Schriftelijke vragen : De organisatie van chanoekaconcerten en andere concerten met een joods karakter in het Concertgebouw
Vragen van de leden Nanninga en Boomsma (beiden JA21) aan de Ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en van Justitie en Veiligheid en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de organisatie van chanoekaconcerten en andere concerten met een joods karakter in het Concertgebouw (ingezonden 17 december 2025).
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van de aanvankelijke beslissing van het Concertgebouw in Amsterdam
om het jaarlijkse chanoekaconcert van de Stichting Chanukah Concert te cancelen vanwege
de aanwezigheid van een zanger uit Israël, omdat hij ook cantor is voor en optreedt
bij bijeenkomsten van het Israëlische leger?
Vraag 2
Heeft u kennisgenomen van het zogenaamde compromis op grond waarvan, naast een eerder
programma, het concert met de betreffende cantor alleen in beslotenheid werd gehouden?
Hoe beoordeelt u dat het daarmee niet mogelijk is voor niet-genodigden om dit chanoekaconcert
bij te wonen?
Vraag 3
Kent u andere voorbeelden van culturele instellingen en zaalverhuurders waarbij de
(subsidie-ontvangende) organisatie eist dat individuele artiesten of musici van een
groep worden vervangen wegens andere optredens, functies of werkzaamheden in het land
van herkomst? Zo ja, welke? Graag een toelichting.
Vraag 4
Heeft u kennisgenomen van de manier waarop het chanoekaconcert op 14 december 2025
bij het Concertgebouw heeft plaatsgevonden en dat daarbij rookbommen zijn gegooid
en «leve Hamas» werd geroepen?
Vraag 5
Heeft u gezien dat bij de ingang van het Concertgebouw een bord omhoog werd gehouden
met de tekst die de pogrom van 7 oktober 2023 verheerlijkte? Kunt u aangeven wanneer
de politie kan optreden tegen het verheerlijken van recente moord- en martelpraktijken
en wanneer dergelijke teksten als intimidatie en opruiing kunnen worden bestempeld?
Graag een toelichting.
Vraag 6
Heeft u kennisgenomen van het feit dat met de andere organisator van een jaarlijks
chanoekaconcert in het Concertgebouw (dat jaarlijks plaatsvond in de grote zaal en
een van de grootste joodse culturele evenementen in Europa was), The Jewish Amsterdam
Chamber Ensemble, het huurcontract al eerder niet was verlengd voor 2025 en dat dit
concert daarom dit jaar ook al niet zoals de afgelopen jaren kan doorgaan in het concertgebouw?
Vraag 7
Hoe beoordeelt u de beslissing van het Concertgebouw om deze concerten te weren, mede
in het licht van de vele andere joodse evenementen die worden gecanceld en geweerd,
en bijvoorbeeld het feit dat joodse organisaties moeite ondervinden om zalen te huren
voor bijeenkomsten?
Vraag 8
Heeft u kennisgenomen van het feit dat het personeel van het Concertgebouw vorig jaar
bij het lustrumconcert heeft gedreigd om niet te werken om zo tot afblazen van dat
concert te dwingen en dat de directie bovendien zou hebben geëist dat er geen Israëlische
vlaggen zouden worden getoond en dat daarna de samenwerking is stopgezet? Hoe beoordeelt
u dat?
Vraag 9
Heeft u kennisgenomen van het feit dat het Concertgebouw een optreden van het Jerusalem
String Quartet in mei vorig jaar aanvankelijk had geannuleerd, na hetze kritiek van
de pro-Palestijnse pressiegroepen, omdat men aangaf te vrezen voor demonstraties en
de veiligheid, maar zonder dat hierover eerst contact of overleg was gezocht met de
Amsterdamse driehoek om die veiligheidssituatie te verbeteren?
