Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Ceder over het rapport ‘De stand van de Jeugdzorg 2025’ van de Jeugdautoriteit
Vragen van het lid Ceder (ChristenUnie) aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het rapport «De stand van de Jeugdzorg 2025» van de Jeugdautoriteit (ingezonden 14 november 2025).
Antwoord van Staatssecretaris Tielen (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen
17 december 2025). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 560.
Vraag 1
Hebt u kennisgenomen van het rapport «De stand van de Jeugdzorg 2025» van de Jeugdautoriteit?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Deelt u de mening dat jongeren met bijvoorbeeld stress en een neerslachtig gevoel
minstens net zo goed geholpen kunnen worden met andere hulp dan jeugdzorg?
Antwoord 2
Het normaliseren van problemen of klachten die bij het gewone leven horen is een belangrijke
doelstelling van de Jeugdwet en de Hervormingsagenda. We weten inmiddels dat het op
de lange termijn niet helpt om deze kinderen een label te geven met een behandeling
erachteraan. Zo benadrukte ook prof. dr. Laura Batstra nogmaals in de onlangs uitgesproken
Mulock Houwer lezing2. Daarom is het essentieel om bij te dragen aan een gezonde opvoedcontext.
Wanneer er een hulpvraag is, staat voorop dat hulp of ondersteuning passend moet zijn
bij de vraag en de aard van de problematiek en er goed gekeken moet worden naar de
context. Het is aan de jeugdige en het gezin om samen met de professional te bepalen
(zoals onder andere beschreven in de richtlijn Samen beslissen over jeugdhulp) of
en zo ja, welke ondersteuning of hulp nodig is. Het heeft de voorkeur om de ondersteuning
– als dit nodig blijkt te zijn – zo collectief, licht en laagdrempelig als mogelijk
in te zetten; denk bijvoorbeeld aan groepsgesprekken onder leiding van een jongerenwerker
zoals bij Bukojou of met een collectieve voorziening zoals Groen in ’s Hertogenbosch.
Echter, wanneer dat nodig is, moet intensievere zorg ingezet kunnen worden. Het kan
dus niet standaard zo zijn dat jeugdigen met stress of een neerslachtig gevoel in
alle gevallen net zo goed geholpen kunnen worden met andere hulp dan jeugdzorg.
Vraag 3
Hoe reflecteert u op het oordeel dat de overheid onvoldoende kiest wat er nog wel
onder de jeugdzorg valt, en welke problemen elders in de maatschappij opgelost moeten
worden?
Antwoord 3
In de Jeugdwet staat beschreven in welke situaties een jeugdige of het gezin in aanmerking
komt voor jeugdhulp. Deze open norm blijkt echter in de praktijk zó open dat het te
weinig richting geeft. Dit complexe vraagstuk wordt nader uitgewerkt in de maatregelen
rondom het thema Reikwijdte uit de Hervormingsagenda Jeugd. Zo wordt beschreven dat
jeugdhulp alleen ingezet dient te worden wanneer de aard en ernst van de situatie
dit vraagt. Dit betekent o.a. dat er geen jeugdhulp ingezet wordt wanneer sprake is
van problematiek die geen betrekking heeft op het kind.
Vraag 4
Bent u bekend met de motie van de leden Ceder en Bruyning over het verwerken van bewezen
effectieve voorzieningen in de hervormingsagenda? In hoeverre hebt u de bewezen effectieve
voorzieningen die in de motie worden genoemd betrokken en verwerkt in de continuering
van de hervormingsagenda, of in hoeverre bent u van plan dat te doen?3
Antwoord 4
Ja, wij zijn uiteraard bekend met deze motie. We informeren uw Kamer over het vervolg
op deze motie in de Jeugdbrief voorafgaande aan het Wetgevingsoverleg Jeugd (WGO)
van 2 februari 2026.
Vraag 5
Kunt u aangeven waardoor het komt dat de landelijke wet die beter afbakent wat er
onder de jeugdzorgplicht van gemeenten valt vertraagd is? Wanneer verwacht u dat deze
wet naar de Kamer wordt gestuurd?
Antwoord 5
De uitwerking van het wetsvoorstel en aanpalende onderwerpen ten aanzien van het thema
Reikwijdte is in volle gang. In dit proces staan doeltreffendheid en zorgvuldigheid
voorop. Ik wil met intensieve samenwerking tussen Rijk en gemeenten een voorstel dat
inhoudelijk bijdraagt aan de beoogde doelen en voldoende draagvlak heeft in het veld
om tot effectieve uitvoering te kunnen komen. Ik wil het wetsvoorstel zo spoedig mogelijk
in consultatie brengen, het streven is begin volgend jaar.
Vraag 6
Wat is uw reflectie op het oordeel van de Jeugdautoriteit dat het werkelijke probleem
van de overbelasting van de jeugdzorg niet een tekort aan geld is, maar dat de maatschappij
te veel verwacht van de jeugdzorg?
