Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Bromet over de vogelgriep
Vragen van het lid Bromet (GroenLinks-PvdA) aan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over de vogelgriep (ingezonden 8 december 2025).
Antwoord van Minister Wiersma (Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur) (ontvangen
17 december 2025).
Vraag 1
Bent u bekend met het NRC-artikel van 26 november 2025, waarin wordt beschreven dat
er in Europa nog nooit eerder zoveel wilde vogels besmet waren met vogelgriep?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Kunt u uiteenzetten hoeveel pluimvee Nederland heeft en wat de precieze pluimveedichtheid
is? Kunt u daarbij aangeven hoe zich dit verhoudt tot andere landen met een grote
pluimveesector, zowel binnen als buiten Europa?
Antwoord 2
Er zijn in Nederland 2.154 locaties geregistreerd bij de Rijksdienst voor Ondernemend
Nederland (RVO) met een actief Uniek Bedrijfsnummer (UBN) voor gevogelte. In totaal
staan daar 82.432.396 dieren geregistreerd (peildatum 1 november 2025). Bij deze cijfers
zijn zowel commerciële als niet-commerciële houders inbegrepen. Bij deze cijfers is
het goed om te realiseren dat een actief UBN niet automatisch betekent dat er ook
daadwerkelijk dieren worden gehouden. Een UBN kan om meerdere redenen langere tijd
leeg staan.
In vergelijking met veel andere landen heeft Nederland een relatief hoge pluimveedichtheid.
Vraag 3
Acht u het verantwoord dat pluimvee in hoge dichtheden wordt gehouden, wetende dat
dit het risico vergroot op het ontstaan en de verspreiding van hoog-pathogene vogelgriepvirussen?
Antwoord 3
Uit onderzoek blijkt dat in gebieden met een hoge bedrijfsdichtheid een verhoogd risico
is op tussenbedrijfstransmissie. Het vorige kabinet heeft in het Intensiveringsplan
preventie vogelgriep het streven opgenomen naar een verbod op nieuwvestiging van pluimveebedrijven
in pluimveedichte gebieden en waterrijke gebieden, en een verbod op uitbreiding van
pluimveebedrijven in deze gebieden te verkennen. Ik laat momenteel een impactanalyse
uitvoeren naar deze structuurmaatregelen. Experts van Wageningen Social Economic Research
(WSER) onderzoeken de economische impact op de pluimveesector. Andere experts, onder
leiding van het RIVM, samen met Wageningen Bioveterinary Research (WBVR), zullen vervolgens
een inschatting maken van de verwachte impact van deze maatregelen op de volks- en
diergezondheid. Ik heb de totale impactanalyse nodig om tot een zorgvuldige besluitvorming
te kunnen komen. Daarbij is het uitgangspunt dat maatregelen geschikt, noodzakelijk
en proportioneel zijn. Ik verwacht dat de impactanalyse in het eerste kwartaal van
2026 gereed is.
Vraag 4
Wat zijn de concrete vervolgstappen die u overweegt te nemen gezien deze risicovolle
situatie? Is het inkrimpen van de pluimveesector een maatregel die u overweegt te
treffen?
Antwoord 4
Zie het antwoord op vraag 4.
Vraag 5
Worden er met andere landen gesprekken gevoerd over het wereldwijd inkrimpen van de
pluimveesector?
Antwoord 5
Landen bepalen zelf hun landbouwbeleid. Er zijn internationale organisaties die zich
met diergezondheid, voedselzekerheid, en One Health bezighouden. Zo is er bijvoorbeeld
de Wereldorganisatie voor diergezondheid (WOAH) die werkt aan het verbeteren van de
gezondheid en het welzijn van dieren wereldwijd. WOAH, en daarmee alle aangesloten
landen, streeft naar internationale solidariteit bij de beheersing van diergezondheidsrisico's,
en werkt grensoverschrijdend aan het bevorderen van een «One Health»-aanpak. De Food
and Agriculture Organisation (FAO) heeft als doel voedselzekerheid voor iedereen te
bereiken en ervoor te zorgen dat mensen toegang hebben tot voldoende hoogwaardig voedsel.
