezen techniek te gaan bouwen met aanbieders met ervaring,
zodat niet weer dezelfde fouten gemaakt worden. Zij moeten daar zelf ook in stappen,
in de manieren waarop we die contractvorming laten plaatsvinden. De risico’s moeten
niet alleen bij de overheid komen te liggen, maar ook deels door de markt worden gedragen.
Dat was een van de redenen waarom ik vroeg wanneer de Minister komt met die risicoverdeling
rondom die financiering. Ik wil er ook wel bij zeggen dat we er nu wel heel makkelijk
over praten, alsof dat de waarheid zou zijn, terwijl we bijvoorbeeld ook nog bezig
zijn om te kijken hoe we de kosten van wind op zee heel erg kunnen beperken. We zien
dat die projecten ook mislukken. We zien ook dat de opbrengst minder is. De VVD beschouwt
het dus wel degelijk op systeemniveau. De vraag is wat de juiste keuzes zijn om te
maken: wind op zee, zon op land, kernenergie, waterstof. We moeten kijken hoe we de
juiste mix met elkaar van de grond krijgen. Alleen, als we kijken naar de energievraag
en de toename daarvan, staat het voor de VVD als een paal boven water dat we zonder
kernenergie überhaupt de transitie niet redden met elkaar.
De heer Klos (D66):
Een beetje daarop voortgaand een vraag over de financieringsconstructie die dit kabinet
kiest voor met name die grote kerncentrales. Er wordt voor gekozen om dat vooral door
de Staat te laten dragen. Het verschil met hernieuwbare energie is dat daar in principe
een businesscase is, maar met een onrendabele top. Dus daar gaat wat geld bij. Voor
kernenergie is er eigenlijk geen businesscase. Mathijs Bouman noemt de optie die de
Minister kiest de communistische weg. Hoe voelt dat als conservatieve marktliberaal?
Staat u daarachter?
De voorzitter:
Een gewetensvraag voor de heer De Groot.
De heer Peter de Groot (VVD):
Ik begon er niet voor niets over in mijn bijdrage. Ik ben nog altijd op zoek naar
het optimum dat je zou kunnen bereiken in het dragen van risico’s door de Staat en
het dragen van risico’s door de markt. Zeker als het gaat over bewezen technieken
en partijen die veel ervaringen hebben die bij ons die projecten moeten doen, ben
ik op zoek naar hoe we dat nog verder kunnen finetunen. De Staat alles laten betalen
voelt inderdaad wat onnatuurlijk, maar het is wel belangrijk voor de baseload in Nederland
dat die kerncentrales er uiteindelijk komen. We hebben natuurlijk ervaring met kerncentrales,
met het bouwen ervan en het onderhouden ervan. We hebben kerncentrales in Nederland.
Voor de VVD, nogmaals, is het dus duidelijk dat we dat moeten voortzetten en ook wat
moeten uitbreiden. Daaraan gekoppeld zou ik ook wel tegen de heer Klos willen zeggen
dat ook voor die SMR’s en de minireactors die vraag ook vanzelf op ons afkomt. Wanneer
hebben we te maken met een onrendabele top in het begin en wanneer kunnen we steeds
meer aan de markt overlaten? Daar zullen we ook naar die verhouding moeten kijken.
We doen dat graag, omdat kernenergie ontzettend nodig is voor een stabiel energiesysteem.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee is de laatste vraag beantwoord. Dan geef ik graag het voorzitterschap
weer terug aan de heer De Groot.
Voorzitter: Peter de Groot
De voorzitter:
Dank u voor het overnemen van het voorzitterschap, meneer Vermeer. We zijn aan het
einde gekomen van de inbreng in de eerste termijn van de kant van de Kamer. Ik zou
even willen schorsen, zodat de Minister haar beantwoording goed kan voorbereiden.
Ik schors daarom de vergadering tot 16.20 uur.
De vergadering wordt van 15.54 uur tot 16.25 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen dit commissiedebat over kernenergie. We gaan beginnen met de eerste termijn
van het kabinet. De Minister gaat de vele gestelde vragen beantwoorden. Ik zou graag
aan de Minister willen vragen om even duidelijk aan te geven welke blokjes behandeld
worden, zodat we hier de administratie op orde kunnen brengen. Ik wil graag het woord
geven aan de Minister. Gaat uw gang.
Minister Hermans:
Dank, voorzitter. Ik heb vijf mapjes. Ik begin met de vragen die zijn gesteld over
kernenergie als onderdeel van het energiesysteem. Vervolgens ga ik in op de vragen
die zijn gesteld over de locatiekeuze voor de twee grote conventionele kerncentrales
en op de vragen over financiering. Daarna ga ik in op de SMR’s en dan is er nog een
mapje overig.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zou willen voorstellen dat we in deze termijn een drietal interrupties
hanteren en dat we de interrupties aan het eind van een blokje doen. Dat is lekker
overzichtelijk. We sparen ze dus op en dan doen we een rondje vragen. Gaat uw gang.
Minister Hermans:
Helemaal goed, voorzitter. Dank. Zoals gezegd, begin ik met de vragen over kernenergie
als onderdeel van het energiesysteem van de toekomst. Dit kabinet ziet op een aantal
fronten reden om te kiezen voor kernenergie als een onderdeel – dat zeg ik nadrukkelijk
– van het systeem. Kernenergie is onderdeel van een energiemix. Dat heeft te maken
met de diversiteit in het systeem, de diversiteit in de toeleveringsketen en met de
weersonafhankelijke elektriciteitsproductie. Kernenergie in onze mix maakt onze energievoorziening
dus ook weerbaarder.
Een aantal Kamerleden heeft terecht gewezen op het rapport-Wennink, waarin de rol
van kernenergie in het systeem van Nederland ook wordt benadrukt. Er is een verschil
tussen de rol die de grootschalige kerncentrales en de SMR’s in het systeem kunnen
spelen. De toegevoegde waarde van de grote centrales zit ’m in de stabiliteit van
het elektriciteitsnet, zoals ik al zei, en de toegevoegde waarde van SMR’s zit met
name bij de industriële clusters en de warmteontkoppeling. Dat is de reden waarom
ik zowel werk met een SMR-strategie als met een programma voor de grootschalige kerncentrales.
De systeemkosten zijn daarbij een belangrijk punt. Hoe verhouden die zich tot elkaar?
Dat is de reden dat wij door TNO een uitgebreide analyse hebben laten maken. Die analyse
heb ik in oktober met de Kamer gedeeld. Een heel aantal Kamerleden heeft daar vragen
over gesteld of opmerkingen over gemaakt. Op hoofdlijnen is de conclusie van dit onderzoek
dat de kosten van een systeem mét kernenergie in heel veel van de scenario’s vergelijkbaar
zijn met of lager zijn dan de kosten van een systeem zonder kernenergie. Dat maakt
de keuze voor kernenergie in de energiemix, uitgaande van de systeemkosten, ook een
robuuste keuze.
Ik kom meteen op een vraag van de heer Flach. Hij vraagt of ik de conclusie deel dat
we met de inzet op kerncentrales onder aan de streep waarschijnlijk goedkoper uit
zijn dan met meer wind op zee. Een paar dingen daarover. Uit de analyse van TNO blijkt
dat de systeemkosten van kernenergie in veel scenario’s ongeveer vergelijkbaar zijn
met die van wind op zee. Om tot een efficiënt energiesysteem te komen, hebben we kernenergie
en wind op zee nodig, ook als wind op zee een lagere capaciteitsfactor kent. TNO heeft
inderdaad gerekend met een capaciteitsfactor die hoger is dan de factor die gebruikt
is in het rapport van de TU Delft, waar we vorige week tijdens het vragenuurtje met
elkaar over debatteerden. Zoals ik al heb toegezegd, ben ik in gesprek met de TU Delft
over haar berekening en de factor waar zij mee rekent. Ik zal dus bekijken wat dit
betekent voor de berekeningen die wij maken, ook voor wind op zee. Tegelijkertijd
zie je dat in het onderzoek van TNO aannames zitten die in de toekomst een mate van
onzekerheid kennen. Het gaat dan bijvoorbeeld over de bouwkosten voor kernenergie
en de kosten voor infrastructuur. Desalniettemin zie je in al die scenario’s dat kernenergie
een robuuste keuze is. Daarom zet dit kabinet in op de bouw van kerncentrales, maar
zal de aanleg van wind op zee ook doorgaan, want we hebben ze allebei nodig. Het is
niet of-of; het is en-en in onze energiemix.
De heer Van den Berg vroeg waarom in de TNO-studie nog wordt gerekend met, in zijn
woorden, optimistische aannames voor wind op zee. Die studie is onafhankelijk door
TNO uitgevoerd. De studie naar de systeemkosten voor kernenergie liep samen met de
andere studies, zoals die voor het WIN, het infrastructuurplan voor wind op zee, waarin
al wel rekening is gehouden met een lagere factor. Het is natuurlijk vervelend dat
er in het debat ruis ontstaat over verschillende capaciteitsfactoren. Dat is ook precies
de reden dat ik het gesprek met de TU Delft aanga, want we willen gewoon goed kunnen
zien met welke aannames zij werken en met welke aannames wij werken. Iedereen, ook
ik en het kabinet, heeft er immers baat bij om met de beste en de meest actuele cijfers
te werken. Ik ben er helemaal niet op uit om bewust uit te gaan van een hogere of
een lagere capaciteitsfactor; ik wil in analyses gewoon de meest actuele, de meest
realistische capaciteitsfactor gebruiken.
Voorzitter. Waarom kiezen wij voor de bouw van vier kerncentrales? Dat vroeg de heer
Klos. Dat is een afspraak uit het coalitieakkoord. Ik duik even in de analyses die
er liggen. Het Nationaal Plan Energiesysteem laat zien dat er ruimte is voor 3 tot
7 gigawatt aan kernenergie, zowel grootschalig als SMR-capaciteit. Vier grootschalige
reactoren kunnen tussen 4 en 6,4 gigawatt opleveren, natuurlijk afhankelijk van de
leverancier. In de analyse van TNO zie je dat het in veel scenario’s efficiënt is
om voor vier kerncentrales te kiezen. Het kabinet neemt de definitieve keuze of beslissing
voor kerncentrales drie en vier én SMR’s mee in het Programma Energiehoofdstructuur
II. Daar zijn dus nog geen keuzes voor gemaakt.
De heer Vermeer vroeg mij of ik het met hem, of met BBB, eens ben dat de aanbevelingen
uit het rapport van Peter Wennink aansluiten bij het kabinetsbeleid over kernenergie.
Ja, dat deel ik. Het rapport van de heer Wennink sluit aan bij de manier waarop wij
werken aan de versterking van het energiesysteem, waar grootschalige kernenergie een
belangrijk onderdeel van is. Tegelijkertijd – dat schetst de heer Wennink ook – zit
er potentie in de innovativiteit van SMR’s. De heer Wennink noemt twee projecten heel
erg in het bijzonder: Thorizon en Allseas. In het beleid van dit kabinet zitten ook
instrumenten om die innovatie te stimuleren. De MOOI-regeling is daar een voorbeeld
van. Wellicht dat we daar in de toekomst een IPCEI aan toe kunnen voegen.
Voorzitter. Mevrouw Van Oosterhout merkte op dat je in landen om ons heen vertraging
ziet optreden. Zij vroeg: is de situatie in Nederland nou anders? En waarom zou ik
niet een techniekneutrale tender openstellen? Eerst even over het buitenland. Bij
de ontwikkeling van kernenergie en eigenlijk bij de vormgeving van de hele aanpak
– hoe komen we tot die bouw? – kijken we ook naar andere Europese trajecten. We kijken
niet alleen naar Finland, een voorbeeld dat mevrouw Van Oosterhout noemde, maar ook
naar Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Tsjechië en Polen. Het is absoluut waar dat
de bouw van een kerncentrale een complex en langdurig project is. Ik ben dus steeds
aan het kijken hoe je dat op een zorgvuldige manier doet: hoe zorg je ervoor dat je
de snelheid behoudt, terwijl je de beperking door de complexiteit en de potentiële
risico’s die er zijn wel in acht houdt? We hebben de technische-haalbaarheidsstudies
gedaan vooruitlopend op het techniekselectieproces: dat is een voorbeeld van hoe we
snelheid hebben gemaakt, terwijl we wel netjes alle stappen die we moeten doorlopen,
zorgvuldig hebben doorlopen. Dat was juist bedoeld om snelheid te maken.
Dan nog even over de techniekneutrale tender, als antwoord op de vraag van mevrouw
Van Oosterhout. Er is geld gereserveerd voor de bouw, voor de ontwikkeling van kerncentrales.
Daarvoor heb je in de beginfase gewoon een grotere rol van de overheid nodig; ook
dat zien we als we de vergelijking maken met landen om ons heen. De verwachting van
het kabinet is niet dat als je nu een techniekneutrale tender gaat openen, dat ineens
tot een ander type inschrijvingen zal leiden. Ik merk wel op dat we, naast geld voor
kernenergie, ook geld gereserveerd hebben om te voorkomen dat wind op zee komend jaar
stil gaat vallen, dus dat we ook een tender met subsidie kunnen gaan uitschrijven.
Voorzitter. Dan een vraag van de heer Van den Berg: komt er nog een aparte integratiestudie
voor SMR’s? Met het Nationaal Plan Energiesysteem maken we een integrale afweging
en gaan we uit van de ontwikkeling en inpassing van 3,5 tot 7 gigawatt kernenergie.
