Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Diederik van Dijk over het ontbreken van verdoving bij late zwangerschapsafbreking
Vragen van het lid Diederik van Dijk (SGP) aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het ontbreken van verdoving bij late zwangerschapsafbreking (ingezonden 21 november 2025).
Antwoord van Staatssecretaris Tielen (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen
16 december 2025). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 628.
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van de bevinding van de beoordelingscommissie dat artsen bij
late zwangerschapsafbreking (vanaf 24 weken) niet standaard verdoving toedienen aan
het ongeboren kind?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2 en 4
Vindt u het ook afschuwelijk dat in Nederland blijkbaar ongeboren kinderen vanaf 24
weken zwangerschap onverdoofd worden gedood? Kunt u de exacte cijfers delen hoe vaak
in de afgelopen jaren onverdoofde late zwangerschapsafbreking heeft plaatsgevonden?
Waarom bestaat er geen medische richtlijn ten aanzien van het toedienen van verdoving
of pijnbestrijding bij een late zwangerschapsafbreking?
Antwoord 2 en 4
Naar aanleiding van de twee in 2024 ontvangen meldingen van een late zwangerschapsafbreking
heeft de Beoordelingscommissie late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij
pasgeborenen en kinderen van 1 tot 12 jaar (hierna: de commissie) geconstateerd dat
artsen de foetus bij late zwangerschapsafbreking niet standaard verdoving toedienen.
De commissie geeft daarbij aan dat zij het toedienen van systemische verdoving aan
de foetus bij late zwangerschapsafbreking zeer wenselijk acht. Dit is een aanbeveling
aan het veld.
Ik kan mij goed voorstellen dat deze bevinding van de commissie vragen oproept.
Voor de wijze waarop een late zwangerschapsafbreking categorie 12 of categorie 23 uitgevoerd dient te worden en in hoeverre daarbij pijnstilling aan de foetus toegediend
moet worden, zijn normen van de beroepsgroep leidend. Deze beroepsnormen zijn voor
late zwangerschapsafbreking neergelegd in het Modelprotocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking (2017) van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG).4 In dit protocol wordt «ter overweging» meegegeven om de foetus te sederen en pijnstilling
toe te dienen voordat tot foetale levensbeëindiging wordt overgegaan.
De NVOG heeft aangegeven dat het veld in beweging is en dat de NVOG om die reden in
januari 2024 is gestart met de revisie van het huidige modelprotocol. Dit heeft geleid
tot de concept Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking. Hierin staat dat een foetus voorafgaand aan de levensbeëindiging sedatie en pijnstilling
dient te krijgen. Deze kwaliteitsnorm bevindt zich op dit moment in de conceptfase.
Late zwangerschapsafbrekingen categorie 1 vinden in principe zonder voorafgaande levensbeëindiging
van de foetus plaats, tenzij ouders dit wensen. Het gaat hier om bevallingen die worden
opgewekt. Sinds 1 februari 2024 worden late zwangerschapsafbrekingen categorie 1 beoordeeld
door de beroepsgroep van de NVOG, zoals ook het geval was vóór 1 februari 2016: de
Commissie LZA1. Bij de casus die sindsdien bij de NVOG Commissie LZA1 gemeld zijn
(in totaal nu 4) heeft er geen foetale levensbeëindiging plaatsgevonden zonder pijnstilling.
De NVOG Commissie LZA1 heeft laten weten er voorstander van te zijn dat de foetus
vooraf sedatie en pijnstilling krijgt, zoals opgenomen in de beoogde nieuwe kwaliteitsnorm
die in ontwikkeling is.
De commissie heeft sinds 2016 tot op heden in totaal 57 meldingen ontvangen van een
late zwangerschapsafbreking (zowel categorie 1 als categorie 2). Bij 34 van die 57 meldingen
heeft foetale levensbeëindiging plaatsgevonden. In 26 gevallen was er sprake van voorafgaande
verdoving, in 8 gevallen niet.
Vraag 3
Wat vindt u van de aanbeveling van de beoordelingscommissie dat het zeer wenselijk
is om systemische verdoving toe te passen? Waarom rept u in uw bijgaande Kamerbrief
met geen woord over deze aanbeveling van de commissie?5
Antwoord 3
Navraag bij de commissie leert dat de commissie bij de beoordeling van het uitvoeren
van foetale levensbeëindiging het bestaande Modelprotocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking van de NVOG uit 2017 als uitgangspunt hanteert. De commissie is bekend met de concept
Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking, waarin staat dat voorafgaand aan de levensbeëindiging de foetus gesedeerd dient
te worden en pijnstilling toegediend moet krijgen. In afwachting van de definitieve
herziening van het protocol van de NVOG zal de commissie volstaan met het doen van
een aanbeveling met betrekking tot pijnstilling aan de foetus. Ik kan mij hierin vinden.