Vraag 10
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat zo een patroon is ontstaan waarbij joodse
en/of Israëlische evenementen worden ontmoedigd, afgeblazen en/of geweerd in het Concertgebouw
of alleen mogelijk zijn onder druk van allerlei concessies op de inhoud, en ook op
veel andere locaties? Welke stappen wilt u zetten om daar een einde aan te maken om
ervoor te zorgen dat joodse en/of Israëlische evenementen gewoon veilig en ongestoord
kunnen doorgaan?
Vraag 11
Deelt u de mening dat, wanneer concertzalen of andere podia vrezen voor intimidatie
en onveiligheid wanneer daar Joden en/of Israëli’s optreden, het cruciaal is dat men
daar niet voor buigt maar juist extra moet inzetten op het laten doorgaan ervan, en
dat de overheid dan indien nodig aanvullende maatregelen treft? En zo ja, welke stappen
heeft de regering gezet om dat te bewerkstelligen en te laten landen en wat doet de
regering om ervoor te zorgen dat die veiligheid dan wordt geboden?
Vraag 12
Hoe beoordeelt en hoe betitelt u het wanneer joodse of Israëlische organisaties of
evenementen volgens andere standaarden lijken te worden beoordeeld dan andere groepen
of nationaliteiten?
Vraag 13
Welke wetten, verordeningen en regelingen, enerzijds in algemene zin, en anderszins
in het kader van de subsidies die worden verstrekt vanuit het Rijk, zien op de vraag
wanneer een (culturele) instelling mag weigeren om een zaal te verhuren aan bepaalde
organisaties of personen vanwege hun achtergrond of positie, en op welke gronden?
Vraag 14
In welke gevallen is het in strijd met voorwaarden voor subsidieverstrekking wanneer
organisaties weigeren een zaal te verhuren of ruimte te bieden aan een optreden, vanwege
de nationaliteit of afkomst van de betreffende personen of organisaties, dan wel vanwege
criteria die voor personen met de desbetreffende nationaliteit zeer moeilijk te vermijden
of voorkomen zijn? Graag een toelichting.
Vraag 15
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving waaruit blijkt dat journalisten tijdens
de pro-Palestijnse demonstraties rond het chanoekaconcert in Amsterdam zijn belaagd,
bedreigd en in hun werkzaamheden zijn belemmerd?1
Vraag 16
Wat vindt u ervan dat journalisten op de openbare weg door de politie zijn weggestuurd
terwijl zij werden bedreigd en geïntimideerd door demonstranten?
Vraag 17
Vindt u het acceptabel dat agenten ervoor kozen om niet op te treden tegen personen
die journalisten met geweld en de dood bedreigden, maar wél ingrepen richting de pers?
Vraag 18
Hoe beoordeelt u het innemen van een politieperskaart bij een journalist die doelwit
was van intimidatie en deelt u de opvatting dat hiermee feitelijk de verkeerde partij
werd gesanctioneerd?
Vraag 19
Wat zegt het volgens u over de staat van persvrijheid wanneer journalisten moeten
wijken «om escalatie te voorkomen» terwijl extremistische demonstranten hun gang kunnen
gaan?
Vraag 20
Vindt u dat de politie in deze gevallen haar beschermende taak jegens journalisten
voldoende heeft ingevuld? Zo ja, hoe rechtvaardigt u dat oordeel?
Vraag 21
Hoe kijkt u aan tegen het argument van «de-escalatie» wanneer dit er in de praktijk
toe leidt dat strafbare feiten tegen journalisten onbestraft blijven?
Vraag 22
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat journalisten, joodse
organisaties en instellingen niet langer het zwijgen wordt opgelegd door intimidatie
en geweld?
Vraag 23
Bent u bereid het volledige arsenaal van de rechtsstaat in te zetten, waaronder strafrechtelijke
vervolging, gebiedsverboden en bestuurlijke maatregelen, om deze vormen van intimidatie,
vernieling en chantage effectief te bestrijden?
Indieners
-
Gericht aan
K.M. Becking, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Gericht aan
F. van Oosten, minister van Justitie en Veiligheid -
Gericht aan
G. Moes, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Indiener
Annabel Nanninga, Kamerlid -
Medeindiener
Diederik Boomsma, Kamerlid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.