Ik vind het belangrijk dat SMR’s ook onderdeel zijn van die integrale afweging en
dat ze worden betrokken in de eerstvolgende actualisatie van het NPE, in plaats van
dat we aparte studies doen. Het wordt dus daarin meegenomen. Hierbinnen ziet het kabinet
een brede potentie voor SMR’s, niet alleen voor elektriciteit, maar ook voor warmte,
zoals ik volgens mij in mijn inleiding ook al zei, met name bij industrieclusters.
Het potentieel vermogen hangt weer af van de vraagontwikkeling binnen energieclusters.
Dan nog een vraag van de heer De Groot. Hij vroeg hoe ik voorkom dat netcongestie
of trage netwerkontwikkeling de bouw van kerncentrales of SMR’s vertraagt. De inpassing
van kerncentrales in het systeem wordt door TenneT onderzocht als onderdeel van het
locatieonderzoek. Tegelijkertijd onderzoeken we hoe toekomstige aanlandingen van wind
op zee in het net passen. Dat loopt via het programma VAWOZ. Besluiten over die beide
ontwikkelingen neem ik in de eerste helft van komend jaar, op basis van een integraal
beeld. TenneT rekent tweejaarlijks aan de verwachte vraag en aanbod in het net. Dat
is onlangs nog gebeurd in het investeringsplan voor 2026. Vooruitlopend op de locatiekeuze
is in de doorrekening van TenneT al rekening gehouden met een mogelijke vestiging
in Zeeland. Zodra duidelijk is waar de kerncentrales beoogd zijn, kan TenneT daar
definitief rekening mee houden in de scenario’s en de planning. De verwachting is
dat de definitieve locatie van de kerncentrales onderdeel zal zijn van het eerstvolgende
investeringsplan; dat is het investeringsplan 2028.
Voorzitter. Dit was mijn eerste blokje.
De voorzitter:
Ik kijk even naar de leden voor vragen. Ik begin bij mevrouw Van Oosterhout namens
GroenLinks-Partij van de Arbeid.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Nog even over de techniekneutrale tenders. De Minister stelt dat de verwachting is
dat niemand zich zou inschrijven voor kerncentrales als we dat techniekneutraal zouden
doen. Mijn vraag is deze. Als we dit bedrag van 20 miljard à 30 miljard zouden gebruiken
voor subsidiëring van wind, zon en opslag, hoeveel meer elektriciteit zouden Nederlanders
dan kunnen krijgen in ruil voor dit belastinggeld?
Minister Hermans:
Dat hangt van heel veel factoren af. Als wij tenders doen met subsidie, vragen we
aan het PBL om een marktanalyse te doen om te kijken wat je moet subsidiëren om de
onrendabele top af te dekken. Die is weer afhankelijk van de elektriciteitsprijs,
dus dat is nu niet even snel in een sommetje uit te drukken. Dat is de technische
kant. Daarnaast zit nog de vraag: wat moet het energiesysteem of de energiemix van
de toekomst zijn? Ik vind, en dat is ook het beleid van dit kabinet, dat wij moeten
werken aan een energiemix waarin verschillende vormen van energie zitten. Wind en
zon vormen absoluut een heel belangrijk onderdeel, maar we hebben ook kernenergie
nodig voor de dagen dat de wind niet waait en de zon niet of maar heel beperkt schijnt.
Je hebt dus een vorm van energie nodig die voor stabiliteit en leveringszekerheid
zorgt in de dagen van dunkelflaute. Daar hebben we vorig jaar een aantal keer een
debat over gehad. Dat is dus ook echt de visie van dit kabinet op het toekomstige
energiesysteem. Kernenergie en wind op zee maken daar onderdeel van uit. Zon ook,
maar ik focus even op wind op zee en kernenergie. Bij wind op zee zag ik dat die tenders
stilvallen als je die tenders blijft uitzetten zonder subsidie. Dat hebben we ook
gezien in de tender in oktober. Daarom heeft het kabinet gezegd: dan moeten we dus
ook geld beschikbaar stellen voor een tender met subsidie, zodat ook die ontwikkeling
doorgaat. Om in de toekomst aan de grote toename in de elektriciteitsvraag te kunnen
voldoen, hebben we ook wind op zee nodig.
De heer Van den Berg (JA21):
Allereerst, voorzitter. Ik had net een vraag gesteld aan de Minister, maar ik heb
simpelweg het antwoord op die vraag niet gekregen. Gaat dit dan alsnog van mijn interrupties
af?
De voorzitter:
Meestal doen we dat hier niet, maar het kan ook zijn dat de vraag nog op een ander
moment komt. Ik zou dus graag aan het eind van het debat willen bekijken of u antwoord
heeft gekregen op al uw vragen. Heeft u een interruptie voor de Minister?
De heer Van den Berg (JA21):
Nou, concreet dan. Er werd wel ingegaan op de vraag, maar het antwoord kwam niet.
Mijn vraag was simpelweg of de Minister bereid is om TNO te vragen om de doorrekening
die daar nu ligt opnieuw te berekenen, zodat wij wel een helder beeld krijgen van
die systeemkosten. Waarom? Als wij dat niet krijgen, hebben wij ook geen eerlijk beeld
van het speelveld dat er zou zijn met de realistische capaciteitsfactoren. Aan het
rapport dat er nu ligt, hebben we op deze manier onvoldoende.
Minister Hermans:
Waarom acht ik dat niet direct noodzakelijk? TNO heeft die analyse van de systeemkosten
voor ons gedaan. Het heeft daarin gewerkt met verschillende aannames en daar kwamen
verschillende scenario’s uit. Daaruit kan je concluderen dat het loont – laat ik het
even zo zeggen – om kernenergie onderdeel te maken van de energiemix. Ik zou het ook
vervelend vinden als er discussie blijft bestaan, ook naar aanleiding van het debat
dat we vorige week in het vragenuur hadden. Wat ik kan doen, is aan TNO vragen of
zij een gevoeligheidsanalyse willen maken op basis van de verschillende percentages
aan capaciteitsfactoren die er rondgaan. Ik wil wel aan de heer Van den Berg vragen
om mij en mijn collega’s even dat gesprek met de TU Delft te laten voeren, zodat we
een goed beeld hebben – anders blijven we analyse op analyse op analyse doen en dat
lijkt me ook niet heel nuttig – dus dat we als we dat goed hebben uitgeklaard tussen
TU Delft en het ministerie, naar TNO gaan met een gerichte vraag.
De heer Van den Berg (JA21):
Dan zitten we al in een interruptie. Allereerst dank voor die toezegging. Ik vraag
me alleen wel af wanneer u daar dan naar verwachting mee kunt terugkomen, op dat gesprek
met de TU Delft en vervolgens TNO en de realistische percentages. Daar zou ik wel
een antwoord op willen hebben.
Minister Hermans:
Ik heb vorige week al gezegd dat wij dat gesprek met TU Delft gaan voeren. Ik kan
nu niet een exact moment noemen wanneer die uitkomsten er zijn. Die percentages komen
dan dus ook later. Daar kan ik dus nu ook niks over zeggen. Zodra ik dat weet, wil
ik de Kamer dat laten weten. Dit vergt denk ik best even een paar gesprekken.
De voorzitter:
Wilt u nog een interruptie, meneer Van den Berg? Dat is dan uw derde. Ik wil toch
even streng zijn. De Minister heeft wel antwoord gegeven, maar dat is niet het antwoord
dat u graag wil, dat u wilde horen of dat u verwacht had. Daar zit natuurlijk een
interpretatieverschil, of het wel of niet een interruptie is. U zult gewoon uw vragen
moeten doorzetten om de antwoorden te krijgen die u graag wilt hebben. Zo werken wij
hier. Dus gaat uw gang.
De heer Van den Berg (JA21):
Nee, dan laat ik het nu even schieten.
De voorzitter:
Heel verstandig. Dan ga ik eerst naar mevrouw Teunissen, want die was eerder in de
rij. Dan kom ik daarna bij u, meneer Jumelet.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Dank u wel, voorzitter. Wat heel vaak door de voorstanders van kernenergie naar voren
wordt gebracht – ik hoor de Minister daar ook over – is die stabiliteit, dat kernenergie
nodig zou zijn voor een stabiele energievoorziening, maar de geplande centrales kunnen
hooguit 15% van de energievoorraad geven en die moeten ook altijd aan blijven staan.
Bij een energieterugval, als het heel koud is, is het dus niet voldoende om alleen
die kerncentrales te hebben. Op andere momenten, in de zomer, is juist heel veel energie
overbodig, maar moeten die centrales toch aan blijven staan. Daarmee blijft dus overeind
dat dit voor de stabiliteit die we met elkaar willen, gewoon een hele dure en inefficiënte
oplossing is. Mijn vraag is daarom de volgende. Waarom zet de Minister voor optimale
energiezekerheid niet in op maximalisering van de inzet van zon en wind en op energieopslag,
juist voor die piekmomenten?
Minister Hermans:
Dat zei ik helemaal in het begin van mijn inbreng. Uiteindelijk gaat het om een diversificatie
in energiebronnen. Om ons zo weerbaar mogelijk te maken, willen we niet afhankelijk
zijn van één bron. We hebben dus meerdere bronnen naast elkaar nodig. Wind en zon
zijn heel belangrijk, maar daar zit een zekere mate van onzekerheid bij, namelijk
als de wind niet waait en de zon niet schijnt. Je kunt wel met opslag werken, dus
daarin investeren we ook. Daarnaast wil je iets van een baseload, van regelbaar vermogen,
hebben. Dat levert kernenergie. Dat is dus de achterliggende reden dat ik dat punt
van leveringszekerheid maakte. Mevrouw Teunissen haalt kernenergie de hele tijd uit
de vergelijking en zet wind en zon helemaal bovenaan. Dat moet volgens haar dan het
verschil gaan maken, maar in alleen wind en zon zit een onzekerheid – dat is mijn
punt – namelijk als het niet waait en als de zon niet schijnt. Daar wil ik iets tegenover
zetten.
Nogmaals, wind op zee zal een ongelofelijk belangrijk onderdeel, sterker nog, het
grootste onderdeel uit gaan maken van onze energiemix in de toekomst. We moeten dus
ook doorgaan met de aanleg van wind op zee, want om die gigantische stijging in de
vraag naar elektriciteit op te kunnen vangen, heb je wind op zee nodig. Je hebt wind
op zee nodig voor die massa en tegelijkertijd kernenergie voor stabiliteit en betrouwbaarheid.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Het was ooit Shell die het woord «energiemix» heeft gelanceerd. Ik was er zelf nog
bij aanwezig; dat was op een Shellfestival op het Malieveld. Daar werd uitgebreid
uitgevent: we hebben een energiemix nodig. Op zichzelf ben ik niet zo tegen diversificatie.
Alleen, het is een andere interpretatie daarvan. Waarom zou je de keuze maken voor
kernenergie in die diversificatie? Je kan ook kiezen voor iets anders. Wind en zon
zijn niet de enige opties die ik heb genoemd. Je hebt namelijk ook geothermie, waterstof
en energiebesparing. Dat is ook een mix waarvoor je kunt kiezen. Dat is veiliger en
maakt ons minder afhankelijk van Rusland. Over dat laatste ga ik zo meteen nog wel
een vraag stellen. De Minister blijft halsstarrig vasthouden aan het idee dat alleen
kernenergie onze leveringszekerheid kan borgen.
Minister Hermans:
Nee. Dit kabinet doet en-en-en. U noemde waterstof. Er is ook veel inzet op geothermie
– ik kom daar straks nog op terug naar aanleiding van een opmerking die mevrouw Teunissen
maakte – en op wind, en op zon, en op opslag én op kernenergie. Dat wij van mening
verschillen over het fenomeen kernenergie is wel duidelijk, maar ik acht het een bewezen
technologie, een CO2-vrije vorm van energielevering die een hele goede en betrouwbare aanvulling is op
een mix waar al die andere vormen ook onderdeel van uitmaken. Daar blijven we ook
inzet op plegen.
De voorzitter:
Ik kijk naar de heer Jumelet en daarna kom ik bij u, meneer Vermeer.
De heer Jumelet (CDA):
Ja, dank u wel, voorzitter. Ik hoor de Minister zeggen «3 tot 7 gigawatt». Nou, dat
is inderdaad zo met vier centrales. Maar ik hoorde haar ook zeggen dat daarin de bijdrage,
de capaciteit, van de SMR’s is meegerekend. Volgens mij zei u dat. Ik weet niet of
het in dit blokje past, maar mijn beeld erbij is dat het een soort treintje is: eerst
die twee, of zeg vier, grote centrales en dat dan de SMR’s ook meegenomen worden.
Mijn vraag is of ik het juiste beeld heb.
Minister Hermans:
Twee dingen. Ik ga zo meteen nog uitgebreid in op de SMR’s, maar hierover wil ik twee
dingen zeggen. Ik noemde die 3 tot 7 gigawatt, die in het NPE staat. Dat is een beleidsmatige
keuze in de trant van: als wij nu naar de energiemix van de toekomst kijken, is dit
het aandeel kernenergie, grootschalig en SMR. Dan even over de SMR. Eerst het een
dan het ander, zei u. Dat is niet hoe we nu aan het werk zijn. Ja, we zijn bezig met
de hele projectprocedure voor de bouw van de eerste twee kerncentrales. Daarnaast
hebben we die visie op de SMR’s gepresenteerd, waarin we laten zien welke stappen
er allemaal gezet worden om de potentie van SMR’s in het Nederlandse energiesysteem,
dicht bij energieclusters, en de innovatieve kant ervan te laten zien en die toepassing
in Nederland van de grond te krijgen. Dat loopt allemaal parallel. Het is wel zo dat
we voor de bouw van de grootschalige kerncentrales al daadwerkelijk in een projectprocedure
zitten. Dat is bij de SMR’s nog niet het geval.
