Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Patijn over criminele netwerken en arbeidsuitbuiting
Vragen van het lid Patijn (GroenLinks-PvdA) aan de Ministers van Justitie en Veiligheid en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over criminele netwerken en arbeidsuitbuiting (ingezonden 19 november 2025).
Antwoord van Minister Paul (Sociale Zaken en Werkgelegenheid), mede namens de Minister
van Justitie en Veiligheid (ontvangen 18 december 2025). Zie ook Aanhangsel Handelingen,
vergaderjaar 2025–2026, nr. 675.
Vraag 1
Kent u het artikel «Drie criminele Turkse families heersen over Zaanstad»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Kent u meer gemeenten waarbij één persoon of een klein aantal personen aan het hoofd
staat van criminele piramidestructuren die een wijk in de greep houden? Zo ja, om
hoeveel gemeenten gaat dat en kennen die gemeenten ook een interventieteam of een
andere vorm van ondersteuning tegen deze vorm van ondermijnende criminaliteit?
Antwoord 2
Wegens de vertrouwelijkheid van lopende politiezaken kan er niet worden ingegaan op
de vraag of er meer gemeenten zijn waar één of een klein aantal personen aan het hoofd
staat van criminele piramidestructuren.
Voor gemeenten zijn er diverse mogelijkheden om ondersteuning te krijgen in de aanpak
van ondermijnende criminaliteit in wijken. De Regionale Informatie- en Expertisecentra
(RIEC)2 ondersteunen gemeenten met haar partners in de aanpak van ondermijnende criminaliteit,
waaronder het interventieteam van de gemeente Zaanstad. Partners zoals het Openbaar
Ministerie (OM), politie en FIOD kunnen informatie met elkaar delen en samen optreden.
Deze werkwijze heeft in verschillende gemeenten geleid tot goede resultaten3. Voor gemeenten die kampen met criminele netwerken met familieverbanden is een aantal
praktische handvatten beschikbaar. Het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid
(CCV) heeft een integrale werkwijze ontwikkeld om criminaliteit binnen familienetwerken
aan te pakken4. In vijf stappen worden gemeenten meegenomen in de aanpak. Dit start bij het opvangen
van signalen tot uiteindelijk goede organisatorische borging van het vraagstuk.
Daarnaast heeft EMMA (Experts in Media en Maatschappij) samen met Politie & Wetenschap
en Tilburg University ook het boek «Interveniëren in criminele families» geschreven als handreiking voor gemeenten5. Tot slot is in het programma Preventie met Gezag (PmG), waar ook de gemeente Zaanstad
in is opgenomen, aandacht voor de aanpak van criminele families. PmG zet zich in op
het voorkomen dat jongeren en gezinnen in kwetsbare posities doorgroeien of afglijden
in de criminaliteit. PmG heeft samen met EMMA de leergang criminele familie aanpak
georganiseerd, waarin gemeenten onder meer leerden over de implementatie en uitvoering
hiervan. Hierin zijn elementen voor een succesvolle aanpak op criminele families uiteengezet
zodat gemeenten hier lering uit kunnen halen en is er een relevant netwerk van gemeenten
opgebouwd. De geleerde lessen worden ook gedeeld met de rest van Nederland, bijvoorbeeld
via de digitale vindplaats.
Ook is er een landelijke fenomeentafel in oprichting, specifiek gericht op kleinere,
lokale en sectorale criminele samenwerkingsverbanden die via machtsposities in bepaalde
wijken of sectoren grote invloed uitoefenen. Deze tafel wordt gecoördineerd door het
Landelijk Informatie- en Expertisecentrum (LIEC), in nauwe samenwerking met diverse
partners. De fenomeentafel heeft als doel om kennis te bundelen, interventies te ontwikkelen
en de weerbaarheid van de samenleving te vergroten. Drie concrete casussen worden
daarbij betrokken, te beginnen met de glazenwassersbranche in de gemeente Zaanstad.
Vraag 3
Zijn u meer onderzoeken over criminele structuren in gemeenten bekend die vergelijkbaar
zijn met het genoemde onderzoek van Bureau Beke met betrekking tot Zaanstad? Zo ja,
welke onderzoeken zijn dat?
Antwoord 3
Ja, binnen PmG hebben meerdere gemeenten Bureau Beke ingezet om criminele netwerken
in kaart te brengen. Doel van deze onderzoeken was om inzicht te krijgen in aard en
omvang en om passende interventies in te zetten. Er zijn vergelijkbare onderzoeken6 uitgevoerd in de gemeenten Arnhem, Rotterdam en Amsterdam. Een vergelijking tussen
gemeenten is niet te maken, vanwege de lokale context. Hierdoor is elke gemeente uniek
in haar ondermijnende problematiek, zo ook de gemeente Zaanstad.