Antwoord 6
Deze constatering kan ik voor een belangrijk deel onderschrijven. Het is essentieel
dat we als samenleveving realistisch zijn over wat de opvoedcontext betekent voor
opgroeien in goede gezondheid: lichamelijk, mentaal en sociaal. Daarom is het bijvoorbeeld
belangrijk dat de maatschappelijke dialoog wordt gevoerd en dat we op een andere manier
gaan kijken naar hulpvragen en de reacties daarop. Dat geldt voor jongeren, ouders,
de samenleving, professionals, politiek en andere relevante partijen. Daarnaast is
het belangrijk dat we kritisch zijn op wat jeugdhulp wel en ook niet kan bieden. Met
jeugdzorg is niet alles op te lossen. Behandeling zou meer gericht moeten zijn op
het omgaan met problematiek en het omarmen van verschillen in plaats van het te behandelen,
met als doel dat jongeren zélf vooruit kunnen.
Vraag 7
Bent u het eens met de Jeugdautoriteit dat het «ongemakkelijke gesprek» over de verwachtingen
van de maatschappij richting de Jeugdzorg te weinig wordt gevoerd, waar voormalig
Staatssecretaris Van Ooijen ook zijn zorgen over uitte? Op welke manier kan het «ongemakkelijke»
gesprek wel gevoerd worden?4
Antwoord 7
Ik zie op heel veel plekken in het land dat gemeenten en organisaties het gesprek
hier wel al over aangaan. Tegelijkertijd deel ik de constatering van de Jeugdautoriteit
dat dit nog te weinig gebeurt. Om de gesprekken tussen en met jongeren hierover te
stimuleren heeft MIND Us in opdracht van VWS PRAATPOWER ontwikkeld.
Inmiddels is met honderden jongeren en hun omgeving, bijvoorbeeld de school, het gesprek
gevoerd over mentale gezondheid, mentaal gezond opgroeien en/of wat jongeren (nu al)
zelf kunnen doen om mentaal gezond te blijven. Begin 2026 zijn er ook tools voor gemeenten
en organisaties om gesprekken tevoeren met ouders over opvoeden en opgroeien. Daarnaast
voeren ook professionals steeds vaker het gesprek, daarbij geholpen met kennis vanuit
de lectoren jeugd en gezin5. Met de leerlijn informele steun van netwerkorganisatie Kwaliteit en Blijvend Leren
(KBL) wordt ingezet om informele steun voor gezinnen te versterken. Hierbij is veel
aandacht voor samenwerken met en in het netwerk, herstelbeweging, het versterken van
de sociale basis en normaliseren van hulpvragen en problematiek. Met het aangekondigde
wetsvoorstel reikwijdte ontstaat ook meer ruimte om dit gesprek vanuit de overheid,
met name lokaal, actief in te gaan zetten.
Vraag 8
Bent u bekend met de verschillende oplossingen die gemeenten bieden zodat er voldoende
ruimte is voor de jeugdzorg die echt nodig is, zoals de nauwe samenwerking in Woudenberg
tussen jeugdzorg, gemeente, onderwijs en de kerk? Wat is uw reflectie op deze werkwijze?
Antwoord 8
We zien diverse goede voorbeelden in het land waarbij het lukt om de hulpvragen van
inwoners op een integrale manier te beantwoorden op een manier die past bij de hulpvraag.
Hier hoort een intensieve samenwerking bij tussen betrokken partijen. Onderdeel van
het wetsvoorstel reikwijdte is bijvoorbeeld dat gemeenten een visie moeten opstellen
samen met betrokken partijen over de sociaal-pedagogische basis en de wijze waarop
de samenwerking met de lokale teams en het onderwijs wordt vormgegeven.
Vraag 9
Op welke manier kan de samenleving een grotere rol worden gegeven als het gaat over
de stand van de Jeugdzorg? Welke ideeën hebt u daarvoor?
Antwoord 9
De Jeugdautoriteit geeft in haar rapport terecht aan dat er nog onvoldoende aandacht
is voor het wegnemen van oorzaken die leiden tot instroom in de jeugdzorg, maar buiten
de jeugdzorg liggen, bijvoorbeeld in het gezin, het onderwijs of de samenleving. Een
sociale context met zogenoemde steunstructuren is daarbij van belang. Denk aan het
oude gezegde «It takes a village to raise a child». Ik zie gelukkig hele mooie initiatieven
in het land, zoals de familiescholen in Amsterdam of de buurtgezinnen. O.a. met de
film «een sterke pedagogisch basis»6 laten we deze voorbeelden zien. Om dit te stimuleren en het belang hiervan te onderstrepen,
krijgen gemeenten in het wetsvoorstel reikwijdte de opdracht om een visie op de pedagogische
basis op te stellen en hierover in gesprek te gaan met de samenleving over hun rol
bij het gezond opgroeien en opvoeden van kinderen. Er zijn handvatten en tools ontwikkeld
voor het op een goede manier voeren van dit gesprek.7
Vraag 10
Wat gaat u de komende tijd concreet doen om die jongeren zorg te bieden die dat echt
nodig hebben?
Antwoord vraag 10
Ik ga onverdroten én samen met o.a. gemeenten door met de uitvoering van de Hervormingsagenda
waarin we afspraken hebben gemaakt met onze partners om het jeugdstelsel te verbeteren.
Voorafgaand aan het WGO op 2 februari a.s. zullen informeer ik uw Kamer nader informeren
over de laatste stand van zaken.
Ondertekenaars
J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.