De heer Jumelet (CDA):
Dank voor het antwoord. Ik heb vandaag namelijk juist gevraagd hoe het nou precies
zit met de volgtijdelijkheid. Het een gaat misschien iets sneller dan het ander. Een
aantal innovaties en ontwikkelingen doen zich voor. Daar worden we ook over geïnformeerd.
Het zou toch jammer zijn als de kansen van die SMR’s niet benut worden, juist als
het gaat om de hele opgave die we met elkaar zien. Misschien kunt u dat antwoord nog
wat aanscherpen, want die vraag puzzelt mij.
Minister Hermans:
Dat kan volgens mij naast elkaar bestaan, dus wat we aan het doen zijn om de bouw
van die grootschalige kerncentrales van de grond te krijgen – ik moet eigenlijk zeggen:
om de schop in de grond te krijgen – en de toepassing van SMR’s. Ook daarin moet je
eigenlijk weer onderscheid maken: als we stappen gaan zetten in de innovatieve vormen,
die de heer Jumelet ook noemde in zijn inbreng, doorloop je eigenlijk een andere procedure,
een ander proces, dan bij de wat ik maar even de «conventionele SMR’s» noem, bijvoorbeeld
de Rolls-Royce. Dan kom je meer in een ruimtelijk inpassingstraject dat vergelijkbaar
is met wat we voor de grootschalige kerncentrales doen. Dat loopt allemaal naast elkaar,
kan tegelijkertijd bestaan. De stand is dat we met die grootschalige kerncentrales
voor nummer één en twee in de projectprocedure zitten en voor SMR’s op dit moment
allerlei acties uitvoeren en opzetten om de potentie die er is verder in beeld te
krijgen en te zien wat er nodig is om die daadwerkelijk in de praktijk te brengen.
De voorzitter:
Ja, u mag vier keer in totaal, meneer Jumelet. Dit is de derde keer.
De heer Jumelet (CDA):
U telt goed, voorzitter, dank u wel. Ik wil misschien toch nog even inzoomen op de
brief van 17 oktober. Daarin is te lezen dat bij die eerste SMR het Rijk slechts bevoegd
gezag is, terwijl bij minder dan 500 megawatt de provincie dat ook zou kunnen zijn.
Ik zie dit als de vinger aan de pols houden, zo van: hoe gaan we hier met elkaar van
leren? Ik denk dat dat heel goed is, maar misschien kan de Minister ook bevestigen
dat dat ook de bedoeling is, dus dat het juist geen hindermacht wil zijn door te wachten
op een aantal ontwikkelingen en dan pas die SMR’s verder te willen brengen tot realisatie.
Kan zij bevestigen dat je juist in samenspraak met elkaar, met een provincie of met
een andere overheid, kijkt wat je zo snel mogelijk met elkaar kunt realiseren? Dat
zou mijn vraag zijn.
Minister Hermans:
Nee, het is niet bedoeld als hindermacht. Waar de heer Jumelet aan refereert, is hoe
gaan we nou het bevoegd gezag indelen? Wij zeggen in de strategie dat bij het eerste
SMR-project, waarbij het even niet uitmaakt van wat voor omvang of type dat is, het
Rijk het bevoegd gezag zal zijn en de regie op de procedure zal nemen, gewoon om met
elkaar van te leren. In een later stadium kan dat, afhankelijk van de omvang van het
project, ook op provinciaal niveau. Dat gaat over het bevoegd gezag. Dat is wat anders
dan de initiatiefnemer van een project. Dat zijn dus twee verschillende dingen, maar
de initiatiefnemer en het bevoegd gezag zullen uiteindelijk natuurlijk wel goed samen
moeten werken, als ze in een procedure met elkaar komen om daadwerkelijk tot realisatie
over te gaan.
De heer Jumelet (CDA):
De vierde, voorzitter?
De voorzitter:
Ja, uw laatste interruptie.
De heer Jumelet (CDA):
Het rapport van Wennink geeft aan dat we inderdaad snel aan slag moeten, dat er allemaal
uitdagingen liggen, dat innovaties belangrijk zijn en dat die benut moeten worden.
Ik ben blij met dit antwoord, want dit geeft inderdaad ruimte om aan de slag te gaan
en ook de lat echt hoog te leggen, zodat de innovaties in Nederland verder gebracht
kunnen worden. Dus dank voor het antwoord.
De voorzitter:
Is daar nog een reactie op? Anders gaan we naar de interruptie van de heer Vermeer.
Minister Hermans:
Ik heb volgens mij antwoord gegeven en dan kan ik, als er geen andere interrupties
zijn, naar het volgende blokje. Maar dat is niet zo.
De voorzitter:
Nee, de heer Vermeer heeft nog een interruptie. Ga uw gang.
De heer Vermeer (BBB):
Excuses, voorzitter. De Minister geeft, als ik het goed begrepen heb, eigenlijk aan
dat ze het niet noodzakelijk acht om die TNO-analyse van de integrale kosten van kernenergie
versus wind op zee te updaten, omdat er toch al verschillende scenario’s in zitten
die zeggen: het moet gewoon gebeuren en het kan ook op die manier. Inmiddels zijn
er subsidies nodig bij tenders voor wind op zee. We hebben verhoogde kosten van aanlanding,
verhoogde kosten voor de waterstofinfrastructuur, verhoogde kosten voor het netwerk
en maatschappelijke schade voor het toerisme en gezondheid. Complete gemeenschappen,
zoals Moerdijk, komen onder druk te staan, wat ook geld gaat kosten. Vanuit dit debat
hier geredeneerd kan je zeggen dat we genoeg informatie hebben om te zeggen dat kernenergie
door moet gaan, maar wij worden geacht om de integrale aanpak te bekijken als volksvertegenwoordigers.
Ik wil eigenlijk nog wel weten hoe het zich inmiddels verhoudt tot wind op zee en
of we nog wel wind-op-zeetrajecten moeten doen. Ik wil de Minister dus wel vragen
om dit continu met de nieuwe informatie te updaten en ik heb er ook wel behoefte aan
om het in de Kamer eens over die hele kostenberekening te hebben, want in het debat
zie ik gewoon ... Ik vind het onwaarheden. Af en toe worden die gewoon verteld, terwijl
we de exacte informatie moeten hebben. Dan kunnen we allemaal dezelfde berekening
maken, want anders kunnen we niet de juiste investering goedkeuren.
Minister Hermans:
Dat is wel interessant. In de ene interruptie is het «er mag helemaal geen kernenergie»
en in de andere interruptie «er mag helemaal geen wind op zee». Mijn antwoord aan
de heer Vermeer zal ook hier zijn: het zijn wind op zee, zon en al die andere vormen
van hernieuwbare energie én kernenergie in onze mix van de toekomst. Ik deed juist
een toezegging aan de heer Van den Berg. Wat ik niet noodzakelijk acht, is een hele
nieuwe, totaal nieuwe systeemkostenanalyse. Ik wil wel een vraag stellen aan TNO,
nadat we die gesprekken met TU Delft hebben gedaan en inzicht hebben in wat nou hun
aannames zijn onder de berekening van de capaciteitsfactor en hoe we dat bij elkaar
brengen. Als we dan tot een bandbreedte van capaciteitsfactoren zijn gekomen of een
gezamenlijk overeengekomen capaciteitsfactor – daar wil ik even allemaal niet op vooruitlopen
– vraag ik aan TNO: zouden jullie met deze informatie nog eens een gevoeligheidsanalyse
willen doen op de systeemkostenanalyse die jullie gedaan hebben? Want heel veel van
het basiswerk van TNO verandert hier niet door. Dat heb ik al toegezegd aan de heer
Van den Berg en het is alleen maar fijn dat ik dat nu nog een keer kan herhalen in
de richting van de heer Vermeer.
De heer Vermeer (BBB):
Ik zeg niet dat ik helemaal geen wind op zee wil. Ik vind dat wij hier als Kamer goede
afwegingen moeten kunnen maken en alle plannen voor wind op zee zijn van misschien
al vijf of zes jaar terug met heel andere informatie. Op basis daarvan zeggen we «dat
en dat en dat moet er de komende twintig jaar gaan gebeuren», terwijl ik al die panelen
zie schuiven. Ik vraag me daarbij af of dit wel de juiste mix is. Wij moeten op zoek
naar de juiste mix. Daar ben ik het mee eens, maar dan moeten we niet net doen alsof
de plannen die al zo oud zijn gewoon onverkort doorgezet moeten worden. Volgens mij
moeten we daar juist ... Ik zeg steeds: als je dashboardlampje rood brandt, dan moet
je even naar de vluchtheuvel toe of in ieder geval naar de vluchtstrook en dan moet
je kijken wat er onder de motorkap aan de hand is. Ik wil gewoon een update van de
realiteit van de verschillende plannen en niet achter doelen aan lopen die ooit zijn
vastgesteld.
De voorzitter:
Helder. Mag ik u oproepen om korte interrupties te doen? De Minister.
Minister Hermans:
Dat ben ik eens met de heer Vermeer: we moeten realisme in het beleid brengen, en
dat betekent dat je ook moet durven bijsturen en bijstellen als de situatie daarom
vraagt. Dat is precies wat we gedaan hebben met het windinfrastructuurplan dat ik
net voor de zomer naar de Kamer heb gestuurd, en de aangekondigde bijstelling in de
Energienota van de ambities voor wind op zee. We zijn nu bezig met een actualisatie
van het NPE. Er komt een Programma Energiehoofdstructuur II. Van al die documenten
vinden actualisaties plaats, waarin ook de bijgestelde ambities voor wind op zee een
plek krijgen. Dus ja, dat moet je blijven doen, want dat is de enige manier om steeds
zo realistisch en actueel mogelijk beleid te kunnen maken.
De voorzitter:
Ik kijk nog één keer naar de leden of er nog interrupties of vragen zijn. Dat is niet
het geval. Dan gaan we door naar het volgende blokje en dat is volgens mij financiering.
Minister Hermans:
Nee, voorzitter, de locatie.
De voorzitter:
O, kijk eens aan. Ik zie het, ja. Gaat uw gang.
Minister Hermans:
Voorzitter. Dat we kerncentrales gaan bouwen en waarom, daar ging het in het vorige
blokje over. Een andere vraag is: waar doe je dat dan? Dat vraagt een heel zorgvuldige
weging en besluitvorming. Op dit moment zijn nog alle locaties onderdeel van het onderzoek,
dus Eemshaven, de Maasvlakte en meerdere mogelijke locaties in Zeeland. Na de zomer
van 2026 kan naar verwachting een ontwerp-voorkeursbeslissing voor de locatie genomen
worden. De verwachting is dat die beslissing begin 2027 definitief genomen kan worden.
De bouw van kerncentrales zal voor, tijdens en na de bouw een grote en langjarige
impact hebben op de regio. Daarom werkt het kabinet ook nu al nauw samen met de regio
om een zogenaamd Rijk-Regiopakket samen te stellen.
De heer Jumelet en de heer De Groot vroegen naar de NRD en wanneer die nu precies
komt. De NRD is zo goed als gereed, maar er zijn meer dan 500 reacties op binnengekomen
en die willen wij in het kader van de nodige zorgvuldigheid allemaal goed en zorgvuldig
behandelen. Daarom is daar iets meer tijd voor nodig en staat de publicatie nu gepland
voor eind januari. Daar zeg ik in de richting van de heer De Groot direct bij: dat
heeft geen impact op het doorlopen van onderzoeken en de verdere besluitvorming. De
onderzoeken zijn immers al in volle gang. Mijn inzet is nog steeds om direct na de
zomer van 2026 de ontwerp-voorkeursbeslissing te nemen over de locatie van de eerste
twee kerncentrales.
Dan vroeg mevrouw Van Oosterhout of ik kan bevestigen dat andere locaties zoals Eemshaven
niet meer serieus overwogen worden. Zoals ik al zei onderzoekt het kabinet meerdere
locaties, zeven in totaal, waarvan drie in Eemshaven. Twee daarvan zijn op landbouwgrond.
Wij doen dat onderzoek. Ik heb in een eerder debat en ook in een brief heel uitgebreid
toegelicht waarom dat ook in Eemshaven moet, als onderdeel van de projectprocedure.
In het kort doen wij dat omdat wij op grond van de procedures die wij hebben, verplicht
zijn om alle redelijke alternatieven te onderzoeken.
Wij willen voorkomen dat we in een later stadium door de rechter op onze vingers worden
getikt, met alle vertraging van dien, en te horen krijgen «u heeft een van de redelijke
alternatieven niet onderzocht». Daarom hebben we besloten om dat locatieonderzoek
toch te doen, ondanks dat ik mij realiseer wat voor Kameruitspraken er gedaan zijn
en welke gevoeligheid – en weerstand, moet ik eigenlijk zeggen – ertegen bestaat in
Groningen. Ik herhaal graag wat ik daarover al eerder heb gezegd: als wij straks een
keuze hebben, als alle onderzoeken zijn afgerond, dan zal de voorkeur uitgaan naar
een locatie in Zeeland.
Het onderzoek naar natuur, stikstof en ecologie loopt op dit moment en ik kan nog
niet zeggen of dat een vertragend effect heeft op andere plannen in het gebied met
stikstofuitstoot. Dat moeten we echt allemaal zien in de uitwerking van die onderzoeken.
Direct na de zomer leg ik dus de locatiekeuze en het onderliggende onderzoek ter inzage.
Dan vroeg de heer Flach mij nog waarom ik er niet voor kies om een locatie uit te
werken waar één centrale past in plaats van twee. De kostenvoordelen van twee reactoren
op één locatie zijn dermate groot dat dit vanaf het begin van de procedure een uitgangspunt
is geweest. Vandaar dat we locaties en alternatieve locaties op die manier in beeld
hebben gebracht. Dit sluit ook aan bij wat wij zien bij buitenlandse projecten. Daarom
houden we in deze procedure vast aan twee reactoren op één plek.