Vraag 4
Deelt u de mening dat voorkomen moet worden hypotheek- en vastgoedfraude via ogenschijnlijk
legale bedrijven kan plaatsvinden? Zo ja, wat is dan de stand van zaken betreffende
de uitvoering van de motie van het lid Mutluer betreffende het onderzoeken of het
verplicht stellen van een verklaring omtrent het gedrag bij een inschrijving in het
Handelsregister effectief kan zijn bij het weren van criminele ondernemers (Kamerstuk
29 911, nr. 458)? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 4
Ja, het kabinet heeft aandacht voor de bestrijding van hypotheek- en vastgoedfraude.
Over de stappen die het kabinet hierin zet, is uw Kamer onder meer geïnformeerd in
de Kamerbrief van 2 september jl.7 van de Minister van Financiën (FIN), mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid
(JenV). In deze brief wordt ingegaan op beleidswensen van de Koninklijke Notariële
Beroepsorganisatie (KNB), Nederlandse Vereniging van Banken (NVB), Stichting Fraudebestrijding
Hypotheken (SFH) en de politie.
Voor de stand van zaken van de uitvoering van de motie van het lid Mutluer (GroenLinks-PvdA)
over het verplicht stellen van een Verklaring omtrent Gedrag (VOG) bij inschrijving
in het handelsregister verwijs ik u graag naar de aanstaande halfjaarbrief georganiseerde
ondermijnende criminaliteit van december 2025.
Vraag 5
Waarom heeft de uitvoering van de motie Mutluer/Six Dijkstra (Kamerstuk 29 911, nr. 446), die verzoekt te onderzoeken hoe hypotheekverstrekkers inkomensgegevens kunnen opvragen
bij de Belastingdienst om fraude tegen te gaan, zo lang stilgelegen en wanneer wordt
de Kamer hierover opnieuw en volledig geïnformeerd? Bent u bereid om met hoge prioriteit
te zorgen voor afronding van dit onderzoek, inclusief een concreet tijdpad voor implementatie?
Zo nee, waarom niet?
Antwoord 5
De uitvoering van de motie Mutluer (GroenLinks-PvdA)/Six Dijkstra (NSC) heeft niet
stilgelegen. Over de inzet op hypotheekfraude is steeds aangegeven dat er vanuit het
Financieel Expertise Centrum (FEC) een project is gestart inzake hypotheekfraude.
De doelen van het project zijn de aard en omvang van het probleem inzichtelijk maken
en mogelijke oplossingen in kaart brengen. De uitkomsten van dit onderzoek worden
in maart 2026 verwacht. Vervolgstappen kunnen pas gezet worden als we deze informatie
hebben ontvangen. In de aanstaande halfjaarbrief georganiseerde ondermijnende criminaliteit
wordt en in de reactie van 2 september jl. op de beleidswensenbrief van de NVB, KNB,
SFH en politie is ingegaan op de uitvoering van de motie Mutluer (GroenLinks-PvdA))/Six
Dijkstra (NSC).
Vraag 6
Deelt u de analyse dat een structurele verstrekkingsgrond nodig is voor hypothecaire
financiers via aanpassing van artikel 4:3 Besluit Politiegegevens? Bent u bereid te
onderzoeken hoe de Belastingdienst structureel relevante opsporingsinformatie kan
ontvangen bij fiscale en hypotheekfraude door aanpassing van artikel 4:3 Besluit politiegegevens
(Bpg) en artikel 18 Wet politiegegevens (Wpg)? Zo ja, binnen welke termijn?
Antwoord 6
De Ministeries van JenV en FIN verkennen welke wettelijke mogelijkheden er zijn om
de structurele verstrekking van politiegegevens aan hypothecaire financiers en de
Belastingdienst mogelijk te maken. Verkend wordt of structurele verstrekking noodzakelijk
is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang. De uitkomsten van dit onderzoek
worden in maart 2026 verwacht. Over de uitkomsten van de verkenning wordt de Kamer
geïnformeerd.
Vraag 7
Bent u bereid in gesprek te gaan met het Openbaar Ministerie (OM) om te komen tot
een programmatische aanpak van hypotheek- en vastgoedfraude in het bijzonder in de
kwetsbare wijken die onder Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid vallen zodat
de ondermijnende werking beter kan worden bestreden? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 7
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5 is het FEC een project gestart inzake
hypotheekfraude. Ook het OM neemt hier aan deel. Vervolgstappen kunnen pas gezet worden
als we deze informatie hebben ontvangen. Als een of meerdere mogelijke oplossingen
vanuit het FEC-project het OM raken zal de Minister van JenV daar vanzelfsprekend
mee in gesprek treden.
