Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Dassen over het FD-bericht 'Klimaateconoom: opwarming kan leiden tot een nieuwe kredietcrisis'
Vragen van het lid Dassen (Volt) aan de Ministers van Economische Zaken en van Klimaat en Groene Groei over het FD-bericht «Klimaateconoom: opwarming kan leiden tot een nieuwe kredietcrisis» (ingezonden 20 november 2025).
Antwoord van Minister Heinen (Financiën) en de Minister van Economische Zaken en de
Minister van Klimaat en Groene Groei (ontvangen 19 december 2025).
Vraag 1
Bent u bekend met het FD-artikel «Klimaateconoom: opwarming kan leiden tot een nieuwe
kredietcrisis»1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Wat is volgens u het verband tussen onvoorziene klimaatschade en de stabiliteit van
de financiële sector in Europa, zowel nu als in de toekomst?
Antwoord 2
Financiële instellingen staan via hun investeringen in bedrijven bloot aan fysieke
risico’s (de impact van natuurrampen en veranderende klimaatomstandigheden zoals vernatting
of verdroging) en transitierisico’s (verlies door bijvoorbeeld de dalende waarde van
investeringen in CO2-intensieve bedrijven). Beide risico's zijn financiële duurzaamheidsrisico's. Financiële
instellingen zijn wettelijk verplicht hun risico’s adequaat te beheersen. Dat geldt
ook voor duurzaamheidsrisico’s.
De Europese Centrale Bank (ECB) en De Nederlandsche Bank (DNB) houden vanuit prudentieel
oogpunt toezicht op de beheersing van financiële duurzaamheidsrisico’s van financiële
instellingen.
Vraag 3
Deelt u de conclusie uit het FD-artikel dat klimaatverandering op de lange termijn
een groot risico vormt voor de stabiliteit van de financiële sector? Zo ja, welke
mogelijke risico’s voorziet u? Kunt u hierop een toelichting geven?
Antwoord 3
Vanwege de potentiële impact op de financiële stabiliteit monitort DNB duurzaamheidsrisico’s,
onder meer via scenarioanalyses. Een recente studie, die de gebouwschade door grote
overstromingen in Nederland analyseert, laat bijvoorbeeld zien dat de toename van
kredietrisico’s in een dergelijke situatie vooralsnog beperkt is. Daarbij wordt echter
aangemerkt dat de kredietrisico’s in de toekomst kunnen toenemen als gevolg van klimaatverandering.
Ook kunnen financiële instellingen op indirecte wijze geraakt worden, bijvoorbeeld
wanneer overstromingen leiden tot een recessie.2 DNB concludeert in het Overzicht Financiële Stabiliteit dat het uitstellen, afzwakken
of uitblijven van klimaatmaatregelen klimduurzaamheidsrisico’s in de toekomst vergroot.3 Mogelijke risico’s zijn onder andere: fysieke verliezen en waardevermindering van
activa, hogere krediet- en verzekeringsverliezen, concentratierisico’s in sectoren/gebieden,
en liquiditeits- en marktrisico’s bij abrupte herwaarderingen.
Vraag 4
Bent u van mening dat deze risico’s extra klimaatactie vereisen vanuit Nederland?
Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke acties onderneemt u momenteel en welke acties bent
u bereid te nemen in de toekomst?
Antwoord 4
Het kabinet vindt dat passende mitigatie- en adaptatiemaatregelen noodzakelijk zijn.
Voor het kabinet gelden hiervoor de Europese en Nederlandse klimaatwet als anker.
Daarnaast wijs ik op de stappen die vanuit prudentieel oogpunt gezet worden om financiële
duurzaamheidsrisico’s te beheersen. Financiële instellingen zijn op dit punt gebonden
aan wettelijke verplichtingen en de ECB en DNB houden toezicht op de adequate beheersing
van duurzaamheidsrisico’s, zoals in antwoord op vraag 2 nader toegelicht.
Vraag 5
Op welke manier beïnvloedt de invloed van klimaatschade op de stabiliteit van de financiële
sector uw inzet tijdens de Klimaatconferentie van Belém 2025 (COP30)?