De heer Flach vroeg mij ook of ik het met hem eens ben dat voor de locatie vooral
gekeken moet worden naar industriegebieden, zoals bij Borssele en op de Tweede Maasvlakte,
in plaats van naar een polder. Volgens mij noemde de heer Flach de Paulinapolder expliciet.
Ik ben zelf op bezoek geweest in de Paulinapolder in Zeeland en heb daar ook mensen
gesproken. Ik snap dat de ongewisheid over de toekomst van je bedrijf lopende het
onderzoek leidt tot veel onzekerheid en dat dit veel emoties losmaakt. Dat heb ik
zelf ook ervaren in dat gesprek. Precies om die reden kijken wij in die locatieonderzoeken
niet alleen naar kosten, techniek en milieu, maar ook naar de omgeving, naar het effect
op de omgeving en naar draagvlak.
Ik ben in gesprek met de provincie en de gemeente en doorloop dus een heel zorgvuldig
proces. Dat doe ik echt stap voor stap. Ik deel met de heer Flach dat industriële
gebieden een voordeel hebben, want daar zit veel vraag naar energie. Maar die gebieden
hebben ook weer nadelen, bijvoorbeeld op het gebied van veiligheidscontouren. Ook
zie je dat vaak ook in de regio’s zelf de voorkeur uitgaat naar ontwikkelingen in
industriegebieden. Toch heb ik mij op grond van de wet en de afgesproken procedures
te houden aan het zorgvuldig onderzoeken van alle alternatieven. Dat doen we en dat
doen we integraal, dus ik bekijk echt alle effecten. Op basis van al die informatie
nemen we een besluit, en al die informatie wordt na het genomen besluit natuurlijk
ook ter inzage gelegd.
Dan vroegen de heer Flach, mevrouw Teunissen en mevrouw Van Oosterhout naar de koeltorens
in Zeeland. Of ik die, in de woorden van de heer Flach, ga vermijden. Daarop is het
antwoord ja. Ik wil die inderdaad vermijden. Ik heb eerder al aangegeven dat het voor
de locatie Borssele technisch gezien waarschijnlijk niet nodig is om koeltorens te
plaatsen, omdat er voldoende koelwater beschikbaar lijkt te zijn. Ook voor andere
locaties hebben wij een voorkeur voor doorstroomkoeling in plaats van koeltorens.
Als blijkt dat op basis van het lopende ecologische onderzoek aanvullende maatregelen
nodig zijn, dan zal ik die per locatie in beeld brengen. Dat wordt te zijner tijd
ook allemaal onderdeel van het locatiebesluit.
Dan een vraag van de heer Vermeer en mevrouw Van Oosterhout over de Zeeuwse voorwaarden
en of we die allemaal gaan inwilligen. Ik zei al dat we in een intensief proces zitten
om tot een Rijk-Regiopakket te komen, zodat wij, als we straks een voorkeursbeslissing
nemen – ik zei al dat, als er een keuze is, het Rijk een voorkeur heeft voor Zeeland
– ook direct een afspraak over zo’n pakket kunnen maken. In het hele proces van het
komen tot zo’n pakket zijn de Zeeuwse voorwaarden richtinggevend. Hetzelfde geldt
overigens ook voor de voorwaarden van de provincie. Ik kan alleen op dit moment niet
toezeggen dat ik ze allemaal een-op-een inwillig.
Het Rijk-Regiopakket waar we over spreken, moet straks antwoord gaan geven op de vraag
hoe we zo goed mogelijk tegemoet kunnen komen aan alle belangen en verzoeken die er
liggen, en ook aan de zorgen die er zijn. Daarvoor hanteren wij een aantal uitgangspunten:
het moet proportioneel zijn, het moet passen in ons energiesysteem, het moet passen
bij onze wettelijke normeringen en het moet juridisch haalbaar zijn. Dat is het voorbehoud
dat ik moet maken, maar het is sowieso heel goed en belangrijk dat die voorwaarden
er liggen en richtinggevend zijn. Dat woord gebruikte ik net ook. Dat zijn ze ook
echt. Op die manier kijken we ernaar, spreken we erover en proberen we op al die verschillende
punten te kijken hoe we daar zo goed als mogelijk invulling aan kunnen geven.
Eén vraag tot slot, voorzitter. Dan ben ik aan het einde van dit blokje. Het gaat
om een vraag van de heer Jumelet, namelijk of ik bereid ben om te investeren in onderwijs
en in afspraken met toeleveranciers en of ik daarvoor zogenaamde no-regretmaatregelen
zou willen nemen. Onder leiding van de gebiedsverbinder die aan het werk is voor dat
Rijk-Regiopakket, spreken we al over no-regretmaatregelen. Die moeten dus ook een
plek krijgen in dat Rijk-Regiopakket. Zodra er een locatiekeuze is gemaakt, kunnen
we ook starten met het regelen, uitvoeren of implementeren daarvan. Daarvoor hoeven
we dus niet te wachten op de bouw van de kerncentrales.
Ik zal nog even de toevoeging doen dat de planning voor de locatiekeuze op het schema
ligt dat ik in de brief van 17 oktober beschreven heb. Daar is niks aan veranderd,
ook niet als die NRD wat later gepubliceerd wordt omdat we goed op die zienswijze
in willen gaan.
De voorzitter:
Dank u wel voor de beantwoording in dit blokje. Meneer Vermeer, gaat uw gang.
De heer Vermeer (BBB):
Ik bedank de Minister voor het antwoord. We moeten geen concurrentie creëren tussen
Zeeuwse en Borselse voorwaarden, want volgens mij zijn dat twee boodschappenlijstjes.
Is dat alleen iets wat ontvangen is en waaraan gewerkt wordt of is ook al duidelijk
welke voorwaarden bijvoorbeeld in de ogen van het ministerie gewoon onhaalbaar of
te hoog gegrepen zijn of over welke voorwaarden een ander idee leeft? Is er iets bekend
van de status hiervan?
Minister Hermans:
We zijn daarover nu in gesprek. Dat gebeurt allemaal onder leiding van de gebiedsverbinder,
die de Borselse en de Zeeuwse voorwaarden – de heer Vermeer heeft gelijk; er liggen
verschillende voorwaarden – met ons in dat traject bij elkaar probeert te brengen.
In de brief van oktober zijn we ook al ingegaan op hoe we naar die verschillende voorwaarden
kijken en wat daar meer of minder ... «Kansrijk» is niet helemaal het goede woord.
We hebben aangegeven waar we meer en minder dicht bij in de buurt kunnen komen. Maar
ik zou er ook voor op willen passen daar nu al hele definitieve uitspraken over te
doen, juist omdat dit een zorgvuldig proces is, dat echt heel zorgvuldig door de gebiedsverbinder
wordt doorlopen en wordt ingericht. We hebben daar ook nog even de tijd voor. Ik zou
die tijd ook echt wel willen nemen, wat niet wegneemt dat no-regretmaatregelen, zoals
de heer Jumelet die noemde, daar natuurlijk ook in meegenomen worden. Als we straks
dat pakket hebben, kunnen zeker die maatregelen al sneller worden uitgevoerd.
De voorzitter:
Uw laatste interruptie.
De heer Vermeer (BBB):
Weet de Minister ook of zowel de provincie als de gemeente liever hebben dat alles
in één keer bekend wordt of dat ze tussendoor al een tussenstand krijgen, die volgens
de Minister niet gewenst is maar misschien wel in het kader van het managen der verwachtingen
van de inwoners in zowel de gemeente als de provincie? Misschien denkt de gemeente
of de provincie hier anders over en zouden zij graag willen weten waarvan nu al duidelijk
is dat het onhaalbaar, minder kansrijk of niet kansrijk is.
Minister Hermans:
Met een aantal bestuurders op de publieke tribune moet ik nu natuurlijk voorzichtig
zijn. Nee, ik moet altijd voorzichtig zijn en ook zo duidelijk mogelijk. Ik snap dat
bestuurders, maar zeker ook inwoners, zo snel mogelijk duidelijkheid willen en willen
weten waar ze aan toe zijn. Dat weet ik van heel veel projecten waar ik aan werk in
deze portefeuille. Een paar daarvan zijn vandaag ook alweer genoemd, onder anderen
door de heer Vermeer. Dus ik wil niks liever dan zo snel mogelijk duidelijkheid geven.
Ik weet ook dat er niks vervelender is dan nu iets zeggen en daar straks op terug
moeten komen of een valse verwachting wekken. Daarom ben ik een beetje terughoudend
om nu allerlei toezeggingen te doen of te zeggen: laten we «vooruitlopend op» alvast
een pakketje maatregelen of een pakketje voorwaarden inwilligen. We zitten wat mij
betreft echt in een goed en constructief proces. Alles is erop gericht om een Rijk-Regiopakket
te hebben op het moment dat er ook een voorkeursbeslissing voor de locatie of een
ontwerp-voorkeursbeslissing wordt genomen. Dat is direct na de zomer, waarvoor we
dus – zo herhaal ik nog maar een keer – al op schema liggen. Sommige van de voorwaarden
hangen af van hoe je ze invult, van de techniekselectie. We zijn nog niet bij die
fase van techniekselectie. Dus in zekere zin vraagt dit proces van ons allemaal ook
een stap-voor-stapbenadering. Dat vraagt geduld van iedereen – dat realiseer ik me
– maar als je die voorwaarden zo goed mogelijk wilt invullen, dan moet je ook zo veel
mogelijk weten over hoe het project er precies gaat uitzien.
De heer Flach (SGP):
Ik heb twee vragen aan de Minister, die ik afzonderlijk van elkaar zal stellen. De
eerste vraag was waarom er niet gekozen is voor een locatie met één kerncentrale.
Daarop heeft de Minister opnieuw uitgelegd dat dat vanwege kostenefficiëntie is. Dat
snap ik. Dat lijkt me ook de enige logische reden daarvoor. Maar in mijn bijdrage
heb ik gezegd dat de Commissie m.e.r. aangeeft dat als je daarop terug moet komen,
je de hele locatieselectie opnieuw moet doen. Ik heb me laten vertellen, en ik kan
me dat nog steeds moeilijk voorstellen, dat het bouwen van één kerncentrale leidt
tot de grootste bouwput van West-Europa. Twee kerncentrales betekenen een twee keer
zo grote bouwput. Dat is dan zo’n beetje de grootste van een nog grotere omgeving.
Met andere woorden: het beperkt de mogelijkheden en het maakt de impact ook veel groter,
dus uit die selectie kan ook komen dat je toch terug moet schakelen naar één en één.
Maar dan moet je het hele proces opnieuw doen. Dus dat is de achtergrond van mijn
vraag.
Minister Hermans:
Als je aan zo’n projectprocedure begint, moet je natuurlijk een projectbeschrijving
maken. Dat wil je zo zeker of zo vastomlijnd mogelijk doen, want dat maakt dat je
goed onderzoeken kan doen en dat je alvast, wat we ook hebben gedaan, een technische
haalbaarheidsstudie kan doen. Daar hangt dit dus mee samen. Ik denk dat je ook niet
zomaar kan zeggen dat je alles keer twee kan doen: dus als de bouw van één kerncentrale
de grootste bouwput is, dan is twee kerncentrales twee keer de grootste bouwput. Dat
telt natuurlijk ook door in de kosten en in allerlei andere factoren. Naast dat belangrijke
vertrekpunt van de kosten zit er ook in dat je op een gegeven moment een projectbeschrijving
maakt op basis waarvan iedereen aan het werk gaat om de stappen te kunnen zetten om
uiteindelijk tot de daadwerkelijke bouw over te kunnen gaan.
De heer Flach (SGP):
Ik constateer dan maar dat de Minister het risico dat de Commissie m.e.r. schetst,
eigenlijk dus niet ziet. Dan mijn tweede vraag. Die bouwt een beetje voort op waar
de heer Vermeer vrij uitgebreid op is ingegaan, namelijk die Borselse en Zeeuwse voorwaarden.
De Minister zegt: we zijn bezig om te komen tot een goed Rijk-Regiopakket en we doorlopen
een zorgvuldig proces. Dat kan een heel bestuurskundig of participatief goed doorlopen
proces zijn, maar dat zegt nog niks over de uitkomst. Ik heb net aan de woordvoerder
van de VVD gevraagd of hij vindt dat die voorwaarden onverkort moeten worden uitgevoerd.
Dat ga ik niet vragen aan de Minister, want die zit hier als dienaar van de Kroon,
maar ik ben wel benieuwd naar de insteek waarmee zo’n gesprek wordt ingegaan. Zeeland
is feitelijk de derde provincie waar Nederland voor een groot gedeelte afhankelijk
van is als het gaat om energie. Limburg en Groningen gingen voor. In beide gevallen
hebben we geconstateerd dat die provincies meer geleden hebben dan daarvoor teruggekregen.
Met andere woorden: gaan we dit proces met Zeeland nu in als een koopman of koopvrouw,
of hebben we een meer moederlijke rol, in de zin van «laten we zorgen dat wat we doen,
ook een beetje draaglijk is voor de mensen hier?» Dus koopvrouw of moeder? Daar mag
de Minister uit kiezen wat mij betreft.
Minister Hermans:
Dan begin ik even met de Commissie m.e.r. en de risico-opmerking die de heer Flach
maakt. Mijn verantwoordelijkheid is risico’s te wegen, dan een keuze te maken en zo
een stap in een proces te zetten. Dus ik zeg niet dat ik een risico níét zie, of het
er niet mee eens ben, maar uiteindelijk maak je een weging. Elke keuze heeft een risico
in zich en potentiële consequenties. Daar moet ik het dan mee doen. Als die zich materialiseren,
dan moet ik me daarover verantwoorden en zult u mij daar vast en zeker nog heel veel
vragen over stellen. Dat is ook goed, maar dit is hoe het werkt en hoe ik met die
risico’s omga.
