Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Teunissen over het bericht ‘Nederland is een ontbossingsland’
Vragen van het lid Teunissen (PvdD) aan de Ministers van Klimaat en Groene Groei, van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van Financiën, en van Buitenlandse Zaken over over het bericht «Nederland is een ontbossingsland» (ingezonden 18 november 2025).
Antwoord van Minister Heinen (Financiën), mede namens de Minister van Klimaat en Groene
Groei, de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de
Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken (ontvangen 17 december 2025).
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Nederland is een ontbossingsland»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Herkent u het in het artikel geschetste beeld dat Nederland via de financiële sector,
zeehavens en consumptiepatronen in aanzienlijke mate bijdraagt aan wereldwijde ontbossing?
Antwoord 2
Het artikel wijst op de rol die de financiële sector, zeehavens en consumptiepatronen
kunnen hebben in activiteiten met een verhoogd risico op ontbossing. Daar waar het
gaat om de financiële sector wordt er geen directe causale relatie gelegd tussen investeringen
en ontbossing zelf, maar bevestigt het artikel dat er een mogelijkheid is dat financiële
instellingen betrokken zijn bij projecten waarin ontbossingsrisico’s aanwezig zijn.
Vraag 3
Kunt u aangeven in welke mate Nederlandse financiële instellingen, waaronder banken
en pensioenfondsen, nog steeds investeren in bedrijven of projecten met een aantoonbaar
ontbossingsrisico?
Antwoord 3
Ontbossing is een internationaal vraagstuk dat ook Nederland raakt via handel, financiële
instellingen en onze havens. Het is van belang dat Nederlandse bedrijven voldoen aan
Europese regelgeving en internationale afspraken.
Het kabinet verwacht van Nederlandse bedrijven, waaronder financiële instellingen,
dat zij handelen conform internationale standaarden voor maatschappelijk verantwoord
ondernemen: de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen en de United Nations
Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s). Deze standaarden schrijven
voor dat risico’s voor mens en milieu in de waardeketen, zoals het risico op ontbossing,
worden onderkend en aangepakt. Afhankelijk van de mate van betrokkenheid bij eventuele
schade moet een financiële instelling bijdragen aan herstel of haar invloed aanwenden
om nadelige gevolgen te beperken.
Hoe een financiële instelling invulling geeft aan de naleving van deze internationale
richtlijnen, en welke keuzes zij maakt ten aanzien van investeringen of het aangaan
van gesprekken met bedrijven, is de verantwoordelijkheid van de instellingen zelf.
Dit geldt ook voor een eventuele beslissing om bedrijven uit te sluiten.
Vraag 4
Bent u bekend met het rapport Banking on Biodiversity Collapse 2025, waarin de Rabobank
op de achtste plaats wereldwijd wordt genoemd onder financiële instellingen met de
hoogste ontbossingsrisico’s? Kunt u toelichten wat uw oordeel is over de bevindingen
van dit rapport?
Antwoord 4
Het rapport geeft een beeld van de internationale positie van financiële instellingen,
waaronder de Rabobank, in relatie tot ontbossingsrisico’s en biodiversiteitsverlies.
Ik heb kennis genomen van de bevindingen. Voor mij staat voorop dat financiële instellingen
zich houden aan de geldende Europese en internationale kaders. Het is aan de instellingen
zelf om hun beleid en risicobeheersing hierop in te richten.
Vraag 5
Acht u de huidige beleidsinstrumenten en wettelijke verplichtingen voor Nederlandse
financiële instellingen om investeringen met ontbossings- of biodiversiteitsrisico’s
te vermijden toereikend?
Antwoord 5
Er is reeds een aanzienlijk aantal EU-vereisten voor financiële instellingen ten aanzien
van het beheersen van ontbossings- of andere biodiversiteitsrisico’s.
Voorbeelden zijn de richtlijn met betrekking tot duurzaamheidsrapportering door ondernemingen
(Corporate Sustainability Reporting Directive, afgekort CSRD) en bijbehorende European
Sustainable Reporting Standards (ESRS). De onder deze regelgeving vallende ondernemingen,
waaronder financiële instellingen, rapporteren over de impact (inclusief afhankelijkheden,
risico’s en kansen) van hun bedrijfsstrategie en het gevoerde beleid op biodiversiteit
en ecosysteemdiensten. Ook vereist de ESRS transparantie over biodiversiteitsdoelen
en inzicht in de eenheden die gebruikt worden om voortgang ten aanzien van de gestelde
doelen te meten.
Daarnaast zijn er verschillende andere instrumenten, zoals de EU-taxonomie voor duurzame
investeringen, waarmee financiële instellingen inzicht geven in wanneer een investering
in een bepaalde economische activiteit als duurzaam kan worden aangemerkt, en die
van financiële instellingen verlangen om te rapporteren in hoeverre hun financiële
portefeuille daarmee in lijn is.
De CSDDD, CSRD en Taxonomie worden op dit moment vereenvoudigd. Het doel hiervan is
om de administratieve lasten te verlagen en het ondernemingsklimaat te versterken,
zonder de kern van transparantie en betrouwbaarheid te verliezen. Het kabinet steunt
de inzet om de rapportagelasten te versimpelen en verminderen.