Vraag 8
Welke acties zijn na motie Michon c.s. ondernomen om de Kamer van Koophandel meer
mogelijkheden te geven om malafide ondernemingen te weren, onder meer door explicitering
van weigeringsgronden en ruimere mogelijkheden tot het delen van signalen (Kamerstuk
29 911, nr. 463)? Kunt u daarbij een splitsing maken tussen de inschrijving van BV’s en de inschrijving
van de Bulgaren die als zelfstandige ingeschreven worden?
Antwoord 8
Naar aanleiding van motie Michon (VVD) over de Kamer van Koophandel (KVK) meer mogelijkheden
te geven, zijn er diverse gesprekken geweest tussen het Ministerie van JenV en het
Ministerie van Economische Zaken (EZ). Gezamenlijk wordt er gekeken naar de verschillende
mogelijkheden om de poortwachtersrol van de KVK te versterken.
Daarnaast zal er vanuit het Ministerie van EZ op korte termijn een voorstel tot wijziging
van de Handelsregisterwet in consultatie gaan, waarin onder andere de mogelijkheid
voor KVK tot het delen van signalen wordt vastgelegd. Die wijziging harmoniseert ook
de wettelijke grondslag voor het registreren en publiceren van verschillende bestaande
bestuursverboden. Een bestuursverbod leidt altijd tot weigering van nieuwe inschrijvingen
voor de duur van het verbod.
De inschrijving van een Besloten Vennootschap (BV) in het Handelsregister wordt in
de regel aangeboden door de notaris die de BV heeft opgericht. Bij een BV heeft de
notaris de primaire poortwachtersrol, KVK kan immers niets meer doen aan de oprichting
van de BV, die is met het tekenen van de oprichtingsakte een feit. Bij de inschrijving
van een eenmanszaak moet de ondernemer, ongeacht de nationaliteit, zelf bij KVK langs
voor identificatie en inschrijving. Dit proces is zodanig ingericht dat het risico
voor niet vrijwillige inschrijving zoveel mogelijk wordt gereduceerd. Hierop wordt
verder ingegaan in het antwoord op vraag 19.
Vraag 9
Ziet u aanleiding om een landelijk vergunningenstelsel te creëren voor sectoren die
gevoelig zijn voor ondermijning (zoals schoonmaak of glazenwassen), mede gezien het
waterbedeffect richting omliggende gemeenten? Zo nee, waarom niet? En wat is daar
wel voor nodig?
Antwoord 9
Het gaat om problematiek die zich vooral lokaal aandient. Hierbij kan het lokaal bestuur
het beste inschatten of een vergunningstelsel de juiste barrière is om op te werpen
of dat een andere, minder vergaande maatregel kan worden ingesteld. Daarvoor is in
2024 ook de Handreiking kwetsbare branches8 gepubliceerd. Deze handreiking kan als startpunt dienen om te bepalen of sprake is
van een kwetsbare branche en welke maatregel het meest passend is. Een vergunningstelsel
kan dan een lokale keuze zijn, waarbij het voor een gemeente mogelijk wordt om de
vergunningplichtige branche te screenen met een Bibob-toets. Het instellen van een
vergunningstelsel is wel onderworpen aan de voorwaarden die zijn gesteld in de Europese
Dienstenrichtlijn. Zo moet een stelsel onder andere evenredig en dus gerechtvaardigd
zijn. Gemeenten kunnen bij het instellen van een vergunningstelsel gebruikmaken van
de Handreiking APV en Ondermijning9.
Het kabinet ziet daarom op dit moment geen aanleiding om een landelijk vergunningstelsel
te introduceren voor de genoemde sectoren. Een vergunningstelsel is een vergaand middel
vanwege hoge administratieve lasten, zowel voor de gemeente (in de vorm van capaciteit,
uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid) als voor de ondernemers (in de vorm van regeldruk).
Dit landelijk organiseren, voor een gehele branche en voor elke gemeente in Nederland,
wordt daarom niet als proportioneel geacht.
Vraag 10
Kunt u aangeven in hoeverre (een deel van) deze bedrijven al onder de nieuwe Wet toelating
terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) vallen en daarmee toelatingsplichtig
zijn?
Antwoord 10
Iedere werkgever die arbeidskrachten ter beschikking stelt aan een ander om onder
diens toezicht en leiding arbeid te gaan verrichten, valt onder de reikwijdte van
de Wtta. Wanneer de toelatingsplicht inwerking treedt, moet de uitlener beschikken
over een (voorlopige) toelating of ontheffing. De toelating of (voorlopige) ontheffing
vraagt de uitlener aan bij de Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt (NAU).