Voorzitter. Dan het Rijk-Regiopakket. Ik weet niet of ik een keuze kan maken tussen
beide, want ik weet niet of ik met beide recht zou doen aan wat ik vind dat dit proces
verdient. Toen ik begon, kreeg ik van mijn voorganger de puzzel overhandigt die symbool
staat voor de 39 Borselse voorwaarden. Die puzzel, maar ook de gesprekken daarna,
zitten in mijn hoofd als «dit is wat Borsele op tafel legt». Zij zeggen: «We zouden
best een bijdrage willen leveren aan die hele verbouwing van het energiesysteem, aangezien
hier al een kerncentrale staat en wij daar ook ervaring mee hebben. Wij zouden dus
best een bijdrage willen leveren aan dit hele grote project, maar het gaat wel langjarige
impact hebben voor, tijdens en na de bouw; dan zijn dít onze voorwaarden.» In mijn
rol kan ik niet anders en wil ik ook niet anders – dat doe ik dus ook – dan daar meer
dan welwillend naar kijken, echt met de bereidheid om te bezien hoe ik aan deze voorwaarden
invulling kan geven. En, zo zeg ik daarbij: ik heb natuurlijk wel een verantwoordelijkheid
voor het algemeen belang, dus ik moet wel kijken of het proportioneel is aan de hand
van het rijtje dat ik opnoemde. Als zo’n voorwaarde dan wringt, ga je in gesprek,
in dialoog – «onderhandeling» klinkt zo transactioneel – met de bestuurders of vertegenwoordigers
namens de voorwaarden, om te kijken hoe je daar waar het wringt toch een antwoord
kunt formuleren op zo’n voorwaarde.
De voorzitter:
Meneer Flach, gaat uw gang.
De heer Flach (SGP):
Eén laatste vraag hier dan nog over. We hebben een parlementaire enquête rond Groningen
gehad. Daaruit kwam naar voren dat die provincie gewoon te weinig geprofiteerd heeft
van wat wij daar gewonnen hebben. Dat kan ook een les zijn voor nu. Want als de insteek
is dat de Minister eigenlijk verantwoordelijk is voor het algemeen belang en een goede
deal voor de belastingbetaler van Nederland eruit moet halen, dan is dat een heel
andere insteek dan dat je zegt: nee, we gaan hier iets doen wat zo ingrijpend is voor
die provincie en nog meer voor die gemeente dat we ervoor moeten zorgen dat ze daarmee
kunnen leven, dat de impact draaglijk is en dat de gevolgen voldoende gecompenseerd
zijn. Dat zijn verschillende insteken. De SGP zal daar met name naar kijken als het
een hele zakelijke deal is in de trant van: dit hebben we gedaan, dit is het minimum,
klaar. Dat hoor ik ook niet, hoor. Maar ik zou dat graag nog een keer uitgesproken
willen zien in de termen zoals ik die nu gebruik.
Minister Hermans:
Als dat zo zou zijn, zou het bijna een taakje op het lijstje zijn dat we hebben afgevinkt
– en door naar de volgende stap. Dat is nadrukkelijk niet hoe ik het zie en hoe mijn
collega’s op het ministerie het zien, en zeker ook niet hoe de gebiedsverbinder hiermee
aan het werk is, juist omdat ik zie hoe groot de impact is – niet eventjes, hè, dit
is echt langjarig – en ook geleerd hebbend van de enquête en van wat er in gang is
gezet. Dat is ook de reden dat we in dat gesprek met de regio, met de provincie, met
de gemeente, ook breder en veel verder de toekomst in kijken en de toekomstvisie van
de provincie betrekken. We kijken hoe dit past in het hele toekomstvraagstuk en hoe
Zeeland zijn ontwikkeling de komende jaren voor zich ziet.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
De Minister had het er net over dat ze koeltorens wil vermijden. Het alternatief is
dan dus koelwater uit de Westerschelde, maar als kerncentrales worden gekoeld met
water uit de Westerschelde, dan kan dat ook leiden tot ongewenste opwarming van het
water. Bevestigt de Minister dat als uit het ecologisch onderzoek zou blijken dat
dit tot milieuschade leidt of dat de temperatuurnormen worden overschreden, het water
uit de Westerschelde dan niet als koelwater gebruikt zou mogen worden? En als uit
de ecologische-effectenstudie zou blijken dat water uit de Westerschelde echt niet
kan, valt Zeeland dan weg als optie?
Minister Hermans:
Er loopt op dit moment ook een ecologisch onderzoek. Als daaruit blijkt dat er aanvullende
maatregelen nodig zijn, dan zullen we die per locatie in beeld brengen. Dit element
zit volgens mij ook in de voorwaarden, dus we zijn ook al vanuit die invalshoek eraan
gehouden om daarnaar te kijken, maar ook het ecologisch onderzoek zal daarop ingaan.
Ik kan er nu niet op vooruitlopen wat daaruit gaat komen, wat dat dan betekent en
wat we gaan doen, maar ik heb me er natuurlijk wel toe te verhouden als dat daaruit
komt. Dat geldt overigens voor alle locaties die we onderzoeken.
De voorzitter:
Meneer Jumelet, u heeft al vier interrupties verbruikt. Helaas, dat is de wet van
spreiding van interrupties. Ik hoor u zeggen: de heer Vermeer is al weg. Ja, maar
die heeft er ook al vier gebruikt. Dus er valt ook niks meer te lenen. Ik kijk even
verder. Mevrouw Teunissen, gaat uw gang.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Helaas mis ik tot nog toe in de beantwoording van de Minister wel een stevige plek
voor de ecologie. Ze zegt: we doen op dit moment onderzoek naar de ecologische effecten,
en dan kijken we of we daar maatregelen op moeten treffen. Ik denk dat het komt door
de Omgevingswet, waar de Partij voor de Dieren altijd tegen was. Dat is een afzwakking
van de toetsing van de milieueffecten; dat wordt nu getoetst via de planMER. Maar
stel nou dat uiteindelijk blijkt dat het water van de Westerschelde structureel te
veel opwarmt. Dat zou grote gevolgen hebben voor de biodiversiteit, en is ook een
schending van de Europese regelgeving. Dat risico is er in ieder geval. Kan de Minister
dan zeggen: oké, we doen het niet? Want dan moet ze weer op zoek gaan naar andere
locaties.
Minister Hermans:
Nu vraagt mevrouw Teunissen mij vooruit te lopen op de uitkomst van onderzoeken die
lopen. Ik ben het met haar eens dat het belangrijk is dat ook de ecologische effecten
worden onderzocht. Dat doen wij dus ook, juist op dit moment in het proces. Dat hoort
ook. Dat vind ik ook volstrekt logisch en vanzelfsprekend, zodat we straks alle effecten
per locatie in beeld hebben en we dan een integrale weging kunnen maken. Als we dan
die weging gemaakt hebben en kiezen voor een locatie waar je effecten op bijvoorbeeld
de ecologie ziet waar we iets aan moeten doen, dan zal dat moeten gebeuren. Maar wat
dat op welke locatie precies gaat betekenen, daar ga ik echt niet op vooruitlopen.
Maar we doen die onderzoeken niet voor niks.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Ik loop er niet op vooruit, maar we willen er natuurlijk wel op anticiperen. Ik vraag
aan de Minister of het een optie is, onder de vele opties, dat de Minister kán zeggen
vanuit de wet- en regelgeving: de ecologische effecten zijn zodanig dat het project
niet doorgaat. Of is het al een voldongen feit dat de milieueffecten uiteindelijk
niet zo doorslaggevend kunnen zijn dat het project helemaal niet doorgaat?
Minister Hermans:
Maar hier zit de suggestie in van «als dit, dan dat». Maar het kan ook «of-of-of»
zijn. Ik krijg straks per locatie heel veel effecten in beeld en, zo zeg ik tegen
de heer Flach, risico’s. Dat moeten we gaan wegen. Dan moeten we de weging maken welke
effecten dan wel risico’s we bijvoorbeeld met mitigerende maatregelen weg kunnen nemen
of kunnen beperken. Die weging moet ik straks maken, moet het kabinet straks maken,
als alle onderzoeken voor alle locaties zijn afgerond. Dan zal ook blijken op grond
van de locatiekeuze wat je aanvullend aan mitigerend beleid moet doen of welke mitigerende
maatregelen je moet nemen.
De voorzitter:
Dan zijn we bij het volgende blokje.
Minister Hermans:
Dan ben ik bij de financiering. Een investering in kernenergie is omvangrijk. Die
is robuust, maar ook omvangrijk. Zoals we ook in de brief van oktober schreven, laten
de studies nu zien dat de bandbreedte voor de kosten zo’n 20 tot 30 miljard euro is,
exclusief de financieringslasten. De financiering hiervan zal grotendeels of geheel
van de overheid komen. Ook dat is overigens niet anders dan wat je in de landen om
ons heen ziet. De inzet is om een deel buiten het EMU-saldo om te kunnen financieren.
Het belangrijkste argument voor het kabinet om te kiezen voor publieke financiering
is de betaalbaarheid van het project. De Nederlandse overheid kan zelf ook goedkoper
geld lenen op de kapitaalmarkt dan van private financiers. We zien dus in marktonderzoek
dat er maar beperkte bereidheid van private partijen is om in dit stadium het project
te financieren zonder vergaande garanties van het Rijk. Zoals ik al zei, zien we dat
ook in de landen om ons heen. In de bouwfase heb je dus echt publieke financiering
nodig. Daarna – in de exploitatiefase, moet ik zeggen – is er echt veel meer interesse
vanuit private partijen.
Voorzitter. Door mevrouw Van Oosterhout, de heer Flach, de heer Klos en de heer Jumelet
zijn vragen gesteld over de risico’s op bijvoorbeeld kostenoverschrijdingen. Er is
gevraagd hoe we gaan rapporteren. Ook u, voorzitter, stelde daar vragen over. Daar
ga ik nu dus in algemene zin even nader op in. Ik begin even met de verdeling tussen
NEO NL, de deelneming, en de opdrachtnemers. Ondanks de keuze voor publieke financiering
blijven we inzetten op risicoverdeling. Dat doen we door goede contractuele afspraken
te maken over de risicoverdeling met de opdrachtnemer. Dat maakt een zorgvuldig inkoopproces
met de opdrachtnemers ook zo belangrijk. Ook de risico’s op kostenoverschrijdingen
worden daarin meegenomen.
Volgens mij vroeg de heer Klos naar het worstcasescenario. Het is nu nog lastig om
daar iets over te zeggen, omdat dat van veel factoren afhankelijk is, maar ook daarover
zullen wij de Kamer blijven informeren. Dat zullen we op regelmatige basis doen, zeg
ik daar direct bij. Dat doen we nu al in voortgangsbrieven. In het eerste kwartaal
van 2026 volgt de volgende voortgangsbrief. In die brieven worden steeds de faseovergangen
aangekondigd en beschreven. We hebben in de afgelopen jaren heel veel analyses en
onderzoeken gedaan. Nu gaan we veel meer over naar het voorbereiden en het daadwerkelijk
nemen van een aantal besluiten. Dat doen we op een manier die, zou je kunnen zeggen,
aansluit bij hoe dat bij grote projecten in zijn werk gaat. Dat doen we vanuit het
ministerie dus al proactief, juist omdat we het bij zo’n groot en complex project
belangrijk vinden om de Kamer goed, volledig en regelmatig te informeren over de stappen
die gezet worden, de risico’s en de risicoafwegingen die we daarbij tegenkomen.
De bouw van kerncentrales echt als groot project bestempelen, is natuurlijk een besluit
van de Kamer zelf. Zoals ik al zei, werken wij al indachtig het gegeven dat het een
groot project is. Als de Kamer besluit er een groot project van te maken, gaan we
natuurlijk heel graag in gesprek over hoe we dat op een goede manier vorm kunnen geven
en hoe we de informatievoorziening zo vorm kunnen geven dat die voldoet aan de behoefte
die er is.
Voorzitter. Dan een vraag van de voorzitter, de heer De Groot. Hij vroeg naar het
financieringsmodel. Wanneer komt dat volledig uitgewerkt naar de Kamer? Ook over risicoverdelingsmechanismen
vroeg de heer De Groot iets, maar daar heb ik net al over gezegd dat we dat in de
contractuele afspraken een plek willen geven. We kiezen dus initieel, in de bouwfase,
voor volledige publieke financiering. We zijn dat pakket nu aan het operationaliseren.
Dat wordt de komende twee jaar voorgelegd aan de Europese Commissie voor staatssteungoedkeuring.
Bij die uitwerking houden we de deur open voor private investeringen in een later
stadium, wanneer private partijen niet alleen willen, maar ook echt daadwerkelijk
toegevoegde waarde kunnen bieden. Nogmaals, de risicoverdeling willen we onderdeel
maken van de contractuele afspraken.
Dan vroeg de heer Jumelet hoe de schatting van 20 tot 30 miljard is opgebouwd. Die
bandbreedte komt uit de technische-haalbaarheidsstudies en de third-party review die
we hebben laten doen. Die bandbreedte omvat de investering voor de bouw van twee kerncentrales.