De Kamerbrief waarmee ik het jaarverslag van de commissie aan uw Kamer heb aangeboden
strekt in de regel puur ter aanbieding van het jaarverslag en beoogt niet om bevindingen
van de commissie daarin te herhalen of te benadrukken.
Vraag 5
Bestaat een dergelijke richtlijn voor het toedienen van verdoving bij late zwangerschapsafbreking
in andere landen wel?
Antwoord 5
Navraag bij de NVOG leert dat er geen internationale richtlijnen voor het toedienen
van verdoving aan de foetus zijn. Wel hebben zowel Nederlandse klinieken als klinieken
in het buitenland hier lokale protocollen voor.
Vraag 6
Oefent u druk uit op de Nederlandse beroepsgroep om zo’n richtlijn zo spoedig mogelijk
op te stellen?
Antwoord 6
Het is de verantwoordelijkheid van de beroepsgroep om beroepsnormen op te stellen.
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 en vraag 3 heb aangegeven, is er een Modelprotocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking (2017) en bevindt de herziening van het protocol zich in de conceptfase.
Vraag 7
Wat vindt u van de stelling van de commissie dat het ontbreken van verdoving géén
invloed heeft op de beoordeling van de zorgvuldigheid van een melding, aangezien een
richtlijn hiervoor ontbreekt? Bent u het eens dat het ontbreken van een richtlijn
nooit reden kan zijn om een ongeboren kind pijn te laten lijden?
Antwoord 7
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 heb aangegeven, hanteert de commissie bij de
beoordeling van het uitvoeren van een late zwangerschapsafbreking als uitgangspunt
het bestaande Modelprotocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking van de NVOG uit 2017. In afwachting van de definitieve herziening van het protocol
van de NVOG waarin sedatie en pijnstilling aan de foetus worden voorgeschreven, volstaat
de commissie op dit moment met het doen van een aanbeveling met betrekking tot pijnstilling
aan de foetus.
Een arts moet op grond van artikel 2 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen
zorg (Wkkgz) goede zorg verlenen. Dit betekent onder andere dat de arts de geldende
professionele standaard en de kwaliteitsstandaarden in acht moet nemen. Het is op
grond van het huidige protocol aan de arts om te bepalen of pijnstilling en sedatie
aan de foetus wordt gegeven. Dit doet overigens niets af aan de eigen verantwoordelijkheid
van een arts om te bepalen wat in een individueel geval goede zorg is.
Vraag 8
Wat vindt u ervan dat volgens de commissie in dit geval géén sprake was van een onzorgvuldigheid,
in acht genomen dat er brede wetenschappelijke consensus bestaat dat ongeboren kinderen
(in ieder geval) vanaf 24 weken zwangerschap pijn ervaren?6
Antwoord 8
Over de bevindingen van de commissie dat er geen sprake was van een onzorgvuldigheid
verwijs ik u naar de antwoorden op vraag 3 en vraag 7.
Ten aanzien van de stelling dat er brede wetenschappelijke consensus bestaat dat ongeboren
kinderen (in ieder geval) vanaf 24 weken zwangerschap pijn ervaren, merk ik op dat
het vraagstuk van foetale pijnbeleving wetenschappelijk complex is. Het is niet eenduidig
te zeggen wanneer en in welke situaties een foetus wel of geen pijn ervaart. Ik verwijs
hierbij ook naar de beantwoording van eerdere Kamervragen van mijn ambtsvoorganger.7
In het rapport waar u naar verwijst van de Royal College of Obstetricians and Gynaecologists
(RCOG) uit 2022 wordt aangegeven dat men terughoudend moet zijn met het interpreteren
van foetaal gedrag als bewijs van pijnbeleving. Er wordt geconcludeerd dat tot op
heden de beschikbare gegevens erop wijzen dat de mogelijkheid van pijnwaarneming vóór
28 weken zwangerschap onwaarschijnlijk is en dat er op dit moment geen basis is om
analgesie of anesthesie toe te dienen aan een foetus voor een zwangerschapsafbreking
in het eerste of tweede trimester om foetale pijnwaarneming te voorkomen. In het rapport
wordt beschreven dat in het Verenigd Koninkrijk (net als in Nederland) praktijkvariatie
bestaat voor wat betreft het wel of niet geven van pijnstilling bij foetale levensbeëindiging.
Zoals in mijn antwoord op vraag 2 is aangegeven, is het veld in beweging en is de
NVOG om die reden gestart met de revisie van het bestaande modelprotocol en is in
de concept Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking opgenomen dat een foetus voorafgaand aan de levensbeëindiging sedatie en pijnstilling
dient te krijgen.
Ik wil daarbij aangeven dat het beoordelen van het wel of niet bestaan van een brede
wetenschappelijke consensus op dit punt niet aan de commissie is, maar aan de beroepsgroep.