De NAU gaat de aanvraag voor (voorlopige) toelating of ontheffing beoordelen. De NAU
verstrekt alleen toelating als de uitlener voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen
en behouden van een toelating, zoals de naleving van het normenkader, een verklaring
omtrent gedrag en een waarborgsom. In het normenkader staan regels over bijvoorbeeld
de naleving van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. De NAU kan een toelating
schorsen en intrekken als een uitlener zich niet houdt aan het normenkader. Ook kan
de NAU naar aanleiding van een Bibob-onderzoek een aanvraag voor toelating preventief
afwijzen in het geval aanwijzingen zijn dat de toelating zal worden misbruikt voor
criminele doeleinden.
Het hangt van de feiten en omstandigheden af of de genoemde ondernemingen onder de
reikwijdte van de Wtta vallen. De Wtta treedt in werking per 1 januari 2027. De Arbeidsinspectie
gaat toezicht houden op de toelatingsplicht vanaf 1 januari 2028. Bij een vermoeden
van een schijnconstructie onderzoekt de Arbeidsinspectie of sprake is van het ter
beschikking stellen van arbeidskrachten.
Vraag 11
Bent u het ermee eens dat de omschreven afhankelijkheid van de in het artikel genoemde
arbeidsmigranten laat zien hoe belangrijk het scheiden van werk en wonen is?
Antwoord 11
Het is belangrijk om de afhankelijkheid van arbeidsmigranten van de werkgever te verminderen
en hun positie te verbeteren. Daarom werkt het kabinet aan uiteenlopende maatregelen.
De Wet goed verhuurderschap verplicht sinds 1 juli 2023 dat de arbeids- en huurovereenkomst
van elkaar gescheiden moeten zijn.
Soms verliezen arbeidsmigranten bij het einde van de arbeidsovereenkomst echter ook
direct hun huisvesting omdat zij een contract «naar aard van korte duur» hebben voor
de huisvesting. De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) werkt
aan een wetsvoorstel dat het gebruik van dergelijke contracten zal tegengaan en de
huurbescherming voor arbeidsmigranten zal verbeteren. Uw Kamer is hier onlangs over
geïnformeerd.10 Hierdoor hebben arbeidsmigranten meer zekerheid en duidelijkheid over hoe lang zij
in de woning kunnen verblijven. Daarom draagt dit bij aan verkleinen van de afhankelijkheidsrelatie.
Het streven is het wetsvoorstel in het eerste kwartaal van 2026 in internetconsultatie
te brengen.
Verder moet op basis van de Wet Versterking regie op de volkshuisvesting door middel
van een verplicht volkshuisvestingsprogramma meer huisvesting voor arbeidsmigranten
tot stand komen. De novelle bij dit wetsvoorstel ligt nu bij de Raad van State.
Ook is het belangrijk dat arbeidsmigranten beter op de hoogte zijn van hun rechten
en voor hun rechten op kunnen komen. Daarom worden er via het project Work in NL in
het hele land fysieke en mobiele informatiepunten geopend waar arbeidsmigranten in
hun eigen taal worden geïnformeerd en geholpen. Ook wordt de samenwerking met Bulgarije
voor informatievoorziening en hulp in het herkomstland momenteel verder ontwikkeld.
Onder andere in samenwerking met het EURES-netwerk.
Vraag 12
Kunt u aangeven hoe omvangrijk de arbeidsuitbuiting is en wat er voor de mensen die
het betreft gedaan wordt ten aanzien van bescherming en juridische ondersteuning?
Antwoord 12
Arbeidsuitbuiting is een strafbaar feit en dient hard te worden aangepakt. Het is
een vorm van mensenhandel en strafbaar volgens artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht
(Sr). Signalen van arbeidsuitbuiting worden altijd serieus genomen en hier wordt actie
op ondernomen. De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft mij laten weten dat er geen concrete
informatie kan worden gegeven over eventuele lopende strafrechtelijke onderzoeken.
Gedurende een strafproces worden potentiële slachtoffers van arbeidsuitbuiting beschermd
en krijgen zij passende hulp en ondersteuning.
Gezien de ernst van de problematiek werkt de gemeente Zaanstad samen met de politie
en de Nederlandse Arbeidsinspectie. Inspecteurs van de Nederlandse Arbeidsinspectie
verwijzen werknemers in voorkomende gevallen door voor juridische ondersteuning en/of
noodopvang.
Daarnaast heeft de gemeente een informatiepunt in het leven geroepen waar arbeidsmigranten
in de eigen taal te woord worden gestaan bij vragen over het wonen en werken in Nederland.
Bij signalen van arbeidsuitbuiting worden personen doorverwezen naar de juiste instanties,
zoals de Nederlandse Arbeidsinspectie, politie en het Juridisch Loket.11 Wanneer inwoners op straat worden gezet door de huisvester, kan de gemeente, op het
moment dat daar ook kinderen bij betrokken zijn, zorgen voor tijdelijke opvang in
bijvoorbeeld een hotel. De gemeente werkt nog aan een plan om tijdelijke opvang mogelijk
te maken op een nader te bepalen, daartoe in te richten locatie.