Die is exclusief financieringslasten en inclusief de kosten die de eigenaar moet maken
voor het project, de zogenaamde owner’s scope, die dus niet onder de toekomstige verantwoordelijkheid
van de technologieleverancier vallen. Dan moet u denken aan kosten die gemaakt worden
om de locatie aan te passen of geschikt te maken voor de bouw. Ik zeg er nadrukkelijk
bij dat deze bandbreedte een inschatting is. Achter de schatting gaat bedrijfsvertrouwelijke
informatie schuil, dus ik kan niet dieper ingaan op die precieze vormgeving. Die schatting
is wel weer gebruikt voor de TNO-studie. Zo proberen we steeds de meest actuele informatie
te gebruiken in alle onderzoeken en vervolgstappen die we zetten. Naarmate het project
zich verder ontwikkelt, zal de bandbreedte natuurlijk ook kleiner worden.
De heer Flach vroeg hoe we de betrokkenheid van bedrijven bij de bouw van kerncentrales
gaan stimuleren. Ik deel heel erg met de heer Flach dat het betrekken van de Nederlandse
industrie bij de nucleaire ontwikkelingen niet alleen een noodzaak is, maar ook echt
een kans is voor een groeiende nucleaire markt en industrie in Nederland. We hebben
in de afgelopen jaren dus een aantal stappen gezet om die nucleaire waardeketen te
organiseren, bijvoorbeeld met de publicatie Kansen in Kaart. Een paar weken geleden
was er de bijeenkomst Made for Nuclear, waar heel veel partijen, organisaties en bedrijven
aanwezig waren om juist de verbinding te leggen en te kijken waar die kansen liggen
en hoe we ervoor kunnen zorgen dat Nederlandse bedrijven die kansen gaan grijpen.
We kijken op welke manier we binnen het nieuwbouwproject afspraken kunnen maken zodat
we de industrie daarbij kunnen betrekken.
Dan vroeg de heer Van den Berg mij nog of EDF wel of niet gaat instappen. Wij willen
een inkoopprocedure die competitief, gefaseerd en flexibel is. We hebben goed contact
met zowel EDF als Westinghouse. De verwachting is dat ze beide gaan meedoen aan het
inkoopproces, dat komend jaar gaat starten.
Tot slot in dit blokje vroeg de heer Jumelet of er al goedkeuring is van de Europese
Commissie voor het verlenen van staatssteun aan NEO NL. Dat moesten wij namelijk aan
de Commissie voorleggen voor goedkeuring. Ik heb goed nieuws: de Commissie heeft vandaag
haar besluit tot goedkeuring afgegeven. Dat zal later ook uitgebreid worden gepubliceerd.
Op basis van het goedkeuringsbesluit kan de financieringsdocumentatie worden gefinaliseerd,
ook met het oog op het verzelfstandigen van NEO NL. Daarmee kan de organisatie ook
echt van start. Als wij dit debat hebben afgerond, waar de oprichting ook bij betrokken
is, kan de formele voorhangprocedure worden afgerond. Dan kunnen we de deelneming
begin 2026 definitief oprichten.
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik kijk even naar de leden. Zijn hier vragen over? Nee. Dan gaan we verder.
Minister Hermans:
Dan kom ik bij de SMR’s. Er waren veel vragen en opmerkingen over de SMR’s. Laat ik
zeggen dat ik de wens om snelheid te maken met de conventionele SMR’s en om Nederlandse
innovatieve projecten sneller naar de markt te brengen, herken en deel. De grootschalige
inzet van conventionele SMR’s in ons nationale energiesysteem zal leiden tot een ontwikkelpad
dat vergelijkbaar is met dat van de grote kerncentrales. Dat zeg ik ook in reactie
op de heren Klos en Van den Berg. Eerlijkheid gebiedt mij wel te zeggen dat SMR’s
op dit moment nog niet zijn gerealiseerd in de westerse wereld. Dat is de reden waarom
ik de SMR-strategie én het conventionele programma heb. Ik wil dat het SMR-potentieel
voor private initiatieven goed wordt benut. De toegevoegde waarde van SMR’s ligt in
verschillende toepassingen, bijvoorbeeld in de industrie. Dat verschilt wel echt van
de grote centrales.
Ik heb al gewezen op het belang van het uit elkaar houden van de toepassingen en heb
gezegd dat daarbij verschillende procedures of stappen moeten worden doorlopen. Omwille
van de tijd zal ik dat niet herhalen. Tegelijkertijd zijn SMR’s, hoewel ze wat kleiner
zijn qua ruimte en vermogen, nog steeds omvangrijke, complexe projecten waarmee we
tegen dezelfde uitdagingen aanlopen die we bij grote kerncentrales tegenkomen. Er
zijn dus geen snelle geitenpaadjes denkbaar om dat even op stel en sprong gerealiseerd
te hebben.
Dan kom ik op de kosten. In het buitenland zie je dat er voor SMR’s vergelijkbare
budgetten nodig zijn als voor de grootschalige conventionele centrales. Dat staat
nog los van het «first of a kind»-risico.
Onder anderen de heer Flach vroeg: kun je zeggen dat overschakelen naar SMR’s in plaats
van grote kerncentrales goedkoper is? Dat is dus niet zo, volgens onze analyse op
dit moment. In het besluitvormingsproces voor de grote kerncentrales drie en vier
zullen we opnieuw wegen wat de toegevoegde waarde van die centrales kan zijn, ook
in relatie tot SMR’s. We houden beide opties dus wel open naar de toekomst. Dat lijkt
mij ook verstandig, want die keuze is nu niet nodig.
Dan wat betreft de ruimte. De heren De Groot en Van den Berg vragen om vaart te maken.
Dat ben ik met hen eens. Dat doen we door SMR’s in het tweede Programma Energiehoofdstructuur
te betrekken en door met provincies aan de slag te gaan, te zijn en te blijven met
regionale verkenningen voor mogelijke toepassingen bij industrie en bedrijven, zodat
we samen geschikte locaties kunnen identificeren. Ik kreeg ook de vraag of een aanvullend
locatieprogramma kan bijdragen aan de versnelling. Ik wil onderzoeken of dat kan helpen
en of dat bijdraagt aan snellere doorlooptijden. Dat wil ik toezeggen aan de heer
De Groot, en ik dacht dat ook de heer Van den Berg hiernaar vroeg.
Dan de realisatietijd. Ook bij SMR’s zijn de analyses van milieueffecten en veiligheidscontouren
vergelijkbaar met die van grote kerncentrales. Bij de innovatieve SMR’s, zeg ik tegen
de heer Jumelet, moet de techniek zich wel eerst verder ontwikkelen. Ondertussen lichten
we partijen in en bereiden we ze voor op de komst van SMR’s, bijvoorbeeld door simulaties.
Zo kunnen we bij de realisatie vanuit ieders rol snelheid maken.
De heer Vermeer en de heer Van den Berg refereren aan het ondersteunen van de Nederlandse
SMR-bedrijven in lijn met het rapport-Wennink. Initiatieven in dit stadium kan ik
alleen bereiken via generiek beleid, dus niet gericht op specifieke bedrijven. Dat
is de manier waarop de Nederlandse overheid op dit moment innovatie stimuleert. Die
mogelijkheden grijp ik wel ten volle aan. Ik noemde de MOOI-regeling al, waar ook
SMR-ontwikkelaars, zoals Thorizon en Allseas subsidie kunnen aanvragen. Die openstellingsronde
is er nu en daar is een bedrag van 10 miljoen beschikbaar. Ik noemde volgens mij de
IPCEI-regeling eerder in een interruptiedebat. We onderzoeken ook of innovatieve projecten
via die route deel kunnen nemen, of daar mogelijkheden voor zijn.
Dan het betrekken van de industrie. Ik heb daar net al iets over gezegd in de richting
van de heer Flach. De kansen zijn er natuurlijk niet alleen rondom de grootschalige
kerncentrales, maar ook rondom SMR’s. Het versterken van die waardeketen en het betrekken
van de industrie ziet dus ook echt op allebei.
Voorzitter. Dan denk ik, ook met de interrupties die ik al met de heer Jumelet heb
gehad, dat ik de vragen over de SMR’s ... Althans, dit waren mijn inleidende woorden.
Er zijn nog wat specifieke vragen, dus ik ga nu te snel.
Ik heb nog een vraag van de heer Klos over het risico om achterop te raken, omdat
we zien dat Canada en het VK zo zwaar inzetten ook op publieke financiering. Het klopt
dat landen als Canada en het VK al in een vroeg stadium zijn begonnen met het verkennen
van de mogelijkheden voor SMR’s. Canada heeft in 2018 al een routekaart gepubliceerd
en is al ver daarvoor begonnen met de ontwikkeling van die routekaart. De koploperpositie
die zij hebben, is dus niet van onlangs. Die stamt echt al van langer geleden. Wij
zien wel kansen om juist te leren van deze landen en de stappen die zij al hebben
gezet. We zetten echt in op het uitwisselen van kennis en het delen van ervaringen,
bijvoorbeeld als het gaat over het betrekken van de industrie en het financieren van
de bouw. Met het VK hebben we aan het begin de zomer een MoU getekend, juist ook om
de samenwerking op dit gebied te intensiveren. Dan hebben we nog in Europa de European
Industrial Alliance on Small Modular Reactors en de Nucleaire Alliantie, waar wij
deel van uitmaken en ook actief in meedoen.
Voorzitter, tot zover.
De voorzitter:
Meneer Van den Berg, uw laatste interruptie.
De heer Van den Berg (JA21):
Ik dacht dat ik er nog een had. Die laatste had ik toch ingetrokken? Daar kom ik zo
wel op.
Dank voor de beantwoording, maar ik hoor een aantal zaken van de Minister die ik niet
zo goed kan volgen. Allereerst refereer ik even aan de provincies en het SMR-programma
daarvoor. Ik kom zelf uit de provinciale staten. We hebben daar inderdaad geld voor
gekregen, maar ik zal u zeggen dat die dat expres bij het IPO hebben geparkeerd zodat
er helemaal niets mee gebeurt. Daar maak ik mij juist zorgen om, dat daar dus helemaal
niks van die gelden terechtkomt. U zegt dat we moeten leren van Canada en van het
Verenigd Koninkrijk. Dat is natuurlijk mooi, maar we hebben in Nederland een aantal
bedrijven die dit willen doen. Nou waren het meer voorbeelden, maar als we het specifiek
over Allseas hebben: met die MOOI- en die IPCEI-regeling komen we misschien tot 60 miljoen
aan financiering. Ik heb hier het rapport van Wennink. Die spreekt over 240 miljoen
euro. Dat red je dus niet met die gelden. Waarom zouden we nou niet als Nederlandse
overheid de vlucht naar voren nemen met een investeringsfonds, met algemene deelnemingen,
met staatsgaranties om die innovatie vlot te trekken en hier in Nederland een innovatieve
SMR-markt op te richten, waardoor andere landen naar ons zullen kijken van: hé, wat
kunnen we van die Nederlanders leren.
Minister Hermans:
In de strategie is een van de toepassingen de innovatie of de innovatieve kant: wat
kan je nou in Nederland doen om innovatieve vormen van SMR’s te stimuleren en, zoals
de heer Van den Berg zegt, anderen dan mogelijk ook van Nederland kunnen leren? Daar
is beleid op gericht via de regelingen die ik eerder genoemd heb. Dan kan je een discussie
voeren over of er meer geld beschikbaar moet komen voor die regelingen, maar dit is
het geld dat nu beschikbaar is gesteld door dit kabinet en dat nu in de begroting
zit. Een volgende stap, die de heer Van den Berg maakt, is dat je publiek gaat investeren
en erin stapt. Dan word je ook echt eigenaar. De weging is of je dit wilt doen in
dit soort innovatieve projecten. Dat is niet de keuze die we nu maken. Daarom trok
ik in reactie op de vraag van de heer Jumelet twee ontwikkelingen binnen de SMR’s
uit elkaar: de innovatieve kant en de conventionele technieken, zoals Rolls-Royce.
Als je daar in Nederland iets mee wilt doen, dan doorloop je daar een ander proces
en andere procedures voor dan voor de innovatieve kant.
Het punt dat de heer Van den Berg maakt over geld dat op de plank blijft liggen, herken
ik niet. Dat hoor ik nu van de heer Van den Berg, dus daar zal ik mij even in verdiepen.
Geld dat we beschikbaar stellen om onderzoek te kunnen doen, moet wel nuttig besteed
worden.
De voorzitter:
Ik heb zelf ook nog een interruptie voor de Minister. Ik ga even kijken of het zo
werkt. Zullen we het zo doen? Want anders moet ik het voorzitterschap weer overdragen,
terwijl het een korte vraag is. Die gaat over de uitspraak van de Minister over de
kosten van de SMR’s. De Minister stelde net dat de kosten vergelijkbaar zijn met die
van conventionele kerncentrales, maar het ligt er natuurlijk aan welke aannames je
daarvoor gebruikt. Ik heb inmiddels een heel aantal partijen gesproken die dat beeld
niet herkennen. Is de Minister bereid om nog eens met hen in gesprek te gaan om te
zien of die analyse klopt, kijkend naar de aannames die zijn gedaan en die onder die
analyse liggen?
Minister Hermans:
Ik ben altijd bereid om in gesprek te gaan, maar dat vraagt wel echt openheid van
zaken. Als we op hoofdlijnen een gesprek voeren, dan blijven we een beetje in algemeenheden
hangen. Het helpt mij als in zo’n gesprek alles op tafel komt. Ik zeg daarmee niet
dat we vervolgens allemaal bedrijfsvertrouwelijke informatie op straat gaan gooien.
Integendeel. Maar het helpt ons wel om dit soort wegingen goed te kunnen maken voor
onze strategie en onze verdere vormgeving van het beleid.
De voorzitter:
Akkoord. Meneer Van den Berg?
De heer Van den Berg (JA21):
Ik heb nog één interruptie, want die derde had ik ...