De commissie toetst of de uitvoering van de late zwangerschapsafbreking medisch zorgvuldig
is uitgevoerd op basis van geldende beroepsnormen.
Vraag 9
Kunt u aangeven welke verplichtingen artsen op grond van het gezondheidsrecht hebben
om pijn bij ongeboren kinderen te voorkomen?
Antwoord 9
Zoals in antwoord op vraag 7 is aangegeven, moet een arts op grond van artikel 2 Wkkgz
goede zorg verlenen. Dit betekent onder andere dat de arts de geldende professionele
standaard en de kwaliteitsstandaarden in acht moet nemen. Wat betreft de kwaliteitsstandaard
verwijs ik naar het antwoord op vraag 2.
Vraag 10
Kunt u bevestigen dat het ontbreken van een medische richtlijn niets afdoet aan de
verantwoordelijkheid van de arts om zelfstandig een verantwoorde behandelwijze te
kiezen?
Antwoord 10
Zoals in mijn antwoord op vraag 2 is aangegeven is er een Modelprotocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking uit 2017 en bevindt de herziening van het protocol zich in de conceptfase. Dit doet
overigens niets af aan de eigen verantwoordelijkheid van een arts om te bepalen wat
in een individueel geval goede zorg is (artikel 2 Wkkgz).
Vraag 11
Welke rol speelt hierbij volgens u het voorzorgsbeginsel, waarnaar ook in de uitleg
van artikel 24 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (het
recht op gezondheid) wordt verwezen?
Antwoord 11
Ingevolge het Verdrag inzake de Rechten van het Kind heeft het kind vanwege zijn lichamelijke
en geestelijke onrijpheid bijzondere bescherming en zorg nodig, zowel vóór als na
zijn geboorte. Hierbij moet schade voor de gezondheid van het kind zoveel mogelijk
worden voorkomen. Op grond van het Modelprotocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking (2017) wordt er bij een late zwangerschapsafbreking gekozen voor de, naar de stand
van de wetenschap, meest veilige en minst belastende methode voor moeder en kind,
gegeven de individuele medische achtergrond van de vrouw. Om te voorkomen dat de foetus
pijn zou kunnen ervaren bij de uitvoering van een levensbeëindiging, is in de concept
Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking opgenomen dat een foetus vooraf sedatie en pijnstilling dient te krijgen.
Vraag 12
Bent u bekend met wetenschappers die stellen dat het ongeboren kind al in een veel
vroeger stadium pijn ervaart, of dat pijn vóór 24 weken zwangerschap niet kan worden
uitgesloten?8
Antwoord 12
Ja, daar ben ik mee bekend. Zoals ik in antwoord op vraag 8 heb aangegeven, is het
vraagstuk van foetale pijnbeleving wetenschappelijk complex. Het is dan ook niet eenduidig
te zeggen wanneer een foetus wel of geen pijn ervaart.
Vraag 13
Kunt u bevestigen dat bij foetale chirurgie het gebruik van verdoving wél gebruikelijk
is, in ieder geval bij een zwangerschap vanaf 16 weken, zoals ook blijkt uit een interview
met foetaal chirurg Monique Haak?9
Antwoord 13
Navraag bij de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK) en het Nederlandse
verwijscentrum voor foetale chirurgie leert dat het gebruik van verdoving bij foetale
chirurgie inderdaad gebruikelijk is, maar niet in alle gevallen toegepast wordt.
Vraag 14
Is de praktijk van het standaard toepassen van verdoving bij foetale chirurgie verplicht
in een richtlijn? Zo ja, heeft deze richtlijn ook betrekking op chirurgische handelingen
bij zwangerschappen vóór 24 weken?
Antwoord 14
Navraag bij de NVK en het Nederlandse verwijscentrum voor foetale chirurgie leert
dat het standaard toedienen van pijnstilling aan de foetus niet voorgeschreven is
in een richtlijn en ook niet in alle gevallen toegepast wordt. Er is ook geen wetenschappelijke
consensus die maakt dat je dat kunt verplichten (zo blijkt ook uit het eerder aangehaalde
rapport van de RCOG). Soms zijn er technische omstandigheden waardoor de foetaal chirurg
het niet zal of kan geven.
Vraag 15
Klopt het dat bij abortus voor 24 weken het toedienen van verdoving niet verplicht
is?
Antwoord 15
Navraag bij het Nederlands Genootschap van Abortusartsen (NGvA) leert dat dit klopt.