Er wordt dus laagdrempelig informatie en hulp geboden, maar vanwege de angst die benadeelden
hebben en het taboe dat in de gemeenschap heerst om hierover te praten, wordt hier
(nog) niet op grote schaal gebruik van gemaakt.
Vraag 13
Kunt u aangeven bij welke opdrachtgevers de mensen te werk gesteld werden en ziet
u mogelijkheden om met werkgeversorganisaties het gesprek aan te gaan om scherper
te controleren op hun keten van uitbesteding en aanbesteding en uitzendwerk?
Antwoord 13
Arbeidsmigranten worden in de gemeente Zaanstad onder meer tewerkgesteld bij glazenwassersbedrijven.
Uit een technische verkenning van mijn ministerie naar een sectoraal uitzendverbod
en een verplicht percentage indiensttreding blijkt dat de vlees-, schoonmaak-, transport-
en teeltsector een hoog risico hebben op het overtreden van arbeidswetten.12 Glazenwassersbedrijven behoren tot de schoonmaakbranche.
In opvolging van de verkenning ben ik onder andere met de schoonmaaksector in gesprek
over plannen om werkenden (via een uitzendconstructie) in de sector een beter bestaan
te geven en overtredingen van arbeidswetten aan te pakken. Want uit de verkenning
blijkt dat een hoger percentage uitzendkrachten binnen een sector de kans vergroot
op het overtreden van arbeidswetten. Werkgevers kunnen dit percentage verminderen
door werknemers met structureel werk direct in dienst te nemen. Voordat bedrijven
überhaupt met een uitzendbureau in zee gaan, zou men vooraf de checklist van stichting
FairWork13 kunnen gebruiken om beter in te schatten of men met een fatsoenlijk uitzendbureau
te maken heeft.
Zie het antwoord op vraag 10 hoe we vanaf 1 januari 2027 een gelijk speelveld voor
uitleners waarborgen en de positie van kwetsbare arbeidskrachten verbeteren door de
invoering van het toelatingsstelsel voor de uitleenmarkt via de Wtta.
Ten slotte houdt de Nederlandse Arbeidsinspectie op de website resultaten.nlarbeidsinspectie.nl
een overzicht bij van bedrijven die sinds 1 januari 2016 zijn geïnspecteerd op de
wetgeving: Wet minimumloon en vakantiebijslag, Wet arbeid vreemdelingen en de Wet
allocatie arbeidskrachten door intermediairs. Deze gegevens zijn openbaar. Iedereen
kan hier bedrijven in opzoeken of zien of er een overtreding van deze arbeidswetten
zijn vastgesteld.
Vraag 14
Bent u bereid om nader in kaart te brengen hoe de ronseling van mensen uit Bulgarije
en andere landen in de regio verloopt en hoe voorkomen kan worden dat mensen op deze
manier naar Nederland gehaald worden?
Antwoord 14
Ja, aan mensen in herkomstlanden kan voor vertrek informatie en hulp geboden worden.
Hiervoor is het belangrijk om in kaart te brengen hoe de werving van arbeidsmigranten
verloopt. In het kader van het project Work in NL werk ik samen met EURES aan betere
informatievoorziening in thuislanden. Om de mensen te bereiken wordt gebruik gemaakt
van het Europese EURES-netwerk en belangrijke partijen in herkomstlanden, zoals vakbonden,
werkgeversorganisaties en ngo’s. Samen met de European Labour Authority (ELA) worden
er in het voorjaar informatiesessies georganiseerd in Bulgarije, gericht op de Roma
community. Daarnaast kunnen arbeidsmigranten in Bulgarije terecht op de website workinnl.nl
(beschikbaar in onder meer het Bulgaars), met informatie over het wonen en werken
in Nederland. Bovendien onderzoekt Clingendael in opdracht van de Ministeries van
SZW en Asiel en Migratie (AenM) effectieve vormen van informatievoorziening aan arbeidsmigranten
over het informeren van zowel rechten als verplichtingen. Het onderzoek wordt begin
2026 opgeleverd.
Ik blijf het gesprek voeren met andere lidstaten om eerlijke arbeidsmigratie te bevorderen
en misstanden met arbeidsmigranten tegen te gaan. Dit mede naar aanleiding de motie14 hierover van de leden Ceder (ChristenUnie) en Van Kent (SP). Begin 2026 zal ik uw
Kamer hier per brief verder over informeren.
Vraag 15
Kunt u aangeven of ook de Belastingdienst betrokken is voor de handhaving op schijnzelfstandigheid?