Bij FAO en WOAH wordt dus gestreefd naar een duurzame veehouderij, maar landen zijn
vrij daar zelf hun eigen beleid in te maken.
Vraag 6
Deelt u de mening dat het bevorderlijk is om het aantal pluimveebedrijven in waterrijke
gebieden sterk te verminderen, gezien het feit dat veel pluimveebedrijven in waterrijke
gebieden staan, waar veel watervogels leven die het hoog-pathogene virus meedragen?
Antwoord 6
Uit onderzoek blijkt dat in waterrijke gebieden een verhoogd risico is op insleep
van vogelgriep op commerciële pluimveebedrijven vanuit besmette wilde vogels. Overigens
doen de huidige uitbraken zich in meerdere provincies voor, ook in gebieden met een
lage pluimveedichtheid en gebieden die niet als waterrijk worden beschouwd. In het
antwoord op vraag 3 heb ik aangegeven dat het vorige kabinet in het Intensiveringsplan
preventie vogelgriep een streven naar een verbod op nieuwvestiging en een verkenning
naar een verbod op uitbreiding van pluimveebedrijven in zowel waterrijke gebieden
als pluimveedichte gebieden heeft opgenomen. In het antwoord op vraag 3 heb ik geschetst
hoe uitvoering wordt gegeven aan het proces rondom de structuurmaatregelen.
Vraag 7
Gezien het feit dat in voorgaande jaren grote populaties wilde vogels gedecimeerd
zijn door hoog-pathogene vogelgriepvarianten en virusexperts aangeven dat het subtype
dat nu in allerlei varianten rondwaart niet meer uit te roeien is bij wilde vogels,
hoe wilt u voorkomen dat er nieuwe subtypen in de pluimveehouderij ontstaan waarbij
dit eveneens gebeurt?
Antwoord 7
De afgelopen jaren is het virus van eigenschappen veranderd. Waren het eerst vooral
laagpathogene varianten die voorkwamen in de wilde vogels, nu zien we ook de hoogpathogene
variant. Opmerkelijk genoeg zijn veel wilde vogels die nu besmet zijn, niet ziek geworden
van deze variant. Het virus gedraagt zich dus erg onvoorspelbaar. Dit soort virussen
muteert snel, maar het onderliggend mechanisme is niet bekend. Pluimveehouders en
houders van andere vogelsoorten zetten zich in om hun dieren te vrijwaren van infectie.
Helaas vinden er desondanks uitbraken plaats, niet alleen in Nederland maar ook in
heel veel andere landen, zoals het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Polen, Spanje en
België, en veel landen in Azië. In Nederland, en in andere EU-lidstaten worden besmette
locaties zo snel mogelijk geruimd. Op die manier wordt voorkomen dat pluimvee op andere
locaties worden besmet. Daarmee wordt ook de kans op mutaties verkleind. Nieuwe mutaties
kunnen echter overal ontstaan, niet alleen in Nederland.
Vraag 8
Acht u de eerder aangekondigde maatregelen (Kamerstuk 28 807, nr. 310 en Kamerstuk 28 807, nr. 311) nog steeds voldoende, gezien de recente ontwikkelingen?
Antwoord 8
Naar aanleiding van de uitbrakenreeks in de periode 2021–2023 heeft het vorige kabinet
het Intensiveringsplan preventie vogelgriep opgesteld met een pakket maatregelen ter
preventie van vogelgriepbesmettingen, ten behoeve van de volks- en diergezondheid.
Een groot deel van deze maatregelen is uitgevoerd, maar een aantal maatregelen bijvoorbeeld
op het gebied van vaccinatie van pluimvee en de structuurmaatregelen kennen een langere
doorlooptijd.
Het verloop van de vogelgriepvirusbesmettingen vertoont in Nederland jaarlijks schommelingen
in verspreiding en ernst. Dit jaar is helaas een sterke toename in het aantal uitbraken
te zien, waaronder een groot aantal besmettingen bij wilde vogels. Ook in andere landen
in Europa is er een sterke toename te zien. Het virus wordt ook verspreid tussen wilde
vogels en dat maakt het handelingsperspectief bij die besmettingen beperkt. Bij uitbraken
op pluimveelocaties is vrijwel nooit bekend hoe het virus in de stal is binnengekomen.