Antwoord 5
De Nederlandse inzet en deelname aan COP30 in Belém is in algemene zin gericht geweest
op het verbeteren van het mondiale klimaatbeleid, zowel op het gebied van mitigatie
als adaptatie. Zie de Kamerbrief van 31 oktober jl. (Kamerstuk 31 793, nr. 285) voor volledige Nederlandse COP30-inzet. Door het bevorderen van mitigatie wordt
toekomstige klimaatschade beperkt, wat belangrijk is voor de financiële stabiliteit.
Daarnaast draagt de internationale samenwerking bij aan een voorspelbare transitie,
wat financiële instellingen investeringszekerheid biedt en private duurzame investeringen
bevordert.
Vraag 6
Op welke manier wordt momenteel het risico voor de Nederlandse economie van toekomstige
klimaatschade accuraat meegewogen in kabinetsbesluiten? Bent u bereid aanvullende
acties te ondernemen om deze factor beter mee te wegen? Waarom wel of niet?
Antwoord 6
Toekomstige klimaatschade wordt al meegewogen in kabinetsbesluiten. Dit is ook de
reden dat Nederland, zowel nationaal als in Europees en mondiaal verband, inzet op
klimaatmitigatiemaatregelen om toekomstige klimaatschade zo veel mogelijk te voorkomen.
Vraag 7
Worden de premies van verzekeringsmaatschappijen ook in Nederland al verhoogd als
gevolg van klimaatgebeurtenissen zoals beschreven in het artikel? Zo ja, kunt u hiervan
data verschaffen?
Antwoord 7
Het Verbond van Verzekeraars stelt in zijn jaarlijkse Klimaatschademonitor dat de
gevolgen van extremer weer zichtbaar zijn en dat de schadepieken gemiddeld gezien
hoger worden. Zo bedroeg de schade door extreem weer in 2022 meer dan 886 miljoen
euro, het hoogste bedrag aan verzekerde schade sinds 2007.4 In 2024 was het schadebedrag 280 miljoen euro.5 Verzekeraars kunnen hun premies verhogen of voorwaarden aanpassen als schadeposten
toenemen, maar hierin zijn verschillen zichtbaar tussen individuele verzekeraars en
tussen sectoren waar verzekeringsproducten betrekking op hebben. Ook is er niet per
definitie sprake van een directe relatie tussen schade en premies, vanwege onder andere
de rol van herverzekeraars en financiële producten die risico’s afdekken (zogenaamde
natural catastrophy bonds).
Vraag 8
In hoeverre zijn Europese verzekeraars, net zoals Amerikaanse verzekeraars, blootgesteld
aan het risico van hogere verzekeringspremies enerzijds en dalende vastgoedwaarde
anderzijds?
Antwoord 8
Verschillende soorten fysieke klimaatrisico’s zijn voor de Nederlandse economie en
verzekeringssector van belang. Voor wat betreft de specifieke gevolgen hangt veel
af van de vorm van klimaatschade (zoals droogte, extreem weer, of overstromingen).
Zo geldt dat in economisch herstel na overstromingen van primaire keringen voorzien
wordt via de Wet tegemoetkoming van schade bij rampen (Wts) en dat overstromingsrisico’s
vanuit secundaire keringen op dit moment afdoende verzekerd zijn in de private markt,
met brede dekking onder consumenten en bedrijven. De situatie in de Verenigde Staten
is dus niet dezelfde als die in Nederland.
Vraag 9
Is Nederland bereid bij te dragen aan de vergroening van de elektriciteitsproductie
van opkomende economieën? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 9
Het kabinet draagt bij aan vergroening van de elektriciteitssector in lage- en middeninkomenslanden.
Nederland draagt bij aan de investeringen door ontwikkelingsbanken, zoals FMO en de
Wereldbank, en door multilaterale klimaatfondsen, zoals het Green Climate Fund en
de Climate Investment Funds. Bovendien mobiliseert het kabinet private financiering
met innovatieve instrumenten zoals Climate Investor One en het ILX-fonds. Ook Invest
International en de exportkredietverzekering helpen bij de financiering van hernieuwbare
energie in ontwikkelingslanden. Daarnaast voert RVO een programma uit om partnerlanden
te ondersteunen in capaciteitsopbouw en regelgeving om de benodigde investeringen
aan te trekken.
Vraag 10
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Antwoord 10
Ja.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
E. Heinen, minister van Financiën -
Mede ondertekenaar
V.P.G. Karremans, minister van Economische Zaken -
Mede ondertekenaar
S.T.M. Hermans, minister van Klimaat en Groene Groei
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.