Antwoord 15
In zijn algemeenheid kan aangegeven worden dat de Belastingdienst handhaaft op de
kwalificatie van de arbeidsrelatie voor de loonheffingen. Of de Belastingdienst bij
deze specifieke gevallen betrokken is, kan op grond van de geheimhoudingsplicht niet
worden beantwoord.
Vraag 16
Bent u bereid maatregelen te treffen tegen de beschreven gedwongen zelfstandigheid
van deze migranten? Bent u het eens dat deze migranten niet echte «ondernemers» zijn?
Antwoord 16
Het kabinet bestrijdt gedwongen schijnzelfstandigheid op verschillende manieren, onder
andere door middel van wetgeving die de positie van kwetsbare werkenden versterkt
en informatievoorziening (aan arbeidsmigranten).
Daarnaast verwacht het kabinet dat het bredere beleid gericht op het tegengaan van
schijnzelfstandigheid kan bijdragen aan het terugdringen van dit soort constructies.
Tegelijkertijd is het van belang te onderkennen dat het op voorhand moeilijk is vast
te stellen dat sprake is van gedwongen (schijn)zelfstandigheid, zeker als dat gebeurt
in een criminele context.
Het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar)
dat op dit moment bij uw Kamer ligt, introduceert een rechtsvermoeden van werknemerschap
als onder een bepaald uurtarief wordt gewerkt.15 Hiermee wordt de rechtspositie van kwetsbare werkenden versterkt en kunnen zij (ook
achteraf) alsnog een arbeidsovereenkomst en bijbehorende rechten vorderen.
Het kabinet zet ook breed in op het versterken van de laagdrempelige informatievoorziening,
hulp en toegang tot het recht voor kwetsbare werknemers. Via Work in NL- informatiepunten
kunnen arbeidsmigranten op een laagdrempelige manier informatie en hulp krijgen bij
vragen over het wonen en werken in Nederland. Deze informatiepunten vormen samen met
andere partijen, zoals stichting FairWork, stichting Barka en het Juridisch Loket,
een breder netwerk van hulp en ondersteuning. Doordat in dit netwerk zowel publieke
als private partijen actief zijn, kan hulp en ondersteuning worden geboden die past
bij de wensen en de mate waarin iemand extra hulp nodig heeft. Het Juridisch Loket
biedt eerstelijns rechtshulp aan mensen met een laag inkomen. Daarnaast geeft het
Juridisch Loket in heel Nederland kwetsbare arbeidsmigranten juridisch advies in hun
eigen taal, zoals Pools, Roemeens, en Bulgaars.
Verder is een 3-jarig experiment met een eenvoudigere, snellere en laagdrempeligere
rechtsprocedure bij de kantonrechter gestart, de regelrechter.16 De deelnemende rechtbanken zijn Den Haag, Overijssel, Rotterdam en Zeeland-West-Brabant.
Dit zijn rechtbanken in regio’s waar relatief veel arbeidsmigranten wonen of werken.
Deze rechtbanken hebben eerder ervaring en kennis opgedaan met laagdrempeligere procedures.
Bij de vorderingen op grond van een arbeidsovereenkomst is de experimentele procedure
vooral gericht op de kwetsbare positie van werknemers, zoals arbeidsmigranten en flexwerkers.
Rechtzoekenden die de Nederlandse taal niet machtig zijn, kunnen via de rechtbanken
kosteloos een tolk inschakelen om hen bij te staan tijdens de mondelinge behandeling.
Uw Kamer is op 23 oktober 2023, 18 juni 2024 en 14 november 2024 geïnformeerd over
bovenstaande aanpak.17
Ook vindt het kabinet het van belang dat uitvoerings-, opsporings- en handhavingsinstanties
met elkaar samenwerken en signalen uitwisselen. Dat geldt ook voor het tegengaan van
schijnzelfstandigheid (bij kwetsbare werkenden).
In het antwoord op vraag 19 wordt ingegaan op de rol van de Kamer van Koophandel bij
de inschrijving in het Handelsregister van mogelijk gedwongen zelfstandigen.
Als iemand gedwongen wordt zich in te schrijven bij de Kamer van Koophandel en te
werken als schijnzelfstandige, dan ben ik het met u eens dat diegene geen echte ondernemer
is.
Vraag 17
Is er op dit moment nog steeds sprake van illegale overbewoning met veel te hoge huren
van het vastgoed van deze families?
Antwoord 17
De gemeente Zaanstad heeft aangegeven dat een groot gedeelte van het vastgoed nog
steeds in handen is van de betreffende vastgoedbedrijven uit het artikel. Vanuit de
gemeente is ook waargenomen dat de huren te hoog zijn en er sprake is van illegale
verhuur. De gemeente heeft in bepaalde gebieden de mogelijkheid voor kamerverhuur
ingeperkt, waarin voorwaarden staan, zoals het aantal personen en aan wie verhuurd
mag worden.