De voorzitter:
Ik heb daar al een opmerking over gemaakt. Ik was hierin ook heel streng richting
de heer Jumelet.
De heer Van den Berg (JA21):
Ik zit er tot nu toe op drie.
De voorzitter:
Nee, wij houden het netjes bij. Ik heb hier al een opmerking over gemaakt. U heeft
er al vier gebruikt. U krijgt straks in uw tweede termijn nog alle ruimte om vragen
te stellen, dus dat komt helemaal goed. Volgens mij zijn we aangekomen bij het blokje
overig. Gaat uw gang.
Minister Hermans:
Voorzitter. Ik had nog een vraag van mevrouw Teunissen over de afhankelijkheid van
Rusland voor uranium. Waar halen we dat nog meer vandaan? In Europa wordt 34% van
het uranium geïmporteerd vanuit Canada en 15% vanuit Rusland. Dat deel willen we afbouwen.
Daarvoor zetten wij ons ook in in Europees verband. Dat moeten we echt in Europees
verband doen, net zoals we met gas doen en hebben gedaan.
Voorzitter. Mevrouw Teunissen vroeg ook nog naar kernafval. Ze zei: daar komt nu nog
meer bij; is dat niet volstrekt onwenselijk? Radioactief afval wordt in Nederland
veilig opgeslagen. Het is waar: als je meer inzet op kernenergie, dan levert dat ook
meer radioactief afval op. De hoeveelheid hoogradioactief afval is in volume zeer
beperkt. Verder geldt als uitgangspunt dat het ontstaan van radioactief afval zo veel
mogelijk geminimaliseerd moet worden.
Voorzitter. Dan de geothermie. Ik weet niet zeker of mevrouw Teunissen mij echt een
vraag stelde, maar zij noemde wel terecht een aantal keer de potentie daarvan als
bron in ons systeem. Daarom hecht ik eraan om daar een paar dingen over te zeggen.
In de zomer is de Rijksregisseur stimulering aardwarmte gestart. Dat doen we juist
om een meer regisserende rol vanuit het Rijk op ons te nemen. Die regisseur is verantwoordelijk
voor het initiëren, coördineren en opleveren van een set afspraken. De oplevering
daarvan is voorzien in het tweede kwartaal van 2026. Dan loopt er ook nog een programma,
het SCAN-programma, om de potentie van aardwarmte in beeld te brengen. Dat loopt tot
2027. Daarnaast zijn er in 2025 meerdere besluiten genomen bij de vergunningverlening
onder het huidige wettelijke kader, dat is ingegaan op 1 juli 2023. En in de tussentijd
werken we ook aan een meerjarig versnellingsprogramma. Dat is een mix van beleidsontwikkeling,
kennisopbouw en vroegefaseopschaling. Dat doen we juist omdat we zien dat hierin potentie
zit, die volledig benut moet worden.
De voorzitter:
Dan dank ik de Minister voor de beantwoording. Ik ga er tenminste van uit dat dit
het laatste stukje was.
Minister Hermans:
Ja. Ik had hier nog een vraag van de heer Vermeer, maar die heb ik eigenlijk al beantwoord.
Ik las die beantwoording nog even door om te zien of die volledig was, en dat is zo.
De voorzitter:
Dan dank ik de Minister voor de beantwoording in eerste termijn van de kant van het
kabinet. De Minister heeft dat mooi snel gedaan. Dat betekent dat wij gelijk doorgaan
met de tweede termijn van de kant van de Kamer. Ik begin weer aan het begin van de
rij. U heeft 1 minuut en 30 seconden. Dus meneer Flach, trap ’m af, zou ik zeggen.
De heer Flach (SGP):
Voorzitter, dank u wel. In Zeeland wonen veel gelovige christenen, dus ik vroeg me
af of dat de voorkeur van de Minister verklaart voor Zeeland. Ze wil namelijk graag
confessionele reactoren neerzetten. Dat verstond ik tenminste, maar zij bedoelde ongetwijfeld
«conventionele». Dan is dat misverstand in ieder geval opgehelderd.
Voorzitter. De SGP is tevreden met de houding van de Minister en van het departement
in de hele afhandeling en het proces van het komen tot kernreactoren. Ik proef daaruit
voldoende gevoel bij de omgeving en bij wat daar van belang is. We weten ook dat er
een nieuw kabinet komt en we weten niet of deze Minister daarin terug zal komen, maar
de SGP zal er in ieder geval op toezien dat de voorwaarden die gesteld zijn vanuit
Borsele en Zeeland een belangrijke rol spelen. Wij kijken ernaar uit dat er straks
een locatiekeuze ligt en er aan twee kanten blije gezichten te zien zijn. Ik denk
dat dat uiteindelijk het ideaal is waar we met elkaar naartoe werken. Het allermooiste
zou het zijn als daar ook nog eens een hele dikke opdracht voor het regionale en het
nationale bedrijfsleven aan vastzit. Dat zou, denk ik, leiden tot nog meer blije gezichten.
Zo zullen wij hier dus naar kijken, ook in het vervolg en ook als er straks een nieuw
kabinet mee aan de slag gaat.
Tot zover, voorzitter. Ik zou nog wel graag een tweeminutendebat willen aanvragen.
De voorzitter:
Dat noteren wij dat. Mevrouw Van Oosterhout, gaat uw gang.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Hartelijk dank, voorzitter, en dank aan de Minister voor de antwoorden. Zoals eerder
gezegd willen wij dat de Nederlander betaalbare elektriciteit heeft, waarmee onze
bedrijven kunnen werken en Nederland klimaatneutraal wordt. Dat is goed voor mensen,
goed voor onze planeet en ook goed voor onze economie. Wat vandaag opvalt, is dat
kernenergie vooral een politiek-dogmatische keuze is. Er is echter veel onzekerheid
over de kosten van nieuwe centrales. De Minister haalt aan dat de TNO-studie schrijft
dat er scenario’s zijn waarin de systeemkosten mét kernenergie gelijk zijn of lager
uitvallen, maar er staan ook scenario’s in waarbij de systeemkosten mét kernenergie
juist hoger liggen. Hoger, gelijk of lager: er bestaan veel mogelijkheden voor alle
scenario’s. Alles kan nog en er is enorm veel onzekerheid.
Waar wel zekerheid over is, is dat je een kerncentrale ergens moet neerzetten. Zeeland
wil enkel meewerken als aan de Zeeuwse voorwaarden voldaan wordt, maar de Minister
bood daarop nog steeds geen eenduidig antwoord. Ook rond het koelwater is er nog geen
duidelijkheid. Een koeltoren willen de Zeeuwen niet en die wil de Minister ook vermijden,
en zonder koeltoren heb je water van de Westerschelde nodig. Maar door de temperatuurstijging
van het water gaat dat ecologisch gezien waarschijnlijk gewoon niet werken. En uiteraard
zijn er de oplopende kosten voor de bouw en voor de berging van het afval. Iedere
nieuwe vorm van elektriciteit zal nieuwe subsidies nodig hebben, maar voor de bouw
van nieuwe kerncentrales schieten die kosten de pan uit. Het is fijn dat de Minister
hierover met andere lidstaten praat, maar ik hoorde geen duidelijk antwoord over oplossingen.
Die kostenexplosie van kernenergie gaat er gewoon komen, ook hier in Nederland, en
de Nederlander zal er duur voor gaan betalen.
Het pad naar kerncentrales ligt vol moeilijke ...
De voorzitter:
Komt u tot een afronding.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Oké. 50% van de Europese elektriciteit is op dit moment hernieuwbaar. Voor SMR’s is
dat op dit moment 0%. Wij kiezen dus heel duidelijk niet voor de nucleaire fata morgana,
maar juist voor het echte winning team: zon, wind, efficiëntie en opslag. Dat is onze
ambitie voor Nederland.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. De heer Van den Berg.
De heer Van den Berg (JA21):
Dank, voorzitter. Dit is een interessant debat om te zien waar dit nou heen gaat in
de komende tijd. Ik denk wel dat we in deze commissie met z’n allen onderschrijven
dat we meer zouden willen zien op het gebied van SMR’s. Ik wil hier ook graag onderstrepen
dat dat wat JA21 betreft enorme kansen biedt voor onze economie en onze energievoorziening.
Wij zouden dan ook een pleidooi willen houden om niet alleen maar te kijken naar die
grote kerncentrales, maar om nu ook al echt serieus in te gaan zetten op het verkennen
van die kleinere: locaties gaan aanwijzen, financiering verzorgen. Ik denk ook dat
het heel veel biedt. Ik heb het zelf al een keer uitgezocht. Wat er te zien valt –
ik hoop dat u het kunt zien en anders zal ik dit verspreiden onder de commissie –
is dat je door heel Nederland bij die industrieclusters een heel goede koppeling kan
maken met die industrie: de warmte en een kleinere kerncentrale tot aan 1.000 graden
Celsius. Het is gewoon heel zonde als we dat laten liggen. Hoe kunnen we dat nou in
de praktijk brengen? Ik zou eigenlijk aan de Minister willen vragen of wij niet voor
de tenders die nu lopen en die gaan komen gewoon een open systeem kunnen ontwikkelen,
waar dus niet alleen de grote kerncentrales op kunnen inschrijven, maar ook de SMR’s,
ook al zijn dat FOAK-ontwerpen. Daar zouden wij heel blij van worden en ik denk dat
het ook een goede kans is voor de Nederlandse economie.
De voorzitter:
Dank u wel. De heer Jumelet.
De heer Jumelet (CDA):
Dank, voorzitter. Dank aan de Minister voor alle antwoorden op de gestelde vragen.
Het CDA is content en niet zozeer tevreden. Een beetje calvinistisch, dus dat hoort
er niet helemaal bij. We gaan dus gewoon voor content. We zijn blij met de ontwikkelingen.
Ik wil nog wel iets meegeven als het gaat om Zeeland en die no-regretmaatregelen.
Ik zei net dat dat toch van belang is, maar misschien kan het in zijn algemeenheid
wel zo zijn dat we werken aan kennisontwikkeling. Ik denk dat daar heel veel waarde
aan te hechten is, dat we in Nederland inderdaad die innovaties aanjagen. Dan kan
kennisontwikkeling misschien wel de motor zijn om dat te doen en kan dat bijvoorbeeld
in Zeeland al plaats gaan vinden.
Ik heb ook gevraagd of het als groot project kan worden aangemerkt. Ik begrijp dat
wij daar zelf over gaan. Ik kan me dus voorstellen dat we daarop terugkomen.
Dan het laatste. Dat is een inschatting. Dat is meer het gevoel daarbij. Ik merk bij
de Minister toch een zekere terughoudendheid op de SMR’s. Ik zeg nu ook SMR’s, op
zijn Engels, want dat hoort zo, geloof ik. Als we naar het rapport van Wennink kijken,
denk ik dat er best een tandje bij mag. Ik ben mijn bijdrage in eerste termijn begonnen
met dat wereldrecord. Laten we die lat echt hoog leggen, want dat verdient ons land.
Voorzitter, dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw inbreng. Mevrouw Teunissen.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Dank u wel, voorzitter. In dit debat is wel weer duidelijk geworden dat we veel te
slappe natuur- en milieuwetgeving hebben in Nederland. Als we de milieueffecten pas
later gaan toetsen terwijl er al een potentiële locatie is aangewezen en er allemaal
zorgen zijn over de opwarming van de Westerschelde en het biodiversiteitsverlies daar,
dan zullen we veel meer in die wetgeving moeten inbedden dat we daar dan ook echt
gewoon geen kerncentrale doen, om het belang van de natuur te beschermen. De natuur
staat in Nederland al op omvallen. Ik heb geen concrete maatregelen gehoord van de
Minister, wat we nou concreet aan het kernafval gaan doen en wat de risico’s zijn
die daaraan kleven. Als er extra kernafval bij komt, dan is risico bijvoorbeeld besmetting
van het grondwater als je dat in klei opslaat. Ik heb op geen enkele manier gehoord
van het kabinet hoe het daarmee om zou gaan.
Tot slot. Energiesparing en de energiedichtheid afbouwen blijven noodzakelijk. We
zien hier met kernenergie een opschaling naar heel veel aanbod van energie, continu.
Dat is vooral in het belang van onze exportbedrijven, om onze exportindustrie te beschermen,
en dat gaat ten koste van de energierekening van omwonenden. Die gaan hoge energie-
en netwerkkosten betalen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan de heer Klos. Een korte interruptie in deze tweede termijn, meneer
Van den Berg. Gaat uw gang.
De heer Van den Berg (JA21):
Ik zou eigenlijk via de voorzitter willen vragen: als u dat een probleem vindt qua
export, hoe kijkt u dan nu aan tegen het huidige energiesysteem waarin wij op sommige
dagen soms wel 8 gigawatt aan vermogen exporteren naar België, Duitsland, Groot-Brittannië
en Noorwegen? Dat doen we met hernieuwbare energie. Vindt u dat dan een slechte zaak?
Begrijp ik dat dan goed?
De voorzitter:
Een verduidelijkende vraag. Mevrouw Teunissen.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Ik bedoelde met de exportindustrie die intensieve exportindustrie, dus de industrie
die heel veel energie nodig heeft. Denk bijvoorbeeld aan de landbouwindustrie, de
sierteelt. Daar doelde ik op. Ik doelde dus niet op het uitwisselen van hernieuwbare
energie. Dat is juist de toekomst binnen Europa, dus daar heb ik geen problemen mee.
De voorzitter:
Dank u wel. De heer Klos.
De heer Klos (D66):
Nee, geen behoefte. Dank u.
De voorzitter:
Dan draag ik even het voorzitterschap over aan de heer Flach.