We weten wel dat bioveiligheidsmaatregelen, zoals hygiënemaatregelen, goede afdichting
van stallen en beheersing van knaagdieren, de kans op het binnenkrijgen van virus
verkleint. Ik roep pluimveehouders opnieuw op om de bioveiligheidsmaatregelen zo goed
mogelijk na te leven. Dit is de belangrijkste maatregel die houders kunnen nemen om
de kans op een uitbraak te verkleinen. Ik blijf werken aan de uitwerking van de maatregelen
uit het intensiveringsplan en blijf de situatie nauwgezet monitoren. Helaas zie ik
geen aanvullende maatregelen bovenop de daarin genoemde acties op het gebied van humane
gezondheid, wilde dieren en gehouden dieren.
Vraag 9
Erkent u dat veel vogelpopulaties in een slechte staat van instandhouding zijn, ook
vogelsoorten die gevoelig zijn voor vogelgriep? Deelt u de mening dat, boven op de
huidige inspanningen, extra inspanningen nodig zijn om de effecten van de vogelgriep
op deze soorten op te vangen? Bent u van plan om deze kwetsbare vogelpopulaties verdere
bescherming te bieden? Zo ja, hoe?
Antwoord 9
Mijn voorganger heeft in 2023 door Sovon onderzoek laten uitvoeren naar de impact
van vogelgriepuitbraken op populaties van wilde vogels, en welke mogelijkheden er
zijn om deze uitbraken te voorkomen, of zo snel mogelijk te beheersen. Dit onderzoek
is met uw Kamer gedeeld (Kamerstuk 36 200-XIV, nr. 120). Het onderzoeksrapport geeft een beeld van wat er bekend is over de impact van HPAI
op populaties van wilde vogels in Nederland. Ook geeft het specifiek zicht op voor
welke soorten er aanwijzingen zijn van verhoogde sterfte door vogelgriep, en welke
vogelsoorten eigenschappen hebben die de soort kwetsbaar maken voor vogelgriep. In
aanvulling op dit rapport is in 2024 een vervolgrapport opgesteld dat een nadere duiding
geeft door te analyseren welke gevolgen een eventueel optredende vogelgriepsterfte
kan hebben voor de landelijke staat van instandhouding van deze soorten2.
In lijn met de aanbevelingen uit de rapporten heeft mijn voorganger ingezet op het
centreren van meldingen van dode vogels via een landelijke «vogelgriep app», en is
er een leidraad opgesteld voor het opruimen van dode vogels (Kamerstuk 28 807, nr. 279). Een andere aanbeveling gaat in op het creëren van robuuste natuurgebieden, waarbij
gedacht kan worden aan het creëren van rustgebieden, om de verspreiding van het virus
te beperken. Deze en andere aanbevelingen zijn gedeeld met experts, terreinbeherende
organisaties, faunabeheereenheden en provincies en meegenomen in de ontwikkeling van
de aanpak van vogelgriep. De ontwikkeling van vogelgriep in wilde vogels wordt nauw
gemonitord en zodra de situatie om aanvullende inzet vraagt zal ik in afstemming met
betrokken organisaties nagaan hoe ik of de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij,
Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) daaraan kan bijdragen. Het streven naar robuuste
natuurgebieden maakt nadrukkelijk onderdeel deel uit van het beleid van de Staatssecretaris
van LVVN.
Vraag 10
Gezien het feit dat u in uw Kamerbrief van 1 december 2025 (Kamerstuk 28 807, nr. 311) spreekt over een verhoging van het risiconiveau voor mensen die voor hun werk met
besmette dieren in aanraking komen, welke maatregelen, behalve monitoring, bent u
bereid te nemen om dit risiconiveau niet verder te verhogen?
Antwoord 10
De duiding van het risico voor mensen die vanwege hun werkzaamheden in contact komen
met besmette vogels is door de experts verhoogd van laag-gemiddeld naar gemiddeld.