De gemeente Zaanstad treft helaas nog regelmatig woningen aan waar het maximum aantal
personen wordt overschreden en woningen waar illegaal kamers worden verhuurd en komt
hierdoor schrijnende woonomstandigheden tegen, waarbij overwegend (Oost-Europese)
arbeidsmigranten slachtoffer van zijn18. Om deze situatie te veranderen is vasthoudendheid en een lange adem nodig. De integrale
aanpak die Zaanstad samen met de partners uitvoert – mede gefinancierd door het Rijk
– is opgericht om het verdienmodel van criminele netwerken aan te pakken. Het omvat
de aanpak tegen vastgoedfraude en het doorbreken van het brede verdienmodel en het
tegen gaan van misstanden in de glazenwassersbranche.
Vraag 18
Bent u bereid te onderzoeken welke handvatten gemeentes vanuit het Rijk kunnen krijgen
om makkelijker te kunnen controleren en handhaven op overbewoning?
Antwoord 18
Gemeenten hebben handvatten om te controleren en handhaven op overbewoning. Dit is
geregeld in de Omgevingswet. Gemeenten moeten dit wel lokaal toepassen. Bij de inwerkingtreding
van de Omgevingswet is het stellen van regels over overbewoning een lokale aangelegenheid
geworden. De regels over overbewoning van woonruimte zijn via de zogenaamde bruidsschat
opgenomen in de omgevingsplannen van gemeenten, wat gemeenten ruimte geeft om ze nader
aan te passen aan de lokale omstandigheden. Wanneer gemeenten regels hebben gesteld
over overbewoning in het omgevingsplan, kunnen en moeten zij hierop handhaven.
Er bestaan verschillende initiatieven om gemeenten hierbij te ondersteunen. Een handvat
dat ondersteunt bij deze handhaving is de Landelijke aanpak adreskwaliteit (LAA).
De Rijksdienst voor Identiteitsgegevens (RvIG) ondersteunt gemeenten met de Landelijke
aanpak adreskwaliteit om de kwaliteit van adresgegevens in de Basisregistratie Personen
(BRP) te verhogen en te waarborgen. Ook worden sinds eind 2022 bij de inschrijving
van niet-ingezetenen (waaronder arbeidsmigranten) tijdelijke verblijfsadressen en
contactgegevens in de BRP geregistreerd. Gemeenten kunnen deze informatie gebruiken
om beter zicht te krijgen op verblijf in de gemeente en gericht adresonderzoek te
doen.
Daarnaast kunnen gemeenten ondersteuning krijgen bij het verbeteren van de positie
van arbeidsmigranten door het VNG Ondersteuningsprogramma Arbeidsmigranten.
Er zijn mij op dit moment geen signalen bekend dat het instrumentarium om te kunnen
handhaven op overbewoning onvoldoende toereikend is. Indien het kabinet signalen krijgt
dat gemeenten het instrumentarium op dit moment niet goed kunnen toepassen, ben ik
bereid om met de VNG in gesprek te gaan om te bezien wat gemeenten hiervoor aanvullend
nodig zouden hebben.
Vraag 19
Bent u bereid drempels op te werpen voor ondernemerschap, zoals inschrijving in de
Basisregistratie Personen (BRP) of een ondernemersdiploma, om deze gedwongen zelfstandigheid
tegen te gaan waardoor de arbeidsmigranten geen werknemersrechten hebben?
Antwoord 19
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 16 bestrijdt het kabinet gedwongen schijnzelfstandigheid
op verschillende manieren. Tegelijkertijd wil het kabinet voorkomen dat startende
ondernemers onnodige drempels ervaren. Sinds de afschaffing van het middenstandsdiploma
in 2000 en de Vestigingswet in 2006 is het uitgangspunt dat het starten van een onderneming
laagdrempelig moet blijven. Het opnieuw invoeren van formele toegangsvereisten, zoals
een ondernemersdiploma of aanvullende inschrijvingsvereisten in de BRP, past niet
binnen dit uitgangspunt en zou leiden tot extra regeldruk, die het kabinet juist wil
verminderen.
Wel vindt het kabinet het essentieel dat ondernemers goed voorbereid aan de slag gaan
en zich bewust zijn van de verantwoordelijkheden die bij ondernemerschap horen – waaronder
het risico om zelf of door opdrachtgevers in een situatie van schijnzelfstandigheid
terecht te komen. Ook de KVK speelt hierbij een rol. Bij de inschrijving in het Handelsregister
ziet KVK toe op de vervulling van de voorwaarden die daarvoor gelden, daarbij wordt
ook specifiek gelet op inschrijvingen van buitenlandse werkenden die zich niet alleen,
zelfstandig melden voor inschrijving. Daarnaast biedt de KVK brede ondersteuning via
voorlichting, advies en informatie over onder meer belastingen, wet- en regelgeving,
financiering en het starten van een bedrijf. Dit gebeurt zowel digitaal als op fysieke
locaties, waarbij het voorkomen van schijnzelfstandigheid nadrukkelijk onderdeel is
van de voorlichting.