Zoals mijn ambtsvoorganger eerder heeft aangegeven in antwoord op Kamervragen, is
het aan de beroepsgroep van abortusartsen om het beleid voor pijnbestrijding vorm
te geven. Richtlijnen worden door het NGvA periodiek naar de laatste stand van de
wetenschap herzien. Abortuszorg vindt altijd plaats volgens deze richtlijnen en is
zorgvuldig en van hoge kwaliteit. Bij abortusbehandelingen wordt altijd gebruik gemaakt
van een vorm van pijnbestrijding. Deze pijnbestrijding voor de vrouw bereikt ook de
placenta en het embryo of de foetus. Mogelijke foetale pijn wordt tijdens een abortus
door de pijnbestrijding aan de vrouw bestreden.10
Vraag 16
Als het zo is dat in richtlijnen voor foetale of prenatale chirurgie verdoving wél
standaard is, maar bij abortus en late zwangerschapsafbreking niet, wat vindt u daar
dan van?
Antwoord 16
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 14 heb aangegeven, is het standaard toedienen van
verdoving aan de foetus bij foetale of prenatale chirurgie niet voorgeschreven in
een richtlijn.
En zoals ik in antwoord op vraag 15 heb aangegeven, wordt ook bij een reguliere, instrumentele
abortus (tot 24 weken) altijd gebruik gemaakt van een vorm van pijnbestrijding waarmee
ook het embryo of de foetus bereikt wordt.
De concept Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking schrijft voor dat de foetus, in geval bij een late zwangerschapsafbreking foetale
levensbeëindiging wordt verricht, gesedeerd wordt en pijnstilling toegediend krijgt.
Dat vind ik een goede ontwikkeling.
Vraag 17
Hoe beoordeelt u dit verschil in het licht van het non-discriminatiebeginsel?
Antwoord 17
Artsen moeten handelen in overeenstemming met de op hen rustende verantwoordelijkheid
voortvloeiende uit de professionele standaard en de kwaliteitsstandaarden. De kwaliteitsstandaard
wordt bepaald door richtlijnen die zelf door de beroepsgroep zijn opgesteld en die
gebaseerd zijn op wetenschappelijke consensus binnen de beroepsgroep naar stand van
de wetenschap en praktijk. Er zijn verschillende kwaliteitsnormen en richtlijnen voor
foetale therapie, een zwangerschapsafbreking tot 24 weken en een late zwangerschapsafbreking.
Daarbij geldt uiteraard dat een arts gelijke gevallen gelijk moet behandelen. Het
gaat hier echter om verschillende medische verrichtingen in verschillende medische
situaties.
Vraag 18
Bent u het eens dat het kunnen voelen van pijn bij ongeboren kinderen van morele en
ethische betekenis is, ook al kunnen zij hierop niet zelf reflecteren?
Antwoord 18
Evenals de NVOG ben ik van mening dat het kunnen voelen van pijn bij ongeboren kinderen
inderdaad van morele en ethische betekenis is. Echter is, zoals ik in antwoord op
vraag 2 en vraag 8 heb aangegeven, het vraagstuk van foetale pijnbeleving wetenschappelijk
complex en is het dan ook niet eenduidig te zeggen wanneer een foetus wel of geen
pijn ervaart. Desalniettemin vind ik het een goede ontwikkeling dat in de concept
Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking wordt voorgeschreven dat de foetus, in geval bij een late zwangerschapsafbreking
foetale levensbeëindiging plaatsvindt, gesedeerd wordt en pijnstilling toegediend
krijgt.
Vraag 19
Bent u, alles overwegende, bereid om een grondige bezinning te starten op het ervaren
van pijn bij ongeboren kinderen en het (uit voorzorg) toepassen van verdoving bij
zowel abortus als late zwangerschapsafbreking?
Antwoord 19
Zoals ik in antwoord op vraag 2 heb aangegeven zijn medische richtlijnen en protocollen
van de beroepsgroep hierin leidend. Wat late zwangerschapsafbreking betreft is er
het Modelprotocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking (2017). De herziening van het protocol bevindt zich in de conceptfase. Wat abortus
betreft, verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 15.
Vraag 20
Bent u het eens dat het beëindigen van de zwangerschap na 24 weken in allerlei opzichten
dusdanig ingrijpend is, dat het eigenlijk in Nederland niet zou moeten voorkomen?
Antwoord 20
Een late zwangerschapsafbreking is een zeldzame gebeurtenis en gebeurt alleen als
het kind niet levensvatbaar is of een dusdanig ernstige afwijking heeft dat er sprake
zal zijn van uitzichtloos lijden na de geboorte. De stap om hiertoe over te gaan wordt
in alle zorgvuldigheid met ouders en behandelteam afgewogen en deze beslissing wordt
niet licht genomen. Er is sprake van een gewenste zwangerschap en ouders die deze
moeilijke beslissing nemen willen het toekomstig leed dat hun kind te wachten staat
vermijden. Ik zie geen reden om het beleid ten aanzien van late zwangerschapsafbreking
te wijzigen.
Ondertekenaars
J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.