Deze multidisciplinaire expertgroep komt minstens twee keer per jaar samen om het
risico van hoogpathogene vogelgriep (HPAI) te beoordelen. Zij geven als verklaring
voor deze verhoging van het risico dat door het hoge aantal besmettingen bij wilde
vogels en bij pluimveehouderijen, de kans op blootstelling voor mensen die voor hun
werk met (mogelijk) besmette dieren in aanraking komen nu hoger is dan eerder. Medewerkers
die betrokken zijn bij de ruimingen krijgen een opleiding, goede instructies, persoonlijke
beschermingsmiddelen en zijn gevaccineerd tegen de humane griepvariant. Bovendien
is er tamiflu beschikbaar dat door de arbodienst wordt verzorgd. Hiermee wordt de
kans op een humane besmetting verkleind.
Pluimveehouders kennen de risico’s ook, ze weten dat hun pluimvee besmet kan raken
met vogelgriepvirus. Omdat ze een verdenking snel melden is in het algemeen het aantal
besmette vogels nog klein, wat het risico laag houdt. De belangrijkste maatregel om
humane infecties te voorkomen is het zo snel mogelijk elimineren van een besmettingshaard,
vooral besmette pluimveebedrijven. Dat doet de NVWA uiterst snel en efficiënt, mede
door het snelle melden door de pluimveehouder. Door bioveiligheidsmaatregelen strikt
na te leven kan de kans op meer besmettingen van pluimvee worden verkleind.
Andere professionals zoals jagers en terreinbeheerders zijn geïnformeerd over de risico’s
van vooral subklinisch besmette vogels. Ook zij kunnen met persoonlijke beschermingsmiddelen
de kans dat ze besmet raken verkleinen. Voor zover bekend zijn er geen medewerkers,
jagers of andere professionals besmet geraakt door hun werkzaamheden of activiteiten.
Daarnaast worden mensen die in nauw contact komen met vogels geadviseerd (jagers,
medewerkers van de dierenambulance of anderen die dode wilde vogels ruimen) of verplicht
(ruimingsploegen, specialistenteams) persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM’s) te
gebruiken.
De verwachting van deskundigen is dat de prevalentie in wilde vogels de komende tijd
afneemt, wat verder bijdraagt aan de vermindering van het risico’s voor mensen. Dit
zijn de maatregelen die ik neem, en kan nemen om het risico voor professionals niet
verder te laten oplopen.
Vraag 11
Ziet u in dat overdraagbaarheid naar de mens een potentieel nieuwe pandemie kan betekenen?
In hoeverre heeft u maatregelen voorbereid om dit te voorkomen?
Antwoord 11
Virussen worden soms van dier op mens overgedragen. Als zo’n virus muteert, overdraagbaar
wordt van mens op mens en mensen hebben geen weerstand tegen zo’n nieuwe variant dan
kan dit, net zoals bij SARS-CoV-2, een pandemie veroorzaken. Dit zou volgens de experts
ook bij vogelgriep kunnen gebeuren. Om de risico’s op een nieuwe pandemie te beperken
is het beleidsprogramma pandemische paraatheid opgezet. Onderdeel daarvan is het Nationaal
actieplan versterken zoönosenbeleid (Kenmerk 2022D29 658, 6 juli 2022) dat tot doel heeft risico’s op het ontstaan en de verspreiding van zoönosen
in de toekomst verder te verkleinen en voorbereid te zijn op een eventuele uitbraak.
De bezuinigingen op de maatregelen pandemische paraatheid waarvan het Nationaal actieplan
versterken zoönosenbeleid onderdeel uitmaakt, betekent dat de maatregelen op termijn
moeten worden afgebouwd. Om dat te voorkomen maakt de Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport zich, evenals zijn voorganger, hard voor het vinden van alternatieve
middelen. Met betrekking tot vogelgriep werken we vanuit beide ministeries daarnaast
nauw samen binnen het «Intensiveringsplan preventie vogelgriep» (Kamerstuk 28 807, nr. 291, 6 juli 2023) om de risico’s zoveel mogelijk te beperken ten behoeve van de volksgezondheid
en de gezondheid van wilde en gehouden dieren.
Vraag 12
Kunt u deze vragen separaat beantwoorden?
Antwoord 12
Ja.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
F.M. Wiersma, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.