Ten slotte is het goed om te benoemen dat het niet mogelijk is om personen die zich
als niet-ingezetene inschrijven in de Basisregistratie Personen als zzp’er in de KVK
te weigeren. Dit is niet verenigbaar met het vrij verkeer van vestiging. Ook niet-ingezetenen
– denk bijvoorbeeld aan een persoon die net over de grens woont – hebben het recht
om zich te vestigen als zzp’er in Nederland. Als tijdens de inschrijving blijkt dat
er mogelijke risico’s zijn op uitbuiting, mensenhandel of mensensmokkel, wordt dit
als een risico-signaal doorgegeven aan de Nederlandse Arbeidsinspectie, zoals bepaald
in de Handelsregisterwet en beschreven in de memorie van toelichting bij de wijziging
van die wet per 1 januari 2020. Voorts is de KVK bezig met het versterken van haar
poortwachtersrol, waarbij wordt onderzocht hoe het Handelsregister kan bijdragen aan
het voorkomen van schijnzelfstandigheid en arbeidsuitbuiting.
Vraag 20
Bent u bereid te verkennen welke aanvullende bestuurlijke waarborgen nodig zijn om
ondermijning van lokale democratie tegen te gaan?
Antwoord 20
Voor een goed functionerende lokale democratie en een veilige (lokale) samenleving
is het essentieel dat lokale volksvertegenwoordigers zonder oneigenlijke druk en/of
(pogingen tot) ondermijning hun functie kunnen uitoefenen. Vanwege signalen over kwetsbaarheid
van lokale volksvertegenwoordigers voor ondermijnende activiteiten heeft de Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) in 2024 dan ook onderzoek laten
doen naar die kwetsbaarheid en de relatie tussen (georganiseerde) criminaliteit en
decentrale volksvertegenwoordigers. Daaruit kwamen geen concrete aanwijzingen voor
grote risico’s en dreigingen op dit punt, maar bleek wel dat het ambt van decentrale
volksvertegenwoordiger kwetsbaarheden kent. Doordat decentrale volksvertegenwoordigers
middenin de samenleving staan, kunnen criminelen of mensen uit hun eigen kring met
een bepaald belang misbruik proberen te maken van hun positie.
Het tegengaan van oneigenlijke druk op decentrale volksvertegenwoordigers en ondermijnende
activiteiten heeft dan ook de blijvende aandacht van het kabinet. Langs een aantal
lijnen wordt hierop ingezet, waarbij in acht wordt genomen dat decentrale volksvertegenwoordigers
een eigen mandaat hebben gekregen van de kiezer en hun functie derhalve onafhankelijk
uitoefenen. In de eerste plaats is van belang dat politieke partijen bij de werving
van kandidaat-volksvertegenwoordigers screenen op mogelijke risico’s en kwetsbaarheden
voor integriteitsschendingen en ondermijning. Het Ministerie van BZK heeft hierover
regelmatig contact met de bestuurdersverenigingen van de politieke partijen. Zo verdient
het bijvoorbeeld aanbeveling dat partijen kandidaten om een VOG vragen en daarnaast
vragen stellen over mogelijke risicofactoren. In het Handboek integriteit voor politieke
ambtsdragers van decentrale overheden worden hiervoor instrumenten aangereikt, zoals
vragenlijsten en «red flags» voor ondermijning. Daarbij stimuleert het kabinet ook
dat aandacht wordt besteed aan bewustwording bij decentrale volksvertegenwoordigers
over het risico van ondermijning, bijvoorbeeld door hierover informatie op te nemen
in inwerkprogramma’s voor nieuwe volksvertegenwoordigers.
Tot slot heeft het Ministerie van JenV in samenwerking met enkele organisaties, waaronder
gemeenten, en met de Minister van BZK een handreiking uitgebracht voor de functie
van adviseur-Veilig Publieke Dienstverlening. In deze handreiking worden verschillende
manieren benoemd waarop decentrale overheden een dergelijke functionaris kunnen inzetten.
Eén van de rollen van een dergelijke functionaris kan zijn om aandacht te hebben voor
de veiligheidsrisico’s bij de aanpak van ondermijning, de bewustwording van ondermijnende
invloeden te vergroten en ervoor te zorgen dat hier preventieve maatregelen op worden
genomen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M.L.J. Paul, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid -
Mede namens
F. van Oosten, minister van Justitie en Veiligheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.