Tot slot houden de ECB en DNB vanuit prudentieel oogpunt toezicht op de beheersing
van financiële duurzaamheidsrisico’s van financiële instellingen, zoals de financiële
risico’s die kunnen voortvloeien uit biodiversiteitsverlies en ontbossing. Dit omvat
ook reputatierisico’s die zouden kunnen ontstaan als een instelling eigen doelstellingen
of beloftes ten aanzien van biodiversiteit niet na blijkt te komen. In 2020 heeft
de Europese Centrale Bank (ECB) toezichtverwachtingen geformuleerd ten aanzien van
het beheersen van aan klimaat en biodiversiteit gerelateerde financiële risico’s,
waar Europese banken aan moeten voldoen. Voor de toezichtprioriteiten 2025–2027 blijft
het volledig naleven van de toezichtverwachtingen ten aanzien van de beheersing van
duurzaamheidsrisico’s door financiële instellingen een prioriteit.2
Vraag 6
Acht u het in het artikel vermelde bedrag van 5 miljoen euro dat Nederland zal bijdragen
aan de Tropical Forest Forever Facility in verhouding tot de omvang van de Nederlandse betrokkenheid bij internationale handelsstromen
van producten die gerelateerd zijn aan ontbossing, zoals palmolie, soja en cacao?
Overweegt u deze financiële bijdrage te verhogen?
Antwoord 6
Het bedrag van 5 miljoen euro dat Nederland zal bijdragen aan de Tropical Forest Forever
Facility dient te worden gezien als een bijdrage aan de opstartkosten van dit fonds,
dat momenteel nog niet operationeel is. Een mogelijke investering in het fonds zelf
is aan het volgende kabinet. Tegelijkertijd wordt samen met de private sector onderzocht
hoe aanvullende middelen kunnen worden aangetrokken om doelstellingen van het fonds
te versterken.
Vraag 7
Hoe beoordeelt u de stand van zaken rondom de Europese Ontbossingsverordening en de
rol die Nederland vervult bij de implementatie daarvan binnen de Europese Unie?
Antwoord 7
Het kabinet zal het aankomende jaar gebruiken om in nauwe samenwerking met de Europese
Commissie en de lidstaten toe te werken naar een zorgvuldige implementatie en daadwerkelijke
administratieve lastenverlichting, die non discriminatoir en WTO-conform zijn. Nederland
kan deze rol goed vervullen omdat de bevoegde autoriteiten (NVWA en Douane) alsook
voor de meeste bedrijven in Nederland klaar zijn om de EUDR toe te passen.
Vraag 8
Op welke wijze zal toezicht worden gehouden op de naleving van de Ontbossingsverordening
in Nederland, in het bijzonder bij importerende bedrijven die grondstoffen of producten
verhandelen uit gebieden met een risico op ontbossing?
Antwoord 8
Hoewel de NVWA is voorbereid op handhaving van de EUDR per 30 december 2025, wordt
op dit moment nog onderhandeld over aanpassingen aan de EUDR en daarmee hoe de werking
van de EUDR in de nabije toekomst exact vorm krijgt. Dit wordt pas definitief als
na de triloog de aangepaste EUDR wordt gepubliceerd in The Official Journal of the
European Union. Hierdoor is er op het moment nog onduidelijkheid voor toezicht en
over de verplichtingen voor ondernemingen. Deze onduidelijkheid zal door middel van
voorlichting moeten worden weggenomen. Ook in de toelichting bij het inwerkingtredingsbesluit
van de implementatieregelgeving zal hieraan aandacht moeten worden besteed.
Vraag 9
Kunt u toelichten hoe de uitvoering van deze Europese verordening wordt ingebed in
het nationale klimaat- en natuurbeleid?
Antwoord 9
De uitvoering van deze verordening vanuit de overheid bestaat hoofdzakelijk uit toezicht
en handhaving door de NVWA en via de reguliere controle van de Douane. Dit wordt ingebed
in het bredere werkpakket van de NVWA op het publiek belang van natuur en milieu.
Vraag 10
Hoe ondersteunt Nederland via internationaal beleid en ontwikkelingssamenwerking de
bescherming van landrechten van inheemse gemeenschappen in tropische bosgebieden?
Antwoord 10
Het versterken van de rechten en positie van inheemse volkeren en lokale gemeenschappen
(IPLCs) is een voorwaarde voor effectief en duurzaam beheer van tropische bosgebieden
en behoud van biodiversiteit. Tijdens de recente VN-Klimaattop (COP30) heeft Nederland
daarom de hernieuwde «Forest and Land Tenure Pledge» onderschreven, een internationale
verklaring uit 2021 gericht op de ondersteuning van landrechten van IPLCs, evenals
de aanverwante «Intergovernmental Land Tenure Commitment» waarmee verschillende tropische
bossenlanden zelf hier hun steun aan hebben verbonden.
Via steun aan multilaterale fondsen, zoals de Climate Investment Funds, en programma’s op het gebied van voedselzekerheid, water en klimaat, draagt Nederland
bij aan de versterking van de rechten en weerbaarheid van IPLCs voor het duurzaam
beheer van hun leefgebieden en ecosystemen. Zoals hierboven reeds vermeld kondigde
Nederland tijdens COP30 een bijdrage van 5 miljoen dollar aan de opstartkosten van
de Tropical Forest Forever Facility, een nieuw investeringsfonds gericht op het behoud van bossen. 20% van de betalingen
uit dit fonds dienen rechtstreeks ten goede te komen aan IPLCs.
Vraag 11
Op welke wijze stimuleert u bewustwording bij Nederlandse consumenten over de relatie
tussen hun koopgedrag en mondiale ontbossing, en welke instrumenten zet u in om duurzaam
consumptiegedrag te bevorderen?
Antwoord 11
Consumenten die duurzame keuzes willen maken, moeten de gelegenheid hebben om dat
te doen. Bedrijven, maatschappelijke organisaties en de overheid kunnen burgers daarbij
helpen, door duurzame keuzes haalbaar, aantrekkelijk en acceptabel te maken.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
E. Heinen, minister van Financiën -
Mede namens
J.F. Rummenie, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Mede namens
S.T.M. Hermans, minister van Klimaat en Groene Groei -
Mede namens
A. de Vries, staatssecretaris van Buitenlandse Zaken
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.