Voorzitter: Flach
De voorzitter:
Dan is het woord nu aan de heer De Groot voor zijn tweede termijn.
De heer Peter de Groot (VVD):
Dank, voorzitter. Ik wil graag de Minister danken voor alle antwoorden. Ik was blij
te horen dat de Minister er nog voor openstaat om met de ontwikkelaars van de zogenaamde
SMR’s of mini-SMR’s in gesprek te gaan over de kosten. Want de VVD ziet gewoon dat
kernenergie in de breedte belangrijk is, niet als symbool maar gewoon als noodzakelijke
pijler in ons energiesysteem, want kernenergie is betrouwbaar, betaalbaar en schoon.
We zien het ook niet als een aanvulling, maar gewoon als een integraal onderdeel van
ons energiesysteem. Zo moeten we het ook wegen in het beleid dat we maken.
Ik heb over één punt nog een specifieke vraag, namelijk over een SMR-locatieprogramma,
waar ik al iets over vroeg. Het gaat mij niet zozeer om een programma. Het gaat mij
meer om de interactie tussen de keuzes die gemaakt worden. De Minister gaf zelf als
antwoord: we hebben gezegd twee grote kerncentrales in Zeeland te willen; dan gaat
TenneT rekenen en kijken wat daarvoor nodig is. Dat is een hele belangrijke keuze,
met heel veel gevolgen in die hele keten. Ik zou graag zien dat er interactie gaat
ontstaan in het hele energiesysteem, waar kernenergie in opgenomen moet worden met
grote centrales maar ook met SMR’s en mini-SMR’s, om ze maar even zo te noemen. Want
op het moment dat je bij Chemelot een SMR kan plaatsen, dan heb je misschien niet
zo veel waterstof of netverzwaring nodig. Die interactie mis ik. Daar zou ik graag
nog iets meer over willen horen. Anders kijken we even verder.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank. Er zijn geen interrupties. Dan geef ik het voorzitterschap terug.
Voorzitter: Peter de Groot
De voorzitter:
Dank u wel. We zijn aan het einde gekomen van de tweede termijn van de kant van de
Kamer. Ik wil even kort schorsen. Een minuut of tien, denk ik?
Minister Hermans:
Vijf minuten.
De voorzitter:
Dat is lekker efficiënt. Dan hervatten we over vijf minuten het debat.
De vergadering wordt van 18.04 uur tot 18.11 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen deze vergadering, het commissiedebat Kernenergie. We zijn toegekomen aan
de tweede termijn van het kabinet. Ik geef graag het woord aan de Minister van KGG.
Minister Hermans:
Voorzitter, dank u wel. Om aan alle mogelijke verwarring een einde te maken: ik bedoelde
inderdaad een conventionele kerncentrale. Over «confessioneel» kunnen we ook hele
gesprekken voeren, maar dat staat even los van dit debat.
Ik deel de opmerking van de heer Flach dat de keuze voor een locatie meerdere blije
gezichten moet opleveren, net als echte ruimte voor de industrie om kansen te kunnen
verzilveren.
Als ik goed geluisterd heb, dan had mevrouw Van Oosterhout geen vragen meer aan mij.
Dan kom ik bij de heer Van den Berg. Ik zal nog een keer benadrukken dat het wat mij
betreft en-en is. Dat is ook hoe wij aan het werk zijn op het ministerie. De procedure
loopt nu, met alle onderzoeken naar de locaties, de techniek en de financiering. Daarnaast
hebben we natuurlijk het Rijk-Regiopakket voor de bouw van twee conventionele grote
kerncentrales. We zetten allerlei stappen om de potentie van SMR’s in Nederland in
beeld te krijgen en om ervoor te zorgen dat die in de toekomst realiteit kunnen worden.
Het wordt dus naast elkaar ontwikkeld.
Ik heb een aantal toezeggingen gedaan, maar die kan ik nog wat scherper maken. Ik
ben bereid om te kijken waar we nog meer snelheid kunnen maken of een been kunnen
bijtrekken, zoals ik ook heb uitgesproken. Dan kom je ongetwijfeld ook op het maken
van een aantal keuzes, zoals de heer Van den Berg schetste. Moet je er niet dieper
in gaan, mogelijk ook met publieke financiering? Dat zijn echt lange trajecten, waaraan
allerlei afwegingen voorafgaan. Je moet fundamentele keuzes maken. Ik kan een en ander
in beeld brengen, maar het is echt aan een volgend kabinet en de Kamer om dat soort
keuzes wel of niet te maken.
Zoals ik al zei: aan de ene kant heb je het daadwerkelijk starten van de bouw van
een SMR die gebaseerd is op de traditionele, conventionele techniek, zoals nu wordt
voorbereid in Canada en het Verenigd Koninkrijk. Als we dat ook in Nederland zouden
willen, zouden we een vergelijkbaar stappenplan moeten maken als we hebben gedaan
voor de grootschalige kerncentrales. Daarin staat wat je nodig hebt aan middelen en
inzet. Dat kan ik in kaart brengen. Dan kom je vanzelf op de keuzes die ik noemde.
Aan de andere kant heb je de innovatieve kant van de SMR-ontwikkeling. We kunnen diepgaander
kijken naar de technologische ontwikkeling van de verschillende private initiatieven
in Nederland. Wat kun je als overheid doen om de realisatie te versnellen? Want versnellen
in financiering of vergunningverlening vraagt in dit geval om een ander type maatregelen
dan voor de bouw van SMR’s die draaien op conventionele technieken. Die twee toezeggingen
kan ik doen binnen hoe we nu al werken met de SMR-strategie. We zullen meer in kaart
brengen en laten zien voor wat voor keuzes je komt te staan als je aanvullend dingen
wilt doen of wilt versnellen.
Wat ik niet ga doen, zo zeg ik tegen de heer Van den Berg, is het opvolgen van zijn
suggestie, namelijk het openbreken van de projectprocedure die loopt voor de grootschalige
kerncentrales, zodat de conventionele SMR’s zich daar ook voor kunnen laten inschrijven.
Als ik dat doe, dan moet ik helemaal opnieuw beginnen. Dan ga ik de projectprocedure
lopende de rit aanpassen. Dan moet ik opnieuw beginnen en dan gaat al het werk dat
ik en mijn voorganger in de afgelopen tweeënhalf jaar hebben gedaan .. Dan worden
we voor een heel groot deel teruggeworpen in de tijd en dat zou ik niet willen. Dat
ga ik dus echt niet doen.
Dan had de heer Jumelet een vraag over de no-regretmaatregelen, met name waar het
ziet op kennisontwikkeling. Dat gebeurt al: middelen daarvoor landen nu al in Zeeland.
Ik zal even heel specifiek zijn over wat we nou gedaan hebben in het kader van die
kennisontwikkeling, of ik moet zeggen: wat je nu eigenlijk ziet in de praktijk. Op
wo-niveau heeft het kabinet drie leerstoelen aan de TU Delft gerealiseerd. Op hbo-niveau
is gestart met verkenningen naar mogelijke kennishubs. Die verkenning loopt nu en
die resultaten verwachten we halverwege 2026, zodat we ook echt kunnen gaan kiezen
waar we die kennishubs dan verder willen gaan ontwikkelen. Op mbo-niveau zetten we
in op nucleaire practoraten. Tot slot: de Nuclear Academy werkt samen met mbo- en
hbo-instellingen aan het versterken van het nucleair onderwijs. Twee voorbeelden hiervan
zijn een minor op het gebied van kernenergie aan de Hogeschool Zeeland en een keuzedeel
aan het Scalda-mbo, ook in Zeeland.
Dan vroeg mevrouw Teunissen nog iets over de eindberging en het afval. Mijn collega,
de Staatssecretaris van IenW, is verantwoordelijk voor de eindberging van radioactief
afval. Een beslissing over de locatie van de eindberging is rond 2050 voorzien. Het
proces van de locatiekeuze staat pas aan het begin. Er is nog geen gebied aangewezen
of uitgezonderd als mogelijke optie. Heel specifiek: eerder heeft mevrouw Beckerman
een motie ingediend over geen kernafval in Groninger zoutkoepels. De Staatssecretaris
van IenW zal voor de zomer van ’26 met een reactie komen op de motie van mevrouw Beckerman.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Het klinkt toch best een beetje als onverstandig beleid om te zeggen: we gaan een
kerncentrale bouwen, maar wat we met het afval gaan doen, gaan we in 2050 besluiten.
Ik zou dus toch willen vragen: ziet de Minister mogelijkheden om eerder een soort
integraal plan te presenteren, waarin ook staat wat er dan concreet gaat gebeuren
met het kernafval?
Minister Hermans:
De inzet is geologische eindberging, maar voordat we weten hoe dat er precies uitziet,
moeten we een heel zorgvuldig traject doorlopen. Dat was in eerste instantie voorzien
voor het jaartal 2130. Dat is nu dus naar voren gehaald naar 2050; dat is dus aanzienlijk
versneld. Dat vind ik overigens ook een goede ontwikkeling, omdat het goed is om daar
zo snel als mogelijk duidelijkheid over te geven. Ook hier geldt wel: dit proces wil
je zorgvuldig doorlopen. Dat is wat de collega van IenW aan het doen is.
Voorzitter. Dan ...
De voorzitter:
Ik zie dat dit toch nog tot een korte reactie leidt, dus dat doen we dan even. Mevrouw
Teunissen, kort graag.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Maar moeten we dan ook niet een keer zien dat die verantwoordelijkheid sec bij IenW
ligt? Dit is toch een integrale afweging? Nu gaat het kabinet een besluit nemen voor
een nieuwe kerncentrale, terwijl we zien dat langdurige stralingsbelasting de structuur
van zoutlagen aantast. Ons grondwater kan vervuild raken. Dat zijn allemaal dingen ...
Je wil toch aan de voorkant weten wat daar de gevolgen van zijn, ook als je Minister
van Klimaat en Groene Groei bent en zo’n groot project start?
Minister Hermans:
Die splitsing van verantwoordelijkheden is ook heel bewust gedaan, dus om dat uit
elkaar te trekken en countervailing power te organiseren. Dat geldt ook voor het toezicht.
De kennis die bij bijvoorbeeld het Ministerie van KGG op het gebied van de diepe ondergrond
aanwezig is, wordt natuurlijk wel gebruikt en ingeroepen door IenW, net als de kennis
die het SodM daar heel diepgaand over heeft. Juist om die countervailing power, die
balans, erin te brengen, zijn die taken uit elkaar gehaald.
Voorzitter. Dan tot slot nog de heer De Groot, die naar aanleiding van mijn toezegging
over de locaties deze vraag stelde: hoe interacteert kernenergie nou in dat systeem,
ook in de toekomst, met al die andere vragen die er zijn, zoals de aanleg van hoogspanning
en de aanlanding van wind op zee? Die interactie is dus juist voorzien in het Programma
Energiehoofdstructuur II en het NPE. Daar moet dat bij elkaar komen. Mijn voorganger
is ooit voor de snelheid in de procedure ten aanzien van de twee grootschalige kerncentrales
een afzonderlijke projectprocedure gestart. Dat is de historie van waaruit we werken.
Dat neemt niet weg dat ik dat punt van die interactie belangrijk vind, maar dat is
dus in dat NPE en het PEH gericht op kerncentrales drie en vier en SMR’s.
Volgens mij heb ik dan alle vragen beantwoord.
De voorzitter:
Ik kijk even rond en ik zie, denk ik, dat iedereen het daarmee eens is. Dank voor
de beantwoording in de tweede termijn. Dan zijn we bijna aan het einde gekomen van
dit commissiedebat, maar niet voordat we nog even de administratie doornemen. Die
gaat over de toezeggingen die zijn gedaan. Die lopen we even rustig langs, zodat iedereen
zich herkent in die toezeggingen.
− De Minister zal, naar aanleiding van het overleg met TU Delft, TNO vragen een gevoeligheidsanalyse
in het kader van de bestaande systeemkostenanalyse te maken. Dat is een toezegging
aan de heer Van den Berg.
− De Minister zal een overzicht maken van het proces en van het programma van de SMR’s.
Minister Hermans:
En het stappenplan, zoals ik net in de tweede termijn eigenlijk nog even concretiseerde.
Het gaat om een stappenplan voor die confessionele, nee «conventionele» kant. Ik hoor
nu ook zelf hoe erg die woorden op elkaar lijken. Verder is er de versnelling aan
de innovatieve kant. Dat zijn dan twee aparte toezeggingen.
De voorzitter:
Dat staat zo genoteerd.
Dan hebben we de toezeggingen gehad. Als het goed is, zijn er geen andere toezeggingen
gedaan. Wel moeten we zeggen dat er door de heer Flach namens de SGP een tweeminutendebat
is aangevraagd. Dat zal plaatsvinden na het kerstreces. «Ná het kerstreces» bedoel
ik inderdaad; ik zag al enige schrikreactie hier aan de rechterzijde. Vóór het kerstreces
is nog heel kort. Nou ja, het kan ook heel lang zijn, maar laten we het na het kerstreces
doen, als we ook aan ieders gezondheid denken.
Daarmee zijn we echt aan het einde gekomen van dit commissiedebat Kernenergie. Ik
wil alle belangstellenden hier op de publieke tribune als eerste danken voor hun komst.
Ook dank ik natuurlijk de mensen die dit op afstand volgen. Dank aan de Minister en
de ondersteuning voor hun komst en het debat dat hier gevoerd is. Dank aan de leden
en niet als laatste dank aan de griffier en de ondersteuning voor het mogelijk maken
van dit debat. Daarmee sluit ik dit debat. Dank u wel.
Sluiting 18.25 uur.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
S.C. Kröger, voorzitter van de vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei -
Mede ondertekenaar
D.S. Nava, griffier